Literatuurlijst Loonbeleid


Boeken - Tijdschriftartikelen 

 

  • CPB; Groot, S. de; Groot, H. de, Wage inequality in the Netherlands : evidence, trends and explanations
    Den Haag : CPB, 2011. 27 p.
    CPB discussion paper, nr. 186
    Lange tijd werd Nederland beschouwd als een uitzondering op de algemene trend van stijgende loonongelijkheid die in veel OESO landen vanaf de jaren tachtig is waargenomen. Deze OESO trend wordt doorgaans verklaard door een toename van de relatieve vraag naar hooggeschoolde arbeid, die het gevolg is van een relatief groot profijt van hoogopgeleiden van technologische vooruitgang, en - in mindere mate - globalisering. Dit paper maakt gebruik van CBS microdata op het niveau van individuele werknemers om trends in de Nederlandse (reële bruto) loondistributie tussen 2000 en 2008 in kaart te brengen. Hoewel de geaggregeerde ongelijkheid relatief stabiel is gebleven, blijkt er een aanzienlijke dynamiek te bestaan tussen verschillende groepen en regio’s. Na correctie voor geobserveerde werknemerkenmerken is ongelijkheid licht gedaald in de onderste helft van de loondistributie, terwijl deze in de bovenste helft van de distributie juist gestegen is (zowel voor als na correctie voor verschillen in opleidingsniveau). Onverklaarde (residuele) loonongelijkheid is relatief hoog in de meeste grote steden, waarbij bovendien een opwaartse trend waarneembaar is. Dit is consistent met recent bewijs voor een toenemend belang van agglomeratie externaliteiten. (B30063)
     
  • Hendriks, C., The story behind the Dutch Model : consensual politics of wage restraint : proefschrift Universiteit van Amsterdam
    Amsterdam : C. Hendriks, 2011.
    Loonmatiging is al vele jaren de beproefde manier van Nederland om economische crises het hoofd te bieden. Loonmatiging zou de economische groei stimuleren en werkgelegenheid creëren, met name door het verbeteren van de concurrentiepositie. In de jaren negentig werd dit recept zelfs wereldberoemd als onderdeel van het Nederlandse poldermodel: Nederland deed het economisch zo goed omdat vakbonden en werkgevers tezamen de lonen hadden gematigd. Corina Hendriks onderzocht waarom in Nederland veel over loonmatiging wordt gesproken. Deze vraag lijkt simpel te beantwoorden: immers, loonmatiging zou goed voor de Nederlandse economie zijn, en waarom zouden vakbonden en werkgevers het dan niet steunen? Hendriks toont dat het niet zo eenvoudig ligt, en dat de keuze voor loonmatiging veel meer begrepen moet worden vanuit de manier waarop in Nederland politiek wordt bedreven: met dialoog en onderhandeling gericht op het bereiken van compromis en consensus. Loonmatiging is niet per definitie het beste idee, maar wel het meest politiek haalbare of ‘wenselijke’ idee. De informele ‘spelregels’ van de Nederlandse consensuspolitiek alsmede de rol van het Centraal Planbureau zijn van groot belang voor het begrijpen van de dominantie van dit specifieke politieke recept in de Nederlandse politiek. Hendriks gaat in op het ‘verhaal’ van loonmatiging, en de manier waarop Nederlandse politici en sociale partners in de loop der jaren dit verhaal hebben geconstrueerd en uitgedragen. Loonmatiging is een politiek construct, geen economische wetmatigheid. Dat is het echte verhaal achter het Nederlandse model. (B29489)

  • ESVLA, Pay developments 2009
    Dublin : ESVLA, 2010.
    Jaarlijkse rapportage van de loonontwikkelingen in de landen van de EU. Aan de orde komen onder meer: gemiddelde collectief overeengekomen loonsverhogingen; collectief overeengekomen loonsverhogingen per sector; minimumlonen; loonverschillen tussen mannen en vrouwen; gemiddelde inkomsten uit arbeid. (B28929)


