Literatuurlijst Pensioenen
SER-publicaties
- Boeken - Tijdschriftartikelen - Standaardwerken
- ROA; Fouarge, D.; Grip, A. de; Montizaan, R., Pensioenverwachtingen en personeelsbeleid : verslag van de ROA enquête 2011
Maastricht : ROA, 2012. 106 p.
ROA-R-2011/9
De arbeidsparticipatie onder 55-plussers is de afgelopen twintig jaar flink toegenomen. Dit is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de veranderingen in de pensioenrechten waardoor men langer moet doorwerken om hetzelfde pensioen te kunnen krijgen. Het huidige beleid is er nog steeds sterk op gericht om de arbeidsparticipatie van ouderen verder te stimuleren. Vanuit dit perspectief zijn de thema’s duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en Active Aging duidelijk op de agenda komen te staan. In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de bereidheid om langer door te werken en in hoeverre het gevoerde personeelsbeleid hier op aansluit. Het onderzoek richt zich op de verschillende sectoren die zijn aangesloten bij het Pensioenfonds ABP (ABP), het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (bpfBOUW), het Bedrijfstakpensioenfonds Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (SGB), en het Pensioenfonds voor de Woningcorporaties (SPW). (B30824)
- Min. SZW; Min. VWS, Nationale sociale rapportage : Nederland
Den Haag : Min. SZW, 2012. 11 p.
Staatssecretaris De Krom (SZW) biedt de Tweede Kamer, mede namens minister Schippers (VWS), de Nationaal Sociale Rapportage (NSR) aan. De rapportage gaat nader in op het Nederlandse beleid ten aanzien van armoede en participatie, pensioenen en gezondheidszorg en langdurige zorg. (B30810)
- Montae, Montae Whitepaper pensioenfondsen : vermogensbeheer kan het simpeler en goedkoper
Rijswijk : Montae, 2012. 18 p.
Deze ‘whitepaper pensioenfondsen’ gaat in op de vraag of het vermogensbeheer simpeler en goedkoper kan. Als dit kan, moet er dan iets voor worden opgeofferd? Geconcludeerd wordt dat het vermogensbeheer inderdaad simpeler en goedkoper kan zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van een goede netto-rendement/risico verhouding. Een goede organisatie van het fonds en het vermogensbeheer is daarvoor wel een absolute vereiste. Die biedt ook grote voordelen voor het risicobeheer. Gepleit wordt voor het opzetten van gezamenlijke fondsen voor gemene rekening door meerdere pensioenfondsen. In combinatie met een simpele governance structuur en een gezamenlijke bestuursbureaufunctie biedt deze opzet een aantrekkelijk alternatief voor zowel kleine als grote pensioenfondsen die zelfstandig door willen gaan. (B30801)
- Koedijk, K.; Slager, A.; Schoenmaker, D. [et al.], Crisisplan : het grotere plan achter het crisisplan voor pensioenfondsen
Tilburg : Tilburg University, 2012. 35 p.
Pensioenfondsen moeten voor 1 mei een crisisplan hebben opgesteld en ingeleverd bij De Nederlandsche Bank. Pensioenexperts geven hun visie op hoe pensioenfondsen zich het beste kunnen voorbereiden op een mogelijke crisis.
(B30800)
- CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek, Witte vlek op pensioengebied 2010
Den Haag : CBS, 2012. 24 p.
Beschrijving van de witte vlek in pensioenen in 2010. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil met behulp van deze rapportages graag zicht houden op de omvang van de witte vlek, en op kenmerken van de personen en bedrijven die de witte vlek vormen. Uitkomsten over de witte vlek in 2010 staan in de tabellenset in dit rapport. De tabellen beschrijven de witte vlek zowel in absolute aantallen als in percentages. (B30719)
- Netspar; Leeuwen, J. van, Toezicht door DNB op de toepassing van de prudent person-regel in relatie tot het nieuwe pensioencontract
Tilburg : Netspar, 2012. 57 p.
NEA Paper, nr. 46
In deze paper staat de vraag centraal hoe het toezicht door De Nederlandsche Bank op de toepassing van de prudent person-regel er onder invloed van het nieuwe pensioenakkoord mogelijk uit zal gaan zien. De gevolgen van het beleggingsbeleid van pensioenfondsen worden directer voelbaar voor deelnemers en pensioengerechtigden. Daarom moet het toezichtkader worden aangepast. De vraag is hoe objectievere maatstaven voor het toezicht in wet- en regelgeving kunnen worden vormgegeven. (B30686)
- Netspar; Mahieu, R.; Roode, A. de, Hoe reëel is reëel?
Tilburg : Netspar, 2012. 53 p.
NEA Paper, nr. 45
In het huidige Nederlandse pensioendebat speelt de ambitie om reële contracten aan te bieden aan deelnemers in een pensioenfonds een grote rol. De analyse gaat in op deze vraagstukken door allereerst de mogelijkheden voor de identificatie van de reële rente te onderzoeken op basis van reële obligaties en inflatiegerelateerde swap contracten. Ten tweede onderzoeken zij de mogelijkheid van het afdekken van het inflatierisico door middel van buitenlandse inflatiegerelateerde derivaten. Zij doen ten slotte diverse aanbevelingen. (B30685)
- Europese Cie, Witboek een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen
Brussel : EU, 2012. 45 p.
COM(2012) 55 fin.
Het EU-witboek over pensioenen stelt maatregelen voor om de EU-landen te helpen de pensioenen betaalbaar te houden door: mensen aan te moedigen om langer te werken en meer te sparen voor later; pensioensparen veiliger en rendabeler te verhogen. (B30689)
- Research voor Beleid; Min. SZW; Bangma, K.; Berdowski, Z.; Stroeker, N., Evaluatie artikel 2b PSW, fase 2 : gelijke behandeling en afkoop kleine pensioenen bij beschikbare premieregelingen : definitief rapport
Zoetermeer : Research voor Beleid, 2011. 107 p.
Research voor Beleid heeft de 2e fase evaluatie uitgevoerd van artikel 2B van de Pensioen en Spaarfondsenwet (PSW) in opdracht voor het ministerie van SZW. Het doel van het onderzoek is de doeltreffendheid van artikel 2B PSW in kaart te brengen evenals de effecten in de praktijk. Hierbij gaat het erom hoe in de pensioenregelingen de wettelijke verplichtingen zijn toegepast, zijnde de behandelingsvoorschriften bij beschikbare premieregelingen, en bij afkoop van kleine pensioenen. (B30669)
- Erasmus Inst. Toezicht & Compliance; Erasmus Universiteit Rotterdam; Vletter-van Dort, H. M.; Klaassen, A. G. H.; Eikelenboom, E. V. A., Diversiteit in de raden van bestuur en raden van toezicht in de publieke sector : de sleutel is transparantie
Rotterdam : Erasmus Inst. Toezicht & Compliance, 2012. 92 p.
Door de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht per 1 juli 2012 ontstaat druk op grote rechtspersonen om de komende jaren werk te maken van een meer diverse samenstelling van besturen, raden van commissarissen en raden van toezicht. Het nieuwe wetsvoorstel voor de inrichting van bestuur en toezicht van de pensioenfondsen leidt naar verwachting tot een nieuwe groep van toezichthouders. Een kans voor diversiteit dus! Nationaal Register is ervan overtuigd dat een meer diverse samenstelling leidt tot het beter functioneren van raden van commissarissen en raden van toezicht. Het doel van dit onderzoek is om een nulmeting te doen van de diversiteit in drie belangrijke publieke sectoren: onderwijs, zorg (zowel cure als care) en pensioen. (B30654)
- AFM, Een volgende stap naar meer pensioeninzicht : pensioeninformatie actief gebruiken
Amsterdam : AFM, 2012. 23 p.
In dit rapport ‘Een volgende stap naar meer pensioeninzicht: pensioeninformatie actief gebruiken’ doet de AFM verslag van het onderzoek naar de invulling van hulp bij financiële planning voor de oude dag. Hoe voorkomen we teleurstelling over de hoogte van de uitkering of zelfs een armoedeval bij pensionering, nu de risico’s van pensioenen meer en meer bij de deelnemer terechtkomen? Waar kan de consument onafhankelijk, deskundig, betaalbaar, laagdrempelig en persoonlijk informatie inwinnen over zijn pensioeninkomen? Het thema voor de AFM op pensioengebied is: ‘overzicht, inzicht en een passend pensioen’. Pensioen is voor veel mensen - naast de hypotheek - het belangrijkste financiële product. Het is dus van groot belang dat deelnemers (1) een goed overzicht hebben van hun opgebouwde en te bereiken pensioen, (2) inzicht in de gevolgen hiervan voor hun financiële positie, en (3) waar nodig aanvullende actie kunnen nemen om een passend pensioen te verkrijgen. (B30649)
- Lutjens, E.; Expertisecentrum Pensioenrecht; VU Amsterdam, De PPI ook voor zelfstandigen?
Amsterdam : Expertisecentrum Pensioenrecht, 2011. 5 p.
Deze notitie onderzoekt de vraag of de PPI de pensioenregeling voor zelfstandigen kan en mag uitvoeren. Dit wordt beoordeeld achtereenvolgens: op basis van nationaal (Nederlands) recht; op basis van de mogelijkheden van EU richtlijn 2003/41. Hierna wordt aangegeven wat nodig is om de PPI open te stellen voor zelfstandigen, wanneer dat thans niet mogelijk zou zijn. (B30539)
- CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek; Rijk, A. de; Daems, E.; Geijtenbeek, L., Inkomen en vermogen van gewezen zelfstandigen
Den Haag : CBS, 2011. 19 p.
Het ministerie van SZW is geïnteresseerd in de pensioenvoorziening van gewezen zelfstandigen. Hieronder worden personen verstaan die voor de pensioensgerechtigde leeftijd inkomsten als zelfstandige hadden. Dit onderzoek heeft als doel om een inschatting te geven in hoeverre de inkomens- en vermogenspositie van deze groep afwijkt van die van gewezen werknemers. De doelpopulatie van dit onderzoek bestaat uit personen die op de laatste vrijdag van september in 2008 67 jaar waren, tot de bevolking van Nederland behoorden en die op de laatste vrijdag van september 1999 of 2003 een baan hadden in loondienst, of over die jaren belastingaangifte hebben gedaan als zelfstandige. Van deze populaties 'gewezen werknemers', 'gewezen zelfstandigen' en 'combinatie gewezen werknemers en zelfstandigen' is het inkomen en vermogen in 2008 vastgesteld. Het rapport beschrijft achtereenvolgens de onderzoekspopulatie, het persoonlijk inkomen, huishoudinkomen en de vermogenspositie van de drie groepen binnen de populatie. Afgesloten wordt met een korte samenvattende conclusie. (B30529)
- Bovenberg, A. L. [et al.], Externaliteiten van het pensioenakkoord
Den Haag : ESB, 2011. 80 p.
ESB dossier, nr. 4625S (december 2011)
Bevat de volgende artikelen:
Ten geleide / K.H.W. Knot; Nieuw toezicht op hervormde pensioenen / A.L. Bovenberg, T.E. Nijman en B.J.M. Werker; Drie sturingsmodellen voor de aanvullende pensioenen / C.P. van Ewijk; Zachte pensioenen gebaat bij stevig toezicht / D.W.G.A. Broeders, P.A.D. Cavelaars, P.L.C. Hilbers en O.C.H.M. Sleijpen; Pensioenakkoord zet marktordening onder druk / H. van Dalen; Beleggingsrisico van pensioenfondsen en verzekeraars / J.K. Gorter en J.A. Bikker; Pensioenregels en financiële markten / A.G.Z. Kemna, O.W. Steenbeek en P.J.G. Vlaar; Pensioenakkoord en arbeidsmarkt / D.J. van Vuuren en E.W.M.T. Westerhout; De gevolgen van het pensioenakkoord voor de staatsschuld / R.M.W.J. Beetsma, Z. Lekniute en E.H.M. Ponds; De sociale gevolgen van het pensioenakkoord / J. Nelissen en H.A.A. Verbon;
Gedragsreacties van deelnemers op nieuwe contracten / M.C.J. van Rooij, H.M. Prast en A.A.J. Smits;
De overlegeconomie onder druk / M. Rojer; Pensioenen en polderen / S. van der Velden. (B30483)
- CPB, Did you really save so little for your retirement? : an analysis of retirement savings and unconventional retirement accounts
Den Haag : CPB, 2011. 27 p.
CPB Discussion Paper, nr. 200
De auteurs bestuderen de relatie tussen diverse spaarmotieven (zoals het sparen voor pensioen) en het spaargedrag. De gebruikte data laten zien dat veel respondenten op niet-conventionele manieren geld opzij leggen voor hun pensioen, zoals door te investeren in onroerend goed. Ondanks dat mensen het belangrijk vinden om extra voor hun pensioen te sparen, doen ze dat echter niet altijd. Dit onderzoek laat zien dat het jaarlijks te ontvangen bedrag ten gevolge van conventionele en niet-conventionele manieren van pensioensparen slechts gering is. Het meeste spaargeld bestaat uit geld dat over is en dus niet opzij is gelegd vanuit een specifiek spaarmotief. Zelfs voor zelfstandigen zijn de vrije pensioenen laag, ook al heeft deze groep geen arbeidspensioen. (B30475)
- CPB, Houdbaarheidseffect sociaal akkoord AOW, witteveenkader en vitaliteitspakket
Den Haag : CPB, 2011. 11 p.
CPB Notitie
Op verzoek van SZW zijn de effecten op de werkgelegenheid en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van het ‘pensioenakkoord’ samen met het ‘vitaliteitspakket’ doorgerekend. (B30468)
- Heemskerk, M.; Expertisecentrum Pensioenrecht; VU Amsterdam, De (on)houdbaarheid van het pensioenakkoord : 'naar een nieuw pensioencontract'
Amsterdam : Expertisecentrum Pensioenrecht, 2011. 166 p.
Serie publicaties van het VU Expertisecentrum Pensioenrecht, publicatienr. 2011-2
Het Nederlandse pensioenstelsel kraakt in zijn voegen. Het pensioenakkoord moet de blauwdruk vormen voor een nieuw financieel houdbaar pensioenstelsel. Dit boek laat de gevolgen zien van het pensioenakkoord voor wetgeving, werkgevers en werknemers en pensioenuitvoerders. De plannen uit het pensioenakkoord, 'het nieuwe pensioencontract' en wetsvoorstellen worden in detail beschreven. Van de verhoging van de AOW-leeftijd tot het voornemen alle pensioenen voorwaardelijk te maken. Daarnaast identificeert het boek de juridische belemmeringen van het pensioenakkoord, zowel voor de wetgever, sociale partners en pensioenuitvoerders, en biedt het oplossingen om die juridische belemmeringen weg te nemen. (B30418)
- Regioplan; Heuls, L. F.; Klaver, J. F. I.; Min. SZW, Evaluatie informatiebepalingen pensioenwetgeving : eindrapport
Amsterdam : Regioplan, 2011. 80 p.
Regioplan publicatienr. 2155
Regioplan Beleidsonderzoek heeft in opdracht van het ministerie van SZW de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving geëvalueerd. De focus in het onderzoek ligt op de informatieverstrekking door pensioenfondsen en -verzekeraars aan (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. In het onderzoek is gekeken naar de naleving, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de informatiebepalingen, evenals naar de wijze waarop deelnemers de informatieverstrekking beoordelen. (B30408)
- DNB, Rapport beleggingsopbrengst pensioenfondsen 2000-2010 (in het kader van de motie Van den Besselaar c.s.)
[Amsterdam] : DNB, 2011. 10 p.
Naar aanleiding van de motie Van den Besselaar c.s. heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan DNB gevraagd de beleggingsresultaten van pensioenfondsen over de jaren 2000 tot en met 2010 te onderzoeken, conform het onderzoek waarop de commissie Frijns zich baseert, en de resultaten te vergelijken met de door de fondsen zelf gekozen benchmark. Dit rapport geeft de uitkomsten van dit onderzoek weer. (B30409)
- PriceWaterhouseCoopers, Pension winds of change : annual review of the IAS 19 pension disclosures of companies in the Dutch AEX25 and AMX25
Z.P. : PWC, 2011. 8 p.
Omdat we langer leven, zal er meer van ons leven worden doorgebracht in pensioentijd. Hoe wij plannen en zorgen voor het pensioen is een van de sociale uitdagingen van onze tijd. Bedrijven spelen een cruciale rol hierin als sponsors van enkele van de grootste pensioenfondsen ter wereld. Maar deze rol zorgt voor een dilemma als pensioenrisico's groeien in een tijd van economische problemen. Bedrijven moeten kiezen tussen zelf het risico beheren, het te verkopen aan een derde partij of door te schuiven naar hun werknemers. De gemaakte keuze kan cruciaal zijn voor de toekomstige financiële gezondheid van het bedrijf. Jaarlijks overzicht van de pensioenonthullingen van bedrijven opgenomen in de Nederlandse AEX25 en AMX25. (B30358)
- Netspar; Bonenkamp, J.; Meijdam, L.; Ponds, E.; Westerhout, E., Het pensioenfonds van de toekomst: risicodeling en keuzevrijheid
Tilburg : Netspar, 2011. 53 p.
NEA Paper, nr. 44
Dit NEA-paper schetst het pensioenfonds van de toekomst aan de hand van enkele stellingen. De stellingen zijn als volgt: 1. Een goed pensioenfonds is een open systeem. 2. Optimale risicodeling kent een beperkte horizon. 3. Hoe groter en breder het collectief, hoe beter. 4. Risicodeling vereist een compleet contract. 5. Stuur op pensioenaanspraken én op -premies. 6. Concurrentie in de uitvoering een must. 7. Wie risico draagt beslist. 8. Niet alleen verplichting, maar ook keuzevrijheid.
De belangrijkste vraag: aan welke eisen dient een pensioenstelsel te voldoen dat doet waar het voor bedoeld is? (B30326)
- CEPS; Beblavý, M., Why has the crisis been bad for private pensions, but good for the flat tax? The sustainability of ‘neoliberal’ reforms in the new EU member states
Brussel : CEPS, 2011. 20 p.
CEPS working document, nr. 356
De paper onderzoekt twee vragen die verband houden met de houdbaarheid van de grote, neoliberale, economische en sociale hervormingen in de nieuwe EU-lidstaten, met name de vlaktax en de particuliere pensioen pijlers. Eerst wordt gekeken naar de relatie tussen de politieke consensus / controverse op het moment dat belangrijke politieke hervormingen werden doorgevoerd en de toekomstige houdbaarheid van deze hervormingen na een wijziging van regering. Ten tweede wordt onderzocht wat genoemd wordt een paradox van omgekeerde duurzaamheid, waarbij de vlakke inkomstenbelasting meer politiek veerkrachtig is tijdens de wereldwijde financiële en economische crisis dan particuliere pensioenen, ook al zou je vanuit ex-ante verwachtingen en de literatuur het tegenovergestelde verwachten. (B30319)
- Pensioenfederatie, Aanbevelingen uitvoeringskosten 2011
Den Haag : Pensioenfederatie, 2011. 71 p.
De Pensioenfederatie heeft Aanbevelingen opgesteld met betrekking tot uitvoeringskosten van pensioenfondsen. Deze Aanbevelingen benoemen de verschillende kosten van het pensioenbeheer en het vermogensbeheer. Vervolgens worden aanbevelingen gedaan hoe deze kosten gecommuniceerd kunnen worden en hoe de communicatie kan worden uitgesplitst naar de verschillende groepen stakeholders. Bij de Aanbevelingen geldt comply or explain, waarbij de Pensioenfederatie de voortgang gaat monitoren. Tenslotte beschrijft de Pensioenfederatie de doelstelling met betrekking tot de implementatie door de pensioensector. Er worden drie kostensoorten onderscheiden: de kosten van het pensioenbeheer, de kosten van het vermogensbeheer en de transactiekosten. (B30305)
- Pensioenfederatie, Voor elkaar : ontwikkeling en positie van collectieve pensioenen in Nederland
Den Haag : Pensioenfederatie, 2011. 96 p.
De uitgave beoogt meer inzicht te geven in de ontwikkeling en de positie van collectieve pensioenen in Nederland, van de oorsprong van ons pensioenstelsel tot aan heden en toekomst.
Bevat de volgende hoofdstukken:
Het beste pensioen ter wereld moet nóg beter; Pensioen: beter samen dan alleen; De oorsprong van ons pensioen; De gevaren van voorspoed; Woelige tijden; De kosten en opbrengsten van pensioen; Beleggen door pensioenfondsen: waarom en hoe; De kwaliteit van bestuur; Niet meer zo ver van ons bed; Epiloog: op naar de toekomst. (B30304)
- Ver. van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling; Profundo; Verstappen, R.; Herder, A.; Gelder, J. W. van, Benchmark responsible investment by pension funds in the Netherlands 2011
Utrecht : VBDO, 2011. 72 p.
Rapport over de verduurzaming van het beleggingsbeleid van de pensioenfondsen. VBDO onderzocht voor het rapport 50 pensioenfondsen. 21 Van de onderzochte fondsen zijn ondernemingsfondsen. Daarnaast zijn 26 bedrijfstakfondsen onderzocht en 3 kleinere fondsen die de pensioenen van een specifieke beroepsgroep behartigen. In totaal dekken de onderzochte fondsen de pensioenen van ruim 13 miljoen Nederlanders. Uit het onderzoek blijkt dat ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen steeds duurzamer beleggen. De kleine fondsen blijven echter achter bij die ontwikkeling. Over de hele linie is echter verbetering te zien. Het beste komen bedrijfstakfondsen uit de bus. De uitkomsten van het onderzoek bevestigen bovendien een trend die al sinds het eerste onderzoek in 2007 onveranderlijk is gebleven. De grootste fondsen zijn het verst gevorderd in verduurzaming. (B30262)
- Towers Watson; Griend, A. van de; Hoekert, W.; Hooren, A. van; Boer, S. de, Nieuw elan of blinde muur? : het pensioenakkoord in perspectief
Z. P. : Towers Watson, 2011.
Het vastlopende Nederlandse pensioenstelsel heeft misschien wel gewoon behoefte aan een nieuw elan.
Towers Watson denkt dat het pensioenakkoord heel veel simpeler had gekund en doeltreffender had gemoeten. Met dit boek mengt Towers Watson zich actief in het debat. Bevat de volgende bijdragen: 1 Besturen - Zachte aanspraken: een harde noot?; 2 Beleggen - Toezichtregimes nopen tot professionalisering; 3 Zorgplicht - Grenzen aan de vrijheid; 4 Communicatie - Van 'pensioen' naar 'pensioneren'; 5 Uitvoering - Solidariteit als sponsor van efficiency; 6 Kosten - Van uitvoering tot uitkering: definieer risico’s, beloon good governance; 7 Arbeidsvoorwaarden - Pensioen als aanjager voor betrokkenheid?8 DC-regelingen - Een passend antwoord op de individuele pensioenambitie; 9 Verzekeren - Verzekeraars: de pensioenuitvoerders van de toekomst? 10 Internationaal - Hete hangijzers in perspectief (B30213)
- DNB, DNB: zachte contracten vragen om een stevig toezichtkader
[Amsterdam] : DNB, 2011. 3 p.
Position paper van DNB over de consequenties van het Pensioenakkoord voor het toezicht. Het nieuwe pensioencontract legt de risico’s meer dan voorheen bij de deelnemers. Daarom is toetsen op houdbaarheid van het stelsel nodig. DNB signaleert in de position paper een aantal zorgpunten bij het Pensioenakkoord. Dit position paper is opgesteld ter voorbereiding op de hoorzitting met de vaste Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer op 15 en 16 september 2011. (B30214)
- AFM, Pensioenakkoord vraagt om duidelijkheid over risico’s
[Amsterdam] : AFM, 2011. 3 p.
AFM position paper over het pensioenakkoord. De AFM vindt het een goede zaak dat in het pensioenakkoord een aantal fundamentele problemen wordt geadresseerd, te weten de gevolgen van de gestegen levensverwachting en van tegenvallende beleggingsrendementen. Positief is voorts dat het Pensioenakkoord leidt tot verdelingsregels voor mee- en tegenvallers, waardoor het pensioencontract vollediger (minder impliciet) wordt gemaakt. Het is ook goed dat in het Pensioenakkoord de aandacht voor communicatie is toegenomen. Goede communicatie legt een essentiële basis voor het vertrouwen in het pensioenstelsel. Wel zal een en ander nog nader uitgewerkt moeten worden, zoals bijvoorbeeld de communicatie over risico’s en de reële waarde (koopkracht) van pensioenen. Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben de verantwoordelijkheid een bewuste keuze te maken voor eenvoudige en kostenefficiënte pensioenregelingen. Hierdoor kan voor de deelnemer zo veel mogelijk pensioen opgebouwd worden. (B30215)
- Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde [et al.], Jaarboek 2011
Amsterdam : Sdu, 2011. 232 p.
Het zestiende jaarboek van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde biedt een bloemlezing van de Nederlandse beleidsdiscussie uit het voorgaande jaar. Zoals gebruikelijk passeren meerdere thema's de revue, grotendeels ingegeven door de actualiteit en beleidsurgentie. De volgende thema's komen in deze editie aan bod: 1. Internationale financiën; 2. Herstel van de overheidsfinanciën; 3. Onderhoud van het pensioenstelsel; 4. Een veranderende arbeidsmarkt; 5. De economie van het WK voetbal; 6. 65 jaar CPB. (B30167)
- Maatman, R. H. ; Bauer, R. M. M. J. ; Busch, D. ; Verburg, L. G. ; Onderzoekcentrum Onderneming & Recht
Onderneming en pensioen
Deventer : Kluwer, 2011. 716 p.
Serie onderneming en recht, deel 64
Pensioenen en pensioenuitvoering worden belicht vanuit een economische en juridische invalshoek. Aandacht voor pensioen en sociale zekerheid, pensioen en privaatrecht, de pensioengeschiedenis, het pensioenakkoord en privaatrecht. Pensioen: waar vandaan en waar naartoe, de pensioenuitvoering en governancevraagstukken, pensioen en overheidsinterventie, pensioen en individu, beleggen en vermogensbeheer en handhaving en regelgeving. (B30122)
- FNV
Position paper FNV hoorzitting pensioenakkoord
Amsterdam : FNV, 2011. 4 p.
