“Beleidseconomen zijn het tegenwoordig veel te veel eens”

Oud-directeur jarige directie blikt terug en vooruit 
 
Twintig jaar geleden speelde ze een belangrijke rol bij het no nonsense-beleid van het kabinet-Lubbers en later was ze de grote aanjager van de marktwerkingsgedachte. Over drie maanden zalde directie Algemene Economische Politiek van het ministerie van Economische Zaken haar vijftigjarig jubileum vieren. “Maar de beleidsdiscussie dreigt op te drogen”, constateert oud-AEP-er Van Sinderen. “Er moet wel nagedacht blijven worden.”

Hanne Obbink

“Het was een vrijgevochten tent. Er werkten veel net afgestudeerde economen en die wisten nauwelijks hoe de ambtenarij in elkaar zat. Die deden maar wat. Tegelijkertijd was het elke dag opnieuw zaak te overleven. Secretaris-generaal Rutten was een slavendrijver. Die belde soms om te zeggen dat ‘ie over een kwartier wegging, en waar je analyse nu bleef'. Als je die dan niet op tijd af had, was dat slecht voor je carrière. Maar ik heb er met veel plezier gewerkt.”
Dat zegt prof. Jarig van Sinderen over de directie Algemene Economische Politiek (AEP) van het ministerie van Economische Zaken. Het vijftigjarig bestaan is zeker een feestje waard, vindt men in het economieministerie. Want AEP is een bijzondere directie. In feite is het hele departement vooral een ideeënministerie, maar AEP is bij uitstek de directie die die ideeënvorming moet aanzwengelen en aan de man brengen, zoals vier vroegere AEP'ers (waaronder Van Sinderen) onlangs in het Tijdschrift voor Politieke Economie schreven. In hun artikel kenschetsen zij de directie als denktank, breekijzer en kwaliteitsbewaker binnen het ministerie. Haar invloed ontleent ze ook aan het feit dat ze het secretariaat voert van de Centrale Economische Commissie. “Dat betekent dat AEP de pen vasthoudt bij het algemene economische beleid”, zegt Van Sinderen. “Ik weet zeker dat ze nu” – het gesprek vindt vlak voor de Kamerverkiezingen plaats – “bezig zijn met een advies aan de kabinetsinformateur.”

Bloeiperiode

Van Sinderen spreekt in de verleden tijd over AEP. Hij werkte er vijftien jaar, van 1982 tot 1997, onder meer als hoofd onderzoek. Nu is hij secretaris van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Op het gevaar af versleten te worden voor een oude man die slechts nostalgisch terugblikt op vroegere, betere tijden, wijst hij de eerste helft van de jaren tachtig aan als de bloeiperiode van AEP. “In die tijd is een beperkt aantal ambtenaren van doorslaggevend belang geweest voor het economisch herstel van Nederland.”
Van Sinderen blikt terug: “Er was sprake van een enorme crisis, onvergelijkbaar met wat we nu meemaken, met een financieringstekort van acht, negen procent. Er moest iets gebeuren en bij AEP werd daar met veel creativiteit over nagedacht. Vanouds had de directie een sterke binding met de economische wetenschap aan de universiteiten. Maar als we zouden afgaan op de daar gekoesterde inzichten zou het financieringstekort zelfs nog wel hoger mogen zijn. Ombuigingen zijn slecht voor de bestedingen en dus ook voor de economie, dat was de destijds gangbare theorie.”
Bij de directie AEP werd nagedacht over ander beleid. AEP'ers hadden rondgekeken in onder meer de Verenigde Staten, waar president Reagan de economie er met zijn Reaganomics-recepten bovenop wilde helpen: verlaag de belastingen en laat de markt haar werk doen. De directie deed er ideeën op die in Nederland nog niet doorgedrongen waren. “We werden erom verguisd”, zegt Van Sinderen. Maar de directie – nota bene grotendeels bemand door PvdA-leden – vond een open oor bij haar minister, de VVD’er Van Aardenne, en CDA-premier Lubbers. “De tijd was er rijp voor. We waren toe aan een breuk met het verleden.”

