Hoogleraar De Beer wil nieuwe rol voor vakbonden
Het is op zijn minst een opvallend voorstel. Bij zijn aantreden als hoogleraar arbeidsverhoudingen pleitte Paul de Beer ervoor dat de vakbeweging de verantwoordelijkheid voor WW en WAO naar zich toetrekt. Maar niet zoals dat in de jaren tachtig gebeurde, zegt De Beer. Bonden en werkgevers moeten de consequenties van hun eigen gedrag dragen.
Hanne Obbink
De oratie waarmee Paul de Beer officieel zijn ambt als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam aanvaardde, viel middenin de week dat de vakbonden actie voerden tegen de kabinetsplannen op sociaal-economisch terrein. Op veel mensen kwamen die acties niet overtuigend over. Commentatoren in kranten vroegen zich af of stakingen nog wel van deze tijd zijn. Toch slaagden de bonden erin om samen met de werkgevers een ‘historisch’ akkoord met het kabinet te sluiten.
De positie van de bonden is niet sterk, vindt De Beer. De Henri Polak-leerstoel die hij bezet, mag dan betaald worden door FNV, CNV en MHP, het weerhoudt hem er niet van onomwonden het woord ‘crisis’ in de mond te nemen als het om de vakbeweging gaat. “De organisatiegraad loopt terug en dat verzwakt haar onderhandelingspositie. De vakbeweging zit al jaren in het defensief. Opeenvolgende kabinetten voeren al twintig jaar een beleid waartegen de bonden zich verzetten. Al twintig jaar is dat tevergeefs. De vakbeweging loopt achter de feiten aan en moet uiteindelijk toch de gang van zaken aanvaarden. Op de richting waarin gestuurd wordt, heeft ze geen invloed. De enige functie die ze heeft, is die van een rem.”
Hoe kan de vakbeweging weer een rol van betekenis krijgen? Dat is de vraag die De Beer in zijn oratie aan de orde stelde. Niet, zoals een belangrijke stroming binnen de vakbeweging bepleit, door een soort ‘sociale ANWB’ te worden die haar individuele leden op allerlei manieren service biedt. De Beer: “De vakbeweging kan haar bestaansrecht nooit volledig ontlenen aan individuele belangen. Stel dat de vakbeweging niet zou bestaan. Dan hebben mensen ook steun nodig op het gebied van arbeid. Zouden ze daarvoor een vakbond oprichten? Welnee, ze zouden afstappen op advocatenkantoren en adviesbureaus die dergelijke diensten veel beter kunnen leveren.”
Greep De vakbeweging moet haar kracht zoeken in het opkomen voor collectieve belangen en doeleinden, stelt De Beer met overtuiging. De vakbeweging moet regelen wat individueel niet te regelen is. Daarom moet ze zich meer gaan inzetten voor rechtvaardige loonverhoudingen, werkzekerheid, zeggenschap in ondernemingen en de emancipatie van achtergestelde groepen. Zo komt de nieuwe hoogleraar ook tot zijn opmerkelijke voorstel over de organisatie van de sociale zekerheid.
“Voor alle duidelijkheid, ik wil niet terug naar de jaren tachtig”, zegt De Beer meteen. “De commissie-Buurmeijer heeft afgerekend met de manier waarop de sociale zekerheid destijds geregeld was en de rol die sociale partners daarin speelden. En terecht. Maar in die tijd waren de verantwoordelijkheden heel onduidelijk verdeeld. De overheid maakte de regels, maar werkgevers en werknemers voerden ze uit en bepaalden hoeveel mensen er bijvoorbeeld in de WAO terechtkwamen. Voor de kosten daarvan draaide ten slotte weer de overheid op. Geen wonder dat het uit de hand liep.”
De overheid mag dan inmiddels haar greep op de sociale zekerheid hebben vergroot, één belangrijk kenmerk van het oude stelsel is gebleven. Het aantal mensen dat instroomt in WW of WAO onttrekt zich aan haar invloed. “De overheid kan de drempel verhogen en de hoogte van de uitkeringen verlagen”, zegt De Beer. “En als het economisch goed gaat, lijkt dat ook altijd wel te werken. Maar als het tegenzit, neemt steevast de instroom in WW en WAO weer toe. Want het beroep dat op de werknemersverzekeringen gedaan wordt, wordt in individuele bedrijven bepaald. Uiteindelijk heeft de overheid daar nog steeds geen greep op.”
In de opzet die De Beer voor ogen ziet, wordt van die nood een deugd gemaakt. De overheid komt zo goed als buitenspel te staan. In plaats daarvan nemen vakbonden en werkgevers de verantwoordelijkheid voor de werknemersverzekeringen volledig over. Net als de pensioenen worden WAO en WW onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, waarover in CAO’s afspraken worden gemaakt. “De overheid stelt hoogstens een aantal minimumvoorwaarden vast, de rest vechten de sociale partners samen uit. Zij dragen zelf de consequenties van hun gedrag. Want als de instroom te hoog wordt, merken ze dat meteen: dan moet er meer betaald worden.”