De FNV heeft op verzoek van de Tweede Kamer nogmaals haar standpunten over het pensioenakkoord op een rij gezet in een position paper. Dit document is op 9 augustus 2011 aan de Kamer gestuurd en is bedoeld ter voorbereiding op de hoorzitting over het akkoord op 15 en 16 september 2011. FNV wijst er in het position paper op dat het pensioenakkoord broodnodig is om de problemen van het huidige stelsel het hoofd te bieden. De schokken op de financiele markten laten zien dat de verplichtingen van pensioenfondsen op een veel trendmatiger en stabiele wijze moet worden beoordeeld. Niets doen is geen optie. (B30118)
- Knoef, M. G.
Essays on labor force participation, aging, income and health : proefschrift Universiteit Tilburg
Tilburg : CentER, 2011. 211 p.
CentER Dissertation Series, nr. 292
Marike Knoef deed in vijf papers onderzoek naar inkomen rond pensionering, sociale zekerheid en mantelzorg. Ze vond onder andere dat een betere organisatie van mantelzorg binnen families de informele zorg met 50 procent kan doen toenemen en personeelstekorten in de gezondheidszorg kan verlichten. Knoef vond in haar verdere onderzoek ook dat mensen met lage inkomens 2,5 jaar korter leven dan mensen met hoge inkomens, en daardoor ook 2,5 jaar korter AOW en aanvullend pensioen ontvangen. Deze verschillen in levensverwachting en inkomen leiden tot verschillen in de gewenste AOW-leeftijd. Een flexibele AOW-leeftijd, die individuen de mogelijkheid biedt om de AOW eerder of later in te laten gaan dan de standaard leeftijd, komt tegemoet aan deze individuele verschillen. Ook blijkt dat onder andere door de toegenomen deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt het pensioen van de middeninkomens meer zal groeien dan het pensioen van de lage en hoge inkomens. Dat betekent dat zonder hervormingen de inkomensongelijkheid onder ouderen groeit aan de onderkant van de samenleving, maar afneemt in de hogere inkomenssegmenten. (B30061)
- Rabobank; Smid, Th.; Piljic, D., Pensioenakkoord voor de toekomst?
Utrecht : Rabobank, 2011. 4 p.
Themabericht, nr. 2011/14
Een jaar na het principeakkoord over de toekomst van het pensioenstelsel zijn sociale partners het eens geworden over een definitieve uitwerking van het pensioenakkoord. Een herziening van het Nederlandse pensioenstelsel is onvermijdelijk. Onze bevolking vergrijst in hoog tempo, waardoor de AOW-uitkeringen onbetaalbaar dreigen te raken. Bovendien zijn de dekkingsgraden van pensioenfondsen tijdens de financiële crisis fors gedaald. Maar is het pensioenakkoord wel het panacee waarop we zaten te wachten? Het themabericht bespreekt de pluspunten en tekortkomingen van het nieuwe akkoord. Auteurs zijn van mening dat het nieuwe akkoord een zwak compromis is dat risico‟s vooral bij jongeren neerlegt. De te late invoering van de hogere AOW-leeftijd houdt oudere generaties buiten schot en pensioenfondsen mogen zichzelf rijkrekenen en de rekening doorschuiven naar de toekomst. (B29999)
- ROA; Grip, A. de; Montizaan, R., Versoberde pensioenen en de werkinzet van oudere werknemers : vervolgmeting (2010) VPL-onderzoek
Maastricht : ROA, 2011. 30 p.
ROA-R-2011/6
In dit rapport wordt ingegaan op de vraag in welke mate werknemers reageren op een versobering in hun pensioenrechten en in hoeverre organisaties binnen de sector overheid en het onderwijs succesvol zijn in het stimuleren van het (productief) langer doorwerken van hun werknemers. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de effecten van de invoering van het ABP Keuzepensioen en het afschaffen van de FPU regeling in 2006 die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van oudere werknemers te verhogen. Werknemers die geboren zijn in of na 1950 hebben geen recht meer op de oude meer genereuze prepensioenrechten (FPU) en zullen daardoor langer moeten doorwerken, terwijl degenen die geboren zijn voor 1 januari 1950 nog gebruik kunnen maken van de oude FPU-regeling. (B29987)
- TNS NIPO; FNV Bondgenoten; Mager, D.; Boer, T. de, Draagvlak voor de pensioenplannen : anderhalve week na het begin van het FNV Bondgenoten referendum
Amsterdam : TNS NIPO, 2011. 17 p.
Uit onderzoek door TNS NIPO in opdracht van FNV Bondgenoten blijkt dat als alle Nederlanders zouden mogen stemmen, het pensioenplan van de vakcentrales, werkgevers en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid weggestemd zou worden. Van de Nederlanders boven de 18 jaar zou 25 procent voor de plannen stemmen en 47 procent tegen. Van de overige ondervraagden zegt 13 procent het niet te weten en 16 procent zou niet gaan stemmen. (B30044)
- IMF, Kingdom of the Netherlands - Netherlands : publication of financial sector assessment. Program documentation : technical note on pensions sector issues
Washington : IMF, 2011. 30 p.
IMF Country Report, Nr. 11/209
Beoordeling van de financiële sector in Nederland. Dit landenrapport bevat een technische notitie over vraagstukken in de pensioensector. Het rapport bevat een analyse van het 3 pijlersysteem en gaat onder meer in op de wijzigingen die de afgelopen jaren zijn aangebracht om om te kunnen gaan met de fiscale druk die de AOW beïnvloedt; het risicobeheer en de controle op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. (B30047)
- Netspar; Pikaart, M.; Bos, G., Duurzame pensioenen from scratch
Tilburg : Netspar, 2011. 47 p.
NEA Paper, nr. 41
Hoe zou je een nieuwe kapitaalgedekte pensioenvoorziening ontwerpen als je met een leeg vel mag starten? Martin Pikaart (zelfstandig adviseur en voorzitter van Alternatief voor Vakbond) en Gert Bos (BosConsult BV) geven in dit paper aan, hoe zij dat zouden doen. Het is een zeer vernieuwend, en volgens de auteurs toch uitvoerbaar, voorstel, dat tussen DB en DC in staat: een 'zacht' doelpensioen met een keihard risicocontract en bijbehorend risicomanagement. (B30029)
Netspar; Dellaert, B.; Turlings, M., Risicoprofielmeting voor beleggingspensioenen
Tilburg : Netspar, 2011. 51 p.
NEA Paper, nr. 39
Financiële ondernemingen zijn bij het adviseren over en aanbieden van beleggingsproducten niet eenduidig in het vaststellen van het risicoprofiel van consumenten. Ook gebruiken ze verschillende benamingen voor de risicoprofielen en koppelen ze aan de profielen beleggingen met uiteenlopende risiconiveaus. Dit leidt tot verwarring onder consumenten. De belangrijkste oorzaak is het verschil in methodes en hulpmiddelen voor het vaststellen van het risicoprofiel. Dit aspect wordt in dit paper van Marc Turlings (Achmea) en Benedict Dellaert (Erasmus Universiteit Rotterdam) behandeld, waarbij de probleemstelling wordt toegespitst op beleggingspensioenen. Centraal staat daarbij de vraag aan welke uitgangspunten een methode voor risicoprofielmeting moet voldoen. (B30031)
Netspar; Crom, S. de; Kreuk, A. de; Dijk, R. van; Vellekoop, M.; Vermeijden, N., Marktoplossingen voor langlevenrisico
Tilburg : Netspar, 2011. 63 p.
NEA Paper, nr. 42
In de discussie over de houdbaarheid van het pensioenstelsel speelt de stijgende levensverwachting een belangrijke rol. Dit NEA paper van Sylvain de Crom (AEGON), Anne de Kreuk (Cardano), Ronald van Dijk (APG), Michel Vellekoop (UvA) en Niels Vermeijden (Cardano) levert een nieuwe bijdrage aan de reeds bestaande literatuur over marktoplossingen in langlevenrisico door een uitgebreide consultatie van zowel de vraag- als de aanbodkant. Zij stellen dat juist het ontwerpen van nieuwe producten, in goed overleg tussen de vraag- en aanbodzijde, kan bijdragen aan het tot stand komen van goede marktoplossingen. (B30032)
- CPB, Pensioenakkoord juni 2011
Den Haag : CPB, 2011. 9 p.
CPB Notitie, 24 juni 2011
Doorrekening van het pensioenakkoord. Het pensioenakkoord vormt een belangrijke stap naar een meer toekomstbestendig pensioenstelsel. In het pensioenakkoord staan verhoging van de pensioenleeftijd en een hervorming van de aanvullende pensioenen centraal. Deze notitie schetst de effecten op hoofdlijnen en op beschrijvende en kwalitatieve wijze. (B29937)
- Holland Financial Centre; Tang, P.; Wijnbergen, S. van, Risico van rentenieren
[Amsterdam] : HFC, 2011. 67 p.
Om het debat over de toekomst van ons pensioenstelsel aan te jagen heeft Holland Financial Centre aan Paul Tang en Sweder van Wijnbergen gevraagd onderzoek te doen naar de begrippen risico en risicodeling in ons pensioenstelsel. Het rapport geeft een eigen visie op de toekomst van ons pensioenstelsel in relatie tot rendement, risico, beleggen, sparen, werkgelegenheid en publiek vertrouwen. Geconcludeerd wordt dat duidelijkheid over risico’s, het aanpakken van perverse solidariteit en de gelegenheid bieden tot individuele regie, zullen leiden tot een meer betrouwbaar pensioenstelsel, meer werkgelegenheid en een herstel van publiek vertrouwen. (B29972)
- Robeco; Kool, A. [et al.], Zekere onzekerheid : naar een reële pensioenambitie : pensioenbestuurders in gesprek met Robeco
Rotterdam : Robeco, 2011. 108 p.
Bundeling van gesprekken, gevoerd met een aantal actieve spelers in de pensioenwereld over de turbulente situatie waarin pensioenfondsen zich momenteel bevinden. Het rapport van de commissie-Frijns is daarbij als uitgangspunt genomen. Het boek is een praktische bundeling van inzichten geworden over de toekomst van het pensioenstelsel in Nederland. (B29719)
- FNV Bondgenoten, Kaders uitwerking schokbestendigheid pensioenakkoord
[Utrecht] : FNV Bondgenoten, 2011. 5 p.
Alternatief plan van FNV Bondgenoten voor het Pensioenakkoord van 4 juni 2010. In deze notitie van FNV Bondgenoten wordt ingezoomd op het onderdeel schokbestendigheid van het akkoord. FNV Bondgenoten pleit voor een pensioensysteem dat mensen zo veel mogelijk zekerheid biedt in combinatie met een zo groot mogelijke kans op indexatie. (B29708)
- AFM, Kosten pensioenfondsen verdienen meer aandacht
Amsterdam : AFM, 2011. 16 p.
Deze publicatie beschrijft op hoofdlijnen de resultaten van een verkennend onderzoek door de AFM naar de hoogte van de administratie- en beleggingskosten van pensioenregelingen bij pensioenfondsen. Hoe hoog zijn deze kosten? Welke invloed hebben kosten op het pensioen en hoe worden deelnemers daarover geïnformeerd? De AFM heeft gebruik gemaakt van gegevens van DNB, jaarverslagen van pensioenfondsen, interviews met betrokken partijen en van onderzoeksrapporten. De uitkomsten geven een indicatie van de hoogte van de uitvoeringskosten en de verschillen die in Nederland bestaan. Onder uitvoeringskosten verstaat de AFM de kosten voor het administratief beheer (administratiekosten) en de kosten van het vermogensbeheer (de beleggingskosten). Uit het onderzoek blijkt dat door een betere kostenbeheersing vooral kleinere en middelgrote pensioenfondsen hun pensioenvermogen op termijn aanzienlijk kunnen verhogen. De meeste pensioenfondsen hebben nu nog onvoldoende inzicht in hun kosten, terwijl de impact daarvan op het pensioenvermogen groot is. Veel fondsen ontwikkelen al goede initiatieven om kosten te besparen, maar lopen hierbij soms ook tegen praktische en wettelijke drempels aan. (B29698)
- CPB; Draper, N.; Westerhout, E.; Nibbelink, A., Defined benefit pension schemes : a welfare analysis of risk sharing and labour market distortions
Den Haag : CPB, 2011.
CPB discussion paper, nr. 177
In de paper staan twee beleidsvragen centraal. Beide hebben betrekking op de welvaartseffecten van publieke 'defined benefit' (DB) pensioenfondsen. De eerste vraag luidt in hoeverre een kapitaalgedekt DB pensioenfonds tot een verhoging van de welvaart van de deelnemers leidt. Anders gezegd: wegen de welvaartsvoordelen van intergenerationele risicodeling op tegen het welvaartsverlagende effect van de resulterende arbeidsmarktdistorties? In de tweede vraag wordt de omvang van het continuïteitsprobleem van pensioenfondsen onderzocht na een negatieve kapitaalmarktschok. (B29690)
- CPB; Adema, Y.; Bonenkamp, J.; Meijdam, L., Retirement flexibility and portfolio choice
Den Haag : CPB, 2011. 47 p.
CPB Discussion Paper, nr. 182
Dit onderzoek analyseert de relatie tussen flexibele uittreding - de mogelijkheid om individueel de datum te kiezen waarop men stopt - en spaar- en beleggingsgedrag over de levensloop. Het laat zien dat flexibele uittreding niet altijd resulteert in een grotere vraag naar risicovolle beleggingen, zoals vaak wordt aangenomen. (B29971)
- Tamerus, J. H., Defined ambition : een noodzakelijke stap in de evolutie van het pensioencontract naar een duurzaam evenwicht tussen 'willen' en 'kunnen': proefschrift Universiteit van Amsterdam
Delft : Eburon, 2011. 409 p.
De meeste werknemers in Nederland bouwen bovenop de AOW een pensioen op volgens het systeem van defined benefit. Het te bereiken pensioen wordt gedefinieerd; de premie is afgestemd op dit doel. De over het verleden opgebouwde aanspraken zijn onvoorwaardelijk en de pensioenleeftijd is vast. Dat betekent dat de premie de risico’s moet opvangen van langer leven, een dalende rente en tegenvallende beleggingsresultaten. Defined benefit verzekert de risico’s in de toekomst. Dit is niet langer vol te houden omdat wij steeds langer leven, waardoor de prijs van het pensioen almaar stijgt. En omdat bij eenzelfde of zelfs afnemend aantal deelnemers een steeds groter wordende massa opgebouwde aanspraken moet worden verzekerd. De betaalbaarheid, de solidariteit van jong naar oud en de arbeidsmarkt kunnen defined benefit niet langer dragen. Jan Tamerus verantwoordt de noodzaak van het moeten loslaten van de onvoorwaardelijkheid van de opgebouwde aanspraken en de vaste pensioenleeftijd. De opgebouwde rechten moeten aanpasbaar worden voor exogene ontwikkelingen en de pensioenleeftijd moet gaan mee bewegen met de levensverwachting. Hij schetst de ingrijpende maar noodzakelijke stap van defined benefit naar defined ambition. Het doel blijft het vertrekpunt, maar de rechten zijn niet meer gegarandeerd. (B29938)
- CPB; Mehlkopf, R.; Bonenkamp, J.; Ewijk, C. van; Rele, H. ter; Westerhout, E., Risicoverdeling bij hervorming van het aanvullend pensioen
Den Haag : CPB, 2011. 47 p.
CPB Notitie
Deze notitie analyseert een aantal algemene aspecten die van belang zijn bij een hervorming van het aanvullend pensioen. Het doel is om kwantitatief inzicht te geven in de centrale bouwstenen van een nieuw pensioencontract. De vijf belangrijkste inzichten zijn als volgt. Ten eerste laat de analyse zien dat het toekennen van nominale garanties een prijs heeft in de vorm van gemiddeld lagere pensioenen. Ten tweede laat de analyse zien dat het belangrijk is dat er meer aandacht komt voor de reële ambities van pensioenfondsen bij het opstellen van beleid, toezicht en communicatie. Ten derde laat de analyse zien dat het belangrijk is dat de grote risicocapaciteit van jongere deelnemers optimaal wordt benut. Ten vierde brengt deze notitie de voor- en nadelen van herstelbeleid in kaart. Ten vijfde laat deze notitie zien dat het aantrekkelijk is om de pensioenuitkeringen van gepensioneerden geleidelijk aan te passen als gevolg van een economische schok. Deze notitie is mede naar aanleiding van vragen in de SER Klankbordgroep Uitwerking Pensioenakkoord. (B29672)
- CPB; Vuuren, D. van, Flexible retirement
Den Haag : CPB, 2011. div. p.
CPB Discussion Paper, nr. 174
Flexibele uittreding - de mogelijkheid om individueel de datum te kiezen waarop men stopt met werken - helpt om het pensioenrisico en risico’s met betrekking tot gezondheid en productiviteit op te vangen. Flexibele uittreding is in de praktijk nauw verbonden met een flexibel pensioenschema. Dit komt door kapitaalmarktimperfecties en instituties die de opname van pensioen verbinden met de arbeidsaanbodbeslissing. In de paper worden drie voorwaarden geformuleerd waardoor flexibele uittreding als een verzekering kan functioneren om de genoemde risico’s af te dekken. Ten eerste moet het voor de werknemer mogelijk zijn om de pensioenleeftijd aan te passen zonder dat dit veel kosten met zich meebrengt. Ten tweede moeten werknemers bereid zijn om hun arbeidsaanbod aan te passen als sprake is van een vermogensschok. Ten derde moet de arbeidsmarkt voor ouderen het mogelijk maken dat men zijn uittredingsleeftijd aanpast. (B29671)
- Forschungsinst. zur Zukunft der Arbeit; Eichhorst, W., The transition from work to retirement
Bonn : IZA, 2011. 23 p.
Discussion Paper, Nr. 5490
De Europese werkgelegenheidsstrategie stelt zich tot doel de pensioengerechtigde leeftijd van werknemers in de EU te verhogen via een strategie van "actief ouder worden ". Ondanks enige vooruitgang in het afgelopen decennium, laten empirische gegevens een aanhoudende diversiteit zien in alle EU-lidstaten. Deze paper probeert de rol te beoordelen van supranationale politieke initiatieven en nationale politiek-economische factoren bij de vormgeving van de overgang van werk naar pensionering in de EU-lidstaten. Een overgang die nog steeds wordt beheerst door de nationale politieke economie. Met Duitsland als voorbeeld, toont de paper de dynamische interactie tussen veranderingen in het beleid, in met name in de sociale zekerheid en activering, en veranderingen in de benadering van bedrijven en werknemers met betrekking tot vervroegd pensioen. Beleidsveranderingen beïnvloeden het gedrag van actoren op de middellange termijn en bieden mogelijkheden voor latere hervormingen. (B29614)
- Bollen-Vandenboorn, A. H. H. [et al.], Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen
Den Haag : Sdu, 2011. 376 p.
In dit boek komen de drie pijlers van toekomstvoorzieningen aan bod. In dit boek wordt stil gestaan bij het pensioenbegrip als zodanig. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de AOW en de Anw. Aan de orde komt de premieheffing, de uitkeringen en de belastingheffing, dit alles met inachtneming van zowel de nationale als Europeesrechtelijke wet- en regelgeving. Met betrekking tot de tweede pijler wordt ingegaan op de Pensioenwet, met name de driehoeksverhouding tussen werknemer, werkgever en uitvoerder staat centraal. De fiscale aspecten van het werknemerspensioen worden apart besproken. Speciale aandacht wordt gegeven aan het pensioen van de dga. Een heikel punt in de huidige maatschappij betreft de behoefte om eerder te stoppen met werken enerzijds en de noodzakelijkheid om mensen langer aan het werk te houden anderzijds. In dit boek wordt specifiek op de diverse mogelijkheden en beperkingen ingegaan; regelingen voor vervroegde uittreding, levensloopregeling, 40-deelnemingsjarenpensioen, maar ook de doorwerkbonus en houdbaarheidsbijdrage. Een geheel ander relevant onderwerp voor de praktijk betreft de civiele en fiscale aspecten van pensioendeling bij echtscheiding. Tevens wordt in dit boek ingegaan op pensioen en belastingen vanuit een Europeesrechtelijke invalshoek. In een apart hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de toewijzing van heffingsbevoegdheid en belastingheffing over pensioenuitkeringen in grensoverschrijdende situaties, waarbij specifiek wordt ingegaan op het particulier pensioen, het overheidspensioen als ook op de samenloop van beide pensioenen. De civiele en fiscale consequenties van zowel nationale als internationale waardeoverdracht worden besproken. Ten slotte komen de toekomstvoorzieningen uit de derde pijler aan bod. De fiscale aspecten van zowel de opbouw- als de uitkeringsfase van lijfrenteverzekeringen en het banksparen komen specifiek aan bod. In het laatste hoofdstuk staan de nabestaandenvoorzieningen centraal, waarbij de nabestaandenvoorzieningen uit alle drie pijlers, dat wil zeggen de Anw-uitkeringen, het nabestaandenpensioen en de nabestaandenlijfrente, behandeld worden.
2e dr. (B29596)
- Mercer; Langemeijer, R. [et al.], Pensioen : visies op weg naar 2020
[Amstelveen] : Mercer, 2011.
Mercer Pensioenwet Boeken
Bloemlezing van visies van verschillende Mercer auteurs op nabije en wat verderaf liggende pensioentoekomst. Bevat de volgende bijdragen:
Wat is er mis met ons pensioenstelsel en wat kan er aan gedaan worden?; Alternatieve invulling van stijgende levensverwachting; Lang leve de solidariteit; Going for gold; To swap, or not to swap; Uitvoering van pensioenregelingen; Wordt het Nederland of België?; Pensioenfondsen en vastgoed;
De bijlagen bevatten de tekst van het Pensioenakkoord voorjaar 2010 en diverse beleidsnotities van het kabinet. (B29565)
- CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek; Min. SZW; [et al.]., Witte vlek op pensioengebied 2008 en 2009
Den Haag : CBS, 2011.
Cijfers over de witte vlek op pensioengebied in 2008 en 2009. Onderzoek door het Centrum voor Beleidsstatistiek in opdracht van het ministerie van SZW. Het rapport start met een hoofdstuk over de resultaten van het onderzoek. In dit hoofdstuk is ook een paragraaf opgenomen met een nadere verkenning van de omvang van de witte vlek onder werknemers met een hoog inkomen en de witte vlek onder personen die niet werkzaam zijn bij een witte werkgever. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van de onderzoeksmethode op hoofdlijnen. Een gedetailleerde uitwerking van de onderzoeksmethode is opgenomen in bijlage 1. De paragraaf ‘Kwaliteit van de uitkomsten’ beschrijft de sterke punten en aandachtspunten van de methode en de betrouwbaarheidsmarges op de cijfers. In de paragraaf ‘Vergelijkbaarheid met onderzoek witte vlek 1996’ worden de overeenkomsten en verschillen in beide onderzoeksmethodes toegelicht. Het rapport eindigt met een opsomming van de gebruikte begrippen en afkortingen. (B29560)
- KPMG, De pensioenwereld in 2011
Amstelveen : KPMG, 2011. 209 p.
Het boek is een bundeling van artikelen over actuele onderwerpen in de pensioenwereld van de diverse specialisten van de branchegroep binnen KPMG. Zoals gebruikelijk zijn tevens de resultaten van het KPMG-onderzoek onder een groot aantal pensioenfondsen opgenomen. Bevat de volgende hoofdstukken:
Professionalisering pensioenfondsen: het is menens; Integrale vermogensbeheer: meer dan een make-over van fiduciair management; Beter risicomanagement: onvermijdelijk en haalbaar; Een dynamische benadering van risicomanagement; Kennislacune bij pensioenfondsbestuurders: pleisters plakken biedt geen soelaas; Strategische vragen, maatwerkantwoorden; Een nieuwe kijk op informatiebeveiliging; Openheid over kostenstructuur: een must én een kans; Financiële rapportages in de pensioenwereld: het kan beter en sneller; Verantwoord beleggen: een wereld te winnen; Integriteit: aanpakken vanuit de principes; Fusie en liquidatie van pensioenfondsen leveren mogelijk fiscale issues op; Levensverwaching en trendonzekerheid en de impact daarvan op het beleid van pensioenfondsen; Berekening buffers is meer dan een technische exercitie; Naaldloze samenwerking levert iedereen winst op; Exposure draft IAS 19 grijpt in op verwerking pensioenen in jaarrekening; Interne beheersing rondom externe communicatie over pensioenen vergt aandacht; Europese solvabiliteitseisen voor pensioenfondsen? Nu al inspelen op veranderingen!; Bijlage 1 KPMG-onderzoek 2010; Bijlage 2 KPMG-trendonderzoek 2010. (B29552)
- CPB; Ewijk, C. van; Teulings, C., Nieuw pensioencontract onvermijdelijk
Den Haag : CPB, 2011. 13 p.
CPB Policy Brief, nr. 2011/01
De feitelijke koopkracht van toekomstige pensioenen is onzeker als gevolg van de lage rentestanden, inflatierisico en de stijgende levensverwachting. Een betere verdeling van risico en opbrengsten tussen generaties zou bij de herziening van het pensioencontract centraal moeten staan. (B29550)
- Ver. van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling; Profundo; [et al.], Benchmark responsible investment by pension funds in the Netherlands 2010
Culemborg : VBDO, 2011. 63 p.
Benchmark verantwoord beleggen door Nederlandse pensioenfondsen. De VBDO nam de 60 grootste Nederlandse pensioenfondsen onder de loep. Ze volgt de ontwikkelingen nu vier jaar. Uit het onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van Nederlandse pensioenfondsen nadenkt over hoe ze duurzaam willen beleggen. Maar in de praktijk brengen ze het er minder goed vanaf. 83% Van de onderzochte Nederlandse pensioenfondsen hebben een duurzaam beleggingsbeleid. Dat was in 2009 nog 73%. Maar, bij 39 van de 60 onderzochte fondsen wordt dit beleid toegepast op minder dan de helft van hun beleggingen. Over het algemeen presteren bedrijfstakpensioenfondsen beter dan ondernemingspensioenfondsen. De grotere fondsen doen het beter dan de kleinere. De vijf fondsen die in het onderzoek het best uit de verf komen zijn: Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW), Pensioenfonds SNS REAAL, ABP, PNO Media en het Spoorwegpensioenfonds. (B29435)
- Europese Cie, Joint report on pensions : progress and key challenges in the delivery of adequate and sustainable pensions in Europe : country profiles
Brussel : EU, 2010. 164 p.
