Home | Publicaties | SERmagazine | 2004 | mei 2004 | Hoog in het parlement

“Blij dat ik de komende jaren geen voorzitter meer ben”

Europarlementariër Theo Bouwman is bezorgd over sociaal Europa
 
In eigen land mag hij dan zo goed als onbekend zijn, in het Europees Parlement is hij dat niet. Daar is Theo Bouwman de eerste man als het om sociale zaken en werkgelegenheid gaat. De GroenLinks-politicus is op dit moment zelfs de enige Nederlander die een van de zeventien vaste commissies leidt. Bouwman maakt zich flinke zorgen over de rechten van werknemers in het groter wordende Europa.

Het zit er bijna op. Als dit interview plaatsvindt, moet Theo Bouwman nog een keer naar Straatsburg om er als voorzitter een bijeenkomst te leiden. Een grote opkomst verwacht hij niet. De Europarlementariërs die voor herverkiezing strijden, zijn terug naar hun eigen land om campagne te voeren. Na de verkiezingen blijft hij nog aan totdat zijn opvolger bekend is. Samen met Eurocommissaris Stavros Dimas zal Bouwman in juli nog de ministers van sociale zaken van de 25 EU-landen toespreken bij het begin van het Nederlandse voorzitterschap. Dat gebeurt bij elk nieuw voorzitterschap. Dimas mag de plannen van de commissie presenteren, Bouwman de visie van het parlement.
Zelf komt hij in het nieuwe parlement niet meer terug. Vijf jaar geleden had hij al gezegd dat hij maar een zittingstermijn zou meedoen. Die belofte komt nu wel goed uit. Eerlijk gezegd lijkt het hem ook een stuk minder interessant om als commissievoorzitter weer een stap terug te moeten doen naar een gewoon lidmaatschap. Gezien de machtspositie van zijn partij zou een prolongatie wel erg onwaarschijnlijk zijn.

Havens
Bouwman begint vrijwel meteen te vertellen over een project waar hij wel drie jaar mee bezig is geweest: de havenrichtlijn van Eurocommissaris De Palacio die mede dankzij zijn inzet is gesneuveld. De Spaanse commissaris voor Transport wilde de marktwerking in alle Europese havens stimuleren door te eisen dat er voor alle havendiensten meerdere aanbieders moesten komen: stuwadoors, slepers, loodsen, roeiers. Voor de Noord-Europese havens betekende dat volstrekt overbodige regelgeving, zegt Bouwman. “De marktwerking is daar al zo goed als gerealiseerd.” Volgens hem kwam Palacio vooral met het plan om de zuidelijke lidstaten in de greep te krijgen. In een vorige functie als minister voor transport in Spanje waren haar pogingen tot liberalisering van de havens stukgelopen op weerstand van de bonden. Haar ambtsgenoot in Italië was tegen soortgelijke problemen aangelopen. “Ze gebruikte Europa nu als een soort U-bocht om de bonden in de zuidelijke lidstaten er alsnog onder te krijgen.”
Bouwman was een van de leiders van het verzet tegen de plannen van Palacio. Binnen het parlement in de commissies Transport en Sociale Zaken, erbuiten via zijn contacten in onder meer de Rotterdamse haven, waar hij ooit ondernemingsraden adviseerde. “De havenwerkers zijn laat wakker geworden”, zegt Bouwman. “Maar niet te laat.” Mede onder druk van hun acties, besloot een minimale meerderheid in het parlement om tegen te stemmen. Leuk voor de actievoerders, en leuk voor Bouwman. Het verhoogde zijn status. “Zoiets wordt in en buiten het parlement gezien als een flink succes. Als je zo’n richtlijn wilt tegenhouden in een politiek klimaat dat gedomineerd wordt door liberalen en christen-democraten, moet je veel contacten hebben.”

