Innovatie is geen estafetterace, maar een voetbalwedstrijd. De bal moet blijven rondgaan langs alle spelers. Dat zei Frans van Vught, SER-kroonlid en lid van het Innovatieplatform, op het jaarcongres van ingenieursvereniging Kivi Niria. Maar wordt er niet te veel gepraat en te weinig gedaan, verzuchtte een andere spreker.
Wanneer gaat dat balletje nu eindelijk eens rollen?
Hanne Obbink
Marktsucces van innovatiekracht. Dat was de titel van het congres dat Kivi Niria half oktober hield in de gebouwen van de Universiteit Twente. Die titel deed prins Friso, die het congres opende, vooral denken aan alcoholvrij bier en waspoeder dat gaten in je kleren slaat. Niet elke innovatie is een marktsucces, wilde de prins maar zeggen. Om daar meteen aan toe te voegen dat dat op zich niet erg is. Wat wel zorgen baart, is dat Nederland het in het algemeen niet goed doet op het gebied van innovatie. Er is sprake van een paradox, zo schetste de prins de stand van zaken. Nederland doet het goed op het gebied van wetenschappelijke productie, maar slaagt er slecht in om nieuwe kennis toe te passen, er innovatieve producten mee te ontwikkelen en daar geld aan te verdienen.
De noodzaak om die paradox uit de wereld te helpen, staat inmiddels hoog op de politieke agenda. De bedoeling van het congres was echter om daarover nu eens niet louter zorgelijke woorden te spreken, maar om te laten zien dat er al veel gebeurt in Nederland en dat er nog meer kan. Toch overheersten in Twente nog de sombere bespiegelingen. Want Nederland staat er niet goed voor, zo herhaalde spreker na spreker de woorden van prins Friso. De cruciale vraag is nog steeds: hoe komt dat? En de vraag die daar meteen op volgt, is: wat doen we eraan?
Volgens Frans van Vught, naast SER-kroonlid ook bestuursvoorzitter van de Universiteit Twente, gaat er veel mis in de interactie tussen bedrijfsleven en universiteiten. “Die interactie wordt nog te veel beheerst door het denken in lineaire processen”, zei hij. “Ieder denkt vanuit zijn eigen hokje: de universiteit moet kennis genereren. Via een intermediair komt die kennis terecht bij het bedrijfsleven en dat ontwikkelt vervolgens een product. Maar zo werkt het al lang niet meer. Innovatie is geen estafetterace waarin de één het stokje steeds overgeeft aan een ander. Het is eerder een voetbalwedstrijd; het gaat erom de bal goed rond te laten gaan.”
Maar de grasmat is hobbelig en de spelers lopen zich slecht vrij, om Van Vughts beeldspraak te volgen. “Het is typisch Nederlands om voor elk probleem nieuwe regeltjes te bedenken. Zo is er een onoverzichtelijk tussenveld van intermediairs tussen bedrijven en universiteiten ontstaan waarin niemand de weg weet. Daar moeten we mee ophouden. Innovatie ontstaat in directe contacten. Weg met die sluizen en poortwachters, weg met dat hele tussenveld”, aldus Van Vught. En de spelers? “Bedrijven zijn weinig ontvankelijk voor nieuwe kennis. Ze zitten nog te vaak te wachten op dat estafettestokje, ze gaan niet zelf op zoek naar nieuwe ideeën. En de universiteiten zien kennisvalorisatie, het te gelde maken van kennis, niet als een belangrijke taak. Integendeel, ze doen het er zo’n beetje bij.”
Om de bal aan het rollen te krijgen, zouden om te beginnen de universiteiten meer geprikkeld kunnen worden. Beloon ze met extra geld als ze een grote bijdrage leveren aan de valorisatie van kennis, stelde Van Vught voor. Zeker voor de drie technische universiteiten is dat een goed idee. Van Vught: “Reken ons af op wat wij aan kennisvalorisatie doen, bijvoorbeeld op het aantal spin-offbedrijven die met wetenschappelijke kennis de markt op gaan.”
Afrekenen
Een goed idee? Daarvan was niet iedereen overtuigd. “Kennisvalorisatie móet, maar moeten de universiteiten en hogescholen dat doen”, vroeg bestuursvoorzitter Pim Breebaart van de Haagse Hogeschool zich hardop af. “Kennis omzetten in octrooien en beschikbaar maken voor de markt is een kostbare zaak. Voor hogescholen is dat niet haalbaar en van universiteiten hoor ik ook dat het meer kost dan oplevert.”
Breebaarts hogeschool heeft nu vier jaar ervaring met een project waarin het midden- en kleinbedrijf op weg geholpen wordt met kennis die aan de hogeschool beschikbaar is. Maar de aanvankelijke bedoeling om dat project zichzelf te laten bedruipen, is al snel uit het zicht verdwenen. Pas toen de prijs voor die hogeschoolkennis zakte naar een symbolisch bedrag, stroomden de opdrachtgevers uit het MKB binnen. Geen ramp, vond Breebaart, want het is al heel wat als een hogeschool zich met haar kennis nuttig maakt. “Laten we het liever hebben over kennisutilisatie dan over valorisatie.”
