Home | Publicaties | SERmagazine | 2002 | juni 2002 | Raad voor Werk en Inkomen: Geen ideologische standpunten, maar uitvoerbare adviezen

Raad voor Werk en Inkomen: Geen ideologische standpunten, maar uitvoerbare adviezen

Na een aanlooptijd van meer dan een jaar is op 1 januari officieel de Raad voor Werk en Inkomen aan het werk gegaan. Een goedmakertje voor de teruggedrongen invloed van werkgevers en werknemers op de sociale zekerheid, zeggen sommigen. Maar wel een verstandig goedmakertje, reageert RWI-voorzitter Jan van Zijl. Volgens hem gaat de nieuwe raad iets doen wat nog niemand anders doet. “Wij willen eigenlijk geen compromissen sluiten.”

Hanne Obbink

De Nederlandse polder heeft er weer een gemaaltje bij: begin dit jaar ging de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) van start. Werknemers, werkgevers en gemeenten gaan via dit nieuwe orgaan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van advies dienen over de arbeidsmarkt.

Het was FNV-voorzitter Lodewijk de Waal die bij de officiële start van die nieuwe raad de voor meest de hand liggende vraag stelde. “Moeten we met z’n allen wel zo blij zijn?” vroeg hij zich hardop af. “Zijn er niet al genoeg instituties in de polder? We hebben toch al de SER en de Stichting van de Arbeid? Moeten we niet vooral blij zijn dat dat vreselijke Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening verdwenen is, en er nu vooral voor zorgen dat daar niks voor in de plaats komt?”
Voorzitter Jan van Zijl van de RWI schrok niet van de kritische woorden waarmee De Waal zijn toespraakje opende – en terecht, want zoals dat gaat in zulke toespraakjes sloot de FNV-man toch weer af met de gelukwensen aan het adres van het nieuwe polderinstituut. Van harte zelfs, weet Van Zijl. “Het is tenslotte ook de vakbeweging geweest die er steeds aan trok om de RWI een stevige positie te geven.”

Toch zal de raad zijn bestaansrecht nog moeten bewijzen, erkent Van Zijl. De oprichting van de RWI vloeit voort uit de nieuwe wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI), waarin het hele veld van arbeidsvoorziening en sociale zekerheid opnieuw verkaveld is. Bijna alle nieuwe organen die door de SUWI in het leven zijn geroepen, zijn ontstaan uit het samengaan van bestaande instituten. Maar voor de RWI geldt dat niet: dat is een volledig nieuw orgaan, dat zich nog een plaats in de polder moet veroveren. Her en der wordt zelfs gemopperd dat de raad niet meer is dan een ‘goedmakertje’ voor werkgevers en werknemers. De invloed van de sociale partners is door de SUWI immers flink teruggedrongen, maar via de RWI krijgen zij nu toch een stem in het kapittel.

“Ach, daar kan ik zo weinig mee”, reageert Van Zijl. Hij bestrijdt dat de RWI echt helemáál nieuw is. De oude uitvoeringsinstanties hadden ook wat adviestaken, en die dreigden door de SUWI verloren te gaan. Die adviestaken zijn nu bij de RWI ondergebracht. “Als het al een goedmakertje is, dan is het een verstandig goedmakertje, en wat is daar mis mee? De politiek dreigde op een gegeven moment te ver door te schieten in het terugdringen van de invloed van de sociale partners. Daar is ze op teruggekomen, en dat was heel verstandig. Als het gaat om werkgelegenheidsbeleid, heb je werkgevers en werknemers nu eenmaal altijd nodig, je zou wel gek zijn als je hun kennis en ervaring links zou laten liggen.”

Moeder aller organen

Maar is daar niet al de SER voor (de “moeder aller overlegorganen”, aldus De Waal in zijn toespraakje) ? Klopt, zegt Van Zijl, maar de RWI gaat iets anders doen dan de SER. “De SER adviseert voor de middellange en lange termijn, wij voor de korte. De adviezen van de SER zijn veel meer conceptueel gericht, ze moeten langetermijnbestendig zijn, de praktijk van alledag overstijgen. Onze adviezen moeten een heel ander karakter hebben. Wij willen adviezen geven die direct uitvoerbaar zijn in de praktijk en waarin ideologie geen rol speelt. We willen geen vergezichten en geen adviezen die het resultaat zijn van allerlei compromissen. Als ons dat lukt, dan doen we iets wat nauwelijks aan de SER of aan welk ander orgaan dan ook gevraagd wordt. Lukt ons dat niet, dan zal inderdaad blijken dat we overbodig zijn.”