Partijtijgers
Vijf jaar geleden was Bouwman min of meer per ongeluk in het parlement terecht gekomen. De kandidatencommissie van GroenLinks had hem op een onverwacht hoge derde plek gezet. “Ze wilden ook wel eens anderen dan de partijtijgers uit de Randstad.” Het congres zette hem een plaatsje lager, maar omdat zijn partij een goede uitslag maakte, werd hij toch gekozen.
Bij de verdeling van de portefeuilles kwam hij in twee commissies terecht waar hij wel affiniteit mee had: Transport en Sociale Zaken. Van beide onderwerpen wist hij veel omdat hij er jarenlang als consultant mee bezig was geweest. Mede daardoor viel hij snel op, ook al was dat niet alleen zijn eigen verdienste. “De meeste mensen die in de transportcommissie zitten, hebben buitengewoon weinig verstand van transport. Sommigen zijn alleen op basis van hun beroemdheid binnen gekomen. Anderen alleen op grond van algemeen politieke vaardigheden.” Toen halverwege de zittings-termijn van het parlement de voorzitterschappen van de commissies herverdeeld werden, werden Bouwman’s kennis en inzet beloond. Toen de Commissie Sociale Zaken totaal onverwacht in handen van de Groenen viel, werd hij voorzitter.

Dumping
Bouwman is blij dat het parlement nog net voor de uitbreiding van de unie een aantal richtlijnen heeft vastgesteld over bijvoorbeeld werken op hoogte, werken met trillingen en werken met elektromagnetische straling. “Die laatste had van mij nog wel wat scherper gemogen, maar ik ben blij dat die erdoor is. De nieuwe lidstaten zullen niet happig zijn om dit soort regels in te stellen. Daar gaat dan hun concurrentiepositie. Nee, de komende vijf jaar zou ik niet graag in de Commissie Sociale Zaken zitten. Dan ligt dit werk heel ingewikkeld. Je krijgt geen bal voor elkaar.”
Bouwman is niet gerust op de manier waarop Europa in de toekomst met de rechten van werknemers om zal springen. Hij is pessimistisch over het sociaal beleid en deelt dan ook niet de optimistische conclusie van het Nederlandse Centraal Planbureau dat er in Europa geen sprake is van sociale dumping. De dumping heeft volgens hem niet zozeer met de hoogte van lonen en uitkeringen te maken, veeleer is sprake van een kwalitatieve dumping.
Zo baart de positie van zelfstandigen zonder personeel hem zorgen. Er komen steeds meer van dit soort ZZP’ers en het is vaak onduidelijk of de richtlijnen over arbeidsomstandigheden ook voor hen gelden. Want zijn het werknemers of zijn het zelfstandigen? Van die onduidelijkheid is volgens Bouwman op grote schaal misbruik gemaakt. “We hebben dat zoveel mogelijk proberen te ondervangen met andere regelgeving zodat men er niet onderuit kan komen. Zo is het werken met asbest nu helemaal verboden.”
Maar wat hem vooral dwars zit, is de uitzonderingsregeling die Engeland begin jaren negentig bedong toen de arbeidstijdenrichtlijn werd vastgesteld. In de hele Europese Unie mochten werknemers vanaf dat moment in principe niet langer dan 48 uur per week werken. Alleen Engeland kreeg een opt out. “Iedereen wist dat dat toen een gebaar was voor premier Major voor zijn thuisfront,” zegt Bouwman. “Dat was iets waar hij mee thuis kon komen. Het was nooit de bedoeling dat dat structureel zou worden toegepast.” Inmiddels blijkt dat heel anders uit te pakken. Volgens Bouwman maakt een kwart van de Britse werknemers weken van meer dan 48 uur. In theorie doet iedereen dat vrijwillig, maar onduidelijk is in hoeverre die vrijwilligheid wordt afgedwongen. Werknemers moeten voor ze in dienst komen een verklaring ondertekenen waarin staat dat ze langer dan 48 uur willen werken. Weigeren kan dus betekenen dat een baan niet doorgaat.

Schunnig
De langere werktijden zorgen ervoor dat Engeland een concurrentievoordeel heeft ten opzichte van de rest van de EU. “Die opt out moet eruit,” zegt Bouwman die merkt dat regeringen van andere landen met een verlekkerde blik naar de Britse uitzonderingspositie kijken. “Als ze die overnemen, worden wij ook gedwongen om langer te werken en dat noem ik geen vooruitgang. Dan zal de verhouding tussen werk en zorg zwaar onder druk komen te staan. Bovendien moeten wij als Europa het daar op wereldniveau helemaal niet van hebben.”
Dat Europa niet beschikt over een richtlijn om uitzendwerkers te beschermen, schuift Bouwman ook in de schoenen van de Britten. De Commissie had een voorstel gemaakt naar analogie van de Nederlandse Wet Flex en Zekerheid, waarin volgens de GroenLinkser de rechten van mensen met een flexibel contract wel goed geregeld worden. De Engelsen zagen er weinig in en wisten de Duitsers achter zich te krijgen door mee te stemmen tegen de overnamerichtlijn die de Duitsers niet zagen zitten. “Dat werd gewoon uitgeruild.”
Bouwman heeft het niet op de Britten. “In Engeland stelt de positie van de vakbeweging bijna niets meer voor, er zijn nauwelijks bedrijfstak-CAO’s en pensioengeld wordt soms gewoon opgemaakt bij reorganisaties. Dat is dus dat Angelsaksische model dat men ons zo vaak door de strot probeert te duwen. Het is echt schunnig.” 
 

