Home | Publicaties | SERmagazine | 2005 | juli augustus 2005 | De verantwoordelijkheid voor de anderhalfverdieners

De verantwoordelijkheid voor de anderhalfverdieners

Het zijn relatieve nieuwkomers in de verzorgingsstaat die volgens sommigen al jaren in een crisis verkeert: regelingen voor verlof, loopbaanonderbreking en scholing. Overheid, werkgevers en werknemers zijn nog steeds op zoek naar hun eigen verantwoordelijkheid op deze terreinen. Samen met vakbondsmuseum De Burcht organiseerde het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies hier vorige maand een conferentie over.

Redmar Kooistra

Ooit was het overzichtelijk: vader was kostwinner, moeder deed het huishouden en de kinderen. Dat patroon hield in Nederland langer stand dan in andere Europese landen, waar vrouwen al veel eerder op grote schaal betaalde arbeid vonden. Een inhaalslag in de afgelopen decennia zorgde ervoor dat ook Nederland een samenleving werd van tweeverdieners. Of, zoals hoogleraar economie Janneke Plantenga ze noemt: de anderhalfverdieners. Want de praktijk is dat mannen vaak een volledige baan hebben en vrouwen in deeltijd werken, waarbij ze relatief ook nog eens minder verdienen.
De samenleving heeft zich nog niet aangepast aan deze nieuwe verdeling van de arbeid. De zorg voor kinderen of hulpbehoevende ouders komt in de knel. Voor scholing, die in de kenniseconomie steeds belangrijker wordt, is vaak onvoldoende tijd. Er zijn regelingen nodig die kunnen zorgen voor een nieuw evenwicht tussen de verschillende activiteiten. De levensloopregeling die het kabinet-Balkenende in het leven heeft geroepen, is een stap in die richting.
Plantenga, verbonden aan de universiteiten van Utrecht en Groningen, ziet die levensloopregeling als het eerste begin van de modernisering van het stelsel van sociale zekerheid, dat in haar benadering aan een grote revisie toe is. Dat mensen beter in staat moeten worden gesteld hun werk met andere taken te combineren, staat daarbij voor haar vast.
Maar welke rol behoren werknemers, werkgevers en overheid in dat veranderingsproces te spelen? In haar toespraak beklemtoonde Plantenga dat regelingen voor de ‘nieuwe risico’s’, zoals de kosten die zijn verbonden aan zorgtaken, een collectieve verantwoordelijkheid zijn, waaraan ook werkgevers zich niet mogen onttrekken. Tegelijkertijd vindt ze dat die regelingen niet te genereus mogen zijn. Werknemers behoren ook een eigen financiële verantwoordelijkheid te dragen. Zo kunnen de gevolgen van het krijgen van kinderen niet op anderen worden afgeschoven, maar zijn mensen daarvoor in de eerste plaats zelf aansprakelijk. Levensloopregelingen kunnen volgens Plantenga alleen effectief zijn als zij zijn ingebed in een stelsel van fiscale faciliteiten, vastgelegde rechten en dwingende voorschriften.

Schuldenlast
De crisis van de verzorgingsstaat duurt inmiddels al 25 jaar en is veel duurzamer dan lange tijd werd gedacht, concludeerde Paul de Beer al eerder op het congres. De hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam onderscheidde in dat verband drie fasen. De eerste crisis deed zich voor in de jaren zeventig en was financieel van aard. De schuldenlast van de overheid nam door het jaarlijks sterk stijgende financieringstekort in snel tempo toe en leidde tot de roep om uitgavenbeperking, die overigens pas in de jaren tachtig werd gerealiseerd.
In de jaren negentig volgde de tweede fase, waarin werd vastgesteld dat de deelname aan de arbeidsmarkt te gering was. Daarbij stond volgens De Beer de vraag centraal hoe werk weer meer lonend gemaakt kon worden. Het beleid dat daarop volgde, was naar zijn inzicht redelijk succesvol doordat de welvaartsstaat niet langer passief was, maar actief werd.
Van recente datum is de derde fase. De tekortkomingen van de welvaartsstaat die thans worden gesignaleerd, laten zien dat er geen sprake is van optimale participatie van werknemers over hun hele loopbaan bezien.
In de onderhandelingen over nieuwe CAO’s die werkgevers en werknemers deze dagen voeren, wordt verbeten gestreden om regelingen voor vervroegd uittreden zoveel mogelijk overeind te houden. Ondanks de groeiende consensus die De Beer waarneemt, is er volgens hem veel verschil van mening over de vraag: wie betaalt het. Praktisch gezien zullen overheid en sociale partners hierover tot een vergelijk moeten komen, meent hij, maar de vraag is welke verdeling van de lasten als optimaal kan worden beschouwd. Ook als de laatste oudere werknemer nog gebruik heeft kunnen maken van de VUT, keert die vraag straks natuurlijk weer terug aan de onderhandelingstafel als het om de levensloopregeling gaat.

Woningprijzen
Dat deze aspecten van de sociale zekerheid niet alleen in Nederland ter discussie staan, bewees de toespraak van de Britse hoogleraar economie Jill Rubery, die doceert aan de Universiteit van Manchester. Hoge woningprijzen in het Verenigd Koninkrijk leggen een grote financiële druk op jonge gezinnen. Hoewel veranderingen zich volgens Rubery razendsnel voltrekken, worden aan werkgevers nog altijd weinig verplichtingen opgelegd. Ook in Groot-Brittannië verkiezen de meeste vrouwen deeltijdwerk. Vaak zijn dat mini jobs met weinig sociale bescherming. Volledige banen zijn voor veel vrouwen niet weggelegd, omdat daarbij de bereidheid wordt verondersteld tot het verrichten van veel – vaak onbetaald – overwerk. Zorgtaken thuis maken dat echter onmogelijk. Haar conclusie was dan ook niet verrassend: “De sociale zekerheid speelt onvoldoende in op veranderende patronen.”

SER-bulletin juli/augustus 2005

Inhoudsopgave