Landenstudies van de pensioensystemen in de landen van de EU. Per land wordt een beschrijving van het stelsel gegeven en wordt ingegaan op huidige prestaties van het pensioenstelsel, gevolgen van de crisis, en verwachtingen en uitdagingen. Voorts zijn per land statistische gegevens opgenomen (B29397)
- Europese Cie, Joint report on pensions : progress and key challenges in the delivery of adequate and sustainable pensions in Europe
Brussel : EU, 2010. div. p.
European Economy, Occasional Papers, nr. 71
Het rapport analyseert de pensioenstelsels in de EU, beoordeelt de pensioenhervormingen in het licht van verzwaarde uitdagingen en ontwikkelt een bijgewerkte agenda voor het leveren van adequate en duurzame pensioenen. Het Economic Policy Committee (EPC), de Ageing Working Group en het Social Protection Committee hebben een gezamenlijke analyse van de pensioenstels in de EU uitgevoerd, gericht op: de resultaten van het laatste decennium van hervormingen; de gevolgen van de crisis; de lange termijn vooruitzichten na de crisis. (B29396)
- Henkens, K., Pensioen in beweging : over sociologische aspecten van langer werken : rede
Tilburg : K. Henkens, 2010. 24 p.
In zijn oratie stelt hoogleraar Pensioensociologie Kène Henkens dat pensionering steeds vaker het karakter krijgt van een proces waarin mensen zich over een reeks van jaren geleidelijk van de arbeidsmarkt terugtrekken. De grens tussen werk en pensioen wordt steeds vager. In de periode 2002 tot 2007 nam het aandeel vroeggepensioneerden dat weer actief werd op de arbeidsmarkt toe van 16 tot 23%. Het animo van werkgevers om ouderen aan te moedigen na hun 65ste door te werken is echter nog steeds gering. Henkens laat in zijn rede zien hoe de belangen van werkgevers en werknemers op elkaar inwerken en onbedoelde negatieve gevolgen kunnen hebben. Ook de belangen en gedragingen van de werknemer en zijn of haar partner beïnvloeden elkaar: veel pensioneringsbeslissingen worden genomen aan de keukentafel.
Rede uitgesproken bij de openbare aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de Pensioensociologie aan de Universiteit van Tilburg op vrijdag 10 december 2010. (B29393)
- DNB, Naar nieuwe pensioencontracten: Wat zijn de voorkeuren van deelnemers?
[Amsterdam] : DNB, 2010. 11 p.
Momenteel wordt een brede discussie gevoerd over nieuwe pensioencontracten. Deze notitie inventariseert de voorkeuren van pensioendeelnemers op basis van een recente peiling onder de Nederlandse bevolking met het DNB Household Survey (DHS). Uit het onderzoek blijkt dat werknemers bereid zijn fors hogere premies te betalen voor een gegarandeerde pensioenuitkering. Zij lijken meer waarde te hechten aan een gegarandeerd pensioen dan aan bijvoorbeeld handhaving van de pensioenleeftijd op 65 jaar. Werknemers koesteren te optimistische verwachtingen over hun toekomstige pensioenuitkering, is een andere uitkomst van het onderzoek. (B29366)
- SEO; Berden, C.; Kok, L.; Witte, I.; Montae Advies; Min. SZW, De praktijk van waardeoverdracht
Amsterdam : SEO, 2010. 50 p.
SEO-rapport, nr. 2010-52
In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de praktijk rondom waardeoverdracht in kaart gebracht als eerste stap in het proces om na te gaan of een heroverweging van het systeem nodig is. Uit het onderzoek blijkt dat jaarlijks 293.600 personen die van baan wisselen een waardeoverdracht kunnen doen. Uiteindelijk draagt van deze groep 39% daadwerkelijk pensioenwaarde over, de rest laat de pensioenwaarde achter bij de pensioenuitvoerder van de oude werkgever. Bij een ruime meerderheid van de waardeoverdrachten gaat het om pensioen dat in vijf jaar of minder is opgebouwd. Meer dan de helft van de overdrachten vindt plaats tussen middelloonregelingen. Per jaar wordt naar schatting € 1,7 miljard aan pensioenwaarde overgedragen tussen pensioenuitvoerders. Per saldo hebben deelnemers die hun waarde overdragen gemiddeld voordeel van waardeoverdracht. Nadeel hebben nieuwe werkgevers en deelnemers in fondsen met meer inkomende dan uitgaande waardeoverdrachten Voor de maatschappij als geheel levert de mogelijkheid van waardeoverdracht waarschijnlijk een beperkt voordeel op. (B29335)
- CBS; Eenkhoorn, E.; Grift, M. van de, Pensioenaansprakenstatistiek : geld van nu voor later
Den Haag : CBS, 2010. 31 p.
De pensioenaansprakenstatistiek van het CBS geeft inzicht in de opgebouwde en de te bereiken pensioenrechten van niet-gepensioneerden in de verschillende pensioentypen. Het biedt potentiële gebruikers van de statistiek een overzicht en een voorbeeld van de mogelijkheden, maar er is ook geprobeerd om het pensioenstelsel inzichtelijk te maken voor niet-ingewijden. Voordat de pensioenaanspraken in Nederland worden besproken, worden ze in een internationale context geplaatst. Daarna komen vervolgens de volgende hoofdstukken aan de orde: AOW; Arbeidsgerelateerd pensioen; Vervangingspercentages; Derde pijler; Vermogen; Huishoudens; Verdieners; Vermogen van huishoudens; De pijlers van het pensioenstelsel. (B29247)
- CPB; Ooijen, B. van; Mastrogiacomo, M.; Euwals, R., Private wealth and planned early retirement : a panel data analysis for the Netherlands 1994-2009
Den Haag : CPB, 2010. 30 p.
CPB discussion paper, nr. 160
Deze studie bestudeert het causale verband tussen het eigen vermogen en de pensioenleeftijd. Deze relatie wordt geschat op basis van twee verschillende methoden die gebruik maken van de verwachte pensioenleeftijd. De afhankelijke variabele wordt herhaaldelijk geobserveerd. Allereerst wordt gecorrigeerd voor ongeobserveerde kenmerken zoals de voorkeur voor vervroegd pensioen met behulp van paneldata-technieken. Vervolgens wordt informatie gebruikt over de verwachte vermogensgroei om een vermogensschok te identificeren. Onze bevinding is dat het eigen vermogen een gering maar significant effect heeft op de verwachte pensioenleeftijd. (B29210)
- Netspar; Joseph, A.; Jong, D. de, Het pensioenlabel als basis voor toezicht
Tilburg : Netspar, 2010. 37 p.
NEA Paper, nr. 37
In pensioenland onderscheiden we nominale en reële ambities. De financiële situatie van een pensioenfonds kan jaarlijks (fors) schommelen, wat de realisatie van de ambities kan beïnvloeden. In dit paper stellen Agnes Joseph (Syntrus Achmea, UvA) en Dirk de Jong (Syntrus Achmea) een aanpak voor om te komen tot een pensioenlabel. Hierbij verschuift de focus van zuiver nominaal denken naar een combinatie van nominaal en reëel denken. De vraag die telkens weer gesteld wordt is: kunnen de nominale en reële ambities worden gehandhaafd of moeten de ambities worden bijgesteld? (B29199)
- VU Expertisecentrum Pensioenrecht; Heemskerk, M.; Lutjens, E., Ondernemingsraad en pensioen
Amsterdam : VU Expertisecentrum Pensioenrecht, 2010. 239 p.
Publicaties van het VU Expertisecentrum Pensioenrecht, nr. 2010/1
Het onderzoek geeft een complete beschrijving van de advies- en instemmingsrechten van de Ondernemingsraad over pensioen en praktische tips en aanbevelingen hoe de Ondernemingsraad in de praktijk het beste kan omgaan met zijn zeggenschapsrechten. Het onderzoek wijst er onder meer op dat de Ondernemingsraad alert moet zijn op de pensioengevolgen bij adviesaanvragen over bijvoorbeeld een reorganisatie of overdracht van zeggenschap over de onderneming. De Ondernemingsraad kan naar de Ondernemingskamer stappen als het advies niet wordt gevolgd. Het onderzoek geeft voorstellen voor wetswijziging, bijvoorbeeld om de Ondernemingsraad ook instemmingsrecht te geven indien de werkgever een pensioenregeling onderbrengt bij een pensioenfonds. Nu heeft de Ondernemingsraad alleen instemmingsrecht indien een verzekeringsmaatschappij de pensioenregeling uitvoert. Twee belangrijke conclusies uit het onderzoek zijn dat ondernemingsraden hun medezeggenschap op het gebied van pensioen onvoldoende benutten. Ook zijn er tekorten in de wettelijke bepalingen over medezeggenschap van Ondernemingsraden bij pensioen. (B29188)
- Min. SZW, Onderzoeksrapport meerwaarde herverzekerde pensioenfondsen
Den Haag : Min. SZW, 2010. div. p.
Een groot aantal pensioenfondsen heeft zijn risico’s geheel of gedeeltelijk herverzekerd bij een verzekeraar. Het belangrijkste risico dat deze fondsen - voor zover herverzekerd – nog zelf dragen is het kredietrisico in het geval van faillissement van een verzekeraar. Het onderzoek bestaat uit drie verschillende onderdelen. Het eerste onderdeel concentreert zich op de meerwaarde van herverzekerde pensioenfondsen. De hoofdvraag daarbij is of de constructie van herverzekering voor pensioenfondsen meerwaarde heeft en zo ja, waar die meerwaarde uit bestaat. In het tweede onderdeel staat de pensioencommissie bij een direct verzekerde regeling centraal. Dit onderdeel beziet of de nadelen van een eventuele opheffing van de mogelijkheid van herverzekering – in de vorm van het verliezen van governance - kunnen worden gecompenseerd bij een direct verzekerde regeling door de instelling van een pensioencommissie of een vergelijkbaar gremium. Het derde onderdeel concentreert zich op het financieel toezicht op herverzekerde fondsen. (B29121)
- Lutjens, E. [et al.], Pensioenwet : analyse en commentaar
Deventer : Kluwer, 2010. 1089 p.
Dit boek wil een juridische handeling en gids zijn bij het doorgronden en toepassen van de rechten en verplichtingen uit de pensioenwet. Hiertoe geeft dit boek een thematische analyse van en commentaar op vrijwel alle binnen de pensioenwet relevante onderwerpen. Het boek behandelt onder meer de volgende onderwerpen: het begrip pensioen, de pensioenovereenkomst de uitvoeringsovereenkomst, voorlichting en communicatie, premiebetaling, de internationale werkingssfeer, de wijziging van een pensioenregeling, de gelijke behandeling, de taakafbakening, indexering, de dga, pensioen in beleggingen, rechten bij einde deelneming, keuzerechten, waardeoverdracht, alsmede de financiële opzet van pensioenfondsen en het toezicht. De op de diverse onderwerpen van toepassing zijnde artikelen uit de pensioenwet, invoerings- en aanpassingswet en overige regelgeving zijn mede op basis van de wetsgeschiedenis toegelicht. Onduidelijkheden en interpretatiekwesties worden gesignaleerd en besproken en zo mogelijk van oplossingen voorzien.
3e herz. dr.(B29096)
- Bureau Bartels; Min. SZW, Medezeggenschap pensioengerechtigden bij rechtstreeks verzekerde regelingen : eindrapport
Amersfoort : Bureau Bartels, 2010.
Onderzocht wordt in hoeverre medezeggenschap van pensioengerechtigden bij rechtstreeks verzekerde regelingen (hoorrecht) wordt toegepast, hoe de uitvoering daarvan verloopt en welke resultaten daarmee worden geboekt. Allereerst wordt ingegaan op de kenmerken van rechtstreeks verzekerde regelingen. Ook wordt stilgestaan bij de aanloop naar het ontstaan van het hoorrecht en de wijze waarop het hoorrecht vorm heeft gekregen. Vervolgens wordt in beeld gebracht in welke mate er sprake is van toepassing van het hoorrecht en wat de redenen zijn waarom in bepaalde gevallen wel en in bepaalde gevallen geen vereniging van pensioengerechtigden wordt opgericht. Daarna staat centraal wat partijen vinden van het hoorrecht en welke ervaringen daarmee in de praktijk worden opgedaan. Tevens wordt ingegaan op de toekomst van het hoorrecht, zoals deze door de verschillende geraadpleegde partijen wordt gezien. Ten slotte bevat het rapport samenvattende conclusies. (B29081)
- Netspar; Bovenberg, L.; Boon, B., Now is the time : overstap naar degressieve pensioenopbouw nu wenselijk en mogelijk
Tilburg : Netspar, 2010. 73 p.
NEA Paper, nr. 36
Juist nu is een opportuun moment voor een overgang van doorsneeopbouw naar degressieve opbouw. Lans Bovenberg (UvT) en Bart Boon (MinFin) stellen in dit paper dat verhoging van de AOW-leeftijd de mogelijkheid biedt om de overgangsproblematiek op te lossen. De overstap naar degressieve opbouw zorgt er dan bovendien voor dat de inkomenseffecten van een hogere AOW-leeftijd meer gelijkmatig worden gespreid over lagere en hogere inkomens. De overheid moet volgens de auteurs degressieve opbouw accommoderen door eventuele juridische en fiscale blokkades op te ruimen en sociale partners te stimuleren over te stappen. (B29069)
- Netspar; Boeijen, D.; Kortleve, N.; Tamerus, J., Van toezegging naar ambitie : een betaalbaar reëel pensioen dat eerlijk is over de risico’s en aanpasbaar voor exogene ontwikkelingen
Tilburg : Netspar, 2010. 71 p.
NEA Paper, nr. 35
In dit NEA-paper propageren Dick Boeijen, Niels Kortleve en Jan Tamerus (allen PGGM) een – in hun ogen noodzakelijke – evolutie van het tweedepijlerpensioen. Die evolutie leidt van het huidige pensioencontract naar het zo genoemde Defined Ambition. Dit is een pensioencontract dat een reële ambitie als vertrekpunt heeft, maar geen garanties en vaste pensioenleeftijd kent. De auteurs schetsen in dit paper ook het pad er naar toe. (B29068)
- Netspar; Dietvorst, G.; Hooghiemstra, C. Nijman, Th, Decumulatie van pensioenrechten
Tilburg : Netspar, 2010.
NEA Paper, nr. 34
In “defined benefit” systemen staat de decumulatiefase centraal in de regeling. Deze schrijft voor dat de uitkering plaatsvindt in de vorm van een (conditioneel) geïndexeerde annuïteit. In “defined contribution” systemen bestaat er tot de pensioendatum onduidelijkheid over de hoogte van de uitkering. Deze hangt af van de hoogte van het opgebouwde vermogen en de prijs van de bij pensionering aan te kopen annuïteiten. In dit paper vragen Gerry Dietvorst (UvT), Carel Hooghiemstra (ABN AMRO), Theo Nijman (UvT) en Alwin Oerlemans (APG) zich af wat een optimale vormgeving voor de decumulatiefase is. Daarbij kijken ze zowel naar Nederland als naar het buitenland. (B29067)
- Netspar; Jong, F. de; Pelsser, A., Herziening Financieel Toetsingskader
Tilburg : Netspar, 2010. 53 p.
NEA Paper, nr. 33
Het huidige Financieel Toetsingskader (FTK) vertoont spanningen. Aan de ene kant zijn er harde eisen met betrekking tot de (nominale) dekkingsgraad en korte hersteltermijnen in geval van onderdekking. Aan de andere kant is er de reële (geïndexeerde) pensioenambitie en een lange horizon voor de meeste pensioenfondsen. Deze spanningen zijn in de recente economische crisis, en ook na de beurscrisis van 2001, sterk naar voren gekomen. Hoe kunnen we het FTK aanpassen zodat de spanningen verminderd worden en de balans tussen korte termijn nominaal toezicht en lange termijn reële ambities wordt hersteld? Op deze vraag geven Frank de Jong (UvT) en Antoon Pelsser (UM) hun antwoord in dit NEA Paper. Achtereenvolgens komen aan de orde: Historie Financieel Toetsingskader; Ex-Ante Nominale Zekerheidsmaat 97,5 procent; Spanning korte en lange termijn; Rekenvoorbeeld; Rentetermijnstructuur; Een model voor de toekomstige rente-termijnstructuur. (
B29066)
- Netspar; Dietvorst, G. J. B., Het pensioen van de zzp’er fiscaal-juridisch bezien : wie is er aan zet?
Tilburg : Netspar, 2010. 53 p.
NEA Paper, nr. 28
In Nederland neemt ruim 95 procent van de werknemers deel aan een pensioenregeling. Voor nagenoeg iedere werknemer is dus een voorziening getroffen. Voor niet-werknemers ligt dat anders. Als de zzp’er geen aanvullende maatregelen treft, is hij straks op de AOW en op het in dienstbetrekking opgebouwde pensioen aangewezen. Gerry Dietvorst (Competence Center for Pension Research, UvT) bespreekt de bouwstenen voor de opbouw van een fiscaal gefacilieerde oudedagsvoorziening voor de zzp’er. Ook benoemt hij de beperkingen en de knelpunten. Tenslotte geeft hij antwoord op de hoofdvraag: wie is er aan zet? (B29064)
- Stichting van de Arbeid, Advies inzake baanmobiliteit en risicodekkend partnerpensioen
Den Haag : Stichting van de Arbeid, 2010. 13 p. (B28941)
- OECD; Antolín, P.; Payet, S.; Yermo, J., Assessing default investment strategies in defined contribution pension plans
Parijs : OECD, 2010. 30 p.
OECD working papers on finance, insurance and private pensions, nr. 2
Volgens het rapport kunnen toekomstige gepensioneerden dramatische schommelingen verwachten in pensioenopbrengsten tussen de leden van een cohort met vergelijkbare profielen. Tenzij zij beleggingsstrategieën gaan hanteren die de invloed van marktschokken verminderen. Vergelijkbare strategieën moeten ook de standaard worden voor individuen die geen actieve investeringskeuze maken. (B28939)
- Klopper, F.; Petersen, C.; Popta, B. van; [et al.]., De toekomst van ons pensioenstelsel
Epse : Petersen Consult, 2010.
PBM dossierreeks, nr. 5
Het doel van dit boek is om structuur aan te brengen en handvatten te bieden in de discussie over de toekomst van ons pensioenstelsel.
Bevat de volgende delen en bijdragen:
Deel I - Solidariteit, pensioencontract en risico's; Deel II - Organisatie en systeem; Deel III - Beleggen en betaalbaarheid (B28896)
- Committee on the Sustainability of Supplementary Pension Schemes, A strong second pillar : toward a sustainable system of supplementary pensions
Den Haag : Committee on the Sustainability of Supplementary Pension Schemes, 2010.
Engelse samenvatting van het rapport 'Een sterke tweede pijler : naar een toekomstbestendig stelsel van aanvullende pensioenen' (B 28438) van de Cie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen (Commissie Goudswaard). (B28849)
- Parameters Committee, Advice concerning pension fund parameters
[Den Haag] : Parameters Committee, 2009.
Engelse samenvatting van het 'Advies betreffende parameters pensioenfondsen' (B 28139) van de Cie Parameters (Commissie Don). (B28850)
- Investment Policy and Risk Management Committee, Pension: ‘Uncertain security’ : investment policy and risk management committee : an analysis of the investment policy and risk management of Dutch pension funds
Eindhoven : Investment Policy and Risk Management Committee, 2010.
Engelse samenvatting van het rapport 'Pensioen: 'onzekere zekerheid' : een analyse van het beleggingsbeleid en het risicobeheer van de Nederlandse pensioenfondsen (B 28422) van de Cie Beleggingsbeleid en Risicobeheer (Commissie Frijns). (B28851)
- CPB; Bonenkamp, J.; Westerhout, E., Intergenerational risk sharing and labour supply in collective funded pension schemes with defined benefits
Den Haag : CPB, 2010.
CPB discussion paper, nr. 151
Het is algemeen bekend dat collectieve kapitaalgedekte pensioenstelsels die risico’s spreiden over generaties, bijdragen aan een hogere welvaart. Het is evenwel minder bekend dat dergelijke pensioenstelsels ook een verstorend effect hebben op de arbeidsaanbodbeslissing en langs die route de welvaart juist kunnen verlagen. De reden hiervoor is dat pensioenpremies in veel gevallen impliciete belastingen (of subsidies) bevatten die samenhangen met een discrepantie tussen de risico’s waaraan pensioenvermogens en -verplichtingen blootgesteld zijn. De paper weegt de voordelen van collectieve kapitaalgedekte pensioenstelsels in termen van risicodeling af tegen de nadelen in termen van arbeidsmarktverstoring. Daartoe wordt een stochastisch model ontwikkeld met twee overlappende generaties dat een kleine open economie (zoals de Nederlandse) representeert. Hieruit blijkt dat de welvaartswinsten van risicodeling veel groter zijn dan de welvaartsverliezen van arbeidsmarktverstoringen. Dit resultaat is robuust voor een breed scala aan alternatieve modelspecificaties, zoals de specificatie van de nutsfunctie, de implementatie van een verbod om met geleend geld in aandelen te beleggen en de introductie van een initiële belasting op arbeid. (B28845)
- Stevens, L. G. M., Pensioen in de winstsfeer
Deventer : Kluwer, 2010.
FED fiscale brochures
Centraal staat de waardering van de pensioenverplichting als onderdeel van de fiscale winstbepaling. Het gaat daarbij niet alleen om pensioenverplichtingen, maar ook om VUT-regelingen en overbruggingspensioenen. Eveneens wordt de fiscale positie van de directiepensioenlichamen toegelicht. 5e geh. herz. dr. (B28811)
- Beek, J. van, OR en pensioen
Alphen aan den Rijn : Kluwer, 2010.
OR praktijk
Het boek gaat in op de belangrijkste aspecten aangaande pensioen waar een OR in de praktijk mee te maken kan krijgen. Bevat de volgende hoofdstukken: Medezeggenschap en pensioen; Pensioenbegrippen; Pensioensystemen; Kwaliteit van de pensioenregeling; Kosten van een pensioenregeling; Het wijzigen van een pensioenregeling; Overgang van een onderneming en pensioen. (B28679)
- Min. SZW, Rapport evaluatie financieel toetsingskader
Den Haag : Min. SZW, 2010.
Evaluatie van het Financieel Toetsingskader (FTK), die door De Nederlandsche Bank en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd. Doel van dit rapport is om de ervaringen met het FTK tot nu toe te evalueren en eventuele aanpassingrichtingen te schetsen. De evaluatieperiode loopt van de invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 tot nu. Het rapport herhaalt allereerst de uitgangspunten van het FTK, waarna het vervolgens de institutionele context van pensioenfondsen schetst. Daarna vat het de belangrijkste ervaringen kort samen. De slotparagraaf geeft de conclusies. De technische bijlage werkt de ervaringen gedetailleerd uit. (B28670)
- Schols-van Oppen, E. M. F., Inleiding pensioenrecht
Deventer : Kluwer, 2010.
Monografieën sociaal recht, nr. 51
De pensioenwetgeving is bij voortduring aan verandering onderhevig. De regels met betrekking tot pensioen in de tweede pijler zijn (onder meer) neergelegd in de Pensioenwet, de Wet op de loonbelasting, de Wet BPF 2000 en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ook is er omvangrijke lagere wetgeving. Dit boek behandelt de Nederlandse wetgeving met betrekking tot pensioen in haar volle breedte. Daarbij wordt steeds verwezen naar recente jurisprudentie en literatuur. Tevens is er, waar nodig, aandacht voor de parlementaire geschiedenis. (B28619)
- CentER; Dalen, H. P. van; Henkes, K.; Koedijk, K.; Slager, A., Decision making in the pension fund board room : an experiment with dutch pension fund trustees
Tilburg : CentER, 2010.
Discussion Paper, nr. 2010-18
Besproken wordt hoe pensioenfondsbestuurders omgaan met de hoog- en laagconjunctuur waar de fondsen mee worden geconfronteerd, en welke factoren van invloed zijn op de beslissingen van de bestuurders. (B28539)
- Netspar; Eenkhoorn, E.; Zijlmans, G., Normen voor de pensioenaansprakenstatistiek
Tilburg : Netspar, 2010.
NEA paper, nr. 29
Op basis van gegevens van de SVB en pensioenfondsen en -verzekeraars heeft het CBS voor verslagjaar 2005 de pensioenaansprakenstatistiek voor de eerste en tweede pijler geproduceerd. Elisabeth Eenkhoorn en Gerrit Zijlmans (beiden CBS) beschrijven de opzet van de statistiek en de keuzes die daarbij gemaakt zijn. De pensioenaanspraken worden vergeleken met het huidige inkomen, en er wordt nagegaan of mensen met lage pensioenaanspraken wellicht de mogelijkheid hebben terug te vallen op vermogen. Hieruit blijkt, niet geheel onverwacht, dat het gemiddelde huishouden niet zo slecht af is, maar dat sommige groepen huishoudens er consequent negatief uitspringen. (B28522)
- Forschungsinst. zur Zukunft der Arbeit; Bell, D. N. F.; Hart, R. A. , Retire later or work harder?
Bonn : IZA, 2010.
IZA, discussion paper nr. 4720
Publicatie over de inruil van latere pensionering ten opzichte toegenomen arbeidsintensiteit. Vergeleken worden twee beleidsmaatregelen om het Britse staatspensioen te verhogen: 1. het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd van mannen en vrouwen, 2. handhaving van de huidige pensioengerechtigde leeftijd maar eisen dat oudere werknemers per periode meer uren werken. Als voordelen van de tweede maatregel worden genoemd: toename van de werkervaring, toename van de werktevredenheid, en tot slot als derde is er in ieder geval al een significante algehele toename van het aantal gewerkte uren van oudere werknemers in de afgelopen twee decennia. (B28535)
- Bollen-Vandenboorn, A. H. H.; Broers, B. T.; [et al.]. M., Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen
Den Haag : SDU, 2010.
