Home | Publicaties | SERmagazine | 2002 | februari 2002 | Productschappen en biotechnologie

“Lange termijn gevolgen biotechnologie zijn altijd onbekend”

De oplossing voor het toekomstige voedseltekort of een bedreiging van de biodiversiteit? Sinds de presentatie van het rapport van de commissie-Terlouw staat biotechnologie weer volop in de schijnwerpers. De Kamer discussieert over hoe verder, de Productschappen hebben zo hun eigen ideeën.

Thessa Bos

Vorig jaar gaf de Projectgroep Biotechnologie Productschappen het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) opdracht onderzoek te doen naar milieu- en landbouwkundige effecten van genetisch gemodificeerde soja.

De uitkomst van het onderzoek kreeg minder publiciteit dan gehoopt, maar het is een goed voorbeeld van wat de projectgroep zoal doet om haar voornaamste doel te verwezenlijken: het verschaffen van actuele en feitelijke informatie over genetisch gemodificeerde gewassen en producten aan haar achterban en aan derden. “Wij vinden het belangrijk dat er op een feitelijke manier over biotechnologie gepraat wordt,” zegt Ronald Hiel, secretaris Productschap MVO. “Het is een onderwerp waar veel emotie bij komt kijken en als je niet oplet, voeren verkeerde argumenten de boventoon. Dat willen we als projectgroep voorkomen.” Hoewel de projectgroep denkt dat biotechnologie veel mogelijkheden biedt, wil zij zich uitdrukkelijk niet profileren als promotor van biotechnologie. “Wij gunnen iedereen zijn eigen opvatting,” benadrukt de secretaris van het Productschap GZP, Matthé Elema.
“Ook binnen de productschappen wordt er verschillend tegen biotechnologie aangekeken.

Door zelf onderzoek te laten doen en de achterban en andere belanghebbenden kennis te geven van de uitkomsten van dat onderzoek, hoopt de projectgroep dat iedereen op basis van gedegen kennis zelf een afweging maakt.” Bijna vier jaar geleden werd door het Productschap Margarine, Vetten en Oliën (MVO), het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten (GZP) en het Productschap Diervoeder de Projectgroep Biotechnologie Productschappen opgericht.

“Biotechnologie is een belangrijk gemeenschappelijk aandachtsveld en aangezien onze achterbannen elkaar gedeeltelijk overlappen, leek het niet meer dan logisch om onze krachten en ervaring te bundelen,” vertelt Elema. “De projectgroep, die bestaat uit de secretarissen van de drie productschappen en een aantal beleidsmedewerkers, probeert het onderwerp biotechnologie binnen de productschappen zo effectief en efficiënt mogelijk te organiseren.”

Lange termijn

De projectgroep vindt het belangrijk relevante maatschappelijke organisaties te betrekken in haar werk. Voor het CLM-onderzoek nodigde de projectgroep enkele milieuorganisaties, de Stichting Consument en Biotechnologie, de biotechnologie-industrie en het Ministerie van Landbouw uit om het CLM-onderzoek te begeleiden. “De projectgroep en deze organisaties hebben allemaal een verschillende opvatting over biotechnologie, maar dat betekent niet dat je niet met elkaar in dialoog kunt gaan.” zegt Hiel. “Uit het onderzoek van CLM bleek dat met de teelt van genetisch gemodificeerde soja een stap voorwaarts is gezet naar een meer milieuvriendelijke landbouw. Die conclusie zal de opvatting van de milieuorganisaties niet veranderen. Wanneer het echter tot gevolg heeft dat zij inzien dat de teelt van ggo’s niet per definitie slecht is voor het milieu maar dat je er van geval tot geval naar moet kijken, hebben wij ons doel bereikt.”

Het belangrijkste argument van sommige milieuorganisaties blijft echter dat de lange termijn gevolgen voor het milieu en de gezondheid onbekend zijn.
Dat argument maakt een dialoog volgens Hiel soms moeilijk. “Van geen enkele relatief nieuwe technologie weten we wat de lange termijn gevolgen zijn. Als dat een argument is om een nieuw technologie niet verder te ontwikkelen, smoor je feitelijk elke innovatie in de kiem.” Elema voegt daaraan toe dat de veiligheid van producten nauwkeurig wordt vastgesteld: “Voordat ggo’s in het milieu en op de markt worden toegelaten, worden ze uitvoerig getest en bestudeerd. Honderd procent veiligheidsgarantie is in geen enkel geval te geven, maar als er ook maar even getwijfeld wordt aan de veiligheid van de producten, worden ze niet op de markt gebracht.”

