Home | Publicaties | SERmagazine | 2005 | juli augustus 2005 | Samenwerken voor ontwikkeling

“Er zijn nog veel te weinig Nederlandse bedrijven in Afrika”

Ontwikkelingslanden zouden ook baat hebben bij overleg tussen werkgevers, werknemers en de overheid, zegt Agnes van Ardenne. Dat is er nu nog veel te weinig. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking signaleert dat de meeste overheden het maar lastig vinden om met andere partijen om tafel te zitten. De Nederlandse SER mag wat haar betreft ook wel wat vaker over de grens kijken.
Ze denkt er over om haar ministerie ook weer eens advies te laten vragen. En dat zou voor het eerst zijn sinds 1992.

Christel Witteveen

“Vorig jaar was ik in Bolivia”, zegt minister Van Ardenne. “De spanningen tussen werkgevers en werknemers liepen er op dat moment hoog op. Ik heb de inmiddels afgetreden president Mesa toen nog aangeboden om een overlegstructuur zoals de SER te helpen opzetten. Hij heeft helaas niet meer gereageerd. Dat is jammer want een raad waarin de sociaal-economische thema’s van een land worden besproken, is niet alleen heel goed voor de economische en sociale stabiliteit van een land, maar ook voor de politieke.”
Afgezien van Zuid-Afrika is er vrijwel geen enkel ontwikkelingsland waar overleg plaatsvindt tussen werkgevers, werknemers en de overheid. Overheden van de meeste ontwikkelingslanden vinden het maar lastig om met andere partijen om de tafel te zitten. Maar ze maken zich wel steeds drukker om het ondernemingsklimaat in hun land, constateert Van Ardenne tijdens de vele werkbezoeken die zij brengt aan ontwikkelingslanden. De minister ziet dat overheden steeds vaker bij clubs van ondernemers informeren hoe het is gesteld met het ondernemingsklimaat. “De Wereldbank publiceert jaarlijks een dik rapport met als titel Doing Business. Daarin staat precies beschreven welke problemen ondernemers in de verschillende landen tegenkomen. Dat kan zijn het aantal dagen dat het duurt om een bedrijf op te richten of het ontbreken van een betrouwbaar belastingsysteem. Nu dat zo inzichtelijk is, realiseren regeringshoofden zich dat ze aandacht aan die knelpunten moeten geven om beter te presteren.”
Om armoede te bestrijden is een goed ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden van groot belang. Althans, die opvatting delen toonaangevende instellingen die zich bezighouden met het wereldwijde armoedevraagstuk. Nederland onderschrijft de zogeheten Millennium Development Goals, die de Verenigde Naties in 2000 opstelden ter bestrijding van de wereldwijde armoede. Het aantal mensen dat honger lijdt, moet in 2015 zijn gehalveerd en alle kinderen moeten tegen die tijd minstens hun lagere school kunnen afmaken. Azië ligt prima op koers met het behalen van de doelstellingen, Afrika blijft echter ver achter.
Van Ardenne doet haar uiterste best om Nederlandse bedrijven over te halen om hun verantwoordelijkheid te nemen voor een betere wereld. Wereldwijd gaan ruim 100 miljoen kinderen helemaal niet naar school en honderden miljoenen mensen proberen dagelijks aan de armoede te ontsnappen. De meeste van hen wonen ten zuiden van de Sahara.
Van Ardenne roept daarom vooral op om meer te investeren in Afrika. “Ik zie nog veel te weinig Nederlandse bedrijven in Afrika. Het bedrijfsleven trekt naar China, India, Oost-Europa. Tot voor kort waren alle commerciële banken weg uit Afrika, gelukkig komt de Rabobank nu terug in Tanzania en Mozambique. Dat zijn hoopvolle tekenen. Ik wil graag dat bedrijven investeren in landen als Kenia, Ethiopië en Tanzania. Die zijn daar ontzettend hard nodig. In die landen is er weliswaar geen sprake van een grote koopkracht, maar het gaat wel om heel veel mensen. Die hebben behoefte aan kennis en kapitaal om banen te creëren. Alleen met voldoende werkgelegenheid kunnen we mensen uit de armoede halen.”
Tot nu toe laat het bedrijfsleven Afrika nog te vaak links liggen omdat de winstverwachtingen in groeimarkten als India en China veel groter zijn. Maar Van Ardenne wijst erop dat de groei in Afrika niet moet worden onderschat. De gemiddelde groei van Afrikaanse landen bedraagt zo’n 5 à 6 procent per jaar. Die percentages doen de groeicijfers van de meeste Westerse landen verbleken.

