Home | Publicaties | SERmagazine | 2001 | september 2001 | Moderne en betaalbare pensioenen

Moderne en betaalbare pensioenen

2001 lijkt wel het jaar van de pensioenen. De SER adviseerde de staatssecretaris van sociale zaken over de nieuwe Pensioenwet, en de Stichting van de Arbeid stelde een nieuwe agenda op voor het decentrale pensioenoverleg. Negen vragen over de oudedagsvoorziening.

Lourens Kluitenberg

De SER heeft advies uitgebracht over de nieuwe Pensioenwet aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Waarom is die nieuwe pensioenwet nodig?

De huidige Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) dateert uit 1952 en is aan herziening toe. De wet werd afgelopen jaren regelmatig aangepast, maar dat ging ten koste van de systematiek van de regelgeving. Bovendien wil het kabinet de pensioenwet moderniseren. Het tot stand brengen van de Nieuwe Pensioenwet is behalve een technisch-juridische aangelegenheid ook een mooie kans om inhoudelijk orde op zaken te stellen. De SER bracht afgelopen voorjaar advies uit over enkele belangrijke onderdelen van het kabinetsvoorstel.

Wat zijn de highlights van het SER-advies?

De SER vindt dat de zogeheten witte vlek moet worden verkleind. Die witte vlek bestaat uit werknemers die geen aanvullend pensioen opbouwen.
Dat komt omdat de werkgever geen pensioenregeling kent of omdat de desbetreffende werknemer niet deelneemt aan de bestaande pensioenregeling. Uit een onderzoek uit 1996, in opdracht van de SER en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bleek dat de witte vlek in dat jaar ongeveer 9 procent van de werkzame beroepsbevolking bedroeg. De vlek is dynamisch en verandert door de jaren heen qua omvang en samenstelling. In 1985 had nog ruim 17 procent geen pensioenvoorziening.

De kern van de witte vlek ligt op een lager niveau (1996: 7,7 procent). Dat betreft de werknemers van wie het ongewenst wordt geacht dat ze geen pensioenvoorziening hebben. Het gaat dan vaak om personeel met een los dienstverband, zoals uitzendkrachten. Tot de kern worden eveneens alle flexibele contracten gerekend. Ook veel vrouwen maken deel uit van deze witte vlek. Ze werken vaker in kleine deeltijdbanen (minder dan 12 uur), op oproepbasis of met een tijdelijk contract. Het arbeidspatroon van vrouwen is in de praktijk minder gunstig voor het opbouwen van een aanvullend pensioenen.
Verder blijkt uit het onderzoek dat vooral kleine bedrijven geen pensioenregeling voor hun personeel kennen. Van de zogeheten witte werkgevers heeft 84 procent minder dan 5 werknemers in dienst. Overigens hoeft niet in alle gevallen sprake te zijn van een maatschappelijk ongewenste situatie. Zo kan iemand die vanwege een wachttijd als ’te kort in dienst’ wordt aangemerkt, daarna alsnog aan de pensioenregeling gaan deelnemen. In sommige gevallen zelfs met terugwerkende kracht.
Over de witte vlek bestaan geen recentere gegevens. Wel is bekend dat sinds 1996 uitsluitingsgronden, wachttijden en toetredingsleeftijden in pensoenrege-lingen minder vaak voorkomen.

Wat wil de SER doen om de witte vlek te verkleinen?

De SER stelt voor om werkgevers die helemaal geen aanvullende pensioenregeling hebben, te stimuleren wel een pensioen te regelen voor hun personeel. De raad vindt dat er een speciale bepaling in het Burgerlijk Wetboek moet komen. Deze nieuwe regel bevordert dat er in elke individuele arbeidsovereenkomst een pensioenparagraaf wordt opgenomen. Daarin staat expliciet aangegeven of de werknemer ‘al dan niet’ aan een pen-sioenregeling gaat deelnemen.
Het kabinet wil bestaande pensioenregelingen een algemene werking geven. Een werkgever die sommige van zijn werknemers een aanvullend pensioen verstrekt, mag dan niet langer andere personeelsleden uitsluiten van zo’n regeling. Maar de SER vindt dat een stap te ver. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde en het verkleinen van de witte vlek moet daarom plaatsvinden via arbeidsvoorwaardenoverleg, aldus de raad. Uitgangspunt voor de SER en de Stichting van de Arbeid is dat iedere werknemer een aanvullend pensioen opbouwt. Om zicht te houden op de omvang en samenstelling van de vlek moet er volgens de SER en de Stichting van de Arbeid vaker onderzoek worden gedaan.

Wat adviseert de SER nog meer?

De raad zegt dat er duidelijkheid moet komen over de wijze van indexeren. Bij een goede pensioenregeling hoort tevens een deugdelijk indexatiebeleid. De meeste pensioenen kennen wel een bestendige indexatie. Maar de SER vindt dat er in het pensioenreglement ook een bepaling moet staan waarin het gevoerde indexeringsbeleid wordt uitgelegd.
Verder is de SER voorstander van het verplichtstellen van een opdrachtbrief. Een dergelijk document bevat alle afspraken over de pensioenregeling tussen sociale partners en pensioenfonds. Het gaat om zaken als het indexeringsbeleid, het premiebeleid, het beleid bij vermogensoverschotten of tekorten enzovoorts. De opdrachtbrief maakt de verhouding tussen de werkgever en het pensioenfonds helder. Daarnaast vergroot het de doorzichtigheid van de pensioenregeling voor alle belanghebbenden.