In dit boek komen de drie pijlers van toekomstvoorzieningen aan bod. In dit boek wordt ten eerste stil gestaan bij het pensioenbegrip als zodanig. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de AOW en Anw. Aan de orde komen de premieheffing, de uitkeringen en de belastingheffing. Hierbij komt zowel de nationale als Europeesrechtelijke wet- en regelgeving aan de orde. Met betrekking tot de tweede pijler wordt ingegaan op de Pensioenwet; met name de driehoeksverhouding tussen werknemer, werkgever en uitvoerder staat centraal. De fiscale aspecten van het werknemerspensioen worden apart besproken. De auteur geeft speciale aandacht aan het pensioen van de dga, waarbij zowel de civielrechtelijke als fiscaalrechtelijke aspecten aan bod komen. Ten slotte komen de toekomstvoorzieningen uit de derde pijler aan bod. Hierbij worden specifiek de fiscale aspecten van zowel de opbouw- als de uitkeringsfase van lijfrenteverzekeringen en het banksparen besproken. Bevat de volgende hoofdstukken: Wat is pensioen? Een inleidende zoektocht naar een definitie; AOW en Anw; Driehoeksverhouding in de Pensioenwet; Werknemerspensioen in de loonsfeer; Dga: civiele en fiscale aspecten; Fiscale aspecten van vervroegde uittreding; Civiele en fiscale aspecten van pensioendeling; Belastingheffing over pensioenuitkeringen in grensoverschrijdende situaties; Nationale en internationale waardeoverdracht; Lijfrenten; Perikelen partnerpensioen. (B28508)
- AFM, Rapport onderzoek zorgplicht bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid 2009 : "risico’s op tegenvallend pensioen beheersen door goed advies”
Amsterdam : AFM, 2010.
Deelnemers aan pensioenovereenkomsten in de vorm van een premieovereenkomst lopen beleggingsrisico. Een voldoende pensioen is slechts mogelijk indien pensioengelden verstandig beheerd en belegd worden. Veelal zullen pensioenuitvoerders beleggingskeuzen maken. Maar ook deelnemers in premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid mogen dat. Deelnemers zijn meestal geen ervaren pensioenbeleggers. Indien zij beleggingskeuzen maken, is er een verhoogd risico van tegenvallend pensioen. Er zijn wettelijke voorschriften die anticiperen op de risico’s van premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid en deze beogen te verminderen: de zorgplicht zoals neergelegd in artikel 52 van de Pensioenwet (zie bijlage 1). Het doel van die zorgplicht is dat deelnemers inzicht krijgen in de weging tussen risico en rendement, oftewel in de gewenste (on)zekerheid over het te bereiken pensioenkapitaal. De AFM onderzocht op welke wijze pensioenuitvoerders invulling hebben gegeven aan die op hen rustende zorgplicht. (B28483)
- AFM; GfK Consumer Services, AFM UPO onderzoek : een onderzoek naar interesse in, duidelijkheid van en behoefte aan informatie via het pensioenoverzicht
Amsterdam : AFM, 2010.
Vanuit de nieuwe Pensioenwet, welke is ingegaan op 1 januari 2007, heeft de AFM het toezicht op de pensioenuitvoerders onder haar hoede gekregen. Deel van de verplichtingen die pensioenuitvoerders vanuit deze Pensioenwet dienen na te leven, is het verstrekken van Uniforme Pensioen Overzichten (UPO). Het doel van het UPO is om deelnemers en hun eventuele nabestaanden jaarlijks een duidelijk inzicht te geven in de huidige en toekomstige pensioensituatie. Door de uniformiteit van de pensioenoverzichten van de verschillende fondsen en verzekeraars, kunnen de bedragen gemakkelijk bij elkaar opgeteld worden. Onduidelijk is echter nog of de UPO's worden doorgenomen en begrepen door de consument, laat staan of de geboden inzichten voldoende handvatten bieden om eventuele acties te ondernemen om de pensioensituatie aan te passen. Het onderzoek heeft het huidige gebruik en de perceptie van het UPO onder de loep genomen. (B28485)
- DNB; Broeders, D.; Chen, A.; Koos, B., An institutional evaluation of pension funds and life insurance companies
Amsterdam : DNB, 2009.
DNB Working paper, nr. 227/2009
Dit werkdocument vergelijkt twee verschillende soorten van lijfrente aanbieders: pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen. (B28446)
- Netspar; Kortleve, N.; Slager, A., Consumenten aan het roer : strategische toekomstvisies voor de Nederlandse pensioensector
Tilburg : Netspar, 2009.
NEA Paper, nr. 27
De echte crisis is niet alleen financieel. De echte crisis is dat de pensioensector onvoldoende is ingericht op de opkomende rol van de consument. Dat stellen Niels Kortleve (PGGM, Netspar) en Alfred Slager (Universiteit van Tilburg) in deze paper. Daarom is de huidige crisis vooral een kans voor de pensioensector om de zaken op orde te krijgen. Als we kijken door de bril van de consument, welke trends zien we dan? De inzichten toetsen Kortleve en Slager aan de huidige strategische discussies. Aan de hand daarvan komen zij met aanbevelingen die de consument centraal stelt en het stelsel robuuster maakt. Het perspectief van de werkgever in deze paper is bewust buiten beschouwing gelaten. (B28447)
- Ver. van Bedrijfstakpensioenfondsen; St. voor Ondernemingspensioenfonds, Het Nederlandse pensioensysteem : een overzicht van de belangrijkste aspecten
[Den Haag] : VB, 2010.
Deze brochure, beschikbaar in verschillende talen, geeft een overzicht van de belangrijkste aspecten van het Nederlandse pensioensysteem. Binnen Europa zien we verschillende pensioensystemen. Sommige landen hebben een puur omslagstelsel, waarbij de beroepsbevolking de pensioenen opbrengt die nu worden uitgekeerd. In andere landen sparen de inwoners individueel voor hun pensioen en wordt de hoogte daarvan bepaald door de beleggingsopbrengsten. Bovendien zijn er, zoals in Nederland, allerlei tussenvormen mogelijk. Voor de Europese discussie is het belangrijk om de voor- en nadelen van de verschillende systemen te bespreken. Ook aanwezig in Engelse, Duitse en Franse vertaling (B28448)
- Cie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen, Een sterke tweede pijler : naar een toekomstbestendig stelsel van aanvullende pensioenen
Den Haag : Cie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen, 2010.
Rapport van de commissie Goudswaard. De Cie heeft onderzocht in hoeverre de financiële crisis en de vergrijzing de schokbestendigheid van het pensioenstelsel ondermijnen en hoe de houdbaarheid van het stelsel kan worden verbeterd. De Cie meent dat het huidige Nederlandse pensioenstelsel aangepast moet worden om goed opgewassen te kunnen zijn tegen de gevolgen van de vergrijzing en de financiële onzekerheden. Daarom zijn keuzes noodzakelijk. Er kan gekozen worden voor een lagere ambitie – de norm is nu vaak 70 procent van het laatste loon op 65 jaar – of voor het beter handhaven van de huidige ambitie, maar dan wel de hogere risico’s die daarbij horen accepteren en beter toedelen. Zo zou de pensioenleeftijd automatisch kunnen meestijgen met de levensverwachting. Het moet gepensioneerden en premiebetalers dan wel duidelijk zijn welke risico’s zij lopen. (B28438)
- Cie Beleggingsbeleid en Risicobeheer, Pensioen: “onzekere zekerheid” : een analyse van het beleggingsbeleid en het risicobeheer van de Nederlandse pensioenfondsen
Eindhoven : Cie Beleggingsbeleid en Risicobeheer, 2010.
Onderzoek van de Commissie Frijns naar de wijze waarop het beleggingsbeleid, het risicobeheer, de uitvoering en governance van pensioenfondsen zich sinds 1990 heeft ontwikkeld in relatie tot de doelstelling en het risicodraagvlak van pensioenfondsen. (B28422)
- CBS; Hersevoort, M.; Dill-Fokkema, A.; Mooij. M. de; Vieveen, E., Witte vlek op pensioengebied 2007
Den Haag : CBS, 2009.
Het Centrum voor Beleidsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS-CvB) heeft in opdracht van SZW de witte vlek in 2007 in kaart gebracht. Dit rapport bevat de tabellenset met uitkomsten van het onderzoek, beschrijft de onderzoeksmethode, de kwaliteit van de uitkomsten en de vergelijkbaarheid van de uitkomsten met eerder onderzoek. Het rapport bevat geen analyse van de uitkomsten. Dit onderzoek sluit qua populatie en uitsplitsingen zoveel mogelijk aan bij het onderzoek van Research voor Beleid naar de witte vlek in 1996. (B28374)
- Ver. van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling; Gootjes, K., On track : benchmark responsible investment by pension funds in the Netherlands 2009 : a research paper
Culemborg : VBDO, 2009.
Ondernemingspensioenfondsen lopen achter op bedrijfstakpensioenfondsen op het gebied van duurzaamheid. Dit terwijl een aantal van de ondernemingen die aan het pensioenfonds verbonden zijn zich wel profileren op het gebied van duurzaamheid. Dit blijkt uit de derde ‘Benchmark verantwoord beleggen door Nederlandse pensioenfondsen'. Verder geven veel pensioenfondsen niet prijs met welke vermogensbeheerders zij in zee gaan en of deze zijn gekozen op basis van duurzaamheidscriteria. Daarnaast is opvallend dat slechts 16 van de 51 onderzochte pensioenfondsen overzichten van hun beleggingen publiceren. (B28349)
- Schols-van Oppen, E. M. F., De franchise in pensioenregelingen : proefschrift Universiteit van Tilburg
Nijmegen : Wolf Legal Publishers, 2009.
Over de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd is uitgebreid gedebatteerd. Maar volgens pensioenjuriste Emilie Schols is het hele stelsel toe aan een grondige revisie. De huidige inrichting van het Nederlandse pensioenstelsel werkt in het nadeel van sociaal zwakkeren en is zelfs in strijd met de Europese wetgeving rond gelijke behandeling. Het is de gewoonte om bij de berekening van het werknemerspensioen rekening te houden met de AOW. Daarom bouwt een werknemer niet over het hele inkomen pensioen op, maar wordt er een bedrag afgetrokken: de franchise. Toepassing van die franchise heeft onder andere tot gevolg dat werknemers met een laag salaris ten opzichte van hun inkomen minder (soms zelfs veel minder) pensioen krijgen dan werknemers met een hoog salaris. Het feit dat de werknemer met een laag salaris niet alleen in euro’s maar ook in procenten minder pensioen krijgt dan een werknemer die meer verdient, is moeilijk te rijmen met het principe van solidariteit. Er is integendeel sprake van ‘omgekeerde’ solidariteit. Daarom kan worden betwijfeld of een bedrijfstakpensioenfonds dat een dergelijke pensioenregeling uitvoert, wel voldoet aan de vraag vanuit de markt. Schols concludeert dat de meest eenvoudige oplossing is de franchise zonder meer weg te laten. Dan is er gelijke behandeling en geen omgekeerde solidariteit meer. Het kost ook niet meer. Het betrekken van de AOW bij de berekening van het werknemerspensioen op solidaire wijze is alleen mogelijk bij een andere inrichting van de AOW: de omvorming van de AOW tot een pensioen dat gerelateerd is aan arbeid. Bij alle huidige discussies rond de AOW is het jammer dat die optie niet is overwogen. Dan zouden werknemers die vroeg aan het werk gaan (vaak met een lager salaris) eerder AOW opbouwen dan werknemers die later aan het werk gaan (vaak met een hoger salaris). Op die manier is er meer solidariteit in de AOW en hebben werknemers met een laag salaris ook beter de mogelijkheid om wat eerder te stoppen dan de werknemer die minder lang gewerkt heeft. (B28315)
- Netspar; Lommen, J., “De API is een no-brainer” : de positionering van Nederland in de opkomende Europese pensioenmarkt
Tilburg : Netspar, 2009.
NEA Papers, nr. 25
Dit paper wil het debat stimuleren over de positionering van Nederland in de opkomende Europese interne pensioenmarkt. Bij die positionering speelt de Algemene Pensioeninstelling (API) een cruciale rol. Jacqueline Lommen (Hewitt) schetst de marktdynamiek rondom grensoverschrijdende IORPs – de pensioeninstellingen die werken volgens de Europese pensioenfondsenrichtlijn – en maakt deze inzichtelijk. Ook beschrijft ze de afwegingen die marktpartijen maken bij de keuze voor een specifiek pensioenvehikel. Lommen kiest duidelijk positie. Zij pleit voor een snelle introductie van de API en voor hogere prioriteit voor het nieuwe, Europese perspectief. (B28271)
- Netspar; Popta, B. van, De Pensioenagenda 2009–2010
Tilburg : Netspar, 2009.
NEA Paper, nr 26
De pensioenagenda 2009–2010 is omvangrijk. In dit paper heeft Benne van Popta (werkgeversvoorzitter Vereniging Bedrijfstakpensioenfondsen) deze opgesteld. Hij stelt daarbij dat een door de stakeholders gemeenschappelijk gedeelde onderzoeksagenda van grote waarde is, omdat daardoor blijvend draagvlak kan worden gecreëerd voor (bedrijfstak-) pensioenfondsen en ons tweedepijlerpensioencontract. Volgens Van Popta vraagt de uitwerking om een strakke regie en goede samenwerking tussen sociale partners en politiek. (B28272)
- DNB; Bikker, J.; Broeders, D.; Hollanders, D.; Ponds, E., Pension funds' asset allocation and participant age : a test of the life-cycle model
Amsterdam : DNB, 2009.
Working Paper, nr. 223/2009
Paper over het effect van de leeftijd van deelnemers op het strategische beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Uit het onderzoek blijkt dat pensioenfondsen inderdaad rekening houden met de gemiddelde leeftijd van de deelnemers. Echter, de gemiddelde leeftijd van de actieve deelnemers zijn veel sterker in het investeringsgedrag opgenomen dan de gemiddelde leeftijd van de gepensioneerde of slapende deelnemers. Dit suggereert dat zowel werkgevers als werknemers, die de besturen van pensioenfondsen domineren, de neiging hebben om meer belangstelling te tonen voor actieve deelnemers. Een jaar hogere gemiddelde leeftijd bij actieve deelnemers leidt tot een significante en robuuste vermindering van de strategische posities in aandelen met ongeveer 0,5 procentpunt. (B28273)
- Netspar; Sap, J.; Schippers, J.; Nijssen, J., Langer doorwerken en flexibel pensioen
Tilburg : Netspar, 2009.
NEA Papers, nr. 23
Voor het rapport keken Schippers en zijn coauteurs naar de haalbaarheid van de AOW-plannen van het kabinet om de pensioenleeftijd te verhogen. De onderzoekers bestudeerden zowel de financiële haalbaarheid, als de evenwichtige verdeling van de lasten voor de samenleving bij een verhoging van de pensioenleeftijd. Gepleit wordt voor een gedifferentieerde benadering van ouderen als onderdeel van het Nederlandse beleid rond langer doorwerken en pensioen. De traditionele beeldvorming, die in de bedrijfspraktijk dominant is, stelt ouder worden gelijk aan zwakker worden. Tegenover dit generieke beeld stelt de overheid al een aantal jaren een even algemeen beeld van ouderdom als kracht — ‘senior power’. Het overheidsbeleid ontkent daarmee in feite het probleem van werkgevers en slaagt er niet in de kloof met de bedrijfspraktijk te dichten. Door dat probleem wel serieus te nemen en in het spoor daarvan een gedifferentieerde typologie van de oudere medewerker te ontwikkelen, ontstaat oog voor zowel de kracht als de zwakte van de ouder wordende medewerker. Een dergelijke typologie en maatregelen die aansluiten bij de diversiteit van ouderen, kunnen bijdragen aan een effectiever leeftijdbeleid. In dit rapport wordt een voorstel gedaan voor zo’n gedifferentieerde typologie. In het kader van maatregelen die aansluiten bij de diversiteit van ouderen wordt gepleit voor flexibilisering van de AOW en koppeling van de AOW aan het arbeidsverleden. (B28184)
- Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde; Gelauff, G.; CPB; Bijlsma, M.; [et al.], Jaarboek 2008/2009
Amsterdam : Kon. Ver voor de Staathuishoudkunde, 2009.
Het veertiende jaarboek van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde is geheel gewijd aan de kredietcrisis en de doorwerking daarvan op de reële economie en de gevolgen daarvan voor het beleid. Opgenomen zijn de volgende bijdragen:
Thema 1: Oorzaken van de kredietcrisis
Thema 2: Gevolgen kredietcrisis voor de reële economie en de verhouding tot eerdere crises
Thema 3: Gevolg pensioenfondsen:
Pensioenarmada maakt water; pompen of verzuipen; Pensioenen: weinig reden tot ongerustheid; Herstel dekkingsgraad pensioenfondsen vergt grote inkomensoffers; Nationaal pensioenfonds.
Thema 4: Beleid financiële markten
Thema 5: Beleid voor de reële economie. (B28183)
- Netspar; Jong, F. de, Naar een flexibele pensioenregeling voor ZZP'ers
Tilburg : Netspar, 2009.
NEA Paper, nr. 19
Het Nederlandse pensioenstelsel heeft, naast de AOW, een uitgebreide tweede pijler voor werknemers in loondienst. Voor zelfstandigen is er echter geen gemeenschappelijke aanvullende pensioenregeling. Dit heeft als mogelijke nadelen dat deze groep te weinig pensioen opbouwt of moet terugvallen op relatief dure individuele pensioenproducten. Frank de Jong (UvT en Netspar) geeft in dit paper een schets van een gezamenlijke pensioenregeling voor ZZP’ers. Zijn analyse is gebaseerd op de levenscyclusmodellen uit de economische theorie. Deze geven een integraal kader voor sparen, consumeren en beleggen over de levenscyclus. Aan de hand van deze theorie presenteert dit paper een aantal gewenste eigenschappen van een pensioenregeling voor ZZP’ers. (B28169)
- Cie Parameters, Advies betreffende parameters pensioenfondsen
[Den Haag] : Cie Parameters, 2009.
Advies over de maximum waarden voor de verwachte rendementen waarmee pensioenfondsen vanaf 2010 mogen rekenen. De commissie Don heeft een verdeeld advies uitgebracht. Uit het advies blijkt dat een deel van de commissie adviseert het maximum voor het verwachte rendement op aandelen met zo’n 1,5 procentpunt te verlagen. De voorzitter en de vertegenwoordigers van het Centraal Plan Bureau en De Nederlandsche Bank zijn van mening dat de rendementen die de pensioenfondsen in het verleden hebben gehaald deels veroorzaakt zijn door meevallers die niet representatief zijn voor de toekomst. Daarom zou het aandelenrendement met zo’n 1,5 procent moeten worden verlaagd. Als hiertoe zou worden besloten kan dat leiden tot een totale premiestijging voor werkgevers en werknemers van 1,9 miljard euro. Hogere premies vergroten de kans dat indexatieverwachtingen waargemaakt kunnen worden. Een ander deel van de commissie adviseert pensioenfondsen te laten rekenen met een aandelenrendement dat zo’n 0,25 procentpunt lager ligt dan het huidige rendement. Deze leden, vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid, zijn van mening dat wel naar het historische gemiddelde rendement kan worden gekeken. Overigens tekenen ze daarbij aan dat pensioenfondsen zich ervan bewust moeten zijn dat toekomstige rendementen fors kúnnen afwijken van dat historische gemiddelde. Als tot een daling van 0,25 procentpunt zou worden besloten kan dat leiden tot een premiestijging voor werkgevers en werknemers van 0,6 miljard euro. De commissie was het wel eens over minimale verwachtte loon- en prijsstijgingen en het maximale verwachtte rendement op obligaties. Ook vindt de commissie dat pensioenfondsen rekening moeten houden met forse afwijkingen van het verwachtte rendement. (B28139)
- Nyenrode Business Universiteit; St. Performance; Koelewijn, J., Pension fund governance : waar staat de Nederlandse pensioensector?
Breukelen : Nyenrode Business Universiteit, 2008.
Onderzoek naar de huidige situatie omtrent de governance van pensioenfondsen op basis van een enquête onder o.a. pensioenfondsen en verzekeraars. Doel van het onderzoek is na te gaan of men vindt dat er een relatie bestaat tussen de wijze waarop er intern toezicht wordt gehouden op het pensioenfonds enerzijds en de geleverde prestaties anderzijds. (B28030)
- Netspar; Bovenberg, L.; Nijman, Th., Kredietcrisis en pensioenen : structurele lessen en kortetermijnbeleid
Tilburg : Netspar, 2009. 80 p.
NEA paper, nr. 18
Vele Nederlandse pensioenfondsen kampen op dit moment met lage dekkingsgraden. Deze paper analyseert hoe de fondsen op deze onderdekking kunnen reageren zonder hun langetermijnperspectief te schaden. De analyse vindt plaats in het licht van de structurele lessen van de kredietcrisis over risicomanagement. De paper bestaat uit twee delen. Het eerste deel van analyseert de structurele lessen die uit de kredietcrisis volgen. Gebleken is dat pensioenfondsen blootstaan aan aanzienlijk mismatch risico’s. Maar deelnemers moeten kunnen blijven profiteren van de beloning voor het lopen van risico’s. Pensioenfondsen hebben echter te weinig risicodragend vermogen om dit mogelijk te maken. De paper analyseert alternatieve mogelijkheden om het risicodragende vermogen te vergroten door het pensioencontract aan te passen. Het tweede deel van de paper analyseert de gevolgen van de huidige situatie voor het kortetermijnbeleid: pensioenfondsen hebben (bijna) al hun risicodragende vermogen verloren door de turbulentie op de financiële markten zonder dat er in het verleden afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de lasten van onderdekking. Deze analyse leidt tot de conclusie dat de meeste Nederlandse fondsen er nu verstandig aan doen beleggingsrisico’s te blijven nemen om zo te kunnen profiteren van de verwachte herstelkracht van risicopremies. (B27942)
- SPO; Glasmeier, S.; Dekker, H.; Wijngaarden, P. van; Wijs, M. de, Parels : deskundigheid in de pensioenpolder
Den Haag : SPO, 2009.
Pensioenfondsen maken werk van deskundigheidsbevordering. Sinds de presentatie van het Plan van Aanpak Deskundigheidsbevordering (PAD) door de 3 pensioenkoepels in 2007 hebben fondsen concreet invulling gegeven aan het bevorderen van deskundigheid binnen de sector. Elk fonds heeft dat op zijn eigen inventieve manier gedaan. Dat is de belangrijkste conclusie uit het magazine ‘Parels; Deskundigheid in de pensioenpolder’ Twee jaar na de introductie van PAD, heeft SPO in kaart gebracht hoe de pensioensector het deskundigheidsdossier heeft opgepakt. Daarnaast wilde SPO de kennis en ervaringen die zijn op te tekenen terugkoppelen. Dit heeft gestalte gekregen via een serie interviews met bestuurders van 10 pensioenfondsen: grote en kleine, ondernemings- en bedrijfstakfondsen. Ook andere betrokkenen zoals de pensioenkoepels, de Stichting van de Arbeid en De Nederlandsche Bank, komen aan het woord. Al die verhalen zijn in ‘Parels’ bijeengebracht. (B27910)
- Min. SZW, Het Nederlandse pensioenstelsel
Den Haag : Min. SZW, [2009].
Deze brochure schetst de hoofdlijnen van het Nederlandse pensioenstelsel en de bijbehorende wet- en regelgeving. (B27892)
- Lecq, S. G. van der; Oerlemans, A.; Netspar, Zelfstandigen zonder pensioen
[Tilburg] : Netspar, 2009.
NEA-paper
De groeiende groep zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) is naar zijn aard zelf verantwoordelijk voor de eigen pensioenopbouw. Doordat collectieve pensioenregelingen in de tweede pijler slechts beperkt voorzien in mogelijkheden voor vrijwillige aansluiting door individuele niet-werknemers, missen zzp’ers veel van de voordelen die pensioenfondsen aan werknemers bieden. Bovendien worden de huidige oplossingen in de derde pijler beperkt benut, zodat veel zzp’ers geen aanvullend oudedagspensioen hebben. Dit NEA-paper brengt de omvang van deze ‘witte vlek’ in kaart en presenteert contouren van mogelijke oplossingen. Daartoe wordt een pensioenproduct voor zzp’ers geschetst en wordt aangegeven hoe dit product kan worden vermarkt, al dan niet via een zzppensioenfonds. Het paper eindigt met aanbevelingen. (B27855)
- Lecq, S. G. van der, Pensioenmarkten in spannende tijden : oratie
Rotterdam : Erasmus School of Economics, 2009.
Pensioenmarkten bevinden zich niet alleen tijdens de huidige financiële crisis in spannende tijden. Vanuit een evolutionair perspectief bezien, zijn het altijd spannende tijden. Er is de strijd om het overleven van de soort en het selectieproces waarbij de beste individuen winnen. In de markt vindt een continu selectieproces plaats waarbij individuen winnen en verliezen. Soms verdwijnen of ontstaan markten als geheel. Het tijdig creëren van succesvolle ‘mutaties’ via innovatie is daarbij van belang. In de rede wordt een onderzoeksagenda geschetst waarbij vragen rondom marktwerking in deelmarkten van de pensioensector worden geadresseerd. Inaugurele rede uitgesproken op vrijdag 17 april 2009 bij aanvaarding van de leerstoel Pensioenmarkten aan de Erasmus School of Economics. (B27813)
- PriceWaterhouseCoopers; Verbond van Verzekeraars, Uitvoeringskosten van pensioenregelingen : een onderzoek naar de kosten van verzekeraars en pensioenfondsen voor de uitvoering van collectieve pensioenregelingen
Z.P. : PriceWaterhouseCoopers, 2009.
Dit rapport beschrijft de resultaten van een onderzoek van PricewaterhouseCoopers (PwC) naar de uitvoeringskosten van collectieve pensioenregelingen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Verbond van Verzekeraars. Uit de studie blijkt dat er een sterk verband is tussen de omvang van pensioencontracten en de uitvoeringskosten per deelnemer. Naarmate een pensioencontract meer deelnemers telt zijn de kosten per deelnemer lager. Verzekeraars zijn daarbij in het algemeen kostenefficiënter dan pensioenfondsen. (B27802)
- Cui, J., Essays on pension scheme design and risk management : proefschrift Universiteit van Tilburg
Tilburg : CentER, 2009.
