Home | Publicaties | SERmagazine | 2001 | oktober 2001 | Oude Fusiecode gaat opgesplitst verder

Oude Fusiecode gaat opgesplitst verder

De SER-Fusiecode is vanaf 5 september vervangen door de nieuwe Fusiegedragsregels 2000. De werkingssfeer is uitgebreid, maar nog steeds zijn fuserende partijen niet verplicht van de regels gebruik te maken. “Het had erg voor de hand gelegen om de nieuwe gedragsregels een wettelijke basis te geven”, vindt SER-beleidsmedewerker Hans Hoyinck.

Lourens Kluitenberg

De Fusiecode is niet meer. De afspraak uit 1970 werd begin september van dit jaar vervangen door de Fusiegedragsregels 2000. De oude code was in het leven geroepen om werknemers en aandeelhouders van bedrijven een bescherming te bieden tegen de gevolgen van overnames. Vanaf de tweede helft van de jaren zestig kwam menig Nederlands bedrijf als gevolg van een fusie of een bedrijfssanering in andere handen. Dat pakte niet altijd gunstig uit voor de werknemers en aandeelhouders. Personeel stond soms zomaar op straat en aandelen bleken plotsklaps niks meer waard. Daar moet verandering in komen, dachten ze bij de SER. Daarom ontwierp en aanvaardde de raad de Fusiecode, waarin speciale regels stonden ter bescherming van de belangen van aandeelhouders en werknemers, in fusietaal ook wel de factoren kapitaal en arbeid genoemd.

De code verplichtte de fuserende ondernemingen om aan de betrokken vakorganisaties en aandeelhouders informatie te verstrekken over de achtergronden van de voorgenomen samenvoeging. Duidelijk moest worden gemaakt wat de economische, juridische en sociale motieven waren om tot een fusie te komen. De vakorganisaties kregen vervolgens de kans om zich over de plannen uit te spreken. De opzet van de procedures van de fusiecode bracht met zich mee dat vakbondsbestuurders dikwijls de beschikking kregen over zeer vertrouwelijke gegevens. In veel gevallen moesten zij zich daarbij houden aan de geheimhoudingsplicht.

Voldongen feiten
Hans Hoyinck, secretaris van de Geschillencommissie Fusiegedragsregels, legt uit dat een fusie vaak een ingrijpende gebeurtenis is. Daarom moesten werknemers en aandeelhouders de mogelijkheid krijgen hun zegje te doen vóórdat het besluit tot fusie wordt genomen. “Logisch, want meepraten over voldongen feiten is niet wat de SER onder medezeggenschap verstaat. De Fusiecode bevatte daarom vooral regels van procedurele aard”, aldus Hoyinck. “Er stond bijvoorbeeld in vermeld op welke manier en in welk stadium de vakbonden inhoudelijk konden meepraten over de fusieplannen.”
Volgens hem kijken de vakbonden daarbij niet alleen naar de kortetermijnbelangen van de leden, maar eveneens naar de perspectieven van de fusie op langere termijn. “Het is voor werknemers immers ook van belang dat de onderneming blijft voortbestaan”, legt hij uit.
De Fusiecode had geen wettelijke status, omdat de gedragsregels niet juridisch konden worden afgedwongen. “Het was een soort gentlemans agreement ”, licht Hoyinck toe. “Werkgevers en werknemers spraken onderling af om zich aan de code te houden. Dat functioneerde in de praktijk goed. De meeste partijen hielden zich eraan.” Ook wel verklaarbaar, vindt hij. Als een onderneming de regels met voeten trad, konden gedupeerde werknemers of aandeelhouders naar de Fusiecommissie stappen. Als die commissie constateerde dat de code was overtreden had dit niet tot gevolg dat de fusie werd geblokkeerd. Een negatief oordeel van de commissie was echter wel slecht voor de reputatie van het desbetreffende bedrijf. Als de overtreding namelijk ernstig genoeg was bevonden, werd de uitspraak openbaar gemaakt. “Daar bleken ondernemingen toch gevoelig voor”, weet Hoyinck.
“Ze hebben liever geen vervelende verhalen in de krant. Bovendien kan de uitspraak van de geschillencommissie gebruikt worden tijdens een juridische procedure tegen de fusie. Een rechter kan een dergelijk oordeel meenemen in zijn uiteindelijke beslissing.”
Na verloop van tijd werden veel regels uit de fusiecode gemeengoed. In de dertig jaar dat de Fusiecode bestond, veranderde er veel op sociaal-economisch gebied. Het aantal fusies nam gestaag toe, van zo’n vijfhonderd per jaar begin jaren zeventig tot gemiddeld meer dan achthonderd de laatste jaren. Daarnaast raakte de medezeggenschap van werknemers volkomen ingeburgerd. De invloed van het personeel op belangrijke bedrijfsbeslissingen werd groter.
Vanaf het begin was de Fusiecode een experimentele regeling. Binnen en buiten de SER werd daarom voortdurend gediscussieerd over de vraag hoe de code een definitieve vorm zou kunnen krijgen. Twee thema’s speelden daarbij een belangrijke rol, legt Hoyinck uit. “De code zou een steviger juridisch fundament kunnen krijgen door middel van een wettelijke grondslag. Daarnaast wilde de SER de reikwijdte van de code uitbreiden. Nu gelden de regels alleen voor het bedrijfsleven. Maar ook overheidsondernemingen, non-profitorganisaties en vrije beroepen zouden onder de Fusiecode moeten vallen.”