  • Europese Cie, Labour market and wage development in 2008
    Luxemburg : EG, 2009.
    European economy, 2009, nr. 8
    Dit rapport analyseert de arbeidsmarkt en de loonontwikkeling in een periode dat de ergste economische en financiële crisis sinds de Tweede Wereldoorlog de Europese Unie en de arbeidsmarkten raakt. Het rapport richt zich op hoe de crisis de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werking van de arbeidsmarkt beïnvloedt, en de wisselwerking met de belangrijkste macro-economische variabelen als productiviteit, lonen en het bbp.
    Het rapport presenteert een analyse van de meest recente trends en vooruitzichten op participatie, werkloosheid en arbeidsparticipatie aan de ene kant en de arbeidskosten aan de andere kant Hoewel het rapport zich concentreert op de ontwikkelingen in de eurozone en het EU-27 niveau, onderzoekt het ook de situatie in de afzonderlijke landen en de specifieke maatregelen die zijn genomen om de gevolgen van de crisis op de arbeidsmarkt te minimaliseren. (B28358)

  • ILO, Global wage report : update 2009
    Geneve : ILO, 2009.
    Update van het Global Wages Report 2008/09 (B 27433). De update biedt al een aantal indicaties van de loonontwikkeling tot het tweede kwartaal van 2009 in een aantal landen in de wereld. (B28328)

  • CPB; Mellens, M., Arbeidskosten per eenheid product MEV 2010
    Den Haag : CPB, 2009.
    CPB Memorandum, nr. 230
    In paragraaf 2.3 van de MEV 2010 wordt de relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de Nederlandse verwerkende industrie besproken. Deze indicator verschaft inzicht in de ontwikkeling van de prijsconcurrentiepositie van Nederlandse exportproducten. In dit memo wordt de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in Nederland en van de concurrenten meer gedetailleerd besproken. (B28121)

  • Camphuis, W. A. F., Tussen analyse en opportuniteit : de SER als adviseur voor de loon- en prijspolitiek : proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen
    Amsterdam : Aksant, 2009.
    In deze studie is onder andere op basis van archiefmateriaal van de SER, de Ministerraad, enkele departementen, de Stichting van de Arbeid en van een aantal sleutelfiguren nagegaan hoe binnen het gezelschap van werkgevers, werknemers en kroonleden de verschillende loon- en prijspolitieke adviezen tot stand kwamen en hoe deze de besluitvorming in politiek Den Haag tussen 1950 en 1993 hebben beïnvloed. Daarbij wordt zichtbaar wat er achter de schermen gebeurde tijdens de wederopbouw in de jaren ’50, de onstuimige economische groei in de jaren ’60, de polarisatie in de jaren ’70 en de economische saneringen in de jaren ’80. Gemiddeld genomen is de invloed van de SER matig, concludeert Camphuis. Wel is de invloed afhankelijk van omstandigheden. De belangrijkste factor daarin is de kracht van de regering. Hoe sterker die is, des te meer zal ze haar eigen koers varen en adviezen van de SER naast zich neerleggen, als dat beter uitkomt. Een andere factor is het economisch tij: hoogconjunctuur gaf vaak meer macht aan werkgevers en werknemers en dus aan de SER, waarin zij twee van de drie partijen zijn. (B27896)

  • CPB; Mellens, M., Arbeidskosten per eenheid product Nederlandse verwerkende industrie CEP 2008
    Den Haag : CPB, 2008.
    CPB Memorandum, nr. 192
    In paragraaf 2.3 van het CEP 2008 wordt de relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de Nederlandse verwerkende industrie besproken. Deze indicator verschaft inzicht in de ontwikkeling van de prijsconcurrentiepositie van Nederlandse exportproducten. In dit memo wordt de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in Nederland en van de concurrenten meer gedetailleerd besproken. (B26720)