“De analyse achter Lissabon is verouderd”

Theo Bouwman had graag gezien dat de Europese regeringsleiders op hun voorjaarstop in Brussel de Lissabon-strategie hadden bijgesteld. Het streven om in 2010 de Verenigde Staten voorbij te streven als meest concurrerende kenniseconomie, is volgens hem aan revisie toe. De analyse achter de enorme ambities uit 2000 is volgens hem verouderd. Zo was vier jaar geleden nog nauwelijks aandacht voor de ontwikkelingen in de snel groeiende economieën van China en India. De gedachte dat de conjunctuur zou kunnen omslaan, werd vrijwel genegeerd. De krapte die vier jaar geleden in delen van de EU op de arbeidsmarkt bestond, is veranderd in een overschot aan arbeiders waardoor pogingen om achtergebleven groepen de arbeidsmarkt op te krijgen extra moeilijk worden. Bovendien vindt Bouwman het idee om de informatietechnologie te stimuleren onzin. “Daar doet de markt echt wel zijn werk.” 
 

Een bliksemcarrière in vijf jaar

Eigenlijk was bedrijfskundig ingenieur Theo Bouwman (57) per ongeluk op het Europese pluche gekomen. Erg veel politieke ervaring had hij niet. Halverwege de jaren negentig zat hij weliswaar twee jaar in de gemeente- en de regioraad van Eindhoven, maar zijn werkzame leven speelde zich vooral af in het onderwijs en het onderzoek. Bijna dertig jaar werkte hij als adviseur voor ondernemingsraden, vakbeweging en ministeries. De laatste jaren had hij een eigen bureau op het gebied van arbeid en nieuwe technologie.
Toen Bouwman zich vijf jaar geleden meldde als kandidaat voor het Europees Parlement, had hij er geen rekening mee gehouden dat hij op een verkiesbare plek zou komen. Dat gebeurde dus wel. Eenmaal gekozen werd hij lid van de Commissie Transport en plaatsvervangend lid van de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Bij de herverdeling van de voorzitterschappen van de commissies halverwege de zittingstermijn van het parlement, viel Sociale Zaken totaal onverwacht in handen van de Groenen, waartoe het Nederlandse GroenLinks ook behoort. De grote fracties, die eerst mochten kiezen, speculeerden erop dat de Groenen geen belangstelling hadden en gaven andere voorkeuren op. De socialistische oud-premier van Frankrijk Rocard stond al klaar om het voorzitterschap te bekleden zodra zijn fractie in de tweede ronde alsnog Sociale Zaken binnen zou halen. Toen dat anders liep, was Bouwman de voor de hand liggende kandidaat. Zijn partijgenoot Daniel Cohn Bendit wilde ook wel een commissie leiden, maar de Franse ex-studentenleider had alleen belangstelling voor cultuur. Bouwman: “Hij wilde niet alleen een vinger in de pap hebben van het cultuurbeleid, maar vooral Berlusconi dwarszitten tijdens het Italiaanse voorzitterschap van de Unie.”
In tweeënhalf jaar tijd van nieuwkomer tot commissievoorzitter. Dat wordt in het Europees parlement als een bliksemcarrière gezien, zegt Bouwman. “Het zou voor veel meer mensen kunnen, mits ze met hun kennis op de goede plek terechtkomen. Als je in de verkeerde commissie komt, betekent dat hard werken en val je nooit op.” Nu hij uit het parlement vertrekt, wil Bouwman zijn onderzoek- en advieswerk weer oppakken.
SER-bulletin mei 2004

Inhoudsopgave