Home | Publicaties | SERmagazine | 2004 | juni 2004 | Verantwoording afleggen

“Regels zijn altijd van gisteren”

Een slagvaardige overheid kan niet zonder slagvaardige ziekenhuizen, woningcorporaties en scholen. Die moeten daarom meer ondernemend werken, zonder daarbij hun oorspronkelijke doelstellingen uit het oog te verliezen. Het kabinet signaleert een spanningsveld tussen die twee vereisten en heeft de SER om advies gevraagd. Willem van Leeuwen van Aedes, de vereniging van woningcorporaties, geeft alvast een voorzet.

Hanne Obbink

Maatschappelijke ondernemingen worden ze wel genoemd: private instellingen die direct betrokken zijn bij het nastreven van publieke doelen op het gebied van onder meer zorg, onderwijs en wonen. Van zulke instellingen wordt steeds meer gevraagd ondernemend te werken. Ze moeten zich kenmerken eigen maken die tot voorkort nog exclusief toegeschreven werden aan het commerciële bedrijfsleven, zoals klantgerichtheid en kostenbewustzijn. Tegelijkertijd moeten ze de verworvenheden van de publieke sector, zoals toegankelijkheid, rechtszekerheid en democratische controle, in ere houden. Dat gaat niet vanzelf, constateert minister Brinkhorst van Economische Zaken in een adviesaanvraag aan de SER. Volgens hem is er sprake van een spanningsveld.
“Er bestaat inderdaad een spanning tussen ondernemend werken en het nastreven van publieke doelen onder de klassieke regels op het gebied van verantwoording en toezicht die we uit de jaren zeventig geërfd hebben”, zegt voorzitter Willem van Leeuwen van Aedes, de vereniging van woningcorporaties. “Die spanning is onze core business . Criticasters zeggen zelfs dat woningcorporaties en ziekenhuizen en dergelijke sowieso niet in staat zijn tot een scherpe ondernemingsgewijze productie van diensten.”
Die opvatting wordt niet gedeeld door Van Leeuwen, die tevens voorzitter is van het Netwerk Toekomst Maatschappelijke Onderneming (NTMO), waarin brancheorganisaties in onderwijs, zorg en wonen samenwerken. De spanning is volgens hem wel degelijk oplosbaar. “Iedereen verwacht dat belangenorganisaties als de onze dan meteen gaan roepen dat de overheid geen regels meer mag opleggen. Dat is niet wat wij willen;
wij willen ándere regels. Geen regels die opgesteld worden door een overheid die meent te weten wat er in alle hoeken van het land moet gebeuren. Wel regels van een overheid die verantwoording vraagt. En dan niet over wat er precies gedaan is, maar over de geboekte resultaten.”
“Laat ik dat illustreren aan de hand van het huisvestingsbeleid. We moeten ervan af dat aan de Rijnstraat 8 in Den Haag ( het adres van het ministerie van VROM, red. ) bedacht wordt wat er in de Vrijheidswijk in Leeuwarden moet gebeuren. Haagse beleidsmakers zijn nog nooit in die wijk geweest. Onze corporaties wel, wij kennen die wijk. Laat ons dan uitzoeken hoe het verder moet in Leeuwarden. Natuurlijk moet de overheid wel zorgen voor waarborgen, voor een systeem van checks and balances voor de kwaliteit van het huisvestingsbeleid. Hoe beter dat systeem is, hoe meer regels er losgelaten kunnen worden. En dat is een goede zaak. Regels zijn altijd van gisteren, terwijl beleid over de toekomst gaat.”

Sublimeren
Centraal in zo’n systeem van checks and balances moet volgens Van Leeuwen het begrip benchmarking staan. Hij verwijst daarvoor naar een rapport van het Centraal Planbureau over woningcorporaties. “Maar met ‘zoek en vervang’ valt het even goed te lezen als een rapport over andere maatschappelijke ondernemingen”, zegt de Aedes-voorzitter. “Het CPB schetst twee soorten verantwoording. Het private bedrijfsleven wordt afgerekend op de markt: als een bedrijf het niet goed doet, lopen zijn klanten weg. Het publieke domein wordt gestuurd door de overheid. Of men iets efficiënt vindt of niet, wordt in feite democratisch vastgesteld. Jarenlang is het normaal gevonden dat er van elke euro in de zorg dertig cent aan bureaucratie opging. Dat we dat nu niet meer normaal vinden, is slechts een kwestie van veranderde politieke opvattingen.”
Volgens het CPB moeten maatschappelijke ondernemingen noch op private noch op publieke wijze afgerekend worden, maar kan benchmarking de marktprikkel sublimeren die zulke ondernemingen missen. “De thuiszorg loopt daarin voorop”, vertelt Van Leeuwen. “Die brengt via een systeem van benchmarking helder en transparant aan het licht welke prestaties er geleverd worden. Op het ministerie van VWS worden de gegevens die zo op tafel komen vervolgens gebruikt als beleidsinformatie op grond waarvan aan de tarieven gesleuteld wordt. Dat moet je dus niét doen, dan maak je oneigenlijk gebruik van het systeem. Dan wordt de verleiding voor thuiszorginstellingen om de gegevens in zo’n benchmark in eigen voordeel te manipuleren wel erg groot. Dan ben je dus de helderheid van je systeem kwijt.”
Daarmee is volgens de NTMO-voorzitter de belangrijkste vraag uit Brinkhorsts adviesaanvraag – hoe ziet de (nieuwe) relatie eruit tussen de maatschappelijke onderneming en de overheid? – wat Van Leeuwen betreft in grote lijnen beantwoord. “Daarnaast is het belangrijk om principes van good governance duidelijk vast te leggen”, voegt hij er nog aan toe. “Misschien moet het werk van de commissie-Tabaksblat ook vertaald worden naar ons soort ondernemingen.”