De Beer ziet voordelen voor alle betrokkenen. De vakbeweging zal niet langer veroordeeld zijn om altijd maar weer de hakken in het zand te moeten zetten tegen haar onwelgevallige kabinetsplannen en om keer op keer nederlagen te slikken. De overheid is voorgoed verlost van een dossier dat politici en ambtenaren al decennia hoofdpijn bezorgt.
De Beer verwacht niet dat zijn ideeën vandaag of morgen door de regering zullen worden omhelsd. “In de jaren tachtig is er in de hoek van het CDA en het CNV wel over gesproken. Maar de discussie smoorde toen de economie weer aantrok en de noodzaak van ingrijpen verdween. Dat zie je steeds. De discussie komt op in slechte tijden, maar voordat die goed en wel kan worden afgerond, herstelt de economie zich weer en bloedt de discussie dood. Kabinetten zijn nu eenmaal altijd heel druk met de korte termijn. Ik hoop dat men ooit inziet dat je op deze manier wel aan de gang kunt blijven.”
Toch ziet De Beer nu wel kansen voor zijn ideeën. “Deze opzet sluit naadloos aan bij de ideologie van dit kabinet, waarbij het gaat over eigen verantwoordelijkheid. Ik zie daarom niet in welk argument het kabinet kan hebben om zich ertegen te verzetten. De sociale partners zeggen al tijden dat zij er onderling uit zijn over de WAO en dat het alleen maar aan de regering ligt dat het nog niet geregeld is. Nou, laat ze dat maar bewijzen.”
Remweg De Beer deed in zijn oratie nog een voorstel dat her en der gefronste wenkbrauwen zal hebben veroorzaakt: koppel de lonen aan de economische omstandigheden, bijvoorbeeld aan de omzet of de winst van bedrijven. Het poldermodel heeft een remweg van twee à drie jaar, betoogt hij. Als de economie inzakt, duurt het een jaar voordat dat te merken valt op de arbeidsmarkt. Pas dan gaat de werkloosheid sterk oplopen. Vervolgens duurt het nog een jaar voor de lonen worden gematigd en ten slotte nóg een jaar voordat dat doorwerkt in de werkgelegenheid. “Die loonmatiging komt er uiteindelijk altijd wel, maar het zou beter zijn als dat twee jaar eerder gebeurde”, legt De Beer uit. “Dan kun je ook voorkomen dat er werkloosheid ontstaat.”
Maar wat heeft de vakbeweging daarmee te winnen? “Die verliest onderhandelingsruimte”, geeft De Beer toe. “Dat is een duidelijk nadeel. Daar staat iets anders tegenover. De vakbeweging gaat er nog steeds van uit dat werk belangrijker is dan inkomen. Nu leidt economische tegenslag ertoe dat een klein aantal werknemers zijn baan en dus zijn volledige loon verliest. Als je het loon sneller op die tegenslag laat reageren, verliezen alle werknemers een klein beetje van hun loon, maar behouden ze hun baan. Daar móet de vakbeweging haast wel voor zijn.”
Het ultieme plan? “Ik zou het wel willen, maar ik zie het niet gebeuren”, zegt Josine Westerbeek, CNV-bestuurster met sociale zekerheid in haar portefeuille. Het idee van Paul de Beer dat de vakbeweging de verantwoordelijkheid voor WW en WAO zelf in handen moet nemen, is eigenlijk een oud CNV-idee, zegt zij. Maar de politiek heeft een andere weg ingeslagen: de rol van de vakbeweging is steeds verder teruggedrongen. “Wij zijn daar altijd tegen geweest, maar de politieke realiteit heeft ons ingehaald. Naast de SER is de Raad voor Werk en Inkomen het enige orgaan op het gebied van de sociale zekerheid waar de bonden nu nog in zitten. Daar gaat het vooral over arbeidsmarktbeleid.”
De eigen verantwoordelijkheid waar het kabinet over spreekt, ziet Westerbeek eigenlijk vooral als een modekreet. “De instrumenten om die eigen verantwoordelijkheid waar te maken, krijgen we niet. Ik zie in de politiek eerder een tegengestelde beweging: de nadruk ligt meer op de eigen verantwoordelijkheid van de wetgever.”
Haar FNV-collega Ton Heerts denkt evenmin dat de ideeën van De Beer nu het ultieme plan opleveren. “Dat beeld dat we ons steeds maar moeten verzetten tegen kabinetsplannen, herken ik en daar moeten we vanaf”, zegt Heerts. “We zien de sociale zekerheid afbrokkelen. De neiging om dan te denken: laten we het zelf maar doen, begrijp ik ook.” Maar, zegt Heerts tegelijk, “Zeker na het najaarsakkoord zie je al een nieuwe dynamiek ontstaan, met verantwoordelijkheden voor werknemers en werkgevers en publieke en private partijen.” Waar dat toe leidt, durft Heerts nog niet te zeggen. “Maar ik wil zeker het debat aanjagen.”