  • CPB; Bovenberg, L.; Teulings, C. N., Rhineland exit
    Den Haag : CPB, 2008.
    CPB discussion paper, nr. 101
    In het rapport wordt gepleit voor het hanteren van aandeelhouderswaarde als de doelstelling van een onderneming, vanwege drie redenen. Ten eerste leidt het hanteren van een meervoudige doelstelling met vele belanghebbenden tot slecht gedefinieerde eigendomsrechten. Ten tweede worden de kapitaalkosten van de onderneming verhoogd door werknemers een deel van het ondernemingssurplus toe te kennen. Dit gaat ten koste van de creatie van nieuwe banen, en daarmee van de positie van outsiders die naar een baan zoeken. Ten derde, wordt de best mogelijke sociale verzekering gerealiseerd door het volledige ondernemingssurplus toe te kennen aan kapitaalverschaffers, omdat zij dat risico op de kapitaalmarkt kunnen diversificeren. Waar globalisering van productmarkten heeft geleid tot een verhoging van bedrijfsspecifieke risico's door een intensivering van competitie, daar heeft de globalisering van kapitaalmarkten geleid tot een verbetering van de risicodiversificatie van kapitaalverschaffers. Dit is een efficiënte vorm van sociale zekerheid. Coördinatie in loononderhandelingen en collectieve normen spelen een belangrijke rol in het beperken van de claim van werknemers op het ondernemingssurplus. Zo dragen werknemers in Denemarken een veel kleiner deel van het bedrijfsspecifieke risico dan werknemers in de Verenigde Staten. Collectieve actie bij loononderhandelingen is dus van belang. Politici worden echter geconfronteerd met de verleiding om kiezers te plezieren door werknemers achteraf toch een claim op het ondernemingssurplus toe te kennen, ten koste van hun inkomenszekerheid op lange termijn en ten koste van de baancreatie voor toekomstige generaties. (B26654)

  • Arbeidsinspectie; Min. SZW; [et al.], Arbeidsvoorwaardenontwikkelingen in 2006 : een onderzoek naar de ontwikkelingen in de bruto-uurlonen en de extra uitkeringen
    Den Haag : Arbeidsinspectie, 2007.
    Dit rapport bevat de belangrijkste resultaten van het door de Arbeidsinspectie uitgevoerde onderzoek de naar ontwikkelingen van de arbeidsvoorwaarden in 2006. Doel van dit onderzoek is representatieve informatie te verschaffen over de feitelijke ontwikkeling van de bruto-lonen en andere op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden van werknemers in het bedrijfsleven en bij de overheid. Het is een periodiek onderzoek dat dit keer voor het laatst is uitgevoerd. In de toekomst zal het Centraal Bureau voor de Statistiek rapporteren over de loonontwikkeling. Voor diverse werknemerscategorieën, zoals bij indeling naar economische sectoren en bij indeling naar CAO’ers en niet-CAO’ers, wordt een overzicht gegeven van de samenstelling van het brutoloon en de opbouw van de bruto uurloonontwikkeling naar de onderscheiden initiële en incidentele beloningscomponenten. Voorts geeft het onderzoek inzicht in het niveau en ontwikkelingen in de extra uitkeringen. (B26418)

