Als er één allochtoon over de drempel is volgen er meer
De werkloosheid onder etnische minderheden neemt in rap tempo af. Maar is dat nou een gevolg van de afspraken die de sociale partners in de Stichting van de Arbeid hebben gemaakt? Of komt het vooral door de huidige economische groei? “Je moet gewoon een beetje aardig zijn tegen je personeel, ongeacht hun afkomst of etniciteit.”
Lourens Kluitenberg
Jacques Schraven spreekt klare taal. De voorman van de werkgeversorganisatie VNO-NCW vindt dat allochtonen niet als zielig moeten worden beschouwd. “De meesten van hen hebben een baan en zijn wel degelijk goed gekwalificeerd en gemotiveerd om aan de slag te gaan. We moeten geen ‘zwakke groepen cultuur’ in stand blijven houden. Dat willen allochtonen zelf ook niet.”
De meeste sprekers zijn het in grote lijnen wel met elkaar eens, tijdens de werkconferentie minderhedenbeleid die op 12 december door de Stichting van de Arbeid werd georganiseerd.
Er is zelfs sprake van enig optimisme. Ook etnische minder-heden profiteren van de stevige economische groei. En allochtonen doen het op de arbeidsmarkt veel beter dan pakweg vijf jaar geleden, toen het werkloosheidspercentage rond de 25 procent schommelde. Enige reden voor optimisme lijkt op z’n plaats.
Toch is er nog volop werk aan de winkel, om de woorden van FNV-woordvoerder Henk van der Kolk te gebruiken. De werkloosheidspercentages liggen bij allochtonen vele malen hoger dan bij ‘gewone’ Nederlanders. En ‘Nederlanders met een kleurtje’ hebben gemiddeld vaker een baan van een lager niveau.
Bovendien gaat het in veel van die gevallen slechts om een tijdelijk dienstverband. “We moeten onderkennen dat het een complex vraagstuk is”, aldus FNV’er Van der Kolk.
Zo zijn er meerdere factoren die ervoor zorgen dat etnische minderheden minder makkelijk carrière maken. Het beheersen van de Nederlandse taal is belangrijk, maar ook het opleidingsniveau en de sociale en culturele normen spelen een rol. Henk van der Kolk vraagt zich hardop af of je deze zaken kunt oplossen via een CAO. “Er zijn allochtonen én allochtonen, er zijn werkgevers én werkgevers en er zijn CAO-onderhandelaars én CAO-onderhandelaars”, verzucht hij.
Allochtone werknemers zijn vaak het slachtoffer van negatieve beeldvorming, constateert J. Mohamedajoeb van de vakorganisatie voor elektrotechniek Uneto. Hij denkt dat veel werkgevers volgens vaste mechanismen handelen. Als ze één keer een slechte ervaring hebben gehad met een allochtoon, nemen ze geen tweede allochtoon in dienst. “Dat is een menselijke reactie”, aldus Mohamedajoeb. “Je gaat ook geen tweede keer in een restaurant eten waar de kakkerlakken over je bord lopen.” Maar als het om mensen gaat, moet je je echter een andere houding aanmeten, vindt de Uneto-woordvoerder. “Een slechte ervaring hoeft toch niet te betekenen dat je alle etnische minderheden als werknemer afschrijft.”
Bij de werkgeversorganisatie Metaalunie hanteren ze het begrip allochtonenproblematiek liever niet. “Zo moet je het ook helemaal niet noemen”, stelt voorzitter Gerard van Dalen. “Wij investeren flink in de scholing van onze huidige en toekomstige werknemers. We besteden bijvoorbeeld veel aandacht aan vmbo’ers. Dat zijn in de praktijk grotendeels jongens en meisjes uit etnische minderheden. Maar het maakt ons niet zoveel uit wat de achtergrond van onze werknemers is. We willen gewoon goeie mensen in onze sector hebben.”
FNV-voorzitter Lodewijk de Waal wil als afsluitende spreker nog wel enkele relativerende woorden plaatsen. “Het kan toch ook wel erg simpel zijn”, zo vat hij het multiculturele personeelsbeleid samen. “Neem de goeie mensen aan en kijk niet naar hun kleur of etnische achtergrond. En ga vervolgens een beetje aardig met je personeel om. Dat is toch niet zo moeilijk?”
Met minderheden meer mogelijkheden Wat is er terechtgekomen van de afspraken die werkgevers en werknemers eind 1996 hebben gemaakt? De sociale partners sloten destijds een akkoord om de werkgelegenheid onder etnische minderheden te stimuleren. Reden voor de Stichting van de Arbeid om eens uit te laten zoeken tot wat voor tastbare resultaten het akkoord heeft geleid.
Die bevindingen laten een dubbelzinnig beeld zien. Om met de positieve ontwikkelingen te beginnen: de werkgelegenheid neemt toe. Was in 1994 nog 26 procent van de allochtonen werkloos, in 2000 is dat teruggelopen tot ‘slechts’ 14 procent. Relatief gezien een behoorlijke verbetering. Blijkbaar profiteren ook etnische minderheden van de economische groei.
Toch valt er nogal wat af te dingen op deze gunstige ontwikkelingen, zo blijkt uit het rapport dat door het onderzoeksinstituut EMI is opgesteld. Een relatief groot deel van de allochtonen werkt in functies van een laag niveau. Vaak gaat het om korte en tijdelijke dienstverbanden in traditionele sectoren, zoals de landbouw, het grootbedrijf en de industrie. De etnische minderheden behoren tot een minder stabiel deel van de werkgelegenheid.
De onderzoekers concluderen dan ook dat de positie van etnische minderheden gemiddeld minder goed is dan die van andere werknemers. Maar ze zien dit vooral als een tussentijdse momentopname, in een ontwikkelingsproces dat in de jaren zestig en zeventig is begonnen. Toen deden duizenden werknemers uit etnische minderheden hun intrede op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ze kwamen vooral terecht aan de onderkant van die arbeidsmarkt. Het opleidingsniveau was veelal laag en ze beheersten de Nederlandse taal maar matig.
De tweede en de derde generatie doet het een stuk beter, aldus het EMI. Ze gaan langer naar school en spreken goed Nederlands. Toch vergaat het ze op de arbeidsmarkt minder goed dan autochtone burgers. Volgens de onderzoekers spelen onder meer sociale en culturele factoren een rol. Dat werkt twee kanten op. Werkgevers beoordelen sollicitanten bewust of onbewust als minder geschikt. Terwijl werknemers uit etnische minderheden zich niet thuis voelen binnen de heersende bedrijfscultuur en daarom bepaalde ondernemingen en sectoren niet zo aantrekkelijk vinden. Werk aan de winkel dus.