Gedeputeerde Pieter van Geel over duurzaam structuurbeeld
Pieter van Geel las de aanbevelingen van de SER over de Vijfde Nota met een glimlach. Ze gaven de CDA-gedeputeerde uit Noord-Brabant vooral een gevoel van herkenning. “Het advies verwoordt tenminste de ideeën die er in de samenleving leven.”
Gijs Kroeze
Ondanks enkele positieve punten is Pieter van Geel matig te spreken over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. De zorgvuldigheid waarmee volgens het beleidsstuk met ruimtegebruik en met water moet worden omgegaan, kan op zijn instemming rekenen. Maar voor de rest heeft de Brabantse gedeputeerde voor ruimtelijke ordening vooral kritiek op de nota van minister Jan Pronk.
Met name het voorgestelde rode-contourenbeleid moet het ontgelden. “De manier waarop provincies de contouren moeten aanwijzen brengt de doelstellingen niet dichterbij elkaar. De rode contouren gaan namelijk veel te weinig uit van kwalitatieve gebiedsontwikkeling. De vraag hoe de invulling van het landschap er de komende jaren uit moet gaan zien, krijgt nauwelijks gestalte.”
Een tweede kritiekpunt van Van Geel betreft de manier van besturen zoals die in de Vijfde Nota wordt voorgesteld. De nota hinkt op twee gedachten. Enerzijds wekt het stuk de indruk dat het beleid vooral op regionaal niveau moet worden uitgevoerd. Aan de andere kant merkt Van Geel dat de rijksoverheid de regie zelf in handen wil houden. Dat laatste is volgens hem echter een illusie en hij voelt zich in die constatering door steeds meer mensen gesteund. “We moeten gewoon accepteren dat het rijk een schaalniveau te hoog gegrepen is voor de uitvoering van dergelijk beleid. Door de vele ingewikkelde departementale structuren bereik je de regionale stakeholders eenvoudigweg niet. Provincies en gemeenten zijn daarvoor wel de aangewezen overheden. Inmiddels hebben gesprekken tussen de landsdelen Noord, Zuid, Oost en West ertoe geleid dat rijk en provincie naar elkaar toegroeien. Ik hoop dat het kabinet en de kamer deze ontwikkeling steunen.”
Brabants model De kritiekpunten van Van Geel komen grotendeels overeen met de standpunten van de SER. Zowel Van Geel als de raad vinden de voorgestelde rode contouren een bot instrument en menen dat dergelijke strakke lijnen juist belemmerend zullen werken. “Een uitbreiding van grond voor verstedelijking is onvermijdelijk”, stelt Pieter van Geel. “Je moet daar echter wel terughoudend en zuinig in zijn. Uitgangspunt moeten juist de groene contouren zijn. Deze landschappen met natuur en landbouw kunnen we beschermen door ze in streekplannen vast te leggen. Aan de invulling van de groene contouren mag slechts in bijzondere gevallen worden getornd.”
Deze filosofie brengen Van Geel cum suis in Noord-Brabant reeds in de praktijk. In het provinciale streekplan, beter bekend als het Brabantse model, is alleen het landelijk gebied vastgelegd om tot wat Van Geel noemt “een duurzaam structuurbeeld” te komen. Centraal staat de gedachte dat de inrichting van het landschap een zaak is die op regionaal niveau moet worden uitgevochten. “Als de ene gemeente behoefte heeft aan bouwgrond dan wordt eerst binnen die gemeente gezocht naar geschikte ruimte. Dit gebeurt aan de hand van de SER-ladder. Op zaken als natuurbehoud en bereikbaarheid wordt kritisch gelet.” Wanneer die ruimte echter niet voorhanden is dan wordt in Noord-Brabant gezocht naar een geschikt gebied in een aangrenzende gemeente. “Eigenlijk zouden dan de kosten en baten in dat gebied nog verevend moeten worden, maar dat kan alleen op basis van vrijwilligheid.”
Ook de SER heeft in zijn advies de mogelijkheid van verevening genoemd als een rechtvaardige oplossing bij een landschapsherindeling. Van Geel is blij dat de SER op deze wijze het Brabantse beleid impliciet steunt. “Ik sta achter de aanbevelingen van de raad. Dit soort adviezen scheppen voor lagere overheden een uitstekend klimaat om zaken te doen.”