  • FNV; Abvakabo; FNV Bondgenoten; AIAS; UVA; STZ Advies & Onderzoek, Dicht de loonkloof! : verslag van het close-(correctie loonkloof in sectoren)-onderzoek
    Eindhoven : STZ Advies & Onderzoek, 2007.
    Onderzoek naar de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen. Hiervoor zijn zeven sectoren bestudeerd: voeding, detailhandel, schoonmaak, ziekenhuizen, gezondheidszorg, openbaar bestuur en financiële instellingen. Voor elke sector zijn aanbevelingen opgesteld die het loonverschil tussen mannen en vrouwen met procenten kunnen terugbrengen. Het grootst is de winst in de detailhandel, zoals supermarkten. Daar kan het loonverschil in drie jaar dalen met ruim vijf procent. Enkele aanbevelingen uit het rapport: De onderbetaling van vrouwen kan worden verminderd met gerichte maatregelen binnen bedrijfstakken. Belangrijk is goed personeelsbeleid en het aanbieden van scholing die vrouwen opleidt tot hogere of middenkaderfuncties. De mogelijkheden om die functies in grotere deeltijdbanen uit te oefenen moet worden uitgebreid. Ook moeten vrouwen worden gestimuleerd niet helemaal te stoppen met werken als ze kinderen krijgen. (B26214)

  • Borghans, L.; Kriechel, B.; ROA, Wage structure and labor mobility in the Netherlands 1999-2003
    Maastricht : ROA, 2007.
    Research memorandum, ROA-RM-2007/2
    Onderzoek naar de loonstructuur en arbeidsmobiliteit in Nederland in de periode 1999-2003. In deze periode was er sprake van een toename van loonongelijkheid. Overzicht van ontwikkelingen. (B26198)

  • Europese Cie; Arpaia, A ; Pichelmann, K., Nominal and real wage flexibility in EMU
    Brussel : Europese Cie, 2007.
    European economy, economic papers, nr. 281
    Aandacht voor loonflexibiliteit binnen de EMU en poging tot het trekken van lessen uit de ervaring van de afgelopen jaren. Korte beschrijving van ontwikkelingen binnen het eurogebied en interpretatie van de belangrijkste bevindingen met betrekking tot nominale en echte loonflexibiliteit. Er blijft onvoldoende loonflexibiliteit binnen het eurogebied. (B26089)

  • Europese Cie; Mourre, G.; Thiel, M., Monitoring short-term labour cost developments in the European Union : which indicators to trust?
    Brussel : EG, 2006.
    De publicatie bespreekt de, in de EU beschikbare indicatoren om ontwikkelingen in korte-termijn arbeidskosten te monitoren. Naast een analyse van de indicatoren, wordt ook gekeken naar de relatie met ander macro-economische variabelen inflatie en consumptie). (B25281)

  • Arbeidsinspectie; [et al.], De arbeidsmarktpositie van werknemers in 2004 : een onderzoek naar de verschillen in beloning en mobiliteit tussen groepen werknemers
    Den Haag : Arbeidsinspectie, 2006.
    Het onderzoek beschrijft de verschillen in beloning en mobiliteit tussen autochtonen en allochtonen en tussen werknemers met vaste en tijdelijke arbeidscontracten in het bedrijfsleven en tussen mannen en vrouwen, voltijders en deeltijders in het bedrijfsleven en bij de overheid in 2004. Voorts komen de verschillen aan bod tussen de hiervoor genoemde werknemerscategorieën op het gebied van opleiding in relatie tot het functieniveau en op het gebied van extra uitkeringen die veelal één à tweemaal per jaar worden uitgekeerd (winstafhankelijke of overige uitkeringen zoals een extra maand, arbeidsmarkt- of functioneringstoeslagen). (B25243)

  • Hassel, A., Wage setting, social pacts and the Euro : a new role for the state
    Amsterdam : Amsterdam University Press, 2006.
    Door de Europese monetaire integratie staan overheden voor een enorme economisch-politieke uitdaging. Niet langer kunnen ze door middel van waarde-inflatie de economische tekorten oplossen. Het gevolg was dat de Eurolanden loonbepalingen gebruiken om de economie bij te sturen. Opmerkelijk is dat in tegenstelling tot de wijdverbreide verwachting, loonbepalingssystemen in West-Europa de laatste 25 jaar gecentraliseerd zijn gebleven. En de band tussen overheden en sociale partners zijn eerder inniger dan losser geworden. De auteur onderzoekt de loonvormingssystemen in West-Europa. Ze laat zien dat overheden hebben gekozen voor onderhandelingen met de sociale partners en niet voor de deregulering van de arbeidsmarkten. Hassel brengt de economische en politieke voordelen van de onderhandelde loonbepalingen naar voren, tegen de achtergrond van een strikter monetair beleid en een toegenomen economische openheid. (B25193)

