Nijmeegse eerstejaars verdiepen zich in de overlegeconomie
Het afgelopen half jaar hielden ze er zich mee bezig. Het poldermodel was het overkoepelende thema voor Nijmeegse eerstejaars studenten economie, bestuurskunde en politicologie. Vage noties van tevoren, krachtige stellingnames achteraf. “Een goede politicus vraagt niet bij ieder wissewasje om advies bij de SER.”
Cathalijne Boland
“Er is zoveel over het poldermodel te doen geweest. Eigenlijk was het onderwerp al uitgekauwd voor het vak begon. En dan moet je er een half jaar mee aan de slag.” Eerstejaars bestuurskunde Nienke Wind (20) was niet direct enorm enthousiast over het semester-thema poldermodel, dat ook voor de eerstejaars politicologie en economie op de agenda stond. Nienke: “Door de manier waarop we ermee bezig zijn geweest, vind ik het achteraf bezien toch wel de moeite van het bestuderen waard.”
Vooraf had ze slechts een vage notie van wat het poldermodel inhield. “Ik wist dat het met het werkgelegenheidsmirakel te maken had. Ik zag het als de typisch Nederlandse manier om met arbeidsmarktvraagstukken om te gaan. Ik wist niet dat het ook een manier van beleid maken was. Corporatisme en publiek-private samenwerking waren nieuwe begrippen voor mij.”
Eerstejaars economie Coen Groot Kormelinck (19) was op de middelbare school ook nog niet echt met het thema bezig geweest. “Er stond iets over het poldermodel in het economieboek, ergens op een paar van die bladzijden achterin.” Eerstejaars politicologie Ramon van Bavel (19) volgde de discussie over het poldermodel in de media. Hij pikte daaruit op dat polderen vooral oeverloos overleg betekende. “Doordat Fortuyn een verband had gelegd tussen Paars en het poldermodel, riep het onderwerp bij mij eigenlijk alleen maar negatieve associaties op. Dat er maar overlegd werd en overlegd werd voordat er een besluit werd genomen. Hij presenteerde dat niet als zijn mening, maar als een feit. Daarom nam ik maar aan dat het zo was. Ik die tijd hoorde je ook van andere prominenten negatieve geluiden over het poldermodel, maar dat bleek toch een beetje populistisch.”
Discussie In de syllabus die de studenten kregen, is de discussie opgenomen die in 2002 in Het Financieele Dagblad woedde tussen onder meer Nout Wellink, Hans Dijkstal, Jan Peter Balkenende, Ronald de Leij, Frits Bolkestein, Lodewijk de Waal en Pim Fortuyn. De grote begripsverwarring rond het poldermodel die uit die artikelen blijkt, leeft onder de studenten voort. Waar econoom Coen vooral aan de concrete maatregelen denkt die genomen zijn om ook kansarme groepen als laagopgeleide jongeren en 55-plus-sers aan het werk te krijgen, ziet politicoloog Ramon een specifiek overlegmodel. Bestuurskundige Nienke combineert model en de maatregelen min of meer.
“De maatregelen vloeien voort uit het model, maar zijn er geen onderdeel van”, zegt Ramon. “Het is niet zo dat het poldermodel in 1982 spontaan is ontstaan met het Akkoord van Wassenaar. Het bestond in de jaren vijftig al toen de SER is opgericht. Het gaat eigenlijk al eeuwen terug. Door het succes van de maatregelen is er veel belangstelling voor gekomen vanuit wetenschappelijke hoek, vanuit de media en van buitenlandse politici. Toen zijn maatregelen en instituties met elkaar verward.”
Sterkste punt van het poldermodel vindt hij dat je door overleg de pieken en dalen uit de sociaal-economische ontwikkelingen kunt halen. Zelf is hij niet uitgesproken voor of tegen het model. “Elk argument heeft haken en ogen.”
“Ik ben zeker niet tegen het poldermodel”, zegt Coen, redenerend vanuit de gedachte dat het model uit specifieke beleidsmaatregelen bestaat. “Als je ziet hoe het er begin jaren tachtig voorstond, hebben ze de goede maatregelen genomen. Maar je kon ook van tevoren al weten dat het model niet op lange termijn succesvol kon zijn. Doordat er vooral geïnvesteerd is in arbeid, omdat dat goedkoop was, en niet in arbeidsbesparende technieken, lopen we nu achter bij andere landen.”
Nienke noemt als belangrijkste nadeel de stroperigheid die in het overleg kan sluipen, doordat de overheid altijd eerst om advies kan vragen. “Het poldermodel kan in die zin lafheid, misschien zelfs wel laksheid in de hand werken bij politici. Dan heb je het niet over de structuur, maar over de toepassing ervan. Een goede politicus vraagt niet bij ieder wissewasje om advies bij de SER of waar dan ook.” Toch is ze wel voorstander van het overlegmodel. “Ik ben daar misschien idealistisch in, maar voor een land als Nederland is samenwerking en overleg heel belangrijk. Er is een immense verscheidenheid aan groeperingen en organisaties. Zonder overleg hoef je dat beleid niet eens te maken. Dan komt er toch niks van terecht.”
Onderwijs over de overlegeconomie Al voor het derde jaar was ‘National governance – het poldermodel’ het overkoepelende thema in het tweede semester van eerstejaars bestuurskunde, politicologie en economie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na een gezamenlijk bezoek aan de SER kregen de studenten een algemene taak: hoe kun je het Nederlandse economische succes van de tweede helft van de jaren negentig verklaren? Daarna werkten ze per discipline aan een project. Bestuurskundigen verdiepten zich in pbo’s, economen bekeken het verband tussen corporatis-me en economisch resultaat, politicologen tussen corporatisme en politiek systeem.
Lei Delsen, universitair hoofddocent economie en semestercoördinator, zou zichzelf niet direct als ambassadeur van het poldermodel willen typeren: “Dat gaat mij een beetje te ver. Ik zie mij niet als een Marco Borsato rondreizen voor het goede doel. Ik heb er wel mijn mening over, en probeer die te illustreren en te onderbouwen. Als econoom kijk ik naar de resultaten, en dan zie ik voordelen.”
Het vak wordt dit collegejaar voor het laatst in deze vorm gegeven. “Kleinschalig onderwijs is duur. Door bezuinigingen op facultair niveau gaan de semesterthema’s verdwijnen. We moeten ons weer meer vakinhoudelijk gaan profileren. De docenten zijn het erover eens dat het voor eerstejaars goed is om op de hoogte te zijn van het nationale beleid, de nationale instituties.
In een of andere vorm zal het poldermodel als thema wel gehandhaafd worden. En het bezoek aan de SER zeker.”