Nederland heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de vorming van Europa, meer dan wij beseffen. Het boek 'Voor Nederland en Europa', waarin Nederlandse Europeanen van het eerste uur worden geïnterviewd, is daarom welkom.
Bart van Riel
Nederlandse ambtenaren en politici hebben een prominente rol gespeeld in de ontwikkeling en vormgeving van de Europese integratie. Het is vooral de Engelse historicus Alan Milward geweest die hierop in zijn
The European Rescue of the Nation State uit 1992 heeft gewezen. Vreemd genoeg zijn in eigen land nog maar weinig studies verschenen over Nederlanders die een belangrijke bijdrage aan Europa hebben geleverd. Frank Westerman geeft in zijn – overigens prachtige –
De Graanrepubliek niet meer dan een eerste aanzet voor een biografie van Sicco Mansholt, de grondlegger van het Europese landbouwbeleid. En weinig mensen zal de naam Johan Willem Beyen iets zeggen. Toch is deze minister van Buitenlandse Zaken (1952-1956) een van de belangrijkste architecten van de Europese Gemeenschap geweest. Het is dan ook zeer welkom dat nu
Voor Nederland en Europa verschenen is. Te meer omdat hierin de betrokkenen zelf aan het woord komen. Het boek bevat tien levendige en zeer informatieve interviews met Nederlandse Europeanen van het eerste uur (achtereenvolgens: Van der Beugel, Van der Goes van Naters, Kohnstamm, Kymmell, Van der Lee, Rutten, Schmelzer, Spierenburg, Wellenstein en Zijlstra).
De geïnterviewden belichten niet alleen hun eigen activiteiten, maar zijn ook bevraagd naar hun ervaringen met Nederlandse politici als Beyen, Mansholt, Luns en Drees en buitenlandse hoofdrolspelers als Monnet, Adenhauer en Hallstein. Terecht wordt daarbij veel aandacht besteed aan de eerder genoemde minister Beyen. Deze partijloze diplomaat bij de Verenigde Naties was door Drees – die zelf niet erg warm liep voor de Europese integratie – naar Den Haag gehaald om de vermeende Europese ambities van Luns in toom te houden. Drees had Beyen echter verkeerd ingeschat. Zijn opzet mislukte dan ook volkomen; niet Luns maar juist Beyen bleek de meeste Europese ambities te bezitten. Beyen raakte ervan overtuigd dat de toekomst van de economische integratie niet lag in de geleidelijke uitbreiding van de integratie naar andere sectoren dan kolen en staal, maar juist in een alle sectoren omvattende stap naar een gemeenschappelijke markt. Hij wist zowel Drees als de Belgische en Luxemburgse premier te overtuigen van dit idee, waardoor het in de vorm van een Benelux memorandum aan de overige drie lidstaten gepresenteerd werd. Het was tenslotte de Belgische premier Spaak die de gemeenschappelijke markt op de Top van Messina op de agenda wist te krijgen. Daarna werd na de nodige concessies aan met name de Fransen, de gemeenschappelijke markt verankerd in het Verdrag van Rome.
Kostbare overschotten Drees vergiste zich ook toen hij tegen Zijlstra naar aanleiding van het vertrek van zijn partijgenoot Mansholt naar Brussel zei: "Zo die zijn we gelukkig kwijt". Mansholt nam het beleid van gegarandeerde prijzen en exportsubsidies dat hij binnenlands gevoerd had en dat, zoals Zijlstra voorspeld had, tot kostbare landbouwoverschotten leidde, mee naar Brussel. Hier veroorzaakte het dezelfde problemen maar dan op een veel grotere schaal.
Nederland heeft niet alleen op beslissende wijze bijgedragen aan de wording van de Europese integratie maar ook aan de institutionele vormgeving ervan – de verhouding tussen de lidstaten en de supranationale instellingen. De Nederlandse inzet hierbij was vooral gericht op het voorkomen van dominantie door de grote lidstaten Duitsland en met name Frankrijk. In de EGKS moest het tegenwicht tegen deze dominantie vooral van de Raad van Ministers komen die boven de Hoge Autoriteit – waarvan Nederland vreesde dat deze anders vooral de Duitse en Franse belangen zou dienen – werd geplaatst. In de gemeenschappelijke markt moesten juist de communautaire instituties – de Commissie, het Hof en het Europees Parlement – hiervoor zorgen. Dit laatste inzicht is vooral weer aan Beyen te danken.
Heftige conflicten De Nederlandse benadering van de institutionele vormgeving leidde tot vaak heftige conflicten met Frankrijk. De vele conflicten met Frankrijk lopen als een rode draad door het boek en komen in bijna alle interviews terug. Naast de institutionele vormgeving betroffen deze conflicten de door Frankrijk gewilde Politieke Unie en de Britse toetreding. Nederland zag vanwege de sterke Atlantische oriëntatie weinig belang in de vergemeenschappelijking van het buitenlands en defensiebeleid onder de facto Franse leiding. Duitsland was in die dagen nog niet assertief genoeg om krachtig tegengas te bieden aan het Franse dominantiestreven zodat de rol van tegenspeler van Frankrijk vooral aan Nederland toeviel. Nederland was daarom ook een groot voorstander van Britse toetreding. De Britse toetreding liep voor Nederland echter op een teleurstelling uit. De Britten ontpopten zich niet tot de bondgenoot waarop Nederland gehoopt had. Hun weinig constructieve houding bleek weer nieuwe problemen te scheppen.
In mijn ogen rakelen de interviewers echter iets te vaak de problematische houding met Frankrijk op. Naarmate het boek vordert leveren de verschillende gesprekken hierover te weinig nieuwe informatie op. Misschien had in plaats daarvan iets langer stilgestaan kunnen worden bij de maatschappelijke belangenconstellatie waarin de betrokkenen opereerden. Het was weliswaar een kleine voorhoede die de Europese integratie op weg geholpen heeft, maar het is op zijn minst opmerkelijk dat deze kleine voorhoede zoveel ruimte kreeg. Tenslotte zou de lezer geholpen zijn geweest bij een introductie van de activiteiten en betekenis van de geïnterviewden. Dit neemt niet weg dat dit boek een plezier om te lezen is. Het is ook essentieel voor het begrijpen van de achtergronden van de Europese integratie en de Nederlandse benadering daarvan in het bijzonder.
Bart van Riel is beleidsmedewerker bij de SER. A.G. Harry van, J. van der Harst en S. van Voorst (red.) Voor Nederland en Europa. Politici en ambtenaren over het Nederlandse Europabeleid en de Europese integratie, 1945-1975 , Boom 2001, 370 blz.