Een kunstmatige afbakening van werkterreinen? Van Zijl vindt van niet. “Neem de WAO. Als de SER het straks eens is en de politiek het akkoord overneemt, denk dan niet dat we klaar zijn met het vraagstuk. Dan hebben we slechts de contouren van een nieuw WAO-stelsel. Dat moet vervolgens uitgewerkt worden, en dan zal er een enorm beroep worden gedaan op de uitvoeringsorganen, de verzekeraars, de centra voor werk en inkomen enzovoorts. Dáár worden wij geacht een rol in te spelen. Het SER-advies zegt trouwens weinig over het huidige bestand van WAO’ers, over de vraag hoe die weer aan het werk geholpen kunnen worden. Ook dat is typisch een werkterrein voor ons.”

Natuurlijk, zegt Van Zijl ook, er zal in de praktijk wel eens sprake zijn van overlappingen. Al meteen bij het eerste advies van de RWI leek dat het geval te zijn. Precies in de week dat er een notitie uitlekte van een SER-werkgroep over gesubsidieerde arbeid (zeg maar: Melkert-banen) werd ook een RWI-advies daarover openbaar. Volgens sommige kranten waren de beide adviezen tegenstrijdig, volgens andere juist niet, maar hoe dan ook zit het kabinet straks met twee adviezen, waar het vroeger met één toe kon.
“De verschillen zijn in sommige kranten uitvergroot”, reageert Van Zijl. “Maar in feite gaat het om hetzelfde: de SER schetst de grote lijnen, wij houden ons meer bezig met de precieze invulling. Ons beide gaat het om de modernisering van de gesubsidieerde arbeid, allebei willen we die waar mogelijk omzetten in reguliere arbeid. Maar goed, mensen als Fortuyn zullen in het verschijnen van twee adviezen wel weer een bewijs in zien van de stroperigheid van allerlei processen in het poldermodel. Ik vind een beetje tijdverlies geen ramp, als dat leidt tot beter beleid met een groter draagvlak.”

Er is nóg een reden dat Van Zijl voor zijn raad een eigen plaats ziet: in de RWI praten voor het eerst in de geschiedenis van de sociale zekerheid ook gemeenten op landelijk niveau mee. Dat lag in zekere zin voor de hand, want in de nieuwe wetgeving krijgen de gemeenten meer verantwoordelijkheid op het gebied van reïntegratie van mensen in de bijstand. Tegelijkertijd lag het ook weer niet voor de hand. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten stond in elk geval niet te popelen om mee te doen in de RWI, bang als ze was om vermalen te worden tussen twee partijen, werkgevers en werknemers, die het altijd moeiteloos eens worden als het gaat om verzet tegen de immer bemoeizuchtige overheid. Maar op grond van de ervaringen in de aanlooptijd tot de officiële start concludeert Van Zijl dat de scepsis goeddeels verdwenen is. “Het gaat veel makkelijker dan ik had verwacht.”

Soepel

De tot nu toe soepele gang van zaken heeft ook te maken met de werkwijze die Van Zijl voor ogen heeft. “We gaan niet uit van compromissen om tot een advies te komen, maar van gedeelde belangen”, zegt hij. “We moeten heel goed op de hoogte zijn van wat er speelt, ook op de werkvloer. Dan kunnen we een schets maken van een bepaalde problematiek die als vanzelf leidt tot een advies in een bepaalde richting. Kijk naar de gesubsidieerde arbeid. Werkgevers hebben daar hun eigen standpunten over, werknemers ook en gemeenten ook. Toch is het advies daarover géén compromis, in de zin van een optelsom van verschillende standpunten gedeeld door drie. Want we zijn niet uitgegaan van de verschillende standpunten, maar van ieders belangen – en dat is wat anders. Werkgevers zijn geen voorstander van gesubsidieerde arbeid, maar ze hebben wel belang bij het soepel vervullen van vacatures. Dat is de gedachte achter onze werkwijze: als je heel goed kijkt naar de verschillende belangen, heb je geen ingewikkelde compromissen nodig om het eens te worden.”