  • CPB; [et al.], Team incentives in public organisations : an experimental study
    Den Haag : CPB, 2006.
    CPB discussion paper, nr. 60
    De paper onderzoekt middels een (laboratorium-)experiment de effectiviteit van prestatieprikkels bij publieke organisaties. Deelnemers aan het experiment kunnen kiezen tussen een ‘publieke’ en ‘private’ organisatie, met als verschil dat binnen de publieke organisatie teambeloning wordt toegepast; binnen de private organisatie daarentegen individuele prestatiebeloning. De introductie van individuele prestatiebeloning leidt bij de publieke organisatie tot gemengde resultaten. Individuele beloning heeft vooral kwalijke effecten wanneer deelnemers die van nature gemotiveerd zijn andere deelnemers te helpen daartoe ontmoedigd worden. (B24633)

  • Stichting van de Arbeid, Je verdiende loon : checklist gelijke beloning van mannen en vrouwen (Geactualiseerde versie)
    Den Haag : StvdA, 2006.
    Publicatienr. 4/06
    De checklist schetst in vogelvlucht de uiteenlopende elementen van beloningssystemen waarin mogelijk ongerechtvaardigd indirect onderscheid zou kunnen schuilen. De checklist beoogt een handvat te bieden om het uitgangspunt te realiseren dat arbeid van gelijke waarde gelijk beloond behoort te worden, ongeacht of deze wordt verricht door een man of een vrouw. De checklist laat tevens zien dat het vereiste van gelijke beloning niet betekent dat geen verschil in beloning zou mogen worden gemaakt. Het gaat er om verboden ongerechtvaardigd onderscheid uit te bannen. In de checklist en de toelichting daarop wordt dit verduidelijkt. (B24578)

  • ESVLA; [et al.], Wages and working conditions in the European Union
    Luxemburg : EG, 2005.
    Het rapport analyseert de relatie tussen lonen, organisatie van werk en arbeidsomstandigheden. Er zijn case-studies opgenomen over België, Finland en Duitsland. (B24228)

  • Europese Cie; [et al.], The contribution of wage developments to labour market performance
    Luxemburg : EG, 2005.
    European Economy, Special report, nr. 1/2005
    Onderzoek naar de invloed van de loonontwikkeling (zowel op de korte- als de lange termijn) op werkgelegenheid en werkloosheid. (B24173)

  • Arbeidsinspectie; Min. SZW;[et al.], De arbeidsmarktpositie van werknemers in 2002 : een onderzoek naar de verschillen in beloning en mobiliteit tussen groepen werknemers
    Den Haag : Arbeidsinspectie, 2004.
    Dit rapport beschrijft de verschillen in beloning en mobiliteit tussen mannen en vrouwen, tussen voltijders en deeltijders, autochtonen en allochtonen en tussen werknemers met vaste en tijdelijke arbeidscontracten in 2002. Voorts komen ook de verschillen aan bod tussen de hiervoor genoemde werknemerscategorieën op het gebied van opleiding in relatie tot het functieniveau en op het gebied van extra uitkeringen die veelal één à tweemaal per jaar worden uitgekeerd (winstafhankelijke of overige extra uitkeringen zoals een 13e/14e maand, arbeidsmarkt- of functioneringstoeslagen). (B23296)