CentER dissertation series, nr. 230
De pensioenstelsels staan onder druk, zowel van de vergrijzing als van nieuwe boekhoudregels die de financieringskosten doen oplopen. Pensioenverstrekkers hebben de laatste jaren oplossingen gezocht in het afschaffen van het collectieve karakter van de regelingen, waarbij het financiële risico verschuift naar de individuele deelnemers, of in het herverdelen van de risico's over de gepensioneerden, de werknemers en de sponsor. Beide oplossingen hebben nadelen: zo wordt de individuele deelnemer in het eerste geval geconfronteerd met lastige spaar- en beleggingsbeslissingen over de levensloop. Wat werkt het best? Jiajia Cui rekende de verschillende opties door. Volgens Cui moet de volgende generatie pensioensystemen de krachten van collectieve en individuele pensioensystemen combineren. De economische toegevoegde waarde van collectieve systemen ligt in de risicodeling. In haar proefschrift laat Cui zien dat goed georganiseerde risicodeling over generaties meer kan opleveren dan individueel pensioensparen. Deze vorm van risicodeling zou dus behouden moeten blijven, en zelfs versterkt moeten worden. De kracht van individuele systemen is de afstemming op de behoeften van de deelnemers, maar in de praktijk ondervinden de meeste individuen grote problemen met het nemen van spaar- en beleggingsbeslissingen over hun levensloop. Cui ontwierp echter eenvoudige regels waarmee een optimaal beleggingsbeleid nagebootst wordt. Deze eenvoudige spaarregeling houdt rekening met relevante omstandigheden in de levensloop, waaronder de aanschaf van een eigen huis in de eerste arbeidsjaren en de kosten van gezondheid tijdens de oude dag. De regeling levert aanzienlijk meer op dan een leeftijdsonafhankelijke regeling, aldus Cui. (B27731)
- Petersen, C.; Popta, B. van; Snieder, E.; [et al.], Besturingsprincipes
Epse : PetersenConsult BV, 2009.
PBM dossierreeks, nr. 4
De publicatie gaat in op de (eerste) ervaringen met pension fund governance (PFG), plaatst de besturingsprincipes in een breder kader en geeft handreikingen voor verbeteringen. (B27732)
- Actuarieel Genootschap & Actuarieel Inst.; Bosch, H. W. A. M. van den; Kullen, P. H. J. A. Damen, F. H. M.; Boeijen, T. A. H., De AOW in beweging : verhoging van de AOW-leeftijd en de gevolgen voor de pensioenen in de tweede pijler
Utrecht : AG, 2009.
AG-rapport
Rapport over de gevolgen van het verhogen van de AOW-leeftijd voor de pensioenregelingen in de tweede pijler. Het rapport schetst een beeld op hoofdlijnen van de verschillende technische oplossingen waaruit, door de sociale partners, gekozen kan worden voor de pensioenen in de tweede pijler indien de AOW-leeftijd wordt verhoogd. Voorts vraagt het rapport alert te zijn op de omvangrijke operationele effecten die het verhogen van de AOW-leeftijd met zich mee brengen voor het pensioen in de tweede pijler. Het rapport heeft als uitgangpunt de aanname dat de AOW in stappen van 1 maand per jaar opschuift van 65 naar 67 jaar (commissie Bakker in juni 2008). (B27713)
- Lange, P. de, Wat is oud? : sfeerovergangen in het pensioenrecht : afscheidsrede
Nijmegen : Radboud Universiteit, 2009.
Professor De Lange gaat in zijn afscheidsrede dieper in op enkele juridische aspecten van het fenomeen pensioenleeftijd. Met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd verandert de status van deelnemer naar gepensioneerde. En daarmee wijzigt ook de aandacht van de pensioengerechtigden voor de belangenbehartiging. Koopkrachtbescherming wordt dan belangrijker. Een tweede lastige kwestie is het feit dat de uitvoerder van de pensioenregeling steeds weer balanceert tussen sociale instelling en financieel instituut. Door nieuwe wet- en regelgeving komt de sociale instelling in het gedrang. Terugkijkend valt het Pieter de Lange op hoe moeilijk het steeds weer is om de doorlooptijd van een pensioenregeling in overeenstemming te brengen met de maatschappelijke ontwikkelingen. De wereld verandert sneller dan de pensioenregeling kan bijhouden. Dat maakt duidelijk waarom de pensioenwereld, soms ten onrechte, niet erg gericht is op verandering. (B27677)
- KPMG; Horst, H. P. van der; Snieder, E., De pensioenwereld in 2009
Amsterdam : KPMG, 2008.
Aan de hand van een grootschalig, jaarlijks onderzoek, brengt de branchegroep Pension Funds de ontwikkelingen in kaart, evenals de betekenis hiervan voor de besturing van pensioenfondsen. De bundel bevat de volgende hoofdstukken: Diversificatie door beleggen in nieuwe producten: weet wat u doet!; Fraudebeheersing loont!; Toezichthouder AFM wordt strenger; van Verkennen naar Evalueren; Verslaggeving en controle bij wijzigende omstandigheden: aandachtspunten bij fusie, overdracht, herverzekering en liquidatie; Fiscale risico's en kansen pensioenfondsen; De risicoanalyse gemaakt. Hoe nu verder?; Alternatieve beleggingen als bron van liquiditeitenrisico voor pensioenfondsen?; De risico's en kansen van klimaatverandering; Verbetering van het pensioenstelsel in (inter)nationale context; Accounting van pensioenregelingen - een blik op de toekomst; Op weg naar een effectievere, efficiëntere benadering: Lessen uit de SAS 70-praktijk voor pensioenfondsen; Contract compliance is een 'must' bij uitbesteding; Verantwoording en intern toezicht... voorkom gaten en doublure;!; (Financiële kansen en bedreigingen bij liquidatie; Tijd voor een her(r)ijking van het Nederlandse pensioenstelsel. De bijlagen bevatten de onderzoeksresultaten. (B27670)
- Grip, A. de; Lindeboom, M. de; Montizaan, R.; Netspar, Shattered dreams : the effects of changing the pension system late in the game
Tilburg : Netspar, 2009.
Discussion Paper, nr. 02/2009 - 010
De publicatie gaat in op de gevolgen van een ingrijpende hervorming van het Nederlandse stelsel van vroegpensioen op de geestelijke gezondheid, het spaargedrag en pensioenverwachtingen van werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd naderen. De hervorming houdt in dat werknemers uit de publieke sector die zijn geboren op of na 1 januari 1950, geconfronteerd worden met een aanzienlijke vermindering van hun pensioenrechten. Terwijl werknemers die voor deze datum zijn geboren nog onder het oude, gunstige pensioenregime vallen. Op basis van onderzoek en gegevens over mannelijke werknemers in de publieke sector geboren in 1949 en 1950 wordt een sterk ex-ante effect gevonden op de geestelijke gezondheid van werknemers die worden getroffen door de hervorming. Dit effect neemt toe naarmate de geboortedata de datum van 1 januari 1950 naderen. (B27612)
- Sleijpen, O. C. H. M., On the exportability of the Dutch pension system to the European Union : oratie Universiteit Maastricht
Maastricht : Universiteit Maastricht, 2009.
Juist in deze tijden van kredietcrisis zou het goed zijn om het Nederlandse pensioenstelsel te exporteren naar EU-lidstaten. Ondanks het feit dat Nederlandse pensioenfondsen het moeilijk hebben, is de situatie in het buitenland nog desastreuzer. Daarom is men in de EU naarstig op zoek naar alternatieven. Bovendien is export van het Nederlandse stelsel voor het voortbestaan van het stelsel van levensbelang. Het Nederlandse pensioenstelsel is steeds meer een vreemde eend in de bijt. Export kan de positie van het Nederlandse stelsel in de EU versterken. Dat beweert prof.dr. Olaf Sleijpen in zijn oratie. Oratie uitgesproken op 6 februari 2009. Op 1 december 2007 werd prof.dr. Olaf Sleijpen benoemd tot bijzonder hoogleraar European Economic Policy aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde. (B27588)
- CPB; Bonenkamp, J.; Rele, H. ter, Verhoging AOW-leeftijd en dekkingsgraad pensioenen
Den Haag : CPB, 2009.
CPB Memorandum, nr. 215
Dit memorandum beoogt te verduidelijken welke veronderstellingen het CPB heeft gehanteerd bij berekeningen van de effecten van verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar. Er zijn op dit moment twee varianten voor een dergelijke verhoging; deze worden apart behandeld. Daarna volgt een korte analyse van de effecten van beleid en economische ontwikkelingen op de dekkingsgraad van pensioenfondsen. (B27584)
- CPB; Duijn, M. van; Lindeboom, M.; Lundborg, P.; Mastrogiacomo, M., Pension plans and the retirement replacement rates in the Netherlands
Den Haag : CPB, 2009.
CPB discussion paper, nr. 118
De paper onderzoekt voor verscheidene cohorten van Nederlandse werknemers de verhouding tussen het laatst verdiende loon en het pensioen. De auteurs berekenen die verhouding op basis van pensioengegevens die de individuele werknemers zelf hebben verstrekt. Gebruik makend van verschillende indexeringsvoeten voor de lonen blijkt deze verwachte verhouding van respondenten hoger uit te komen dan uit de berekeningen blijkt. De verschillen zijn groter bij jongere werknemers. Dit verschil heeft voornamelijk te maken met de geringe kennis over pensioenregels bij respondenten. De paper toont ook aan hoe gevoelig deze resultaten zijn voor de aannames over indexatie en loonprofielen. (B27560)
- Stichting van de Arbeid, 'Bijbetaalproblematiek' bij pensioenwaardeoverdrachten
Den Haag : Stichting van de Arbeid, 2009.
Bijbetaalproblematiek bij pensioenwaardeoverdrachten moeilijk volledig tot een spoedige oplossing te brengen. Tot deze conclusie komt de Stichting van de Arbeid samen met de pensioenkoepels in een brief van 8 januari 2009 aan minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De minister had naar aanleiding van een Tweede Kamermotie het advies van de Stichting gevraagd over het probleem dat een werkgever met een rechtstreeks verzekerde pensioenregeling die een werknemer in dienst neemt die besluit tot waardeoverdracht van zijn pensioenaanspraken als gevolg daarvan kan worden geconfronteerd met een forse bijbetaling. De Stichting stelde in haar brief vast dat binnen de huidige systematiek van de wettelijke regeling voor pensioenwaardeoverdrachten dit probleem niet structureel tot een oplossing kan worden gebracht zolang: sprake is van een verschil tussen de rentevoet die verzekeraars hanteren bij de financiering van rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen en de rentetermijnstructuur welke jaarlijks wordt vastgesteld voor pensioenwaardeoverdrachten, én bij waardeoverdracht de waarde van de opgebouwde (nominale) pensioenaanspraken van de van baan veranderende werknemers geen wijziging mag ondergaan. Briefadvies van 8 januari 2009. (B27544)
- Stevens, L. G. M.; Schuurman, B. G. J., Pensioen in de loonsfeer
Deventer : Kluwer, 2008.
FED fiscale brochures
'Pensioen in de loonsfeer' beschrijft de ontwikkeling van het fiscale pensioenbegrip en behandelt de daarop betrekking hebbende jurisprudentie en regelgeving. De publicatie behandelt niet alleen de fiscaaltechnische consequenties van de pensioentoezegging, maar geeft ook inzicht in de maatschappelijke achtergronden van het pensioenstelsel die van invloed zijn geweest op de aard en vormgeving van de fiscale beleidsregels. De maatschappelijke trends betreffende de vergrijzing en ontgroening, de Europese integratie en mondialisering van de economische en maatschappelijke verhoudingen, de individualisering en wens tot flexibilisering van regelgeving hebben mede hun stempel gedrukt op de pensioenregelgeving. Aanleiding tot deze zesde druk is de per 1 januari 2007 in werking getreden Pensioenwet (PW). 'Pensioen in de loonsfeer' geeft de gewenste toelichting op de thans geldende regels. Daarin worden ook de uitvoeringsregelingen en overgangsbepalingen beschreven en becommentarieerd. Waar nodig worden eveneens de samenloopproblemen met eerdere stelselwijzigingen in het pensioenregime behandeld. Ook wordt aandacht besteed aan de antimisbruikbepalingen en de spanning tussen deze bepalingen en het Europese en internationale recht. 6e dr. (B27456)
- Langemeijer, R. A. C. M., Pensioenovereenkomstenrecht
Den Haag : Boom, 2008.
Pensioen is een gewone arbeidsvoorwaarde. Een arbeidsvoorwaarde waarbij met een groot aantal regels rekening moet worden gehouden. Over die regels gaat het boek. Waar nodig wordt ook aandacht besteed aan de financiering en uitvoering door pensioenfondsen en verzekeraars. (B27425)
- CPB; Roscam Abbing, M., Pensioenspaarpot verdampt
Den haag ; CPB, 2008.
CPB Memorandum, nr. 211
Het bezit van een flinke spaarpot voor de oude dag lijkt een bron van zekerheid. Totdat het gespaarde (en belegde) kapitaal opeens verdampt, als gevolg van een wereldwijde val van de beurskoersen. Dat gebeurde tijdens de dot.com crisis met het vermogen van ons kapitaalgedekte pensioenstelsel. En nu - slechts een paar jaar later - weer. Niets zekerheid! Toen waren de negatieve gevolgen voor de rest van de economie sterk, dankzij onvermijdelijke premiestijgingen. Nu zullen de problemen in de pensioensector naar verwachting wat minder grote uitstralingseffecten hebben. (B27416)
- Grashoff, M.; Hanssen, N.; Greef, R. M. J. M., Pensioenwetwijzer : pensioenwet en aanverwante regelgeving 2008
Deventer : Kluwer, 2008.
Deze uitgave bevat de Pensioenwet inclusief de laatste wijzigingen als gevolg van de op 1 augustus 2008 in werking getreden wet 'Enige wijzigingen in de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten', ook wel 'Veegwet' genoemd. Tevens zijn hierin opgenomen: het Besluit uitvoering pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Uitvoeringsbesluit), het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, de Regeling parameters pensioenfondsen en de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Regeling Pensioenwet) met als bijlage de toeslagenmatrixen zoals deze voor pensioenfondsen en verzekeraars met ingang van 1 januari 2009 gelden. In deze uitgave staat expliciet vermeld welke artikelen of artikelleden in 2008 in werking zijn getreden en welke vanaf 2009 van toepassing zijn. In geval bij een artikel geen inwerkingstredingsdatum vermeld staat, dan is het reeds op 1 januari 2007 of met terugwerkende kracht tot die datum in werking getreden. (B27282)
- Vorselen, L. van, Rechtvaardig en solidair met pensioen
Deventer : Kluwer, 2008.
Van alle kanten worden er voorstellen gedaan om het Nederlandse pensioengebouw overeind te houden. In de publicatie wordt onderzocht of deze voorstellen nog passen binnen de bestaande structuur van ons pensioenstelsel of leiden tot een structurele wijziging daarvan. Allereerst komen de begrippen rechtvaardigheid en solidariteit aan de orde. Vervolgens wordt ingegaan op rechtvaardigheid en solidariteit in het historisch pensioendebat (sinds 1870), rechtvaardigheid en solidariteit in de AOW en in het werknemerspensioen, rechtvaardigheid en solidariteit in het actuele Nederlandse pensioendebat met o.a. de visies van het CPB en de WRR, de uitvoerder (SVB) en de toezichthouder (DNB), de wetenschap (St. Pensioenwetenschap, Netspar), de partijen in de polder (Stichting van de Arbeid, VNO-NCW, FNV, CNV, CSO, SER), en de politiek. Tot slot wordt antwoord gegeven op de vraag of de voorstellen in het actuele pensioendebat een structurele verandering betekenen in de arrangementen voor de inkomensbescherming bij ouderen. (B27161)
- Janssen Groesbeek, M.; Ver. van Bedrijfstakpensioenfondsen; [et al.], Midden in de samenleving : verantwoord beleggen door pensioenfondsen
Assen : Van Gorcum, 2008.
Elf interviews met opinieleiders over de maatschappelijke rol van pensioenfondsen en maatschappelijk verantwoord beleggen. De volgende personen worden geïnterviewd: Jacqueline Cramer: "Vragen om wetgeving is een Pavlov-reactie"; Piet Hein Donner: "Een code als hulpmiddel voor pensioenfondsen"; Arnout Boot: "Pensioenfondsen moeten hun bestaansrecht verdienen"; Joost van der Does de Willebois: "De beurs houdt zich aan de regels van de overheid"; Paul van der Heijden: "Bedrijven missen morele verbeeldingskracht"; Kees Koedijk: "Negeren van duurzaamheid is zinloos"; Ruud Lubbers: "Pensioenfondsen lopen achter op bedrijven": Cees van Riel: "Pensioenfondsen moeten zich niet laten uitspelen"; Alexander Rinnooy Kan: "Zorgen voor een fatsoenlijk pensioen"; Lutgart Van den Berghe: "Duurzaam beleggen alleen is niet genoeg"; Vertegenwoordigers van toonaangevende maatschappelijke organisaties: "Het echte werk moet nog beginnen. (B27101)
- Commissie Arbeidsparticipatie, Naar een toekomst die werkt : advies Commissie Arbeidsparticipatie
Z.P. : Z.U., 2008.
De Commissie Arbeidsparticipatie, onder voorzitterschap van dhr. Bakker, heeft in opdracht van de minister van SZW voorstellen geformuleerd die ertoe leiden dat in Nederland meer mensen meer aan het werk gaan en dat de werking van de arbeidsmarkt verbeterd wordt
Belangrijke conclusie van de Commissie is dat de arbeidsmarkt in Nederland aan de vooravond staat van een fundamentele verandering. Dit komt doordat er in de komende decennia meer werk is en er minder mensen zijn. En door de globalisering nemen de eisen aan het kennisniveau en aanpassingvermogen van de beroepsbevolking toe.
De Commissie ziet kansen en mogelijkheden om de discussie over werken er één van hoop in plaats van angst te maken. Om de talenten van iedereen te ontwikkelen, kwetsbare groepen aan het werk te helpen en mee te laten doen. Om deze kansen te benutten doet de Commissie voorstellen om:
• Nu meer mensen aan het werk te krijgen
• Structureel aan te sturen op inzetbaarheid en werkzekerheid
• Mensen geleidelijk langer te laten werken.
De Commissie pleit voor een cultuurverandering ondersteund door nieuwe maatregelen op het gebied van arbeidsmarkt en socialeverzekering. (B26930)
- Research voor Beleid; Min. SZW; Berdowski, Z.; Stroeker, N. E.; Werf, C. van der, Evaluatie artikel 2b Pensioen- en spaarfondsenwet : uitruilmogelijkheid van het nabestaandenpensioen : eindrapport
Zoetermeer : Research voor Beleid, 2008.
In artikel 2b PSW regelt dat deelnemers aan een pensioenregeling de mogelijkheid wordt geboden hun opgebouwde nabestaandenpensioen in te ruilen voor een hoger en/of eerder ingaand ouderdomspensioen. Daarnaast regelt de wet de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en een verbod op onderscheid naar burgerlijke staat. Het rapport bevat een evaluatie van artikel 2b. Onderzocht is de doeltreffendheid van de wet: hoe is in pensioenregelingen gereageerd op de uit de wet voortvloeiende verplichtingen inzake uitruilrecht en gelijke behandeling?; en tot welke effecten heeft de wet in de praktijk geleid? (B26816)
- Min. SZW; AFM; Ferro Markt- en Communicatieonderzoek; Winninghof, M.; Notenboom, M., Indexatielabel : resultaten van een kwalitatief conceptonderzoek
Amsterdam : Bureau Ferro, 2008.
Om (gewezen) deelnemers aan pensioenregelingen een beter beeld te geven van de kwaliteit van het indexatiebeleid van hun pensioen (door hun pensioenfonds), heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opdracht gegeven tot de invoering van een zogenaamd indexatielabel. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de wijze waarop het indexatielabel het best aan de consument gecommuniceerd kan worden. Concreet is inzicht nodig in: de inhoudelijke weergave van de indexatiemaat en de risicomaat; de vormgeving van het label. (B26791)
- Min. SZW; AFM; Ferro Markt- en Communicatieonderzoek; Notenboom, M.; Clercq, F. des, Indexatielabel vervolgonderzoek : resultaten van een kwalitatief conceptonderzoek
Amstelveen : Bureau Ferro, 2008.
Het vervolgonderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de wijze waarop het indexatielabel voor consumenten het meest optimaal kan worden ingevuld (zowel qua inhoud als qua vormgeving). (B26792)
- TNS Nipo; Eecen, A.; Ruiter, N. de, Evaluatie indexatielabel : kwantitatief onderzoek onder actieven, slapers en gepensioneerden
Amsterdam : TNS Nipo, 2007.
TNS-NIPO heeft in het najaar van 2007 het begrip en de beleving van het indexatielabel onderzocht onder 670 personen (deelnemers, slapers en gepensioneerden). (B26793)
- Ponds, E., Naar meer jong en oud in collectieve pensioenen : oratie
[Tilburg] : Universiteit Tilburg, 2008.
De deelnemersbestanden van veel Nederlandse pensioenfondsen zullen in de komende jaren vergrijzen. Het relatieve belang van ouderen zal steeds groter worden. Een conservatief financieringsbeleid gericht op indexatiezekerheid op de korte termijn is echter niet zo aantrekkelijk voor jongere deelnemers. In zijn oratie doet Eduard Ponds een voorstel om inzichten rond 'optimal lifecycle planning' te integreren in de collectieve pensioenregelingen van de Nederlandse pensioenfondsen. Het voorstel is in essentie een aanpassing van de indexatiesystematiek. Nu is bij veel pensioenfondsen de jaarlijkse indexatie van de opgebouwde aanspraken gekoppeld aan de cao-loongroei van de bedrijfstak of van de onderneming achter het pensioenfonds. Eduard Ponds stelt voor om de indexatie deels te relateren aan het gerealiseerde beleggingsrendement van het pensioenfonds. Hierbij wordt gedifferentieerd naar leeftijd. In overeenstemming met de inzichten van optimal lifecycle planning wordt daarbij de indexatie van jongere deelnemers grotendeels of geheel gekoppeld aan het gerealiseerde beleggingsrendement. Met het ouder worden van de deelnemer neemt het relatieve belang van het rendementsdeel gestaag af en neemt het loongerelateerde deel van de indexatie toe. Met dit voorstel kunnen de risicoprofielen van jonge en oudere deelnemers in overeenstemming worden gebracht met de aanbevelingen van optimal lifecycle planning, terwijl de bewezen voordelen van collectiviteit en risicodeling behouden blijven.
Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van ambt van bijzonder hoogleraar in Economie, van Collectieve pensioencontracten aan de Universiteit van Tilburg op vrijdag 11 april 2008. (B26767)
- Ver. VNO-NCW; MKB-Nederland; LTO Nederland; AWVN, Naar een modern en betaalbaar pensioen : voorstellen voor een weerbaar en wendbaar pensioenstelsel
Den Haag : VNO-NCW, 2008.
Met deze nota willen de werkgeversorganisaties een bijdrage leveren aan een integraal en toekomstgericht pensioenbeleid, gericht op een houdbaar pensioenstelsel in Nederland. De nota vertrekt vanuit de overtuiging dat aan aanpassing van de pensioenregelingen niet kan worden ontkomen. In principe willen de organisaties vasthouden aan het Nederlandse systeem van verplichte deelname aan collectieve regelingen en solidariteit tussen de deelnemers. Stevige ingrepen en verdere moderniseringen zijn echter wel nodig om het stelsel overeind te houden. Concreet worden enkele voorstellen gedaan om de houdbaarheid van onze volksverzekeringen (AOW en ANW) op lange termijn veilig te stellen, waarbij wat betreft de AOW o.a. de uitkeringsleeftijd en de financieringswijze aan de orde komen en wat betreft de ANW de overheveling daarvan naar aan aparte risicogroep binnen de Wet Werk en Bijstand. Met betrekking tot de aanvullende pensioenregelingen in de tweede pijler concentreren de voorstellen zich op het waar mogelijk beperken van de pensioenrisico's en het op een andere wijze verdelen daarvan. Daarbij wordt o.a. geconcludeerd dat het noodzakelijk is de pensioenambitie van het verplichte deel van de tweede pijler te verlagen en dat er – ook in de toekomst – geen garanties terzake van pensioenzekerheid kunnen worden gegeven. Teneinde de kosten voor de onderneming in de hand te houden wordt o.a. voorgesteld de jaarlijkse opbouw, de indexatieambitie en de pensioenleeftijd ter discussie te stellen en meer te gebruiken als sturingsinstrumenten. Ook wordt voorgesteld de intergenerationele solidariteit te heroverwegen door een andere verdeling van de pensioenlasten en pensioenlusten tussen jongeren en ouderen. (B26647)
- Jacobs, A. T. J. M., Pensioenrecht : de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten
Deventer : Kluwer, 2007.
Het boek geeft een overzicht van de sociaalpolitieke en sociaaljuridische ontwikkelingen met betrekking tot de pensioenvoorziening. De nadruk ligt op de nieuwe Pensioenwet en de komende hervorming van de AOW. Tevens wordt gekeken naar de raakpunten vanuit het internationale recht met het nationaal pensioenrecht. (B26627)
- Werkgroep Europese Pensioenen; [et al.], Nederland pensioenkampioen : wat staat ons nog te doen? : adviesrapport
[Amsterdam] : Holland Financial Centre, 2007.
In het rapport staat de verbetering van de internationale concurrentiepositie van Nederland in de pensioensector centraal. Het rapport bevat allereerst een omschrijving van de pensioenmarkt in nationaal en internationaal perspectief. Om een goed beeld te krijgen van de uitgangsposities en acties van andere landen wordt de concurrentie in beeld gebracht, gevolgd door adviezen van de markt. Uit het rapport komt naar voren dat krachtenbundeling van markt en overheid, een centrale regie op de uitvoering van het gevormde beleid op het gebied van pensioenen en de oprichting van een Algemene Pensioeninstelling (API) de goede uitgangspositie van Nederland als financieel centrum in de wereldmarkt in stand moeten houden. (B26256)
- ABP; Steen, P. van, 85 Jaar ABP
[Heerlen] : ABP, 2007.
Jubileumboek van het ABP. De uitgave ter gelegenheid van het 85-jarig jublieum bevat in deel A de pensioencanon van het ABP. Deel B gaat in op de geschiedenis van het ABP, de pensioenregeling, de financiering, de beleggingshistorie, modern institutioneel beleggen, de wijzingen in sociale zekerheid, de veranderingen in Europa, het pensioenfonds in de samenleving. Het derde deel en laatste deel bevat een foto-overzicht. (B26628)
- Schop, E., Wijzigen van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen
Deventer : Kluwer, 2007.