Missie
Soms werkt de minister samen met koepelorganisaties om het Nederlandse bedrijfsleven te bereiken. Zo werd eind vorig jaar in samenwerking met MKB-Nederland een Balkan-conferentie georganiseerd. Daar kwamen tweehonderdvijftig MKB-ers bijeen die er wel brood in zagen om activiteiten te ontplooien in landen als Bosnië, Kroatië en Albanië. Verder organiseert het ministerie handelsmissies voor ondernemers. Van Ardenne: “Ik heb laatst een missie geleid naar Oost-Afrika. Sommigen Nederlandse bedrijven zijn er al redelijk actief, maar tijdens zo’n missie ontdekken ze toch altijd weer nieuwe mogelijkheden. Ondernemers moeten gewoon naar die landen toe, dan zien ze de kansen vanzelf.”
Ondernemers in ontwikkelingslanden zijn vaak zwak georganiseerd. Nederlandse werkgeversorganisaties zouden zich hun lot best wat meer kunnen aantrekken, vindt Van Ardenne. “Ik zie geen enkel teken dat VNO-NCW en MKB-Nederland daar bezig zijn om werkgeversorganisaties te ondersteunen. En dat terwijl ze weten hoe belangrijk ze kunnen zijn om de overheid te beïnvloeden. Met Bernard Wientjes, de nieuwe voorzitter van VNO-NCW, heb ik dit onlangs besproken. Hij gaat er nu werk van maken.”
De arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden zijn weer een ander verhaal. Die houden niet automatisch gelijke tred met de ontwikkeling van de groei, weet de minister. Een blik op China volstaat om te zien hoe economische groei ten koste gaat van de werknemers. Lage lonen, het liefst nog goedkope kinderarbeid, lange werkdagen en ondertussen is het ook nog eens verboden om een vakbond op te richten.
De International Labour Organisation (ILO) stelt standaarden op waaraan landen zich dienen te houden. Die zijn niet waterdicht. Het komt regelmatig voor dat overheden in ontwikkelingslanden die standaarden hebben opgenomen in hun regelgeving, terwijl bedrijven toch kinderen aan het werk zetten en werknemers veel langere dagen laten maken dan wettelijk is toegestaan.
Hier komt de rol van de nationale en internationale vakbonden om de hoek kijken. Met protestbrieven en stille diplomatie proberen die druk uit te oefenen. Volgens Van Ardenne spelen dergelijke pleitbezorgers een ongelooflijk belangrijke rol. “In Kerala, een van de grote staten van India, is kinderarbeid vrijwel verdwenen. In deze van oudsher communistische staat heeft een actieve vakbeweging ervoor gezorgd dat kinderen in de klas zitten in plaats van in een naaiatelier.”
Maar uiteindelijk moeten ook bedrijven zelf de rechten van werknemers in de gaten houden. “Ze moeten niet langer voor een kwart eurocent per uur een kind aan het werk zetten. Over dat soort bedragen hebben we het namelijk. Bedrijven besparen met kinderarbeid op hun loonkosten, maar in feite maken ze gebruik van illegale arbeid. Ik verwacht van Nederlandse bedrijven dat ze geen kinderarbeid meer accepteren. Dan verhogen ontwikkelingslanden vanzelf de standaard op het gebied van arbeidsomstandigheden.”

Brancheorganisatie
Om de kwaliteit van ontwikkelingshulp te vergroten, hebben Nederlandse NGO’s voor ontwikkelingssamenwerking zich eind vorig jaar verenigd in de stichting Partos, een soort brancheorganisatie. Bij de oprichting deed Van Ardenne de suggestie dat de nieuwe stichting haar stem zou kunnen laten horen in de SER. De minister vindt het goed om te horen dat er inmiddels gesprekken geweest zijn tussen de SER en Partos.
“Maar Partos moet niet worden weggeschoven in een werkgroep”, stelt ze als ze vervolgens hoort dat de werkgroep Ontwikkelingssamenwerking van de SER dreigt te worden opgeheven omdat de laatste adviesaanvraag al weer uit 1992 dateert. “Partos moet gewoon een zetel krijgen in de overkoepelende commissie Internationaal Sociaal-Economische Aangelegenheden. En het is onzin dat de werkgroep wacht op een adviesaanvraag. De SER kan elke dag van het jaar advies uitbrengen, gevraagd of ongevraagd. De SER heeft een enorme traditie om nationale kwesties aan te kaarten. Waarom niet de kans benutten om ook de internationale agenda veel meer in beeld te brengen?”
Migratie is een voorbeeld van een internationaal thema waarover de SER advies zou kunnen uitbrengen, meent Van Ardenne: “Ik vind dat uitermate belangrijk. En dan met name het fenomeen braindrain, waarbij veel hoog opgeleide mensen vanwege salariëring en arbeidsomstandigheden vertrekken uit ontwikkelingslanden naar het westen. In Nederland zeggen we dan ‘hoera’ want we hebben die hoogopgeleide mensen nodig. Maar in Zambia, Tanzania en Oeganda zijn die mensen nog harder nodig om het land op te bouwen. Ik zou me kunnen voorstellen dat ik de SER over dit soort onderwerpen advies ga vragen.” 
 

Samenwerken op de opkomende markten

Er bestaan speciale programma’s om Nederlandse bedrijven te stimuleren meer te investeren in ontwikkelingslanden. Via het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM), dat momenteel openstaat voor 41 landen, kunnen Nederlandse bedrijven de risico’s van hun eerste investeringen in ontwikkelingslanden afdekken. De eerste stappen op een nieuwe markt zijn het moeilijkst. Als bedrijven eenmaal in een ontwikkelingsland actief zijn, blijken investeringen meestal prima te renderen. PSOM is erop gericht dat bedrijven samenwerking zoeken met partners in een ontwikkelingsland.
Minister Agnes van Ardenne spreekt van een ‘weergaloos succes’. Ze laat een exemplaar zien van de nieuwsbrief die de Nederlandse ambassade in Ethiopië heeft gemaakt. Daarin staat een lijst met de elf Nederlandse bedrijven die zich de laatste jaren in Ethiopië hebben gevestigd. Die zorgden soms wel voor 50 à 60 banen per bedrijf. Maar ook voor kennisoverdracht. Daar blijft het niet bij. Veel bedrijven zorgen ook voor aids-programma’s voor het personeelsleden en voor onderwijs aan hun kinderen.”
Zie www.evd.nl/dyb .
 


Over de grens (7)

De Nederlandse sociale partners kijken regelmatig over de grens. Niet alleen om te zien of ze iets kunnen leren van hun collega’s elders, ook om te helpen. In meer of mindere mate doen ze bijna allemaal aan ontwikkelingssamenwerking. In de afgelopen zes maanden keken we wat de verschillende partijen in de SER op dit terrein doen. In deze laatste aflevering is het woord aan de minister.