Maatschappelijk debat

Begin dit jaar presenteerde de commissie-Terlouw haar rapport naar aanleiding van het maatschappelijk debat over eten & genen. Uit het rapport bleek dat de consument zich niet zozeer zorgen maakt over de lange termijn gevolgen, maar dat hij eerder vraagtekens zet bij het nut en de noodzaak van plantaardige biotechnologie. Dit in tegenstelling tot de Amerikaanse consument, die geen enkel bezwaar heeft tegen ggo’s. “Voor de teelt van genetisch gemanipuleerde soja en maïs worden minder bestrijdingsmiddelen en minder milieubelastende middelen gebruikt dan bij de teelt van reguliere soja en maïs. Voor producenten en consumenten in landen waar ggo’s geteeld worden, is het nut dus evident. In Nederland zijn de voordelen nog niet zo zichtbaar,” aldus Hiel. “Het zou anders zijn wanneer een genetisch aangepast product de consument ook kwalitatieve voordelen biedt,” vervolgt Elema. “Maar behalve de gouden rijst (een rijstsoort die het tekort aan vitamine A bij miljoenen ondervoede mensen zou moeten verminderen- ThB) bestaan die voorbeelden nog niet.” Ook een gezaghebbende voedselautoriteit zou het vertrouwen van de consument in ggo’s kunnen beïnvloeden. Een van de redenen dat de Amerikaanse consument niet twijfelt aan de veiligheid van plantaardige biotechnologie, is het gezag van de Food and Drug Administration. Hiel: “Het is belangrijk dat de consument vertrouwen heeft in instanties die zich met biotechnologie bezighouden, zoals de overheid. De Commissie-Terlouw heeft gesteld dat dat vertrouwen onvoldoende is en pleit daarom voor een voedselautoriteit. Dat Brussel nu in recordtempo een dergelijk instituut opricht is niet alleen positief voor de plantaardige biotechnologie, maar voor de voedselveiligheid in het algemeen.”

Vraag

De terughoudendheid van de consument was voor zaadbedrijf Advanta een van de redenen om begin dit jaar te stoppen met gengewassen. In de Volkskrant zei het bedrijf dat ‘Terlouw nog eens aangeeft dat er geen perspectief is voor het product dat ze proberen te ontwikkelen’. Elema: “Je kunt als bedrijf wel blijven investeren, maar op een gegeven moment houdt het gewoon op. Op de markt heerst nu eenmaal de wet van vraag en aanbod, hoezeer je ook zelf in je product gelooft.” Hiel: “De consument hoeft biotechnologie heus niet te zien als het antwoord op alle problemen. Maar het is wel, net als geïntegreerde- en biologische landbouw, een vorm van landbouw die een bijdrage kan leveren aan een duurzame landbouw en verhoging van de voedselproductie. We zouden het heel zonde vinden als deze technologie bij voorbaat wordt afgeschreven, maar beseffen heel goed dat onze achterban afhankelijk is van de vraag. Het is aan het bedrijfsleven om met producten te komen waar het publiek de nut en noodzaak van inziet en op die manier een markt te creëren. Dat is een proces wat de komende jaren vorm moet krijgen.”