Pensioen Monografieën, nr 10
De vele wijzigingen in het afgelopen decennium in civiele, fiscale en financiële wet- en regelgeving en de vaak hoge en moeilijk budgetteerbare kosten van pensioenregelingen, hebben veel werkgevers ertoe gebracht de pensioenregeling te wijzigen. Het contractuele karakter van de pensioenovereenkomst en het feit dat pensioen een arbeidsvoorwaarde is, betekent dat de arbeidsrechtelijke regels van toepassing zijn. Echter, gezien het bijzondere karakter van de pensioenovereenkomst kunnen de leerstukken met betrekking tot het wijzigen van arbeidsvoorwaarden hierop niet onverkort worden toegepast. Dat maakt het interessant om te bezien welke plaats het wijzigen van een pensioenregeling inneemt binnen het arbeidsrecht. Dit boek geeft inzicht in de mogelijkheden om een collectieve pensioenovereenkomst te wijzigen en welke invloed de invoering van de PW heeft op de mogelijkheid tot wijziging van de collectieve pensioenovereenkomst. Daarbij worden de nieuwe bepalingen afgezet tegen de bepalingen zoals deze van toepassing zijn of waren onder de PSW. (B26322)
- Schols-van Oppen, E. M. F.; Winter, N. M., Pensioenregelingen
Amersfoort : SDU Fiscale & Financiële Uitgevers, 2007. 164 p.
Fiscale praktijkreeks
Aan de hand van tal van voorbeelden wordt ingegaan op de juridische en fiscale aspecten van pensioen. Achtereenvolgens komen aan de orde: het aanvullend pensioen; fiscale begeleiding en begrenzing van pensioen; pensioenrechten bij ontslag; flexibilisering van pensioen; scheiding en pensioen. Deze vierde druk is bijgewerkt tot augustus 2007. 4e dr. (B26251)
- Min. SZW; Min. Financiën, De Algemene Pensioensinstelling : hoofdlijnen voor de vormgeving
[Den Haag] : Min. SZW, 2007.
In Nederland wordt het mogelijk om een nieuwe uitvoerder van pensioenen op te richten. Deze algemene pensioeninstelling (API) kan onder meer specifiek op de Europese markt diensten aanbieden binnen de Europese richtlijn voor pensioeninstellingen, die in de Europese Unie een vrije interne pensioenmarkt tot stand wil brengen. Algemene pensioeninstellingen hebben meer mogelijkheden dan pensioenfondsen om grensoverschrijdend te kunnen werken. De notitie beschrijft op hoofdlijnen hoe de algemene pensioeninstelling vormgegeven kan worden. Daarbij gaat het om zaken als rechtsvorm, (financieel) toezicht, bestuur en medezeggenschap. (B26426)
- SEO; Kok, L.; Sluis, J. van der; [et. al.], Evaluatie Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Amsterdam : SEO, 2007.
SEO-rapport, nr. 969
De belangrijkste vraag die wordt beantwoord is of het doel van de wet bereikt is. Wat was indertijd de bedoeling van de wetgever? Voldeed en voldoet de wet aan die bedoeling? Een tweede vraag is of er nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen zijn die aanleiding geven tot aanpassing van de wet. Een derde vraag is hoe de wet in de praktijk uitpakt en of er praktische problemen spelen. De vierde vraag is welke oplossingsrichtingen er zijn voor de gesignaleerde knelpunten. (B26382)
- Vos, S. J., The new Dutch pension law : an analysis of the effect of fair valuation of liabilities on pension premiums
Tilburg : S.J. Vos, 2007.
Onderzoek naar de consequenties van de introductie van de nieuwe Nederlandse Pensioenwet in 2007 voor de betalingen van stichting FVP (Financiering Voortzetting Pensioenverzekering). De grootste verandering die de nieuwe wet met zich meebrengt is de verandering in waardering van pensioenaanspraken van actuarieel naar marktwaarde. Vos concludeert dat de consequentie voor FVP zeer beperkt is: minder dan een procent van de jaarlijkse betalingen, zelfs als de pensioenpremies fors omlaag gaan. Master Thesis Economics and Finance of Aging, Universiteit Tilburg. (B26399)
- Cheng, J., How do Dutch pension funds choose the franchise in a DB plan?
Tilburg : J. Cheng, 2007.
Onderzoek naar de rol van de franchise in aanvullende pensioenen. De belangrijkste analyse die Cheng deed was hoe de hoogte van de franchise het herverdelingseffect binnen elk pensioenfonds beïnvloedt. Cheng concludeert dat een lagere franchise uitmondt in een herverdelingseffect dat groter is van jongere naar oudere cohorten en kleiner van hogere naar lagere inkomensgroepen. De franchise is daardoor volgens Cheng een waardevol hulpmiddel om pensioenfondsen te ondersteunen bij het bereiken van hun ambities. Master Thesis Economics and Finance of Ageing, Universiteit Tilburg. (B26400)
- Henriquez, J. M., Liberalisering van de Europese pensioenmarkt : de noodzaak van een alternatief uitvoeringsmodel in Nederland
[Tilburg] : Celcus, 2007. 114 p.
Volgens de Nederlandse regering vormen ontwikkelingen binnen de Europese Unie een bedreiging voor de manier waarop in ons land het aanvullend pensioen collectief is georganiseerd. In dit boek wordt op deze dreiging gereageerd. Geconstateerd wordt dat cruciale onderdelen van ons pensioenmodel (zoals verplichtstelling, domein- en productafbakening) ruimte hebben behouden binnen de Brusselse ambities. Zij worden immers beschermd door jurisprudentie, richtlijnen en verdragen. Een echte bedreiging is de ‘pensioenrichtlijn’ dus niet. Desondanks wil de regering een Algemene Pensioeninstelling (API) introduceren. Dit nieuwe uitvoeringsmodel zou slagvaardiger kunnen opereren in een concurrerende Europese markt voor bedrijfspensioenfondsen. Volgens de auteur zijn er echter nog veel zaken die moeten worden opgehelderd voordat de API kan worden geïntroduceerd. Ook de voordelen voor bedrijfstakpensioenfondsen zijn niet evident. Bevat de volgende hoofdstukken: Het Nederlandse pensioenstelsel; Europese ambities ten aanzien van bedrijfspensioenfondsen; Jurisprudentie van het Hof van Justitie EG; Taakafbakening; Huidige uitvoeringsmodel vs. alternatieve modellen; Slotconclusies en aanbevelingen. (B26446)
- CAOP; Sprengers, L. J. C.; Beljaars, W. L. M. M. ; Spaans, L. A.; Sluimers, D. M., 'Active aging : tussen droom en daad'
Den Haag : CAOP, 2007.
Publicatiereeks overheid & arbeid, nr. 2006-21
Publicatie naar aanleiding van de conferentie van de Stichting Albeda leerstoel in samenwerking met ABP en Loyalis, gehouden op 23 november 2006. De verwachte ontwikkelingen op de arbeidsmarkt maken het nodig om aandacht te besteden aan active aging, het voeren van een leeftijdsbewust personeelsbeleid. De conferentie gaat in de vraag hoe we langer werken arbeidsvoorwaardelijk kunnen stimuleren. Is active aging een hype of een must? Wat zijn de belemmerende en bevorderende factoren in CAO-regelingen om met plezier langer door te kunnen werken? Wat zijn de gevolgen van langer doorwerken op het pensioenstelsel. Aan de orde komt ook de toetsing van seniorenregelingen en sociale plannen aan de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGLB). Hoe moet een CAO-regeling eruit zien om door de toetsing te komen? Om de problematiek in Nederlands - Europees perspectief te plaatsen, wordt een beeld geschetst van de Finse aanpak van active aging, onder meer door een focus op gezondheidsaspecten, financieel stimulerende maatregelen en het cultuuraspect. Bevat de volgende bijdragen: Active Aging loont!; Active aging : van beleid naar praktijk; Toetsing seniorenregelingen en sociale plannen aan de Wet gelijke behandeling; Nederlands - Europees perspectief. (B25905)
- Ewijk, C. van; Teulings, C.; CPB; Netspar, Efficiëntie en continuïteit in pensioenen: het FTK nader bezien
Den Haag : CPB, 2007.
In de vijf jaar sinds de beurskrach het pensioenstelsel op de proef heeft gesteld, heeft zich een stille revolutie voltrokken. Eindloon is in pensioencontracten vervangen door middelloon, de indexering is voorwaardelijk geworden, waarderingsmethoden en risicomanagement zijn verbeterd, en het nieuwe Financieel Toetsingskader (FTK) is ingevoerd en in 2006 in de Pensioenwet vastgelegd. Het stelsel is daardoor veel robuuster geworden. De auteurs laten echter zien dat het stelsel op een aantal punten nog verder verbetering behoeft. De auteurs werken daartoe een aantal ideeën uit in een simpel model voor het premie- en uitkeringsbeleid van pensioenfondsen. In dit model variëren pensioenpremies en pensioenuitkeringen in gelijk mate de fluctuaties in de dekking van pensioenfondsen, waardoor schoksgewijze veranderingen in het beschikbaar inkomen van deelnemers achterwege blijven, en waardoor de dekking zich altijd weer aanpast in de richting van het evenwichtsniveau. (B25823)
- Boelens, S.; Rijssen, L. van, De armoede van het rijkrekenen : waarom het Nederlandse pensioenstelsel aan succes ten onder gaat
Breda : Papieren Tijger, 2007.
Door de vergrijzing komt het pensioenstelsel onder zware druk te staan. In de publicatie wordt uiteengezet hoe de dreigende catastrofe ontstond. De auteurs maken een analyse van de problemen én bespreken de mogelijke oplossingen. Moet er minder worden gespaard? Moeten we zorgen voor meer kinderen? Meer immigranten toelaten? Langer doorwerken? Dienen de pensioenfondsen hun geld veiliger te gaan beleggen of moeten ze juist meer risico nemen en proberen om meer rendement te behalen? De antwoorden in het boek vormen een pleidooi voor een snel en daadkrachtig optreden nu het nog kan. (B25476)
- ROA; Montizaan, R.; Cörvers, F.; Grip, A. de, Training and early retirement
Maastricht : ROA, 2007.
Research memorandum, nr. ROA-RM-2007/3
Hoe wordt pensioengedrag beïnvloed door specifieke of algemene opleidingsgeschiedenis. Gebruikmaking van Amerikaanse gegevens leert, dat arbeiders met ondernemingsspecifieke opleidingen eerder met pensioen gaan dan arbeiders met een algemene opleidingsachtergrond. (B26199)
- KPMG, De pensoenwereld in 2007
Amstelveen : KPMG, 2007.
Jaarlijks onderzoek van KPMG onder pensioenfondsen. Uit het onderzoek blijkt dat Nederlandse pensioenfondsen worstelen nog met de invoering van het nieuwe Financieel Toetsingskader (FTK) dat op 1 januari van kracht is geworden. Hoewel het aantal fondsen dat klaar is met de invoering langzaam toeneemt, blijkt ruim 30 procent de ingangsdatum niet te hebben gehaald. Vooral het veranderde renterisico heeft weliswaar nadrukkelijk de aandacht van de pensioenfondsbestuurders, maar de complexiteit en het brede scala aan mogelijke oplossingen zorgen voor de nodige vertraging. Het rapport bevat de volgende hoofdstukken: 1. Fiduciair management: alleen een maatwerkconstructie volstaat; 2. Een zorgvuldige afweging van renterisico’s rendeert; 3. Financieel Toetsingskader alweer op de helling?; 4. Asset pooling via een Nederlands fonds voor gemene rekening heeft fiscale gevolgen; 5. Verantwoord beleggen is geen kwestie van liefdadigheid maar van professionaliteit; 6. Ondernemingspensioenfondsen: samenwerking prima, behoefte aan eigenheid blijft; 7. Collectief DC in de praktijk; 8. Meer zeggenschap voor gepensioneerden; 9. Het pensioenfonds als voetangel in een fusie of overname; 10. Uitbesteden vraagt om adequaat risicomanagement; 11. De jaarafsluiting in hogere versnelling; 12. Is een overstap op IFRS zinvol?; 13. Onvermoede kansen en risico’s btw voor pensioenfondsen; 14. Communicatie en zorgplicht in de Pensioenwet; 15. Gefaseerde aanpak zorgt voor adequaat effectentypisch gedragstoezicht bij pensioenfondsen; 16. Een goede gedragscode is meer dan een verplichting. (B26034)
- OSA; Kerkhofs, M.; Fouarge, D.; Ester, P., Financiële prikkels en voorkeuren bij uittreding : resultaten uit een experimenteel onderzoek
Tilburg : OSA, 2007.
OSA-publicatie, nr. A223
Onderzoek naar de keuzes van ouderen inzake de uittredingsleeftijd en de invloed van financiële prikkels hierop. In het rapport staan de volgende vragen centraal: Welke sociaal-economische factoren zijn van invloed op de keuzes van Nederlandse werknemers rond pensionering en vervroegde uittreding; Welke rol spelen financiële prikkels bij deze keuze; In welke mate en onder welke voorwaarden zijn mensen bereid langer door te werken; In welke mate wordt doorwerken in deeltijd als een aantrekkelijke optie gezien. Het onderzoek in dit rapport is gebaseerd op een enquête uit 2005 onder ruim 1200 personen. Hieruit blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse werknemers niet van zins is tot hun 65-ste levensjaar door te werken. De precieze leeftijd waarop zij willen stoppen blijkt echter mede af te hangen van de gevolgen voor de pensioenopbouw. Een pensioensysteem waarin pensioenrechten sterker afhangen van de leeftijd waarop iemand stopt, stimuleren werknemers langer op de arbeidsmarkt actief te blijven. (B25992)
- CPB; Draper, N ; Armstrong, A., GAMMA, a simulation model for ageing, pensions and public finances
Den Haag : CPB, 2007.
CPB document, nr. 147
De noodzaak om op lange termijn accurate economische en fiscale gegevens te produceren is de laatste jaren steeds belangrijker geworden in het licht van demografische veranderingen. Het CPB gebruikt hiervoor het GAMMA-model. Hiervan volgt een uitgebreide beschrijving. (B25951)
- Hummels, H.; Universiteit Maastricht; FNV; CNV; Min. EZ, De kracht van pensioenfondsen : een onderzoek naar verantwoord ondernemen in het beleid van Nederlandse pensioenfondsen en de uitvoering daarvan
Maastricht : Universiteit Maastricht, 2007.
Dit onderzoek handelt over pensioenfondsen en hun aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). In het onderzoek staat de vraag centraal of pensioenfondsen rekening houden met sociaal, ethisch en milieuverantwoordelijk handelen door de entiteiten waarin zij investeren? Het onderzoek is opgebouwd uit drie delen. Deel 1 gaat in op algemene karakteristieken, zoals naam, aard en omvang van een pensioenfonds, het vermogensbeheer van het fonds en de functie van de respondent. Deel 2 richt zich op corporate governance; deel 3 is gewijd aan verantwoord ondernemen. Het onderzoek toont aan dat Nederlandse pensioenfondsen toenemend aandacht hebben voor sociale, ethische en milieuverantwoordelijkheden van ondernemingen waarin zij investeren. Verantwoord ondernemen is niet louter een vraagstuk voor grote (meestal bedrijfstakgerichte) pensioenfondsen. Ook kleinere pensioenfondsen en OPF besteden tegenwoordig aandacht aan het onderwerp. Ethische thema’s zijn dominant in het beleid van de fondsen. Bijna 90 procent van de respondenten zegt acht te slaan op de kwaliteit van het ethisch handelen. Ook vinden pensioenfondsen het van belang dat bedrijven zich houden aan wet- en regelgeving. (B25909)
- CPB; Bonenkamp, J., Measuring lifetime redistribution in Dutch occupational pensions
Den Haag : CPB, 2007.
CPB discussion paper, nr. 81
In deze studie wordt de herverdeling in het aanvullende ouderdomspensioen in kaart gebracht. De relevante vraag is hoeveel premie een deelnemer over zijn gehele levensloop te veel of te weinig betaalt in verhouding tot de waarde van zijn of haar feitelijk ontvangen pensioen. Geconcludeerd wordt dat in het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenen forse overdrachten plaatsvinden van mannen aan vrouwen en van laag- aan hoogopgeleide mensen. Hoog- en middelbaar opgeleide vrouwen bouwen zodoende gemiddeld meer pensioenaanspraken op dan waarvoor ze betalen, ten koste van vooral laag- en middelbaar opgeleide mannen. (B25893)
- Roos, L. J.; [et al.], Pensioen en werknemersmobiliteit in de EU : fiscale en juridische knelpunten
Tilburg : CompetenceCentre for Pension Research, 2006.
Brochures toekomstvoorzieningen, deel 5
Pensioenbelemmeringen vormen een obstakel bij de zo gewenste arbeidsmobiliteit. Deelnemers aan een pensioenregeling zijn minder vaak geneigd van baan te veranderen dan andere werknemers. Lucas Roos onderzocht de voornaamste pensioenobstakels in de fiscale en juridische sfeer bij grensoverschrijdingen door gedetacheerde en geëmigreerde werknemers. Moeten we voor de oplossing daarvan doorgaan met fiscale procedures bij het EU-Hof of wordt het tijd voor regelgeving? En biedt de ontwerp-portabilityrichtlijn (meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten) een oplossing voor de juridische hobbels? (B25477)
- Kortleve, N.; [et al.], Fair value and pension fund management
Amsterdam ; Elsevier, 2006.
In het boek wordt een schets van de huidige situatie van het (Nederlands) pensioenfondsmanagement gegeven en worden de 'fair value'-principes en -technieken uit de doeken gedaan. Daarnaast wordt een aantal praktijkvoorbeelden gegeven, waarmee nieuwe inzichten worden getoond. (B25447)
- Lecq, S. G. van der; [et al.], Kosten en baten van collectieve pensioensystemen
Deventer : Kluwer, 2006.
Deze bundel brengt kosten en baten van collectieve pensioensystemen in kaart. Het begrip solidariteit staat hierbij centraal. Welke groepen zijn solidair met elkaar en hoeveel geld is hiermee gemoeid. Deel 1 'Solidariteit' concentreert zich op de vraag welke solidariteitsaspecten relevant zijn in het kader van collectieve pensioenfondsen. Hierbij worden diverse groepen onderscheiden die solidair met elkaar zijn, zoals ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, zieken en gezonden. ook in de zorgverzekering is er solidariteit tussen dergelijke groepen en deze wordt vergeleken met de solidariteit in de tweede pijler van het pensioenstelsel.
Deel 2 'Kosten en baten', kwantificeert diverse aspecten van collectieve pensioenregelingen. Allereerst blijken uitvoeringskosten van verschillende pensioenregelingen zeer sterk te verschillen. Ook tussen verschillende collectieve regelingen zijn er verschillen. De meeste regelingen kunnen niet, of uitsluitend tegen hoge kosten, buiten een collectief worden gerealiseerd. Bij solidariteit gaat het om een verdeling: bij wie komen de kostenvoordelen van de collectiviteit terecht en welke groepen betalen uiteindelijk mee aan elkaars pensioen? Hierover worden globale berekeningen gepresenteerd. Hieruit blijkt o.a. dat bepaalde vormen van solidariteit al op voorhand gepaard gaan met flinke overdrachten tussen groepen deelnemers. De overdrachten tussen generaties zijn het grootste.
Deel 3 'Verplichtstelling' bespreekt de verplichte deelname van werknemers en de vraag wat er mis zou gaan als ze zou worden afgeschaft. Ervaringen in het buitenland wijzen erop dat mensen zonder verplichtstelling te weinig en verkeerd sparen voor hun pensioen.
Deel 4 'Conclusies' bevat de bijdrage Macro-economische aspecten van intergenerationele solidariteit. (B25358)
- DNB; Kakes, J.[et al.], De houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel
Amsterdam : DNB, 2006.
DNB Occasional studies, vol. 4 (2006) nr. 6
Rapport over de houdbaarheid van het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenvoorzieningen. Traditioneel wordt dit stelsel gekenmerkt door kwalitatief goede defined benefit-regelingen met een hoge mate van zekerheid voor de deelnemers. Het pensioenlandschap is echter sterk in beweging. De samenleving vergrijst, er treedt een mondialisering op en in de wereld om ons heen worden defined contribution regelingen steeds meer gemeengoed. Marktwerking in de pensioensector wordt bevorderd, bijvoorbeeld door de mogelijkheid van pensioenfondsen om grensoverschrijdende regelingen binnen Europa uit te voeren. Daarnaast wordt een beslissing genomen over een nieuw wettelijk kader voor pensioenvoorzieningen. Deze studie beschouwt de financiële consequenties van deze ontwikkelingen voor het Nederlandse pensioenstelsel. Dit gebeurt door een beschrijving van de belangrijkste pensioenrisico's in relatie tot het financiële beleid van pensioenfondsen. Daarnaast wordt ingegaan op recente veranderingen in het Nederlandse stelsel en wordt aan de hand van simulatie de gevoeligheid van de pensioensector voor macro-economische schokken geanalyseerd. Geconcludeerd wordt dat de recente wijzigingen in pensioenregelingen en financiering van pensioenfondsen de beheersbaarheid en daarmee de houdbaarheid van het stelsel hebben vergroot. (B25283)
- Petersen, C.; Witteveen, D. E.; Poiesz, O.; [et al.], Risicomanagement door pensioenfondsen
Epse : Petersen Consult, 2006.
PBM-dossierreeks, nr. 2
Belicht worden achtereenvolgens de risico's verbonden aan de operationele taken, (veranderende) wet- en regelgeving, premie en financiering, vermogensbeheer, pension fund governance en uitbesteding. Tevens wordt ingegaan op de wenselijkheid van een integraal risicobeheerskader. (B25138)
- FNV, Naar een generatieproof pensioen : FNV-discussienota
Amsterdam : FNV, 2006.
In de nota presenteert de FNV een beleidspakket dat ingaat op de vormgeving van de AOW, alsmede op de wettelijke faciliëring van de aanvullende pensioenen. De nota gaat uitgebreid in op de vraag hoe het pensioenstelsel zich verder moet ontwikkelen. Uitgangspunt van de discussienota is een 'generatieproof' pensioen. Achtereenvolgens komen aan de orde: De invloed van de vergrijzing op de AOW en de aanvullende pensioenkosten; De FNV-opvattingen over de toekomst van de AOW; Het aanvullend pensioen als arbeidsvoorwaarde (o.a. vergrijzing en pensioenkosten, indexatiebeleid, solidariteit tussen en binnen generaties, collectieve pensioenregelingen en individuele keuzemogelijkheden, levensloopregeling en aanvullend pensioen); De uitvoering van de pensioenregeling (uitwerking van maatschappelijk verantwoord beleggingsbeleid; transparantie en zeggenschap, deelnemersgerichte communicatie, marktwaardering, IAS en pensioen); Wettelijke faciliëring van het aanvullend pensioen. (B24680)
- Burggraaf, T. H., De beschikbarepremiepuzzel : een beschouwend overzicht van de beschikbarepremieregeling
Deventer : Kluwer, 2006.
Pensioen Monografieën, deel 9
Dit boek is bedoeld om de beschikbare premieregeling vanuit verschillende invalshoeken te benaderen en beoogt daarbij vooral beschouwend te zijn, zoveel mogelijk zonder richting te geven aan de wenselijkheid van de beschikbarepremieregeling als oplossing. Het boek bevat twee delen. Het eerste deel is een algemeen beschouwend deel en behandelt ondermeer de inkadering van het begrip, de positionering ten opzichte van andere pensioensystemen, marktwerking, accounting aspecten, een besturingsmodel dat gebruikt kan worden voor zorgvuldig bestuur van een beschikbarepremieregeling en de risico's in pensioenregelingen. Het tweede deel is een meer inhoudelijk deel en behandelt onder andere de problematiek van gelijke behandeling voorzover het in relatie staat tot beschikbare premieregelingen. (B24621)
- Solinge, H. van, Changing tracks; studies on life after early retirement in the Netherlands : proefschrift Universiteit Utrecht
Den Haag : NIDI, 2006.
NIDI, rapport, nr. 70
Promotieonderzoek naar de beleving van vroegpensioen. Uit het onderzoek blijkt dat het zelf kunnen beslissen over het tijdstip van pensionering van groot belang is voor de wijze waarop de nieuwe levensfase wordt beleefd. Gepensioneerden die onvrijwillig uit het arbeidsproces zijn uitgetreden, ervaren de nieuwe situatie negatiever dan de mensen die geheel vrijwillig zijn gestopt. Uit het onderzoek blijkt verder blijkt dat bijna de helft van de gepensioneerden binnen een maand is gewend aan de nieuwe situatie. De parttimers hebben relatief weinig problemen om zich te schikken in de nieuwe situatie. Slechts een kleine minderheid (minder dan 10 procent) is ronduit ontevreden met de nieuwe situatie. Een laag inkomen en een slechte gezondheid dragen daaraan bij. Vervroegde uittreding kan worden ‘opgelegd ’ door een slechte gezondheid of reorganisaties op het werk. Mensen ervaren hun pensionering in zo’n situatie niet per definitie als onvrijwillig. Het doet ertoe hoe de omgeving er tegenaan kijkt. Pensionering wordt als onvrijwillig ervaren als er signalen zijn dat de partner de werknemer nog niet thuis wil hebben. Ook de timing van het uittreden speelt een rol. Naarmate het tijdstip van stoppen met werken meer afwijkt van wat men zelf in gedachten had, wordt de pensionering als meer onvrijwillig ervaren. Toch bevalt het pensioen uiteindelijk ook de groep onvrijwillig gepensioneerden en hun partners in meerderheid goed. (B25229)
- Kon. Ver. voor de Staathuishoudkunde; [et al.], Jaarboek 2005/2006
Den Haag : SDU, 2006.
In het jaarboek komen vijf thema's aan bod: 1. pensioenhervorming, 2. zorgstelsel, 3. dienstenrichtlijn, 4. prijzenoorlog supermarkten, 5. vernieuwing van economieonderwijs. Thema 1: Pensioenhervorming bevat de volgende bijdragen: Pensioenen en optimale risicodeling; FNV is niet solidair met jonge ambtenaren; Pensioenakkoord ambtenaren is te duur; Vanwege fatsoen en betrouwbaarheid; Cadeautje van jongeren; Overheid ziet pensioenkas als melkkoe. Tot slot bevat het jaarboek als aanloop op de Tinbergenlezing een artikel van Jagdish Bhagwatti: globalization and Germany: wrong fears and right responses . (B25162)
- Min. SZW; [et al.], Evaluatie Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
Amsterdam : Dijk12 Beleidsonderzoek, 2006. 83 p.