Belanghebbenden
Maar niet alleen de overheid rekent maatschappelijke ondernemingen af. Ook andere betrokkenen hebben recht op verantwoording. Hoe? Van Leeuwen ziet verschillende methoden. Eén daarvan is via openbare jaarverslagen. Wie iets op of aan te merken heeft, meldt zich dan vanzelf wel, desnoods via de pers. Wat ook kan, is belanghebbenden binnen het bedrijf halen en betrekken bij het beleidsproces. Dat proces moet dan onderworpen worden aan onafhankelijke visitaties. Van Leeuwen voelt veel voor het introduceren van een wat hij zelf noemt derde orgaan. “Een overheidsbedrijf heeft de gemeenteraad of de Tweede Kamer, een commercieel bedrijf een aandeelhoudersvergadering. Misschien moet een maatschappelijke onderneming een vergadering van belanghebbenden krijgen.”
Zijn we daarmee af van een overheid die voor elk wissewasje bestuurders van maatschappelijke ondernemingen op het matje roept? En bestuurders zelfs kan ontslaan als die bij wijze van spreken te dure toiletpotten in hun gebouw hebben laten neerzetten? “Tien jaar geleden zou ik ja zeggen”, glimlacht Van Leeuwen. “Maar ik ben inmiddels wat grijzer en ik denk nu dat emoties over dat soort zaken er nu eenmaal bij horen. Misschien is het ook niet erg, zo’n beetje reuring.”
 
 
 
Winst maken in de zorg

“De politiek zegt dat er in de zorg meer ondernemend en vraaggestuurd gewerkt moet worden. Maar als we dat doen, wordt er al snel geroepen: ‘ho even, het moet niet té ondernemend worden’. Dat is lastig. Als men van ons ondernemend gedrag vraagt, doe ik dat ook in alle opzichten.” Dat zegt bestuursvoorzitter John Bergs van de Vitalis Zorggroep, die een aantal verpleeg- en verzorgingshuizen in en rond Eindhoven uitbaat.
“Ik wil ja zeggen op elke vraag van de klant, zonder onderscheid te maken tussen zorg en particuliere dienstverlening. Dus ook als een klant mij vraagt om schoonmaakdiensten te leveren of een hondenuitlaatservice of voor mijn part bemiddeling bij het vinden van een prostituee. Ik neem die vraag serieus. Als ze ervoor willen betalen, wil ik zulke diensten graag verlenen.
“De politiek is bang dat zorginstellingen met AWBZ-geld, overheidsgeld dus, allerlei risicodragende activiteiten gaan ondernemen, in BV’tjes die failliet kunnen gaan. Ik vind dat koudwatervrees. Ik voer publieke taken uit met publiek geld, en dat is strikt gescheiden van wat ik op de particuliere markt doe. Ik maak ook winst. Daarmee kom ik in een grijs circuit terecht, want het is nog steeds bij wet verboden dat zorginstellingen winst maken. Maar hoe je het ook noemt, ik houd wel geld over. Dat geld investeer ik trouwens één op één in de zorg.
“Het is een onafwendbare ontwikkeling. De klanten laten zich niet meer met z’n vieren op één kamer zetten en laten zich niet leiden door wat het AWBZ-verstrekkingenpakket te bieden heeft. De emancipatie van de klant is niet meer terug te draaien.”
 


Misverstand in het onderwijs

“Van ons wordt nog steeds gevraagd om publieke en private taken en middelen heel stringent te scheiden. Velen hebben daar een duidelijke mening over, maar er zijn er maar weinig die er goed over nagedacht hebben. Daar heb ik last van. In de praktijk is die scheiding niet zo scherp te maken.” Dat zegt Marcel Wintels, bestuursvoorzitter van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.
“Neem alleen al de infrastructuur. Die is voor dertig procent dienstig aan marktactiviteiten en voor zeventig procent aan publieke taken. Wie denkt dat je tot op de euro kan uitsplitsen wat waaraan toegeschreven wordt, heeft geen flauw idee hoe het in de praktijk werkt. Of neem de nieuwe functie van lector. Van hem wordt enerzijds verwacht die hij naar buiten treedt en zijn waarde op de markt bewijst, anderzijds ook dat hij met die ervaringen op de markt het onderwijs verrijkt. Een mooie brugfunctie. Maar als een lector precies zou moeten bijhouden wat hij op privaat en wat op publiek gebied doet, kwam hij aan zijn echte werk niet toe.
“De vrees is steeds dat wij publiek geld in marktactiviteiten steken en daardoor het private bedrijfsleven oneerlijke concurrentie aandoen. Dat is een groot misverstand. Het geld dat wij van de rijksoverheid krijgen, gaat meer dan volledig op aan traditionele, publieke taken. Het is eerder andersom. We proberen iets over te houden op onze marktactiviteiten, en dat komt ten goede aan het gewone onderwijs.
“Het kan best zijn dat er mensen zijn die vinden dat wij hier en daar regels overtreden. Maar iemand moet ons dan maar komen vertellen welke regels precies, en ook hoe het anders kan. Want de discussie wordt veel te veel vanuit de theorie gevoerd. De praktijk ziet er anders uit.”


SER-bulletin juni 2004

Inhoudsopgave