Overheidsbeleid

Naast de mening van de consument speelt ook het overheidsbeleid een belangrijke rol in de ontwikkeling van gengewassen. De projectgroep volgt het beleid van de Nederlandse en de Europese overheid daarom zeer actief. “We anticiperen en reageren op beleidsvoorstellen, maar doen ook zelf voorstellen,” vertelt Hiel. “Biotechnologie raakt de hele keten en is dus bij uitstek een onderwerp waar productschappen op beleidsniveau over moeten meepraten.” Elema voegt daaraan toe dat het een traditionele taak is van de productschappen om de expertise van het schap aan de overheid aan te bieden. “De deskundigheid over uiteenlopende vraagstukken als etikettering, traceerbaarheid van ggo’s en gescheiden stromen zit bij het bedrijfsleven. Als productschap kunnen wij de deskundigheid van ondernemers en de werknemers organiseren en bieden we een platform om samen over dergelijke vraagstukken te praten en een gemeenschappelijke zienswijze te ontwikkelen.” Tot nu toe lopen de biotechbedrijven vaak tegen de lamp waar het overheidsbeleid betreft. Veldproeven met gengewassen zijn voor de bedrijven erg belangrijk, maar minister van Milieu, Pronk, heeft sinds zijn aantreding nagenoeg geen aanvragen goedgekeurd. “Het huidige overheidsbeleid is inconsistent. Minister Jorritsma van Economische Zaken probeert biotech bedrijven te stimuleren door subsidie beschikbaar te stellen, terwijl minister Pronk geen vergunningen verleent voor veldproeven,” zegt Elema. “Ook het beleid van de Europese overheid is niet echt een stimulans geweest voor de ontwikkeling van biotechnologie,” vervolgt Hiel. “Vanaf 1998 is, ondanks de positieve wetenschappelijke adviezen, geen enkele aanvraag voor de teelt van ggo’s op commerciële schaal toegestaan. Als dat zo doorgaat, zullen steeds meer commerciële bedrijven het laten afweten.”

Toekomst

Toch denkt de projectgroep dat er wel degelijk een toekomst is weggelegd voor plantaardige biotechnologie. Hiel: “Vorig jaar hebben we een symposium georganiseerd waar met uiteenlopende partijen is gesproken over de vraag welke toekomst men ziet voor de biotechnologie. Een eenduidig antwoord werd niet gevonden, maar het bleek dat veel partijen verwachten dat de rol van biotechnologie binnen de voedingskolom de komende tien jaar veel groter zal worden.” Ook de Nederlandse overheid lijkt in te zien dat er over de toekomst van biotechnologie moet worden nagedacht. In de Kamer wordt de Integrale beleidsnota Biotechnologie van de Tijdelijke Kamercommissie Biotechnologie besproken. De projectgroep heeft de nota positief ontvangen, al wordt het belang ervan door Hiel gerelativeerd: “Natuurlijk is het goed dat er in de kamer wordt gesproken over een eenduidig beleid, maar belangrijker is wat er op Europees niveau gebeurt.

Alle bedrijven uit onze achterban opereren tenslotte op Europese- en wereldmarkten.” Het in januari verschenen beleidsvoorstel over biotechnologie van de Europese Commissie vinden de secretarissen daarom hoopgevender. “In de EC begint onrust te ontstaan over de concurrentiepositie van de EU op het gebied van biotechnologie. Het besef begint door te dringen dat het feit dat de EU zo hard op de rem trapt, de concurrentiepositie ten opzichte van Amerika en Azië geen goed doet,” legt Hiel uit. “Het zou heel positief zijn wanneer deze onrust leidt tot concrete veranderingen. Want nogmaals, plantaardige biotechnologie is slechts een van de mogelijkheden, maar het is wel een belangrijke mogelijkheid. Het zou zonde zijn om die niet te benutten.” 
 

Reactie projectgroep op Terlouw

In haar rapport stelt de commissie-Terlouw dat de teelt van genetisch veranderde gewassen in Nederland in veel gevallen onmogelijk is. Volgens de projectgroep is het algeheel teelverbod waarmee hierop aangestuurd lijkt te worden, niet realistisch. “De toelatingsprocedures van genetisch gemodificeerde gewassen worden vanuit Brussel geregeld. Een Nederlands verbod zou van Nederland een soort eilandje maken. En daarbij, wanneer omliggende landen wel ggo’s gaan telen, zullen opstuivende zaden echt niet stoppen bij de grens. De Nederlandse grens is een landgrens, geen pollenbarrière,” aldus de projectgroep. Ook bij het voorgestelde etiketteringsysteem van de commissie-Terlouw zet zij haar vraagtekens. Zij twijfelt aan de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van het systeem. De aanbevelingen om te komen tot betere publiekscommunicatie en een Voedselautoriteit worden wel onderschreven door de projectgroep.



SER-bulletin februari 2002

Inhoudsopgave