De evaluatie geeft antwoord op de vraag wat de ervaringen zijn van werkgevers, werknemers en pensioenuitvoerders met het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. Het Vrijstellingbesluit Wet Bpf 2000 (Stbl. 2000, 633) stelt regels op grond waarvan een bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds gehouden is een werkgever op diens verzoek vrijstelling te verlenen van verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds. Het besluit noemt, naast een bevoegdheid van het bestuur op andere gronden, een viertal concrete gronden: concernvorming, eigen CAO, bestaande pensioenvoorziening en onvoldoende beleggingsrendement. De evaluatie brengt de praktijk van het Vrijstellingsbesluit in kaart. (B24734)
- Stichting van de Arbeid, Principes voor goed pensioenfondsbestuur (Pensiun Fund Governance)
Den Haag : StvdA, 2005.
Publicatienr. 10/05
De Stichting van de Arbeid is van oordeel dat ook de pensioensector consequenties dient te verbinden aan de discussies over governance van de laatste jaren. Ook pensioenuitvoerders – bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen en verzekeraars – moeten een antwoord geven op de vanuit de samenleving en de politiek gestelde vraag op welke wijze het eigen functioneren kan worden verbeterd. Het gaat daarbij vooral om de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd aan belanghebbenden en de wijze waarop het interne toezicht is georganiseerd: pension fund governance. (B24576)
- AXA, "AXA retirement scope" : Pensioen, een nieuw leven na het werk? : resultaten voor Nederland in een internationaal kader
Utrecht : AXA, 2005.
Onderzoek van verzekeringsmaatschappij AXA over pensionering. De vragen hebben betrekking op de pensioenbeleving; het pensioen vanuit financieel oogpunt; pensioen en gezondheid. Ondervraagd zijn werkenden en gepensioneerden in twaalf geïndustrialiseerde landen. Het rapport gaat in op onder meer de volgende vragen: de leeftijd waarop men graag met pensioen wil; gaan mensen met pensioen vóór de pensioengerechtigde leeftijd, en zo ja onder welke omstandigheden; houden mensen een betaalde baan tijdens hun pensioen, of zijn ze van plan dit te doen; wat vindt men van een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd; tot op welke leeftijd zijn mensen fit genoeg om te werken; ziet men mensen ouder dan 65 jaar als goede werkers; houdt het pensioen een verbetering of verslechtering van de levensstandaard in; weten de werkenden hoe hoog hun pensioeninkomen zal zijn; wie moet voor het pensioeninkomen zorgen; verwacht men een pensioenhervorming de komende 10 jaar; is men tevreden over de gezondheidszorg in eigen land. (B24539)
- Kapteijn, J. H. N. [et al.], Externe verslaggeving door pensioenfondsen
[Den Haag ] : St. Pensioenwetenschap, 2005. 155 p.
Studie van de Stichting Pensioenwetenschap over de communicatie over de financiële positie en de financiële opzet van het pensioenfonds d.m.v. de publicatie van een extern jaarrapport. Dit jaarrapport wordt door het bestuur van het fonds voorgelegd aan de deelnemersraad ter advisering, door het bestuur vastgesteld en tenslotte gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. De studie bevat de volgende bijdragen: Jaarverslaggeving door pensioenfondsen; beleggingen van pensioenfondsen en IFRS (International Financial Reporting Standards); Verslaggeving over pensioenuitvoeringskosten: toereikende verantwoording en informatie; Verwerking van herverzekeringscontracten in de verslaggeving door pensioenfondsen; Voorziening pensioenverplichtingen en voorwaardelijke indexatie, verslaggevingsregels naast toetsingsregels. (B24458)
- Kuné, J. B., Billijkheid en doelmatigheid in het systeem van de (aanvullende) pensioenvoorziening
Utrecht : Lemma, 2005.
Financiële en monetaire studies, 23, (2005) 3
Het boek begint met een verkenning van een aantal wereldwijde ontwikkelingen in de 21e eeuw. Deze vormen het decor en de achtergrond waartegen het zorgen voor en de zorg om een adequaat systeem van pensioenvoorzieningen zicht afspelen. De daarop volgende hoofdstukken bespreken de inrichting, werking en financiering van het stelsel van pensioenvoorzieningen in Nederland in de nabije toekomst. Ingegaan wordt op pensioeninkomen als verdelingsvraagstuk: tussen oudere en jongere generaties en tussen de verschillende levensfases van iemand leven. Daarnaast zijn er in pensioenregelingen tal van herverdelingsmechanismen begrepen. Het hoofdstuk over een nieuwe risicoallocatie (het 'pensioencontract') bespreekt op welke wijze tegenvallende ontwikkelingen op billijke en rechtvaardige wijze onder de deelnemers van een pensioenregeling verdeeld kunnen worden. In een volgend hoofdstuk wordt ingegaan op de financiering, dekkingsgraad en zekerstelling. Het slothoofdstuk 'Interactie met de nationale economie, omvang collectiviteit en bestuurlijke organisatie', behandelt drie onderwerpen en wel de interactie tussen de pensioensystematiek en de nationale economie, de optimale omvang van de collectiviteit, en de wijzigingen in de bestuurlijke organisatie met een toenemend primaat voor deelnemers. (B24398)
- Schuurman, B., Algemene beschrijving van Wet fiscale behandeling van pensioenen in de praktijk en Wet VPL
's-Gravenhage : Reed Business Information, 2005.
Praktijkreeks pensioenrecht in de 21e eeuw, nr. 1B
De publicatie geeft een algemene beschrijving van de Wet fiscale behandeling van pensioenen en de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. Achtereenvolgens komen aan de orde: Korte historie van de Wet fiscale behandeling van pensioenen; De wet in grote lijnen; Plaatsbepaling van het fiscale-pensioenbegrip; Pensioendefinities; Ouderdomspensioen; Omvang van het nabestaandenpensioen; Omvang van het wezenpensioen; Flexibilisering en individualisering; Omvang van het (tijdelijk) overbruggingspensioen; Omvang van het nabestaandenoverbruggingspensioen; Diensttijd, pensioengevend loon, demotie en deeltijd; Pensioenregelingen in eigen beheer; Artikelen 18i tot en met 19b Wet LB; rechtsbescherming; Aanwijzing; Adviescommissie fiscale behandeling van pensioenen; Samenloop van verschillende pensioenstelsels; Prepensioenregelingen; Overgangsregeling Wet fiscale behandeling van pensioenen; Algemene beschrijving Wet VPL; Artikelsgewijze beschrijving wet VPL. (B24396)
- Schuurman, B., Beleidsvorming rond de Wet fiscale behandeling van pensioenen en Wet VPL
's-Gravenhage : Reed Business Information, 2005.
Praktijkreeks pensioenrecht in de 21e eeuw, nr. 1C
Dit deel beschrijft de beleidsbesluiten naar aanleiding van de Wet fiscale behandeling van pensioenen. Achtereenvolgens komen aan de orde Beleidsvorming rondom de artikelen 18 en 18a Wet LB; beleidsvorming rondom de artikelen 18b tot en met 18f Wet LB; Beleidsvorming rondom de artikelen 18g tot en met 19c Wet LB; Beleidsvorming rondom artikelen 19d tot en met 19f en artikel 38a en b Wet LB (B24397)
- Stevens, L. G. M., Pensioen in de loonsfeer
Deventer : Kluwer, 2005.
Fed fiscale brochures
Deze publicatie beschrijft de ontwikkeling van de fiscale pensioenbegrip en behandelt de daarop betrekking hebbende jurisprudentie en regelgeving. Aanleiding voor deze nieuwe druk is de Wet VPL Daarbij wordt aandacht besteed aan de werking van de omkeerregel. Kenmerk van de omkeerregel is dat de aanspraak onbelast is en dat pas wanneer de uitkering wordt genoten daarover loon- en inkomstenbelasting moet worden betaald. Per 1 januari 2006 is dit systeem gewijzigd. Vanaf 1 januari 2006 wordt de VUT aanspraak dubbel belast. Over de VUT-aanspraak moet een eindloonheffing worden betaald en de VUT-gerechtigde moet over de ontvangen termijnen loon- en inkomstenbelasting betalen. Voor prepensioenen gaat als nieuw regime gelden dat de omkeerregel niet langer van toepassing is. De aanspraak is belast en het uitkeringsrecht valt over de vermogensrendementsheffing. Voor gewone pensioenen blijft de omkeerregel wel van toepassing. In de publicatie wordt het nieuwe regime toegelicht. ook worden de overgangsbepalingen uiteengezet. Voorts wordt aandacht besteed aan de flexibiliseringsdiscussie. 5e dr. (B24375)
- CPB; [et al.], Early retirement behaviour in the Netherlands : evidence from a policy reform
Den Haag : CPB, 2005.
CPB discussion paper, nr. 52
De studie gaat in op het omzetten van vervroegde uittredingsregelingen (VUT) naar prepensioen, waarbij de effecten in de periode 1997-2000 zijn onderzocht. Geconcludeerd wordt dat de omzetting van VUT naar prepensioen heeft geleid tot uitstel van vervroegde pensionering. In de periode 1997-2000 heeft de eerste fase van de omzetting er al voor gezorgd dat de onderzochte groep oudere werknemers gemiddeld vier maanden later met (vroeg)pensioen ging. Bij volledige omzetting in prepensioen zou dat uitstel gemiddeld negen maanden worden. (B24348)
- SER; Research voor Beleid: Verveen, E.; Werf, C. van der, Tussenevaluatie medezeggenschap gepensioneerden : eindrapport
Leiden : Research voor Beleid, 2005.
Onderzoek in opdracht van Pensioencommissie SER, Werkgroep Tussenevaluatie Medezeggenschap Gepensioneerden. Het onderzoek bevat een tussentijdse evaluatie van de doorwerking van het vernieuwde medezeggenschapsconvenant dat de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO) in februari 2003 zijn overeengekomen. In het convenant hebben de Stichting en de CSO afspraken gemaakt over een kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden. Uit het onderzoek blijkt dat de medezeggenschapspositie van gepensioneerden is verbeterd ten opzichte van de evaluatie in 2001, zowel bij de bedrijfstakpensioenfondsen als bij de ondernemingspensioenfondsen. In het vernieuwde convenant was echter afgesproken dat bij de tussenevaluatie in 2005 bij ten minste 65 procent van de fondsen waarop het convenant betrekking heeft, medezeggenschap gerealiseerd zou moeten zijn in de vorm van een (wettelijke) deelnemersraad, dan wel directe bestuursvertegenwoordiging van de geleding van de gepensioneerden. De uitkomsten van het evaluatieonderzoek laten zien dat niet aan deze 65-procentnorm wordt voldaan. 9 B24168)
- Petersen, C., Potje pensioenen
Amsterdam : Pensioen Bestuur & Management, 2005.
Nr. 1, PBM-dossierreeks
Het Nederlandse pensioenstelsel op basis van kapitaaldekking en solidariteit is uniek in de wereld. Het biedt werkenden een voorspelbaar uitzicht op een financieel onbezorgde oude dag aan het einde van de carrière. Doel van de publicatie is een breed publiek inzicht te verschaffen in pensioenregelingen en in het belang en wijze van werken van pensioenfondsen die deze regelingen uitvoeren. Dit gaat per definitie ten koste van details. Bovendien zijn geen twee van de circa 800 pensioenfondsen gelijk. Dit geldt ook voor de door deze pensioenfondsen uitgevoerde pensioenregelingen. (B23970)
- Wolde, R. ter, Pensioenopinies : een verzameling van polemische columns over uiteenlopende pensioenonderwerpen
Deventer : Kluwer, 2005.
Pensioenwijzers, deel 19
Mr. Rob ten Wolde schrijft al jaren onderhoudende columns over uiteenlopende pensioenonderwerpen. Op de opiniepagina van Het Financieele Dagblad en in verschillende vakbladen laat hij op ironische en verhelderende wijze pensioenonderwerpen de revue passeren. In deze uitgave staan zijn meest actuele columns. Zo trekt hij van leer tegen: de bodemloze put van de toezichthouder; de koppeling van alles, aan alles in het kader van gelijke behandeling ; de werkverschaffing van de wetgever; de gevoelige aandelenkoersen; de Commissie Gelijke Behandeling; waarvoor wat hem betreft de VUT mag blijven bestaan; de opwarming van de aarde als oplossing van de vergrijzing; het verhogen van de AOW-leeftijd; de deelnemersraad; het krijtstreep van De Nederlandsche Bank. (B23753)
- Beltzer, R.; Biezeveld, R.; NWO, De pensioenvoorziening als bindmiddel : social cohesie en de organisatie van pensioen in Nederland
Amsterdam : Aksant, 2004.
NWO-reeks Sociale cohesie, deel 4
In deze studie staat de bedrijfsgebonden pensioenvoorziening in Nederland, de zogenaamde 'tweede pijler' centraal. Deze tweede pijler is gebaseerd op collectiviteit en solidariteit tussen de deelnemers. Dit boek wil antwoord geven op de vraag of de huidige pensioenvoorziening in de tweede pijler de sociale cohesie bevordert. Uiteengezet wordt de maatschappelijke betekenis van die voorziening, evenals de rol van de verschillende actoren in het veld: sociale partners in de besturen van pensioenfondsen, de politiek, de werknemers en de gepensioneerden. Centrale thema's hierbij zijn in- en uitsluiting van mensen ten aanzien van het tweepijlerpensioen, zeggenschap over aard en omvang van de pensioenvoorziening, en de elementen van solidariteit in die voorziening. (B23608)
- Dietvorst, G. J. B.; [et al.], Gelijke behandeling pensioen en lijfrente : op weg naar een rechtvaardiger en toegankelijker systeem voor lijfrentepremieaftrek
Tilburg : CCP, 2005.
Het rapport borduurt voort op het rapport 'Zorgen voor morgen' van de Commissie Nationaal Pensioendebat dat in 2003 verscheen. De aanleiding om het nu verschenen rapport was de toegenomen complexiteit van de fiscale wetgeving op het gebied van lijfrenten. De uiterst gedetailleerde en complexe regelgeving ter bepaling van het maximale bedrag dat een lijfrentepremie mag worden afgetrokken als onderhoudsvoorziening schrikt burgers af. Zij zullen daardoor minder geneigd zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen en aanvullend op het pensioen een oudedagsvoorziening te treffen. In het rapport zijn de fiscale regels voor de pensioenopbouw van een werknemer en die voor de ondernemer vergeleken. Dit leidt tot de conclusie dat ondernemers voor hun pensioenopbouw minder fiscale steun krijgen van de fiscus dan werknemers. Dat is in tegenspraak met het beleid van de wetgever, die ondernemers en werknemers op dit punt gelijk wenst te behandelen. De opstellers van het rapport hebben de Nederlandse wetgeving op het punt van lijfrentes langs de meetlat van de Lissabon-strategie gelegd en komen tot de conclusie dat het lijfrenteregime op een aantal punten daarmee niet in overeenstemming is. Om tot een geheel gelijke behandeling van werknemers en ondernemers te komen is een zuivere tekortenregeling zoals voorgesteld in het rapport Zorgen voor Morgen de enige weg. Om dat te realiseren is een pensioenregister noodzakelijk. Dat zoiets haalbaar is, blijkt uit het feit dat zo’n systeem al operationeel is in Denemarken en Zweden. (B23585)
- KPMG, De pensioenwereld in 2005
Amstelveen : KPMG, 2005.
Besturen van pensioenfondsen en directies van uitvoeringsorganisaties worden overspoeld door nieuwe wet- en regelgeving. Daarnaast lijkt een van de fundamenten van ons pensioenstelsel, namelijk solidariteit, minder draagvlak te krijgen. Deze publicatie kan behulpzaam zijn om als organisatie te kunnen inspelen op al deze externe ontwikkelingen. De publicatie bevat de volgende hoofdstukken: ‘Show me’ wordt leidend principe Pension Fund Governance; Goede governance vereist goede grip op processen en risico’s; Krachtige antwoorden nodig voor nieuwe regelgeving Financieel Toetsingskader (FTK); Verdieping van risk management bij pensioenfondsen is pure noodzaak; Nieuwe regels verslaglegging vragen om tijdige herziening pensioenfondsen; Compliance: blijf door de bomen het bos zien; BTW-paradox pensioenwereld vraagt zorgvuldige behandeling; Modern pensioenfonds, moderne informatiebeveiliging; Goede communicatie over pensioenen biedt sleutel voor vertrouwen. (B23572)
- Bovenberg, L.; Knaap, Th; CESifo, Ageing, funded pensions and the dutch economy
München : CESifo, 2005.
CESifo working paper, nr. 1403
De paper schetst een beeld van de invloed van vergrijzing op een kleine open economie met grote pensioenfondsen in verschillende institutionele settings. Geconcludeerd wordt dat vergrijzing leidt tot een schaarsere arbeidsmarkt, en zorg voor kostenstijgingen voor zowel de pensioenfondsen als de overheid, en de economie kwetsbaar maakt voor verdere financiële en demografische schokken. (B23502)
- SEO; [et al.], Ontwikkelingen op de markt voor vrijwillige aanvullingen op het pensioen
Amsterdam ; SEO, 2004.
SEO-rapport, nr. 778
Onderzoeksrapport aan naar de ontwikkelingen op de markt voor vrijwillige aanvullingen op pensioen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een toezegging om de effecten wat betreft de marktwerking van het wetsvoorstel te evalueren, zoals gedaan door de Staatssecretaris van SZW tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. In het onderzoek worden vier vrijwillige pensioenvoorzieningen / inkomensdervingproducten onderscheiden: Anw-hiaatverzekering; WAO-gatverzekering; aanvulling op de oudedagsvoorziening met een beschikbare premieregeling; aanvulling op de oudedagsvoorziening met een loongerelateerde uitkering. De spelers op de markt zijn de pensioenfondsen en verzekeraars. In het onderzoek worden de resultaten gepresenteerd voor achtereenvolgens de markt voor vrijwillige Anw-hiaatverzekeringen, vrijwillige WAO-gatverzekeringen en vrijwillige aanvullingen op de oudedagsvoorziening. Vervolgens wordt een verklaring gezocht voor de gevonden veranderingen van de markt. (B23474)
- CPB; [et al.], Naar een schokbestendig pensioenstelsel : verkenning van enkele beleidsopties op pensioengebied
Den Haag : CPB, 2004.
CPB document, nr. 67
De verslechtering van de financiële positie van pensioenfondsen vraagt om een diepgaande analyse. Daarnaast noopt de aankomende vergrijzing van de bevolking tot een analyse van het stelsel van aanvullende pensioenen. Dit document verschaft deze analyse. Het besteedt aandacht aan economische, budgettaire en welvaartseffecten van enkele pensioenhervormingen. Allereerst beschrijft het rapport de inrichting van het stelsel van aanvullende pensioenen, plaatst het Nederlandse stelsel in internationaal perspectief en biedt een kijkje in de internationale beleidsdiscussie. Vervolgens behandelt het de wezenskenmerken van het pensioenstelsel en analyseert de trade-offs die aan het ‘ideale’ pensioencontract ten grondslag liggen. Daarna bestudeert het opties om de financiële positie van pensioenfondsen te herstellen binnen het huidige pensioencontract. Het rapport bevat verder een beschouwing over meer fundamentele hervormingen van het pensioenstelsel (verschil tussen eindloon- en middelloonstelsel met voorwaardelijke indexatie, overgang op een DC stelsel, verhoging formele pensioenleeftijd) en schets de overgangsproblematiek startend vanuit de huidige tekortsituatie. Het slothoofdstuk beoordeelt alternatieve pensioencontracten op hun toekomstbestendigheid: het gaat na hoe gemakkelijk de bekeken stelsels verschillende schokken kunnen opvangen en hoe zij daarmee waarborgen dat het economisch draagvlak voor het pensioenstelsel ook in de toekomst in stand blijft. (B23144)
- Min. SZW; Allen & Overy; Boer & Croon, Pension fund governance : eenheid in verscheidenheid : onafhankelijk onderzoek en aanbevelingen
Den Haag : Min. SZW, 2004.
Het rapport gaat in op de vraag waarom pension fund governance een hoge prioriteit verdient, en waarom het nodig zou zijn om naast het pensioenfondsbestuur nog één of meer organen te creëren voor toezicht en verantwoording. In de verschillende hoofdstukken wordt achtereenvolgens ingegaan op de noodzaak van goede pension fund governance, de grote onderlinge verschillen, het kader van de te voeren discussie (Pensioenwet en het Tweede Convenant Medezeggenschap, zelfregulering), het bestuur, toezicht en verantwoording, uitvoering en uitbesteding, beleggingen, herverzekering, externe verslaglegging en communicatie, de financiële verantwoording en - rapportage / externe accountant en actuaris. (B24021)
- Min. SZW, Nadere uitwerking van de nota met de "Hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen" in de Pensioenwet
Den Haag : Min. SZW, 2004.
Vervolgnotitie over het financieel toetsingskader, over de uitgangspunten financiële opzet en positie van pensioenfondsen. (B24022)
- RMO; SEO; [et al.], Financiële prikkels voor werknemers bij uittreding
Den Haag : RMO, 2004.
Werkdocument, nr. 3
In deze position paper wordt aangegeven wat de rol is van financiële prikkels bij de beslissing van oudere werknemers om te stoppen of door te gaan met werken, welke onderdelen van de regelingen voor vervroegde uittreding daarin een belangrijke rol spelen (uitkeringshoogte, moment van pensioenrecht, pensioenopbouw etc.) en wat we kunnen leren van het buitenland bij het aanpassen van de mogelijkheden voor vervroegde uittreding. Eerst wordt inzichtelijk gemaakt waarom mensen stoppen of doorgaan met werken. Daarvoor wordt een economisch beslissingskader gebruikt dat uitgaat van de keuze tussen de consumptie van goederen (gefinancierd door inkomen) en de consumptie van vrije tijd (mogelijk gemaakt door het opgeven van inkomen). Vervolgens worden de financiële mogelijkheden voor vervroegde uittreding op een rij gezet en uitgewerkt voor een achttal landen. De mogelijkheden voor uittreding worden vergeleken met de arbeidsparticipatie van ouderen in deze landen. De belangrijkste conclusie is dat oudere werknemers de arbeidsmarkt verlaten omdat langer doorwerken niet meer loont. De impliciete belasting die zij betalen als zij langer doorwerken is hoog. Om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te verhogen moet langer doorwerken weer lucratief worden. De vormgeving van het pensioen- en sociale zekerheidsstelsel heeft effect op de aantrekkelijkheid van langer doorwerken. In landen met een defined contribution spaarsysteem (met een vaste premie) stoppen mensen op een latere leeftijd met werken dan in landen met een defined benefit spaarsysteem (met een vaste uitkering). In landen waar uittredingsroutes zowel financieel aantrekkelijk als eenvoudig toegankelijk zijn, is de arbeidsparticipatie laag. (B23085)
- Stichting van de Arbeid, Waardeoverdracht pensioenrechten in Nederland
Den Haag : StvdA, 2004.
Publicatienr. 8a/04
Deze brochure beoogt om inzicht te geven in het fenomeen Waardeoverdracht, het doel, de specifieke kenmerken, de voor- en nadelen ervan, de besluitvormingsprocedure en de kosten. herz. uit. (B23031)
- Maatman, R. H., Het pensioenfonds als vermogensbeheerder : proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen
Deventer : Kluwer, 2004.
Serie Onderneming en Recht, deel 27
Professioneel vermogensbeheer stelt eisen aan de pension (fund) governance: deskundige leiding, toezicht, transparantie en verantwoording. Deze eisen worden in het proefschrift van mr. Maatman uitgewerkt. Dit jaar wordt ook een Code Pension Fund Governance opgesteld, vergelijkbaar met de Code Tabaksblat voor beursgenoteerde ondernemingen. Deze onderwerpen behandelt de promovendus eveneens. Aan het pensioenfonds wordt vermogen toevertrouwd om pensioenen te verzekeren. Het fonds moet dat vermogen beheren ten behoeve van de belanghebbenden: de aangesloten deelnemers, gepensioneerden en werkgever(s). Tussen het pensioenfonds en zijn belanghebbenden bestaat een vertrouwensrelatie. Het fonds moet presteren zoals een professionele vermogensbeheerder. In de dissertatie wordt de aard van de rechtsverhouding tussen het pensioenfonds en zijn belanghebbenden geanalyseerd. Tevens wordt beschreven hoe de uitvoering van het pensioencontract organisatorisch wordt vormgegeven. Voorts wordt antwoord gegeven op de vraag wat belanghebbenden van het pensioenfonds als vermogensbeheerder mogen verwachten. (B22956)
- OSA; Fouarge, D.; Schils, T.; Huynen, B.; CBS, To retire or continue working? : an analysis of the early retirement behaviour of Dutch workers
Tilburg : OSA, 2004.
OSA-publicatie, nr. A207
In dit rapport staan naast vervroegde pensionering ook transities van werk naar werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of overige economische inactiviteit centraal. (B22854)
- CEPR; McCarthy, D.; Neuberger, A., Pensions policy : evidence on aspects of savings behaviour and capital markets
Londen : CEPR, 2003.
Aandacht voor de pensioenproblematiek. Vier aandachtpunten staan centraal: de invloed van demografische aspecten op de kapitaalmarkt; het functioneren van annuiteiten markten; de rol van de werkgever; de invloed van incentives op het spaargedrag. (B22849)
- Haas, M. B. de, Pensioenfondsen in zwaar weer : een onderzoek naar de huidige problemen bij Nederlandse pensioenfondsen
Deventer : Kluwer, 2004.
Pensioen Monografieën, nr. 8
De centrale probleemstelling van de studie luidt: Wat zijn de oorzaken van de huidige crisis bij de pensioenfondsen en op welke manier kunnen deze problemen opgelost worden? In het eerste deel van de publicatie wordt het huidige pensioenstelsel uitgelegd. Dit deel behandelt het pensioenstelsel in Nederland en besteedt aandacht aan de drie pijlers. Vervolgens wordt het Nederlandse stelsel vergeleken met dat in andere Europese landen, en wordt de omgeving van het arbeidspensioen behandeld. Bij dit laatste wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan wet- en regelgeving, toezichthouders, politiek en de deelnemers. In het tweede deel wordt een precieze definiëring van het huidige probleem gegeven, alsmede een analyse van de oorzaken van deze problemen. Hierbij wordt ingegaan op de pensioenfondsen in de jaren negentig en de ontnuchtering van de laatste jaren. In het laatste gedeelte worden de oplossingsrichtingen besproken die de situatie naar de toekomst toe moeten verbeteren. Hierbij gaat het zowel om oplossingen die op korte termijn soelaas kunnen bieden als oplossingen die op langere termijn de situatie op de pensioenmarkt kunnen verbeteren. (B22738)
- Bosch, L. P. van den, Fiscale kijk op pensioenregelingen
Deventer : Kluwer, 2003.