Goedkoop Ook Marco Waas, decaan van de Delftse faculteit werktuigbouwkunde en maritieme techniek, plaatste kanttekeningen. Toen hij zich ging bezighouden met het programma dat de technische universiteit op het gebied van kennisvalorisatie startte, begon hij zijn werk met een serie bedrijfsinterviews. Bedrijven zelf zien onderwijs en onderzoek als de eigenlijke taken van de universiteiten, zo bleek. “Laat de rest maar aan ons over”, zo verwoordde Waas de mening van veel bedrijven over het vermarkten van kennis. Als hartelijk worden de contacten met universiteiten niet ervaren. “Bedrijven hebben het idee: het gaat de universiteiten alleen maar om easy money”, vertelde Waas. “Zelf geven ze wel toe dat het hén vooral gaat om goedkope kennis.” En dat, voegde Waas eraan toe, is geen al te solide basis voor een goede samenwerking.
Waas, net terug uit het buitenland, besloot zijn verhaal met nog één waarneming. “Mij valt op dat er in Nederland te veel gepraat wordt en te weinig gedaan.” Die opmerking was president Jan Dekker van Kivi Niria uit het hart gegrepen. “Nederland is altijd het land geweest van de koopman en de dominee”, zei hij. “Tegenwoordig is het meer het land van de ondernemer en de beleidsmaker. Wat de visie van de beleidsmakers is, is nu wel zo’n beetje duidelijk. Het wordt tijd dat er iets gaat gebeuren.”
Het antwoord op de dalende koffieverkoop “Willy Wortels bestaan echt”, zegt Toon Peters van de afdeling research & development van Sara Lee/Douwe Egberts. Hij kan het weten, want hij heeft er zelf een paar op zijn afdeling rondlopen. Maar dat een uitvinding niet zomaar als een knipperend lampje boven het hoofd van zo’n Willy Wortel verschijnt, bewijst de geschiedenis van het koffiezetapparaat Senseo van Douwe Egberts en Philips.
De opdracht om een nieuw apparaat te ontwerpen, kwam voort uit de verkoopcijfers van koffie, vertelde Peters op het congres van Kivi Niria. De grote gezinskan koffie die op vaste tijden op tafel kwam, bijvoorbeeld rond het journaal van acht uur, was op z’n retour. De ‘één- of twee-kopmomenten’ daarentegen namen toe. Maar wie één kop koffie wil, kan ook snel iets uit de koelkast nemen. En dat was aan de koffieverkoop te merken. Peters’ mensen moesten daar iets op verzinnen. Daarnaast moesten ze voor een betere smaak zorgen. “Voller, ronder, passend bij de consumentenbehoefte aan verwennerij”, zoals Peters het omschreef.
De Senseo was het antwoord. Vijf jaar is eraan gewerkt, en dat had nog sneller gekund als eerder duidelijk was geworden hoe groot het succes ervan kon worden. “Maar ja, het duurt even voor je de raad van bestuur ervan overtuigd hebt dat er een nieuwe productielijn van een paar miljoen moet komen.” Maar een succes wérd het. Er staan in Nederland nu ongeveer drie miljoen Senseo’s.
De Senseo en de bijbehorende koffiepads bevatten een aantal door octrooien beschermde technieken. “Maar het is geen rocket science, ze zijn simpel na te maken”, vertelde Peters. De Chinese fabriek waar de apparaten gemaakt worden, deed dat inmiddels zelfs voor een andere onderneming. Douwe Egberts en Philips wachten nu met spanning de afloop van een serie rechtszaken af.
Drie patenten op één broodje Alle lichten leken op groen te staan. Steeds meer etenswaren worden buiten de supermarkt gekocht, bijvoorbeeld bij pompstations. Maar de voorverpakte broodjes daar vindt bijna niemand lekker: ze zijn vooral erg klef.
Unilever zag een gat in de markt en verzon de Bertolli-panini. Broodjes die de consument een weldadig gevoel geven, passend bij het rijke Toscaanse leven dat het merk Bertolli (olijfolie, pastasauzen) moet oproepen. De researchers van Unilever ontwikkelden een broodje dat door drie patenten beschermd wordt. “Puur natuurlijke foefjes”, vertelde Unilever-marketeer Hans Peters op het congres van Kivi Niria. “Bijvoorbeeld over hoe je tomaat op brood kunt leggen zonder dat het klef wordt.”
De verwachtingen van Unilever waren hooggespannen. Maar helaas. Gemiddeld werden er wekelijks veertig Bertolli-broodjes per verkooppunt verkocht, op een totaal van 750 voor een gemiddeld pompstation. Dat vond Unilever te weinig om een heel apparaat voor overeind te houden.
“Misschien hebben we te veel nieuwe dingen ineens gedaan”, zegt Peters. “Een nieuw product in een segment van de markt waar we niet in thuis zijn, nieuwe afzetkanalen, een nieuwe, eigen fabriek.” Maar hij geeft nog niet op. Zijn bazen staan oogluikend toe dat hij, min of meer in eigen tijd, werkt aan een Bertolli-broodje in een aangepaste vorm. “Zo gaat dat met innovaties. Je hebt altijd de fase van brass bands and firework, en altijd krijg je ook een dip. Als het makkelijk was, hadden anderen het al gedaan. Dus ik ga er maar van uit dat we dichtbij een oplossing zijn nu iedereen zijn handen ervan aftrekt.”