Mensen die voor de klas staan om les te geven of aan het bed om zorg te verlenen, zuchten onder een teveel aan regels. Met die waarneming opende premier Balkenende de conferentie ‘Goede diensten, publieke zaak’, georganiseerd door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de SER.
De professionals moeten meer ruimte krijgen, stelde hij, en de overheid moet hen niet langer voor de voeten lopen. Maar hoe moet dat in de praktijk?
Dat staat nog niet iedereen helder voor de geest.
Hanne Obbink
“Te veel regels? Je klaagt toch ook niet over de hoeveelheid namen in het telefoonboek? Als ze goed geordend zijn, is er niets aan de hand. Ik hoor steeds zeggen: we moeten niet voor elke uitzondering een regel maken. Maar het Wetboek van Strafrecht staat vol regels over moord. En dat is gelukkig een uitzonderlijke gebeurtenis.” Deze waarneming kwam van emeritus hoogleraar politicologie Herman van Gunsteren, voor een zaal vol mensen die het juist over één ding roerend eens waren: er zijn te veel regels.
Dat begon al met premier Balkenende. Die had de conferentie eind maart in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer geopend met een betoog over de berg regels waaraan maatschappelijke instellingen in het onderwijs, de zorg en de volkshuisvesting zich moeten houden. Het zijn vooral de professionals, de mensen voor de klas en aan het bed, die daaronder zuchten. De regelberg is hoog, massief en bijna ondoordringbaar, aldus de premier. Die regels maken het professionals moeilijk om te doen waar ze goed in zijn. Zij slagen er dan ook nauwelijks in om in te spelen op de wensen van de klant, en de klant is dan ook nauwelijks tevreden. “Aan beide kanten is er machteloosheid.”
Volgens Balkenende is er al sprake van een omslag in het denken over de rolverdeling tussen overheid en maatschappelijke instellingen. De overtuiging wint veld dat de overheid niet alle maatschappelijke problemen kan oplossen en dat burgers en professionals hun eigen verantwoordelijkheid hebben. “Maar de overheid moet hen dan niet voor de voeten lopen met allerlei goed bedoeld geregel. Ze moet haar handen afhouden van de werkvloer, niet langer tot in de puntjes regelen hoe een gymleraar zijn lessen invult of een loopbaanbegeleider mevrouw De Vries aan werk helpt.”
Omarmen
Precies over dit onderwerp gaat het rapport Bewijzen van goede dienstverlening, dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid eind vorig jaar uitbracht. “Dat rapport valt bij het kabinet in goede aarde”, deelde Balkenende mee. Maar WRR-lid Pauline Meurs waarschuwde meteen voor té makkelijke eensgezindheid. Onlangs spraken zij en minister De Geus op een conferentie over prestatieafspraken, iets waarover de WRR zich in zijn rapport zeer kritisch uitlaat. De Geus hield echter een vlammend betoog vóór zulke afspraken, vertelde Meurs, en concludeerde vervolgens welgemoed dat hij en de WRR volledig op één lijn zaten.
Zo eenvoudig is het inderdaad niet om het WRR-rapport te omarmen. Want in dat rapport zet de raad zich krachtig af tegen het dominante denken over de verhouding tussen overheid en maatschappelijke instellingen. Dat denken wordt overheerst door de gedachte van een soort boedelscheiding, legde Meurs uit. Bij de zoektocht naar effectieve sturing worden beleid en uitvoering, doelen en middelen van elkaar gescheiden. Maar die worden niet genoeg op elkaar betrokken. “De verhoudingen worden gedomineerd door wederzijds wantrouwen”, aldus Meurs. “Verantwoording afleggen en afrekenen zijn in deze benadering heel belangrijk. Maar het perverse gevolg daarvan is dat het er bij problemen vooral om draait wie verantwoordelijk is. Het gaat niet over hoe die problemen opgelost kunnen worden.”
De WRR pleit daarom voor het opheffen van de boedelscheiding. De professionals en hun organisaties moeten meer ruimte krijgen. Dat betekent dat de overheid moet ophouden problemen te lijf te gaan met steeds weer nieuwe regels en steeds andere bestuurlijke arrangementen, maar moet aansluiten bij wat er op microniveau, in de klas en aan het bed, gebeurt. Nu heerst de dictatuur van de middelmaat, stelde Meurs: als organisaties braaf doen wat hun van tevoren is opgelegd, kraait er geen haan naar. Dat moet anders. Vernieuwing moet worden beloond en ten voorbeeld gesteld aan anderen.
Hoe warm het WRR-rapport ook onthaald is, de omslag die erin bepleit wordt, zal niet zonder slag of stoot in de praktijk gebracht worden. Want het opheffen van de boedelscheiding gaat ten koste van zaken als transparantie en overzichtelijkheid. En dat zijn nu juist begrippen die in het debat tot nu toe een sleutelrol spelen.
Circulaires Dat laatste geldt misschien ook wel voor het SER-advies 'Ondernemerschap voor de publieke zaak'. Wat de uitgangspunten voor een nieuwe rolverdeling tussen overheid en maatschappelijke ondernemingen moeten zijn, is duidelijk beschreven. Maar hoe die in de praktijk moeten worden gebracht, staat nog niet iedereen even helder voor de geest. In dat rapport pleit de SER ervoor instellingen op het gebied van onderwijs, volkshuisvesting en zorg meer ruimte voor ondernemerschap te geven; de overheid moet slechts de doelstellingen bepalen.
“Wat schiet een basisschooldocent daar nu mee op”, vroeg voorzitter Marleen Barth van de Onderwijsbond CNV zich echter af. Volgens haar werken scholen al als ondernemingen, want
hun inkomsten zijn afhankelijk van het aantal leerlingen dat ze weten binnen te halen. Maar, voegde Barth daaraan toe, het zijn vooral de schoolbesturen die als ondernemer werken.
De professional in de klas merkt daar weinig van; de circulaires die vroeger uit Zoetermeer kwamen, komen nu van het eigen bestuur.
Het kwam haar te staan op een – opnieuw wat dwarsige – opmerking van politicoloog Van Gunsteren. Het is toch juist de taak van die besturen om hun eigen beleid uit te stippelen, stelde hij vast. “Laten we nu niet opeens alle-maal op de knieën gaan in aanbidding van de professionals.”
Het SER-advies 'Ondernemerschap voor de publieke zaak' wordt deze maand vastgesteld door de raad.