  • CPB; Huizinga, F.; Broer, P., Wage moderation and labour productivity
    Den Haag : CPB, 2004.
    CPB discussion paper, nr. 28
    De paper vormt een bijdrage aan het debat over nut en noodzaak van loonmatiging. Op lange termijn valt economische groei slechts te bereiken via twee wegen: een toename van het arbeidsaanbod of een verhoging van de arbeidsproductiviteit. Wat is de invloed van loonmatiging op de arbeidsproductiviteit en daarmee op de economische groei? In het rapport concluderen de onderzoekers dat lonen geen geschikt aangrijpingspunt zijn om de arbeidsproductiviteit te verhogen. Hoge lonen verhogen weliswaar de arbeidsproductiviteit op korte termijn, maar deze verhoging is tijdelijk van aard en inefficiënt. Op lange termijn is een loongolf naar verwachting zelfs schadelijk voor de arbeidsproductiviteit. (Te) hoge lonen leiden in alle gevallen wel tot hoge werkloosheid. Gestage economische groei wordt vooral bevorderd door een loonniveau waarbij de arbeidsmarkt in evenwicht is. Hoge werkloosheid vraagt om loonmatiging; op een krappe arbeidsmarkt met lage werkloosheid kunnen de lonen stijgen. Daarnaast ligt de sleutel voor gestage groei van de arbeidsproductiviteit bij een goed mededingingsbeleid. Concurrentie houdt bedrijven scherp en stimuleert innovatie. (B22641)

  • ETUI; [et al.], Equal pay and gender mainstreaming in the European employment strategy
    Brussel : ETUI, 2003.
    Aandacht voor gelijke beloning en gender mainstreaming in het Europees werkgelegenheidsbeleid. De publicatie bevat bijdragen over lage lonen en gender mainstreaming, de opvattingen en de implementatie van gender mainstreaming binnen de Europese Commissie, de houding van de vakbeweging ten aanzien van gelijke beloning. Verder bevat het rapport specifieke landenstudies over gelijke beloning en gender mainstreaming in België, Spanje, Zweden, Australië, Frankrijk, Tsjechië, Slovenië en Estonia. (B22508)

  • Stichting van de Arbeid, Najaarsoverleg 2002
    Den Haag : StvdA, 2003.
    Publicatienr. 1/03
    In het kader van het reguliere Voor- en Najaarsoverleg tussen Stichting van de Arbeid en het kabinet heeft op 12 september 2002 een 'kennismakingsgesprek' plaatsgevonden tussen het Bestuur van de Stichting en het in juli 2002 nieuw aangetreden kabinet-Balkenende. Het daaropvolgend overleg- en onderhandelingsproces heeft vervolgens geleid tot een tussen werkgevers en werknemers in de Stichting onderling overeengekomen "Verklaring inzake het arbeidsvoorwaardenbeleid 2003' met aanbevelingen aan CAO-partijen ten behoeve van met name het loonbeleid alsmede tot een afzonderlijke Verklaring van het kabinet. In deze Kabinetsverklaring wordt voor het jaar 2003 een aantal maatregelen aangekondigd in aanvulling op resp. in afwijking van het door het (inmiddels in oktober 2002 demissionair geworden) kabinet Balkenende-I bij zijn aantreden eerder vastgestelde Strategische akkoord. Uitvloeisel van het overleg tussen kabinet en Stichting van de Arbeid is tevens geweest het tot stand komen van een Convenant Gesubsidieerde Arbeid waarmee werd beoogd om via een tijdelijke financiële impuls de doorstroom van werknemers in gesubsidieerde banen naar reguliere arbeidsplaatsen te bevorderen. De tekst van de Verklaring van de Stichting is in beginsel vastgesteld door het Bestuur op 22 november 2002 en op 20 december formeel ondertekend door de voorzitters van de cenrale organisaties van werkgevers en werknemers. Ook het Convenant Gesubsidieerde Arbeid is op 20 december 2002 ondertekend. De kabinetsverklaring is besproken tijdens het Najaarsoverleg op 28 november 2002. Dit document bevat: de Verklaring van de Stichting van de Arbeid (alsmede een Engelse en Duitse vertaling ervan, Statement concerning employment terms policy 2003, Erkläring bezüglich der Arbeitsbedingungenpolitiek 2003); de Kabinetsverklaring, de afspraken voor verder overleg in 2003; Het Convenant Gesubsidieerde Arbeid. (B21879)