Te mooi om waar te zijn? “Ik ga er bijna zelf in geloven”, zegt Van Zijl met een lachje. Maar hij geeft, serieus weer, meteen een volgend voorbeeld: de markt van reïntegratiebedrijven. Er zijn verschillende standpunten over de vraag of die markt niet meer aan regels onderhevig zou moeten zijn. “Maar het gaat niet om die regels op zich, het belang erachter is dat van een goede prijs-kwaliteitverhouding, dáár gaat het om. Dat is een gedeeld belang van werkgevers én werknemers. Als je daarvan uitgaat, kun je vervolgens kijken hoe je de vereiste transparantie van de markt tot stand kunt brengen.”

Van Zijl weet dat de RWI niet onder het meest gunstige gesternte van start gaat. “Acht jaar geleden, bij het aantreden van het eerste paarse kabinet was het motto ‘werk, werk, werk’. Sindsdien is het arbeidsmarktbeleid een stuk lager op de politieke agenda komen te staan. Ten onrechte, want de problemen zijn nog maar voor een deel opgelost. Maar goed, ik loop lang genoeg mee om te weten dat het zo weer kan veranderen. Een vleugje economische tegenwind kan daar ook wel bij helpen. De kans op toenemende jeugdwerkloosheid acht ik bijvoorbeeld behoorlijk. Ook dat hoort tot de taken van de RWI: zorgen dat het onderwerp weer hoog op de agenda komt te staan.” 
 
 
“Geen grote stappen, gauw thuis”

Voorkom dat mensen met een uitkering er nauwelijks op vooruitgaan als ze een baan krijgen en verlaag daarom de werkloosheidspremie. Verlaag ook de kosten van kinderopvang om mensen met kinderen te stimuleren aan het werk te gaan. Geef mensen met een WAO-uitkering recht op een reïntegratieadvies en de noodzakelijke reïntegratieactiviteiten, maar verplicht hen dan ook aan het eind daarvan werk te zoeken. Verbeter de fiscale aftrek die werkgevers kunnen krijgen voor de scholing van hun werknemers. Dit is een greep uit de voorstellen die de Raad voor Werk en Inkomen doet in zijn eerste ‘beleidskader’, dat begin april openbaar werd.

De RWI gaat voortaan elk voorjaar zo’n beleidskader publiceren. RWI-voorzitter Van Zijl streeft geen stuk na waarin revolutionair nieuw beleid wordt voorgesteld, “geen grote stappen, gauw thuis”. In plaats daarvan wil hij elk jaar een goede analyse van de arbeidsmarkt bieden, met daarnaast per thema vier of vijf “slimme voorstellen”. Die voorstellen zijn gericht aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; die mag er volgens de SUWI-wet alleen “met redenen omkleed” van afwijken. Ook buiten het beleidskader om kan de RWI gevraagd en ongevraagd adviezen leveren.

Maar de nieuwe raad gaat meer doen dan alleen adviseren. Hij beheert ook een eigen subsidie, de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW). Daarvoor is in totaal negentig miljoen euro per jaar beschikbaar. Een belangrijke voorwaarde voor bedrijven om subsidiegeld te kunnen innen is dat ze projectplannen indienen waarin aan minstens veertig mensen werk kan worden geboden. Per werknemer kan een bedrijf maximaal achtduizend euro opstrijken.

De derde hoofdtaak van de RWI is het transparant maken van de reïntegratiemarkt. Op de website van de raad ( www.rwi.nl ) is inmiddels de zogeheten Reïntegratiemonitor te raadplegen, een overzicht van de ongeveer 650 bedrijven die op deze markt opereren. Deze monitor is nu nog louter beschrijvend, maar moet uitgroeien tot een soort kwaliteitskaart zoals ook de Onderwijsinspectie die maakt voor het basis- en voortgezet onderwijs. “Zet voorlopig maar duizend aanhalingstekens rond dat woord kwaliteitskaart”, zegt Van Zijl. “Want het is erg ingewikkeld om prestaties van bedrijven te beoordelen. Daarom beginnen we eenvoudig. Maar uiteindelijk willen we ook gegevens over de verhouding tussen prijs en kwaliteit opnemen.”

De nieuwe raad telt vijftien leden, netjes verdeeld door werkgevers, werknemers en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Onafhankelijk voorzitter Jan van Zijl is afkomstig uit de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. Daar was hij twaalf jaar lang lid van, de laatste jaren als vice-fractievoorzitter en woordvoerder op het gebied van sociale zekerheid en werkgelegenheidsbeleid. De raad wordt ondersteund door een secretariaat van ongeveer vijftig mensen.

SER-bulletin juni 2002

Inhoudsopgave