Aanvullende pensioenen zijn volgens de sociale partners een arbeidsvoorwaarde. De overheid dient te zorgen voor het basispensioen, oftewel de Algemene Ouderdoms Wet (AOW). Werknemers moeten op decentraal niveau, in ondernemingen en bedrijfstakken, zelf met hun werkgevers onderhandelen over de hoogte van het aanvullend pensioen. Denken politici daar ook zo over?

De sociale partners vinden dat politici zich niet met aanvullende pensioenen moeten bemoeien. Daarom heeft de Stichting van de Arbeid een kritische brief naar de Kamerleden Schimmel (D66) en Depla (PvdA) gestuurd. Die hebben een initiatiefvoorstel ingediend om enkele onderdelen van het aanvullend pensioen wettelijk vast te leggen. Ze willen het aanvullend pensioen voor iedere werknemer verplicht stellen. Daarnaast stellen ze voor om de pensioenen wettelijk te indexeren.

Bij de Stichting zijn werkgevers en werknemers principieel van mening dat politici zich niet moeten bemoeien met de inhoud van arbeidsvoorwaarden. Dat is de verantwoordelijkheid van de sociale partners. Bovendien zien werkgevers en werknemers ook praktische bezwaren in bemoeienis van bovenaf.
Nederland scoort in vergelijking met andere EU-landen hoog op pensioengebied, schrijft de Stichting in zijn brief aan de Kamerleden. De deelname van werknemers in aanvullende pensioenen ligt ver boven het Europese gemiddelde. Ook de kwaliteit van de pensioenvoorziening laat weinig te wensen over, aldus de sociale partners. Weinig reden dus om wettelijk in te grijpen in de aanvullende pensioenregelingen. De vrijwillige weg om de witte vlek te elimineren is de beste, stelt de Stichting in zijn brief.

Waar houdt de STAR zich mee bezig als het om pensioenen gaat?

De Stichting heeft aanbevelingen gedaan voor het zogeheten decentrale overleg. Werkgevers en werknemers onderhandelen per onderneming of bedrijfstak over arbeidsvoorwaarden en dus ook over de arbeidsvoorwaarde pensioen. De geactualiseerde aanbevelingen van de STAR gaan over zaken als kostenbeheersing, de bestrijding van de witte vlek en het niveau van de franchise.
In 1997 deed de Stichting ook al aanbevelingen. Dat resulteerde in een pensioenconvenant tussen het toenmalige kabinet en de Stichting. Uit een onderzoek onder auspiciën van de SER dit voorjaar bleek dat die aanbevelingen op grote schaal zijn opgevolgd. Zo zijn bijvoorbeeld de pensioenkosten de afgelopen drie jaar niet gestegen. Verder is de toegang tot aanvullende pen-sioenregelingen verbeterd.

Hoe zit het ook al weer met die franchise? Die is toch vaak gebaseerd op het AOW-inkomen dat een echtpaar geniet?

Dat klopt. De franchise is het deel van het pensioen waarin de AOW moet voorzien. Over dit bedrag hoeft de pensioenspaarder geen premie te betalen. Oude pensioenregelingen gingen uit van een franchiseniveau dat gebaseerd was op de AOW-uitkering voor een echtpaar.
Inmiddels is het klassieke arbeidspatroon waarin de man de enige kostwinner was, grotendeels achterhaald. Ook veel vrouwen zijn gaan werken. Een hoge franchise is nadelig voor tweeverdieners en alleenstaanden met lagere- en middeninkomens. Daarom adviseert de STAR om de franchise af te stemmen op het profiel van de deelnemers.

Pensioenen staan al met al volop in de aandacht. Hoe belangrijk is die oudedagsvoorziening eigenlijk?

Het gaat om heel veel geld. Ruwe schattingen tonen aan dat de Nederlandse pensioenfondsen zo’n duizend miljard gulden in kas hebben. Ongeveer vijf miljoen werknemers sparen voor hun oudedagsvoorziening. Ze dragen maandelijks geld af aan pensioenfondsen die dat ondermeer beleggen in aandelen, obligaties en liquide middelen. De pensioenfondsen hebben afgelopen jaren goed geboerd. De beleggingsresultaten waren beter dan ooit tevoren en de lage inflatie zorgde voor een waardevast pensioen.
Maar sinds de beursresultaten vorig jaar kelderden, lopen de inkomsten bij veel fondsen fors terug. Terwijl men verwacht dat de uitgaven de komende jaren zullen stijgen.

Die pensioenfondsen hebben blijkbaar enorme reserves opgebouwd. Ze kunnen toch wel tegen een stootje?

Ze zullen niet snel failliet gaan. Maar de fondsen houden wel degelijk rekening met minder rooskleurige tijden. De inflatie is in Nederland afgelopen jaar sterk gestegen en dat doet de relatieve waarde van de reserves afnemen. Bovendien verwacht men dat Nederlanders gemiddeld steeds ouder worden.
Daardoor neemt het aantal jaren waarin 65-plussers een beroep doen op een pensioenuitkering, toe: het zogeheten lang-leven risico. Kortom: de inkomsten nemen af en de uitgaven gaan stijgen.

  • SER-Advies nr. 01/06 : Nieuwe Pensioenwet
  • STAR-aanbeveling nr. 01/05 : Moderne en betaalbare pensioenen voor alle werknemers : Geactualiseerde agenda met aanbevelingen voor het decentrale pensioenoverleg voor de komende jaren


SER-bulletin september 2001

Inhoudsopgave