  • CPB; Borghijs, A.; Ederveen, E.; Mooij, R. de, European wage coordination : nightmare or dream to come true? : an economic analysis of wage bargaining institutions in the EU
    Den Haag : CPB, 2003.
    CPB discussion paper, nr. 017
    Onderzoek naar de gevolgen van internationale looncoördinatie. Uit het onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat het streven naar een gelijk loonniveau in heel Europa 'desastreus' kan zijn voor de werkgelegenheid. Volgens de onderzoekers zouden reële verschillen in productiviteit niet meer tot uiting kunnen komen in loonverschillen. Daardoor zou de werkloosheid in relatief minder ontwikkelde Europese landen snel oplopen. (B21437)

  • Pochet, Ph.; [et al.], Wage policy in the Eurozone
    Brussel : P.I.E. - Peter Lang, 2002.
    In het eerste deel van de publicatie staat de vraag centraal welk loonbeleid het meest geschikt is in een verenigd Europa. Het tweede deel van de publicatie beschrijft de ontwikkelingen in het loonbeleid in vijf lidstaten van de EU (Duitsland, België, Spanje, Ierland en Frankrijk). Deel I 'The interaction between monetary policy and wage policy: various scenarios' bevat de volgende bijdragen: Unions, wage bargaining and co-ordination in European labour markets - the past twenty years and the near future; wage co-ordination in Europe: roots and routes; Wage policy, bargaining institutions and monetary policy : empirical findings and policy implications for European Monetary Union; The political economy of wage-setting in the Eurozone; A new going rate?: co-ordinated wage bargaining in Europe. Deel II 'National experiences and institutions' bevat de bijdragen: International mechanisms of wage-setting in Belgium; Ireland: Recasting social partnership in a new context; Spain: collective bargaining and wage determination; Germany: problems of a competition-oriented collective bargaining policy; Evolution of collective wage bargaining in France. (B21180)

  • AIAS; Tijdens, K; UVA [et al.] , Loonwijzers 2001/2002 : werk, lonen en beroepen van mannen en vrouwen in Nederland
    Amsterdam : AIAS, 2002.
    AIAS Research Report, nr., RR02/10
    Het onderzoek geeft inzicht in het werk en loon van mannen en vrouwen in zo'n 120 beroepen. Het loonwijzer onderzoek 2001/2002 is gebaseerd op gegevens van meer dan 16000 werknemers die de enquête op de loonwijzer website invulden. De beroepsbeschrijvingen zijn opgenomen volgens een vast stramien: loopbaanperspectief, type bedrijf, opleiding, extra's, werk en thuis, man en vrouw, geboren in een ander land, leeftijd, sfeer op het werk. Het onderzoek gaat verder in op Lonen van allochtonen en autochtonen, secundaire arbeidsvoorwaarden, cao's, de combinatie arbeid en zorg, reorganisaties, waar herintredende vrouwen werken, verlofstuwmeren, telewerken, vrouwen in leidinggevende functies. Uit het onderzoek komt naar voren dat: reorganisaties voor oudere werknemers riskant zijn; veel mannen te weinig tijd hebben voor verlof; deeltijdwerk en jonge kinderen gaan samen; er is een gebrek aan naschoolse opvang; vrouwen draaien op voor de combinatie arbeid en zorg; herintreedsters hebben niet veel keus; vrouwen verdienen minder per uur dan mannen; vrouwen krijgen minder vaak toeslagen dan mannen; er typische mannenbedrijven en typische vrouwenbedrijven naast elkaar bestaan. (B20548)