Vuistregels

De invloed van de directie is nog steeds niet gering. Onder de beide paarse kabinetten was ze een belangrijke aanjager van de marktwerkingsgedachte. De beleidsregels die ze in de loop van de jaren opgesteld heeft, worden nog steeds gehanteerd. “De Zalmnorm is een typisch voorbeeld van zo’n regel”, zegt Van Sinderen. “Maar ook: laat lonen en prijzen vrij. En: beoordeel overheidsuitgaven op hun eigen merites. Nu is dat algemeen aanvaard, maar destijds besloot men bijvoorbeeld woningen te bouwen, niet omdat die nodig waren, maar om de bouw te stimuleren.”
Van Sinderen ziet ook een nadeel in zulke vuistregels. “De beleidsdiscussie is aan het opdrogen, dat is een gevaar. Het is een verkeerde opvatting dat beleidsanalyse identiek is aan vaste regeltjes. Het is ook niet zo dat je die regeltjes maar hoeft toe te passen en dat het dan vanzelf weer goed gaat. Je moet altijd blijven nadenken. Maar beleidseconomen zijn het tegenwoordig veel te veel eens. Daardoor worden veel adviezen voorspelbaar en bloedt de discussie dood.”
Daar komt volgens Van Sinderen nog iets bij: het beleidsonderzoek is verwaarloosd. Hijzelf leidde een AEP-afdeling waar vijf of zes mensen vrijgesteld waren voor onderzoek. “Dat onderzoek moest altijd een bepaalde wetenschappelijke toets kunnen doorstaan. Het moest minimaal geaccepteerd worden door Economisch-Statistische Berichten. Zonder zo’n toets bestaat het gevaar dat je onderzoek alleen maar dient om je eigen gelijk nog eens te halen.”
Beleidsonderzoek wordt echter steeds vaker uitbesteed aan private onderzoekbureaus. Dat heeft nadelen, vindt Van Sinderen. “Het is vaak niet te doorgronden of het werk van die bureaus de toets der kritiek kan doorstaan. Bovendien wordt zulk onderzoek vaak te vluchtig gebruikt. Je kijkt er eens naar en je denkt: dat ziet er wel aardig uit. Hoogstens wordt het een keer gebruikt voor een speech van een minister en dat was het dan. Ik ben er voorstander van dat een ministerie ook zelf onderzoek doet. Wie zelf onderzoek doet, promoot dat ook en zorgt er wel voor dat de minister er serieus naar kijkt.”

Vertraging

En dan nog is het de vraag wanneer zulk onderzoek handen en voeten krijgt. Want, stellen Van Sinderen en zijn co-auteurs in het Tijdschrift voor Politieke Economie: “Nieuwe ideeën vertalen zich pas met een vertraging van vijf à tien jaar in nieuw beleid.”
“Ach”, zegt Van Sinderen: “De politiek komt nu eenmaal pas in actie als het water over de schoenen begint te lopen. En niet elk wild idee moet ook meteen in beleid omgezet worden. Proefballonnetjes zijn ook goed om door te prikken, een idee moet van verschillende kanten bekeken worden en draagvlak krijgen. Dat kost tijd.”
Maar het kan ook té lang duren. Een voorbeeld? De noodzaak van innovatie. “Het wordt al jaren algemeen onderschreven dat de economische groei bepaald wordt door demografische ontwikkelingen – de gevolgen van de vergrijzing voor het arbeidsaanbod – en door de productiviteitsontwikkeling.
De productiviteit kan alleen maar omhoog door innovatie. Maar niemand zet dat op de agenda. Het ministerie van Economische Zaken zou er veel meer voor moeten gaan en AEP laat zich ook niet van haar sterkste kant zien. Iedereen zegt het, maar niemand doet er wat aan.”
SER-bulletin februari 2003

Inhoudsopgave