Zelfregulering
Een speciale herzieningscommissie van de SER kwam in 1996 met voorstellen voor een nieuwe code. Het antwoord van het kabinet liet vervolgens lang op zich wachten. Maar na lang wikken en wegen schoot de regering de meeste voorstellen van de commissie af. Het kabinet oordeelde eind 2000 dat een wettelijk fundament voor een nieuwe Fusiecode niet nodig is. Het bestaande systeem van zelfregulering werkt immers prima, zo luidde de redenering. Ook vond het kabinet dat de non-profitsector en de vrije beroepen niet gebonden moeten worden aan regels die opgesteld zijn door de SER. Deze sectoren zijn immers niet in de raad vertegenwoordigd. Verder oordeelde het kabinet dat de overheid eigen regelingen heeft voor fusies en overnames. Overheidspersoneel zou dus niet onder de SER-code hoeven te vallen.

Toch is niet alles bij het oude gebleven. Het kabinet stemde wel in met de SER-voorstellen om de bescherming van aandeelhouders bij een openbaar bod op aandelen te versterken. Daartoe is dat onderdeel van de Fusiecode inmiddels nagenoeg ongewijzigd ondergebracht bij de Wet Toezicht Effectenverkeer. De Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) gaat zich voortaan bemoeien met de handhaving van de wet.
Of dit betekent dat hij voortaan minder te doen krijgt, durft Hoyinck niet te voorspellen. Bij de SER wordt het kabinetsbesluit echter wel als een tegenslag ervaren voor de modernisering en uitbreiding van de fusiegedragsregels. Naar de redenen van de beslissing kunnen de betrokkenen slechts gissen. “Dat het kabinet tegen uitbreiding van de fusiecode is, valt nog wel te begrijpen. Het gaat inderdaad om sectoren die goeddeels niet in de SER vertegenwoordigd zijn”, meent secretaris Hoyinck. Waarom de oude Fusiecode geen wettelijke grondslag krijgt, blijft volgens de secretaris echter een raadsel. “Het had erg voor de hand gelegen om de nieuwe gedragsregels een wettelijke basis te geven.”
De SER moet nu zelf met vertegenwoordigers van het vrije beroep en de non-profitsector onderhandelen over de mogelijkheden van de nieuwe Fusiegedragsregels voor hun sectoren. Dat is geen eenvoudige opgave, omdat in die kringen met enige huiver tegen het doorlopen van uitgebreide en ingewikkelde procedures wordt aangekeken. Een onterechte angst, volgens Hoyinck. “Normaal gesproken kan met één brief naar het SER-secretariaat en naar de betrokken vakorganisaties worden volstaan. Het secretariaat kan ondernemingen daarbij helpen.”
SER-bulletin oktober 2001

Inhoudsopgave