Aan de grondwettelijke basis van de product- en bedrijfschappen hoeft niets te veranderen. Dat zij zich anders ontwikkeld hebben dan oorspronkelijk de bedoeling was, maakt daarvoor geen verschil, vindt de Leidse bestuurskundige Dijkstra.
Elke van Riel
Wat moet er gebeuren met artikel 134 van de Grondwet? Dat was de vraag waar Gerrit Dijkstra van het departement bestuurskunde van de Universiteit Leiden zich, op verzoek van de Raad voor het openbaar bestuur (Rob), onlangs over gebogen heeft. Artikel 134 vormt de formele basis voor de product- en bedrijfschappen, de SER (samen de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie) en de beroepslichamen.
“Er was geen directe aanleiding voor het advies”, zegt Dijkstra. “De Rob had van de minister van Binnenlandse Zaken het verzoek gekregen om de Grondwet tegen het licht te houden en te komen met aanbevelingen voor modernisering. Nu was gewoon hoofdstuk zeven aan de beurt.”
De Raad neemt Dijkstra’s pre-advies om de pbo een grondwettelijke basis te laten behouden over. Waarom dit zo belangrijk is? “De Grondwet geeft de hoofdlijnen van ons staatsbestel weer. Dat de openbare lichamen voor bedrijf en beroep erin genoemd worden, is een vorm van erkenning”, zegt de bestuurskundige. “Bepaalde mensen vinden dat er geen overheidslichamen mogen zijn die niet in de Grondwet genoemd worden. De PvdA heeft dat standpunt in 1997 nog in een motie verwoord. Door ze erin te laten staan, voorkom je die oude discussie.”
Derde Kamer
Artikel 134 geeft duidelijkheid, vindt Dijkstra. “Er staat ook niet dat er bedrijfslichamen moeten zijn, maar dat die er kunnen zijn. Zelfs het afschaffen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties is een mogelijkheid. Dat ze er niet per se hoeven te zijn, blijkt er ook uit dat de wet dateert uit 1922, terwijl ze pas in de jaren vijftig zijn opgericht.”
Alleen Dijkstra’s advies om de ‘overige openbare lichamen’ in een apart Grondwetsartikel te behandelen, nam de Rob niet over. “Dat is een heel technisch puntje”, relativeert hij. “Naar mijn idee zou dit duidelijker zijn, omdat het een aparte categorie is. Maar de Raad vond dat niet nodig.”
Hoewel de bedrijfslichamen in veel minder sterke mate hun bedrijfstak reguleren dan oorspronkelijk de bedoeling was, hoeft dit volgens Dijkstra geen consequenties te hebben voor de verankering in de Grondwet. “Vorige eeuw was zelfs even het idee dat het economische stelsel gedomineerd zou worden door product- en bedrijfschappen. Er is zelfs een voorstel geweest voor de oprichting van een Derde Kamer met vertegenwoordigers van het pbo-bestel.” In de praktijk hebben de bedrijfschappen zich echter vooral gericht op belangenbehartiging en voorlichting.
Ze maken echter nog steeds wel gebruik van hun bevoegdheden, al was het maar om als basis voor de verplichte heffingen te kunnen fungeren.
Midden jaren zestig waren er 56 bedrijfslichamen, begin jaren negentig waren dat er nog 35. In het kader van een discussie halverwege jaren negentig over de modernisering van deze organen, is het aantal daarna nog eens met ongeveer de helft afgenomen, voornamelijk door fusies. Momenteel zijn er nog zeventien over: elf productschappen en zes bedrijfschappen.
Ze lopen volgens Dijkstra echter geenszins op hun laatste benen. “De Hiswa is zelfs bezig om een nieuw lichaam op te richten voor de watersportbranche.”
Overigens ligt dat initiatief nu wel tijdelijk stil omdat de Tweede Kamer een moratorium heeft ingesteld. Het schappenstelsel moet eerst geëvalueerd worden voordat er nieuwe bij kunnen komen.