Home | Publicaties | SERmagazine | 2003 | december 2003 | Werken en inburgeren

“Het gaat om meer dan de taal alleen”

Migranten kunnen beter inburgeren als ze niet alleen Nederlands leren, maar tegelijkertijd ook werken of een beroepsopleiding volgen. Daarom moeten er meer trajecten van de grond komen die beide activiteiten combineren. Dat staat in het SER-advies ‘Inburgeren met beleid’ dat vorige maand werd vastgesteld. Hier en daar is met zulke duale trajecten al ervaring opgedaan.

Hanne Obbink

Er zit van alles bij: vluchtelingen uit Afghanistan en het voormalige Joegoslavië, Turken die in het kader van gezinshereniging naar Nederland komen en jongeren uit de Verenigde Staten en Canada die het leuk vinden een tijd in Nederland te werken.
Wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ze in eigen land een diploma behaald hebben in de gezondheidszorg. Dat diploma is een voorwaarde om terecht te kunnen bij SIBIO (Stichting Interculturele Bedrijfsaspecten en Intercultureel Ondernemerschap). Die stichting stoomt buitenlanders in één jaar klaar voor een baan in de Nederlandse gezondheidszorg, via een traject met drie stages.
Het traject dat SIBIO biedt, ziet er op het eerste gezicht simpel uit. Om te beginnen volgen de deelnemers gedurende drie maanden lessen waarin ze worden voorbereid op hun stages. Na die drie maanden moeten ze het staatsexamen Nederlands lezen en schrijven kunnen halen. Maar het gaat om meer dan taal, zegt SIBIO-directeur Patricia Beversluis. “Ik leer ze ook Nederlandse manieren. Hoe presenteer je je in de gezondheidszorg, hoe zit je erbij tijdens een sollicitatiegesprek?”
De eerste stage is in een verpleeghuis. De bedoeling daarvan is dat de deelnemers zich de taal eigen maken die in de gezondheidszorg gesproken wordt. De tweede en derde stage zijn veel meer gericht zijn op het beroep dat uiteindelijk uitgeoefend kan worden.
Omdat de achtergronden van de deelnemers sterk verschillen, is maatwerk erg belangrijk. “Mensen uit een land als Afghanistan hebben niet geleerd zelfstandig te studeren”, vertelt Beversluis ter illustratie. “Die zijn niet eens gewend te bellen als ze een keer niet kunnen komen.” Dat betekent ook dat de begeleiders op de stageplek goed voorbereid moeten worden. Beversluis: “Ik zorg altijd dat ik van tevoren de mensen op de werkvloer spreek. Die moeten weten dat ze niet met gewone stageairs te maken krijgen. Aan sommige stageairs moeten ze bijvoorbeeld niet vragen: wil je dit of dat doen? Ze moeten gewoon zeggen: doe dit!”

Status

Veel deelnemers moeten tijdens het traject wel even slikken. Dat begint al in het verpleeghuis. Daar doen ze werk dat ver beneden hun niveau ligt. Beversluis: “Ik vertel altijd meteen: als je taalniveau laag is, is ook het niveau van je taken laag. Het gaat tenslotte om een risicodragend vak: als je het verschil tussen vast en vloeibaar voedsel niet kent, maak je enorme brokken.”
Sommige deelnemers komen ook na het SIBIO-traject niet uit op het niveau waarop ze functioneerden in hun land van herkomst. De taal blijft vaak een struikelblok. Een verzorgend beroep ligt dan meestal wel binnen bereik. “Vooral mannen hebben het daar moeilijk mee”, zegt Beversluis. “Die rouwen nog om de verloren status die ze in eigen land hadden en verdommen het om patiënten te wassen.”
Een belangrijk knelpunt is ten slotte het geld. Omdat de aantallen deelnemers die SIBIO per gemeente trekt klein zijn, kan ze niet meedoen met de aanbesteding voor reïntegratiebedrijven en die bedrijven zelf zijn weinig geneigd SIBIO als een soort onderaannemer in te huren. Beversluis: “We hebben ongeveer negentig deelnemers per jaar. Als geld geen knelpunt was, zouden dat er wel tien keer zoveel kunnen zijn.”