Pensioen Monografieën, nr. 1
Het boek is bedoeld als handreiking in de fiscale pensioenproblematiek. Aan de orde komen het verschil tussen een pensioentoezegging en een stellig voornemen pensioen uit te keren; de inhoud van de pensioentoezegging; de mogelijke fiscale gevolgen van de aanspraak zelf; alsmede de verschillende vormen van financiering van de pensioenrechten. Achtereenvolgens komt de financiering in eigen beheer aan de orde, financiering bij een professionele verzekeraar en een directiepensioenlichaam. In verband met de wenselijkheid pensioen zoveel mogelijk welvaarts- en waardevast te laten zijn, komt de waardering van een dergelijk pensioen wat ruimer aan de orde. Ook wordt kort stilgestaan bij pensioen in de Successiewet 1956. 3e geh. herz. dr. (B22737)
- SISWO; [et al.], De waarde van solidariteit : spanning in de tweede pijler van het pensioengebouw
Amsterdam ; SISWO, 2004.
SISWO Cahiers Sociale Wetenschappen en Beleid, nr. 7. SEO rapport, nr. 731
In hoeverre is de pensioenvoorziening in de tweede pijler, het aanvullende werknemerspensioen, aan vervanging toe? Deze vraag staat centraal in het rapport. In het eerste deel van het rapport wordt kort aangegeven hoe in Nederland pensioen wordt opgebouwd en welke rol de tweede pijler daarin inneemt. In het tweede deel wordt aangegeven hoe vertegenwoordigers van pensioenfondsen, werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties, wetenschappelijke deskundigen en politici aankijken tegen het pensioen in de tweede pijler. Verder wordt besproken welke rol de overheid in het pensioencontract inneemt, de solidariteit tussen generaties en binnen generaties én het combineren van sparen voor de oude dag en de levensloopregeling. Uit het rapport blijkt dat wil het pensioencontract in de huidige vorm blijven bestaan dan duidelijk moet zijn wat de pensioentoezegging is, hoe de financiering is geregeld en wie het risico draagt. Verder komt naar voren dat de directe verantwoordelijkheid van de overheid voor pensioenen in de tweede pijler beperkt blijft tot regelgever. Als gevolg van de vergrijzing en matige ontwikkeling van de economie vrezen de auteurs een revolutionering van de solidariteitsaspecten. De solidariteit zou onder druk kunnen komen als gevolg van het groter wordende lang-leven-risico en het beleggingsrisico.(B22685)
- FNV; PvdA; SP; GroenLinks; LPF, Een maatschappelijk appèl op de regering en werkgevers om te komen tot een samenhangend prepensioen/levensloopbeleid
Z.P. : z.u., 2004.
Voorstel van FNV, PvdA, GroenLinks, LPF en de SP aan het kabinet voor één geïntegreerd stelsel voor levensloop en prepensioen. Als vorm willen de vijf een verplichte collectieve basisvoorziening, die ook aantrekkelijk is voor lage inkomens. Dit kan worden aangevuld met een collectieve regeling via de CAO en eventueel individuele regelingen. In totaal kunnen mensen 5 keer 70 procent van het jaarinkomen sparen. De vijf organisaties kiezen bewust voor een ruime regeling, waarin mensen kunnen kiezen tussen prepensioen of tussentijds verlof. Op die manier wordt de regeling ook aantrekkelijk voor jongeren. In het voorstel van de vijf kan een werknemer al vanaf 60 jaar met prepensioen. Dit geldt alleen als ze nog geen gebruik hebben gemaakt van allerlei vormen van tussentijds verlof. Mensen met lichamelijk zwaar belastend werk, zouden na 40 werkjaren moeten kunnen stoppen. (B22659)
- Nyfer; [et al.], Een mooie eindsprint : het belang van financiële prikkels voor de verhoging van ouderenparticipatie
Breukelen : Nyfer, 2003.
Werknemers die niet worden betaald, houden op met werken. Dit fundamentele economische principe blijkt ook uit het pensioneringsgedrag in veel landen. Ouderen gaan er financieel vaak niet of nauwelijks op vooruit als ze blijven werken. In dat geval geven ze de voorkeur aan meer vrije tijd. Andere financiële prikkels dan het ontmoedigen van de gebruikelijke uittreedroutes zijn nog nauwelijks aan de orde geweest, hoewel bijvoorbeeld belastingprikkels een manier zouden kunnen zijn om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen. In deze studie worden andere financiële prikkels onderzocht. Het gaat dan om een versnelde overgang naar een defined contribution-systeem, de invoering van een ‘vlaktaks’ en een ouderenkorting en het inpassen van pensioenregelingen in een levensloopregeling. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre werkgevers bereid zijn in ouderen te investeren. Tot slot wordt gekeken naar de hervorming van pensioenstelsels in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Singapore teneinde best practices en risico’s in kaart te brengen. (B22573)
- Kula, G. J., Optimal retirement decision : proefschrift Erasmus Universiteit
Z.P. : z.u, 2004.
Tinbergen Institute Research Series, nr. 329
Centraal in het proefschrift staan de redenen dat mensen met pensioen gaan. Ingegaan wordt op 2 vragen: wat zijn de optimale pensioenschema's als arbeidsinkomen onzeker is, en kunnen verbeterde inkomensverzekeringen de sterk verminderde arbeidsparticipatie van ouderen verklaren? Besprokene en vergeleken worden verschillende modellen. Een pensioenmodel in een situatie waarin volledige inkomensverzekering mogelijk is. Intemporale planning van levenslange consumptie wanneer het alleen mogelijk is om zich door middel van individueel sparen te verzekeren en het niet mogelijk is om met pensioen te gaan. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag wat het pensioengedrag zal zijn als er geen pensioenverzekering is en mensen zelf voor hun oude dag moeten sparen. De vergelijking van kansen op pensionering onder perfecte verzekering en particulier sparen toont aan dat een perfecte verzekering prikkels geeft om eerder met pensioen te gaan. De daling van arbeidsparticipatie van ouderen kan dus inderdaad worden veroorzaakt door betere inkomensverzekering. (B22560)
- MKB-Nederland, Vroegpensioen en verlof : de levensloop voorbij : voorstellen MKB-Nederland
Delft : MKB-Nederland, 2004.
MKB-Nederland wil twee fiscaal gefacilieerde regelingen: een collectieve voor vroegpensioen en een individuele voor verlofsparen. Daarmee legt ze een beter werkbaar en goedkoper alternatief op tafel, met meer draagvlak, dan de kabinetsvoorstellen. Die gaan uit van afschaffen van de fiscale faciliteit voor prepensioen en vut en de introductie van een levensloopregeling. De mkb-organisatie gaat uit van een collectieve regeling voor vroegpensioen, fiscaal gefacilieerd door de overheid en met een maximale werkgeversbijdrage van 50 procent. De bestaande verlofspaarregeling moet worden omgebouwd, zo stelt MKB-Nederland voor, naar een individuele, mits bescheiden van omvang. Sparen kan in tijd en/of geld. Gedacht wordt aan een periode van maximaal 15 dagen per jaar, en dat niet meer dan vier jaar achter elkaar. Deze nieuwe regeling moet alle bestaande (voorzover ze niet onder het Burgerlijk Wetboek vallen) bundelen en vervangen. (B22548)
- Research International; Aegon, De belangstelling voor het deeltijdpensioen : onderzoek onder werknemers
Rotterdam : Research International, 2003.
Als het kabinet VUT en prepensioen afschaft, zal 75% van de oudere werknemers alsnog voor 65 jaar stoppen. Zo blijkt uit een representatief onderzoek onder 45–60 jarigen dat Research International in opdracht van AEGON Nederland heeft uitgevoerd. Dit resultaat staat haaks op EU-normen voor de arbeidsparticipatie van ouderen waaraan Nederland in 2010 moet voldoen. Nederland lijkt bij afschaffing van VUT en prepensioen niet op de goede weg om meer 55-65 jarigen aan het werk te krijgen. Uit het onderzoek blijkt dat deeltijdpensioen wel een reële oplossing is. (B22513)
- Achmea; PricewaterhouseCoopers, Pensioensurvey 2003 - 2004 : arbeidsvoorwaarden in beweging
Apeldoorn : Achmea, 2003.
Tweejaarlijkse uitgave die de ontwikkelingen op pensioengebied in kaart brengt. Aan de Survey werkten meer dan 750 Nederlandse bedrijven mee, met een goede verdeling over de bedrijfsgrootten en branches. Het onderzoek was gegroepeerd rond de volgende thema’s: a. Pensioenen in het kader van arbeidsvoorwaarden; b. De beweeglijkheid van wet- en regelgeving rond pensioenen; c. De kosten van pensioenen; d. Communicatie en inzicht. In het hoofdstuk over de beweeglijkheid van wet- en regelgeving rond pensioenen wordt onder meer ingegaan op de basispensioenregeling, de levensloopregeling, de verantwoordelijkheid van de werkgever, en de nieuwe richtlijnen voor verslaggeving. Bedrijven konden aangeven waarover zij zich in het kader van de pensioenregeling van het bedrijf zorgen maken. De Zorgen Top Drie ziet er als volgt uit: 1. De kostenbeheersing en betaalbaarheid van het pensioen; 2. De toekomstige pensioenuitkeringen; 3. Communicatie en inzicht. Verder blijkt dat ouderenbeleid nog niet hoog op de agenda van de Nederlandse bedrijven staat. Uit de Survey blijkt dat de werkgevers niet verwachten dat de werknemers tot hun 65ste doorwerken. Dit ondanks alle overheidsmaatregelen om de arbeidsparticipatie van ouderen te vergroten. De bedrijven zelf hebben geen beleid om de ouderen langer aan het werk te houden, zo is demotie nog steeds een taboe. Waar de mensen blijven als ze niet tot hun 65ste doorwerken en er geen oudedagsvoorzieningen zijn, zoals VUT en prépensioen? Maar liefst 60% van de bedrijven verwacht dat deze mensen in de WAO terechtkomen. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek zijn kamervragen gesteld door de leden Bussemaker en Depla (beiden PvdA) aan de minister van SZW over ouderen die mogelijk in de WAO belanden als gevolg van het afschaffen van VUT en prepensioen. (B22403)
- Schols-van Oppen, E. M. F.; Lange, H. W. L. A. de, Verboden onderscheid in pensioenregelingen : mannen/vrouwen, burgerlijke staat, leeftijd, duur en aard van arbeidsovereenkomst, ras of etnische afstamming, handicap en chronische ziekte
Amersfoort : Fiscale en Financiële Uitgevers, 2003.
Deze uitgave behandelt het verboden onderscheid in pensioenregelingen of, anders gezegd, de gelijke behandeling in pensioenregelingen. In de achterliggende decennia was het vooral de gelijke behandeling van mannen en vrouwen die volop in de belangstelling stond. De gelijkebehandelingsnorm breidt zich echter als een olievlek uit, zeker als het de arbeidsvoorwaarden betreft. Dit boek beperkt zich daarom nadrukkelijk niet tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen maar gaat ook in op de andere (voor pensioen relevante) discriminatiegronden;: burgerlijke staat, leeftijd, duur en aard van de arbeidsovereenkomst, ras of etnische afstamming, handicap en chronische ziekte. (B22346)
- CPB; Ewijk, C.; Van, M. van de, Zekerheid in het geding : analyse van het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen.
Den Haag : CPB, 2004.
CPB document, nr. 47
Veel pensioenfondsen kampen momenteel met aanzienlijke dekkings- en/of reservetekorten. Daardoor is discussie ontstaan over de hoogte van de buffers die nodig zijn om zeker te stellen dat pensioenfondsen te allen tijde aan hun pensioenverplichtingen kunnen voldoen. Het kabinet zal dit jaar de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen vastleggen in de nieuwe Pensioenwet. Hierin zijn opgenomen de zekerheidseisen waaraan pensioenfondsen moeten voldoen. De ontwerp-hoofdlijnen voor de regeling zijn december 2003 bekend geworden. Dit document bevat een analyse van de solvabiliteitstoets en de minimumtoets die in het financieel toetsingskader kunnen worden opgenomen. Tevens wordt uitgebreid ingegaan op de waardering van verplichtingen, rekening houdend met risico en het voorwaardelijke karakter van sommige toezeggingen. Tot slot schetst het document de kwantitatieve effecten van verschillende mogelijke invullingen van het financiële toezicht en verschillende pensioencontracten. (B22334)
- Pricewaterhousecoopers; [et al.], Pensioenfondsen : verslaggeving, toezicht, risicobeheersing en fiscaliteit
Deventer : Kluwer, 2003.
Handboek op het gebied van verslaggeving, toezicht, risicobeheersing en fiscaliteit met betrekking tot pensioenfondsen. Bevat de volgende hoofdstukken: verslaggeving van pensioen(fondsen); internationale verslaggevingsnormen; toezicht en regelgeving pensioenfondsen; risicomanagement; performance presentatie standaarden; adviseurs en controleurs; fiscale aspecten van pensioen(fondsen) pensioen en vut; het pensioenfonds van morgen. (B22318)
- Min. SZW, Ontwerp-hoofdlijnen voor de regeling van het financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet
Den Haag : Min. SZW, 2003.
Notitie over de vormgeving van het nieuwe financiële toezicht op de pensioenen. (B22293)
- Hijkoop, L. van; Kennis, H., Pensioen in de OR-praktijk
Alphen aan den Rijn : Kluwer, 2003.
OR Praktijk. Basiskennis
In dit boekje worden acht veel voorkomende pensioensituaties, waar ondernemingsraden mee te maken kunnen krijgen, besproken. Deze zijn tot stand gekomen vanuit de dagelijkse adviespraktijk van de auteurs en geven antwoord op de volgende vragen: hoe is de zeggenschap geregeld, wat te doen bij overgang van onderneming, wat gebeurt er met de pensioenopbouw als de arbeidsvoorwaarden wijzigen, hoe kan de ondernemingsraad betrokken zijn bij wijziging van de pensioenregeling, communicatie en indexatie? (B22219)
- Cie conglomeraatvorming pensioenfondsen, Het pensioenfonds als taakorganisatie : 'schoenmaker blijf bij je leest' : rapport van de Commissie conglemeraatvorming pensioenfondsen
Amsterdam : Cie conglomeraatvorming pensioenfondsen, 2003.
Rapport van de commissie Staatsen over conglomeraatvorming bij pensioenfondsen. De Cie pleit ervoor pensioenfondsen in beginsel geen nevenactiviteiten te laten verrichten, tenzij daarvoor door de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) toestemming is gegeven. Het gaat om activiteiten die niet direct samenhangen met de kerntaak van een pensioenfonds, te weten het beheren en beleggen van pensioengelden en het uitkeren van pensioenen. Als pensioenfondsen nevenactiviteiten willen verrichten, moeten zij deze melden aan de PVK en motiveren waarom zij die activiteiten willen verrichten. Nevenactiviteiten die niet voldoen aan de regeling die geldt voor de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars, zijn niet toegestaan. De toezichthouder moet de nevenactiviteiten vervolgens toetsen aan nauw omschreven criteria. De Cie doet hiervoor een aantal voorstellen. Het gaat onder meer om eisen aan de kwaliteit van het bestuur van het pensioenfonds en de beheersing van financiële risico’s. De Cie concludeert op basis van onderzoek dat pensioenfondsen over het algemeen weinig nevenactiviteiten uitvoeren. (B22170)
- CPB, Eerste CPB analyses ten behoeve van FTK-adviesgroep
Den Haag : CPB, 2003.
CPB Memorandum, nr. 79
Het CPB heeft voor de adviesgroep van DNB, PVK en CPB over het financieel toezicht op pensioenfondsen de macro-economische consequenties van verschillende keuzes ten aanzien van de mate van zekerheid en ingroeiperioden in kaart gebracht. Dit memorandum doet hiervan verslag. (B22153)
- CPB; Pensioen- & Verzekeringskamer; DNB, Financieel toezicht op pensioenfondsen : tussenrapportage van het Centraal Planbureau, De Nederlandsche Bank en de Pensioen & Verzekeringskamer aan het kabinet inzake de zekerheid van pensioenaanspraken, daarmee samenhangende hersteltermijnen bij ontoereikende solvabiliteit van pensioenfondsen, en de macro-economische gevolgen die hiermee gepaard gaan
Den Haag : CPB, 2003.
Tussenrapportage over het financieel toezicht op pensioenfondsen. Deze rapportage is aangeboden aan Staatssecretaris Rutte van SZW en vindt plaats in het kader van een adviesaanvraag van het kabinet over de gewenste mate van zekerheid van pensioenaanspraken, daarmee samenhangende hersteltermijnen bij ontoereikende solvabiliteit van pensioenfondsen, en de macro-economische gevolgen die hiermee gepaard gaan. De tussenrapportage brengt de problematiek in kaart door de consequenties van alternatieve zekerheidsmaatstaven voor twee uiterste vormen van het pensioencontract te verkennen. Geconcludeerd wordt dat de huidige gunstige verhouding tussen te betalen pensioenpremies en hiermee op te bouwen pensioenaanspraken niet houdbaar is, willen pensioenfondsen ook in de toekomst met een hoge mate van zekerheid een welvaarts- of waardevast pensioen kunnen garanderen. Wordt gekozen voor het praktisch garanderen van een welvaarts- of waardevast pensioen, via indexatie met de stijging van lonen of van prijzen, dan zijn in de komende jaren drastische premieverhogingen nodig. Dit zal grote nadelige gevolgen hebben voor de Nederlandse economie. Het andere uiterste is een stelsel dat alleen nominale pensioenaanspraken beschermt, en daarmee weinig zekerheid biedt aan de (toekomstig) gepensioneerden. (B22152)
- Kuné, J. B.; [et al.], Leven in een ouder wordende samenleving : generatiebewust vooruitzien in de 21ste eeuw
Den Haag : SDU, 2003.
Bundel met als thema de ouder wordende samenleving. Het boek kan worden beschouwd als een vervolg op en als een verdieping van het congres 'Generatiebewust vooruitzien: werk, zorg en inkomen in een ouder wordende samenleving. Dit congres is gehouden onder auspiciën van de WRR, het SCP en de SER: de feitelijke organisatie lag in handen van de Stichting Pensioenfonds ABP. Deze bundel bevat de volgende bijdragen: Voorwoord (SER); Inleiding (St. Pensioenfonds ABP; UVA); ' Old people are just young people who are around for years and years'; Schuivende verhouding tussen publiek, privaat en privé; Vergrijzing, een financieel én verdelingsprobleem (CPB).; Arbeidsdeelname van ouderen, draagvlak en het Europese vergrijzingsprobleem (SER).; Voorbij de grenzen van de premie? (SVB); De rol van de gezondheidszorg in de ouder wordende samenleving ; Verleden, heden en toekomst van gezondheidsbeleid; De levensloopbenadering (CentER); 'Wij groeien vast in tal en last': het begrip 'grijze last' theoretisch en empirisch beschouwd ; Leviathan of laissez faire?; Vergrijzing en het Belgisch regeringsbeleid: terugblik en vooruitblik ; 'De twilight-zone - het schemergebied' (B22122)
- Caminada, C. L. J.; Goudswaard, K. P., Verdeelde zekerheid : de verdeling van baten en lasten van sociale zekerheid en pensioenen
Den Haag : SDU, 2003.
Meijers-reeks, nr. MI-64
Dit boek doet verslag van een onderzoeksproject naar de verdeling van baten en lasten van sociale zekerheid en pensioenen. Onderzocht wordt wie van het stelsel van sociale zekerheid en pensioenen profiteren en wie daarvoor betalen. (B22112)
- CPB; [et al.], Afschaffing fiscale faciliëring van prepensioensparen
Den Haag : CPB, 2003.
CPB Memorandum, nr. 76
In het Hoofdlijnenakkoord plus Aanvullend Pakket heeft het kabinet het voornemen geuit de fiscale faciliëring van prepensioensparen af te schaffen. Het doel van de maatregel is de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen. Deze notitie geeft een eerste analyse van de economische effecten op lange termijn. Het beperkt zich tot een beschrijving van de mogelijke reactie van de sociale partners en een kwalitatieve analyse van de effecten op het arbeidsaanbod van jongeren en ouderen. (B22115)
- Groezen, B. J. A. M. van, The wealth of generations : pensions and welfare from a macroeconomic perspective : proefschrift Universiteit van Tilburg
Tilburg : Center, 2003.
Het proefschrift bevat een analyse van de economische gevolgen van vergrijzing. Vergrijzing leidt tot een tekort aan arbeidskrachten, waardoor de lonen zullen stijgen. Maar het leidt ook tot een overvloed van kapitaal, waardoor het rendement op investeringen zal dalen. Dat heeft gevolgen voor de pensioenfondsen. Er kan op twee manieren voor het pensioen worden gespaard. Via een omslagstelsel en via een kapitaaldekkingstelsel. Van Groezen waarschuwt de Nederlandse overheid tussen deze twee mogelijkheden niet de verkeerde keuze te maken: bouwt Nederland samen met andere grote landen het omslagstelsel verder af, dan zullen pensioenfondsen steeds meer moeite hebben een voldoende rendement te halen om aan hun verplichtingen te voldoen. Als vervolgens de lonen gaan stijgen, wordt het steeds lastiger om ook de inkomens van de ouderen te laten stijgen, willen deze gelijke tred houden. Dit treft ouderen dubbel aangezien zij relatief meer uitgeven aan dienstverlening die door de loonstijging duurder wordt. Van Groezen pleit dan ook voor enige terughoudendheid in het terugdringen van het omslagstelsel. Het verder stimuleren van besparingen is daarom niet gewenst in landen, zoals Nederland, waar de pensioenvermogens al aanzienlijk zijn. Wel pleit hij voor het voeren van een passende bevolkingspolitiek. (B22094)
- Ver. VNO-NCW, Nota inzake het toekomstige pensioenbeleid
Den Haag : Ver. VNO-NCW, 2003.
Nota over het toekomstig pensioenbeleid vastgesteld door het bestuur van VNO-NCW in de vergadering d.d. 25 september 2003. De nota geeft antwoord op de vraag hoe de kosten van pensioenregelingen beter zijn te beheersen dan wel te beperken en hoe tegelijkertijd de waardevolle elementen van het huidige pensioenstelsel behouden kunnen blijven. Aanleiding zijn de ontwikkelingen op de beurs, de nieuwe en kostbare eisen van de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), namelijk hogere buffers en hogere pensioenpremies, en de plannen van het kabinet om onder meer de fiscale aftrek van vut- en prepensioenpremies te schrappen. Gesteld wordt dat het Nederlandse pensioenstelsel in de toekomst uit drie pijlers moet blijven bestaan. Bij het handhaven van de drie pijlers moet de tweede pijler gebaseerd blijven op de uitgangspunten 'collectiviteit' en 'solidariteit'. Dit betekent dat de voorkeur wordt uitgesproken voor pensioenregelingen waarvan de kern bestaat uit een middelloon- of eindloonregeling. Wat de fiscale norm betreft moet worden vastgehouden aan 70 procent van het laatstverdiende loon. (B22097)
- Consumentenbond; Sikkel-Spierenburg, C., Plan uw pensioen : inzicht en keuzes
Den Haag : Consumentenbond, 2003.
Beschreven wordt hoe wensen en middelen op pensioengebied op elkaar af te stemmen, hoe het pensioenoverzicht te lezen, welke nuttige informatie hier uit te halen is en welke andere mogelijkheden er zijn om vermogen aan te vullen. Voorts wordt ingegaan op het flexibele pensioen. Ook wordt informatie gegeven wat er met pensioen gebeurt bij scheiden en werkloosheid. Zie ook bijbehorende CD ROM CD0003: Pensioenmanager : bereken en plan zelf uw pensioen (B21985)
- Stichting van de Arbeid; Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties, Vernieuwend Convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO) gericht op en kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen
Den Haag : StvdA, 2003.
Publicatienr. 2/03
Tussen de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO) is overeenstemming bereikt over een vernieuwd convenant gericht op een kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen. In vervolg op het eerdere convenant uit 1998 hebben genoemde organisaties op 28 februari 2003 het vernieuwd medezeggenschapsconvenant ondertekend. (B21880)
- Stichting van de Arbeid, Rapport evaluatie waardeoverdracht pensioenen
Den Haag : StvdA, 2003.
Publicatienr. 3/03
Evaluatie van de rekenregels voor waardeoverdracht door de Subwerkgroep Evaluatie Waardeoverdracht. In deze werkgroep zijn naast vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid ook de pensioenkoepels OPF, VB en het Verbond van Verzekeraars vertegenwoordigd. In deze rapportage wordt begonnen met een samenvatting van het oorspronkelijke in 1993 door de Stichting van de Arbeid uitgebrachte Advies inzake rekenregels bij waardeoverdrachten van pensioenaanspraken (4/93). Vervolgens wordt uitvoerig ingegaan op de geconstateerde meer technische knelpunten bij het toepassen van de huidige rekenregels bij waardeoverdrachten alsmede bij het proces van uitvoering van waardeoverdrachten. Vervolgens gaat het rapport in op de waardeoverdracht van oude gevallen. Hoewel de evaluatie primair is gericht op de wettelijke regeling voor waardeoverdracht, blijkt in de praktijk sprake van een belangrijk knelpunt bij de overdracht van oude pensioenaanspraken. Daarna komt de informatieverstrekking aan werknemers die van baan gaan wisselen, of dit recent hebben gedaan, aan bod. (B21881)
- Kleynen, R. H. M. A., De houdbaarheidsdatum van ons pensioenstelsel : rede
Heerlen : Kleynen Consultants, 2002.
Oratie over de houdbaarheid van het pensioenstelsel. Allereerst wordt er een historisch perspecief geschetst van het pensioenstelsel, en teruggeblikt op de vermogensontwikkeling en portefeuillesamenstelling, alsmede op de historische ontwikkeling van de vermogensmarkten. Vervolgens wordt het huidige financiële fundament van de pensioenfondsen nader beschouwd. Achtereenvolgens wordt o.a. ingegaan op: Opgebouwde rechten; Asset Liability Management; Toekomstscenario's; Obligatierendementen; Aandelenrendementen; Het wettelijk kader voor pensioenfondsen; Betaalbaarheid; Het beleggingsbeleid; Het vermogenswaarderingsbeleid; Het premie- en indexatiebeleid. Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Actuariële Wetenschappen, specialisatie Asset Liability Management aan de Universiteit Maastricht op vrijdag 15 november 2002 door Dr. R. H. M. A. Kleynen. (B25402)