Het nieuwe beleid dwingt de gemeenten ertoe onderling samen te werken. Dat blijkt niet altijd even eenvoudig, want de meeste gemeenten waren niet gewend verder te kijken dan hun eigen lokale belangen. Bovendien moeten ze een deel van hun autonomie inleveren. “De gemeenten zijn onbekend met zoiets als intergemeentelijke structuurplannen. Als provincie hebben we de taak te zorgen voor handreikingen, waardoor die samenwerkende gemeenten de doelstellingen uit het provinciale streekplan op een goede manier kunnen invullen. We proberen daarbij steeds om op basis van inhoud te komen tot nieuw intergemeentelijk beleid. Het instellen van een vierde bestuurslaag tussen de gemeenten en de provincie hebben we nooit overwogen. Een extra laag zou alleen maar ten koste gaan van de efficiëntie van het beleid en is dus volkomen zinloos.”
Voor de provinciale bestuurders zelf was de nieuwe verdeling van taken en verantwoordelijkheden ook even wennen, geeft Van Geel onomwonden toe. “Het opzetten van een streekplan vereist een aantal spelregels. Nog steeds zijn we iedere dag bezig die regels te ontwikkelen.” Van Geel geeft een praktisch voorbeeld. “Stel nu dat een ondernemer zijn bedrijf wil uitbreiden, maar dat hij bij zijn gemeente in eerste instantie nul op het rekest krijgt. Want er moet namelijk een intensiverings- en herstructureringsonderzoek plaatsvinden. Dan praat je al snel op intergemeentelijk niveau. Belangrijk is dat de ondernemer te horen krijgt hoe lang deze procedures duren. Hij moet toch op zijn minst weten op welke termijn hij antwoord ontvangt. Omdat de duur van dit soort procedures per gemeente verschilt moesten we concrete afspraken maken.”
Weinig grip In het verleden is er regelmatig kritiek te bespeuren geweest op het resultaat van de uitvoering van de nota’s ruimtelijke ordening. De overheid kreeg op de inrichting van het landschap vaak maar bitter weinig grip. Het is volgens Van Geel een misvatting te denken dat economische en maatschappelijke ontwikkelingen via het ruimtelijke ordeningsbeleid kunnen worden beïnvloed. Hij ziet daarom de Vijfde Nota juist als een middel om iets toe te voegen aan de inrichting van het landschap. “De nota kan de leefbaarheid vergroten, maar het is niet gemakkelijk om dat proces via het ruimtelijke ordeningsbeleid te sturen. Dat neemt overigens niet weg dat de overheid wel goed op de details moet blijven letten. Het begint bijvoorbeeld al bij een verbod op al die reclameborden langs de snelweg. Dat vind ik een vreselijke vorm van landschapsvervuiling.”
Enigszins gekscherend heeft Van Geel wel eens beweerd dat het befaamde poldermodel niet zozeer het gevolg is van de afspraken uit het akkoord van Wassenaar, maar dat het consensusmodel zijn oorsprong heeft op de Brabantse zandgronden. “Als het gaat om de bewustwording van het nut van samenwerking dan waren wij er in Brabant al heel vroeg bij. We beseften dat het maken van een economische inhaalslag in onze provincie alleen mogelijk was als we het gemeenschappelijke belang centraal zouden stellen. Dat betekende dus samenwerking op de meest essentiële punten.” Het consensusdenken zit de Brabanders blijkbaar in de genen. “Jazeker, al knokte iedereen op al die andere punten echt wel keihard voor zijn eigen belangen, hoor.”
Pieter van Geel verruilt komend jaar het provinciale bestuur voor de landelijke politiek. Op de verkiezingslijst van het CDA voor de Tweede Kamerverkiezingen van volgend jaar staat Van Geel zelfs op een derde plaats. Hij wordt vaak de
coming man van de christen-democraten genoemd. De grote vraag is hoe hij straks als Haags politicus de bestuurlijke rol van de provincies gaat zien. Nu is hij weliswaar een voorstander van invloedrijke provincies, maar zal hij daar straks nog zo over denken? Van Geel zelf meent dat het zo’n vaart niet zal lopen. “Het zal zeker wel even wennen zijn. De plek waarvoor je staat, hangt af van waar je zit, wordt immers vaak gezegd.
Toch blijf ik een groot voorstander van sterke provincies en gemeenten. Ik hoop dat de mensen mij in de toekomst aan die mening kunnen toetsen.”