Automonteur

Het Rijn IJssel College in Arnhem is ruim twee jaar geleden begonnen met een traject waarin deelnemers Nederlands leren en tegelijk opgeleid worden tot assistent-automonteur. In het programma dat een jaar duurt, is een stage van twintig weken opgenomen bij een van de filialen van snelserviceketen Kwik-Fit.
Het traject vergt nauwe samenwerking tussen de taaldocent, de vakdocent autotechniek en de stagebegeleider op de werkvloer, vertelt coördinator Marijke van Huijstee. “De problemen uit de taalles worden meegenomen naar de vakles en andersom.
De taaldocent kan de vakdocent bijvoorbeeld tips geven over hoe je iets uitlegt: dat veel herhalen goed werkt of dat je je uitleg visueel moet ondersteunen. De stagebegeleider kan op de werkvloer problemen met communicatieve vaardigheden signaleren; daar wordt dan in de lessen aan gewerkt.”
Het traject trok de eerste keer veertien cursisten: oudkomers en nieuwkomers, meestal met een uitkering en zonder beroepskwalificatie. Twaalf daarvan haalden de eindstreep, en het overgrote deel daarvan kreeg vervolgens ook – zoals de opzet was – een jaarcontract. Niet altijd bij Kwik-Fit trouwens. In de loop van het jaar bleek dat niet elk Kwik-Fit-filiaal in staat was deze bijzondere stageairs begeleiding te bieden; uiteindelijk liepen zes cursisten hun stage daarom bij een ander garagebedrijf.
“Een beginnersfout”, zegt Van Huijstee. “Op het hoofdkantoor van Kwik-Fit was men wel meteen enthousiast, maar bij een aantal filialen was de komst van onze stageairs toch een verrassing. De begeleiding vergt extra tijd die niet iedereen had. Je moet in de voorbereiding dus echt in het filiaal zelf gaan overleggen.”

Bandenspanning

Inmiddels heeft het Rijn IJssel College meer soortgelijke trajecten opgezet: op het terrein van de autotechniek, de gezondheidszorg, de installatietechniek en de handel. Maar het vinden van stageplaatsen wordt steeds meer een struikelblok. Toen de allereerste contacten met Kwik-Fit gelegd werden, zag het bedrijf het traject nog als een goede methode om personeelstekorten te bestrijden. Die tekorten zijn nu verleden tijd. Alleen in de gezondheidszorg zijn nog betrekkelijk eenvoudig stageplaatsen te vinden. “Wil je dit soort trajecten een succes maken, dan moet er eigenlijk extra geld beschikbaar komen voor stagebegeleiding”, concludeert Van Huijstee.
Dat het duale model werkt, staat voor Van Huijstee echter als een paal boven water. De cursisten vinden het heel zwaar, vertelt ze, alleen al omdat ze in de eerste fase van het traject honderden nieuwe woorden per week leren. Maar ze zijn enorm gemotiveerd. “We hadden bijvoorbeeld een cursist die in zijn land van herkomst al in een garage gewerkt had, maar op het gebied van de Nederlandse taal nog weinig vorderingen had gemaakt. Op een gegeven moment kwam in de vakles het meten van de bandenspanning aan de orde. Die cursist wist al hoe dat moest en wilde dat zelf aan zijn medecursisten uitleggen. Hij moest het uit z’n tenen halen, maar uiteindelijk lukte het hem – met handen en voeten en met die beperkte woordenschat die hij had. Hij wilde het zó graag, en daardoor ontdekte hij dat ‘ie het ook kon. Dat is natuurlijk heel goed voor het zelfvertrouwen.”