Literatuurlijst Duurzame ontwikkeling
SER-publicaties - Boeken - Tijdschriftartikelen
- SER, Meer chemie tussen groen en groei : de kansen en dilemma's van een biobased economy
Den Haag : SER, 2010. 132 p.
SER Adviezen, nr. 2010/05
In dit advies gaat de SER in op mogelijkheden en knelpunten van de biobased economy. In een biobased economy dienen plantaardige en dierlijke biomassa (zoals gewassen, planten, snijafval, mest) als groene grondstoffen om non-food producten mee te maken (denk aan cosmetica, bioplastics, brandstoffen). De SER vindt dat de rijksoverheid stevig moet inzetten op een biobased economy met meer gesloten kringlopen. Dit draagt immers bij aan economische groei én aan een meer duurzame economie (gesloten kringlopen, gunstige arbeidsomstandigheden). (B29279)
- SER, Duurzame globalisering : een wereld te winnen
Den Haag : SER, 2008.
SER Advies, nr. 2008/06
Dit advies doet voorstellen voor beleid waarmee het globaliseringsproces in goede banen kan worden geleid. Deze voorstellen hebben betrekking op het versterken van de positie van Nederland in het globaliseringsproces en een meer duurzame en eerlijke globalisering. De SER wil dat de overheid krachtig bevordert dat Nederlandse ondernemers en werknemers maximaal kunnen blijven profiteren van de globalisering, in een duurzame balans tussen de belangen van bedrijven, mensen en milieu (people, planet, profit). Juist nu in Nederland nog steeds nervositeit bestaat over de uiteindelijke effecten van de globalisering, benadrukt de SER dat ook in een globaliserende wereld overheden ruime mogelijkheden hebben en houden voor eigen beleidskeuzes, zowel op nationaal als bovennationaal (Europees) niveau. Verder komt de SER met een eigen initiatief dat het internationaal maatschappelijk verantwoord ketenbeheer door Nederlandse bedrijven moet bevorderen. Het advies begint met een analyse van de twee specifieke kenmerken van de huidige globaliseringsgolf: de verbreding door de deelname van ontwikkelingslanden – met name China en India – en de verdieping door het opknippen van productieprocessen en de groei van de internationale dienstenmarkt. Op basis hiervan wordt de centrale vraag hoe te zorgen dat globalisering de welvaart in brede zin ten goede komt nader toegespitst op de volgende drie vragen: Met welke beleidsmix kan Nederland resp. de Europese Unie zich voorbereiden op de mogelijke versnelling van het internationale specialisatieproces?; Hoe duurzame globalisering te bevorderen?; Hoe te zorgen dat door verbreding en flankerend beleid meer landen en meer mensen profijt kunnen hebben van het globaliseringsproces? Ook gaat het advies in op de vraag naar de beleidsruimte om deze drie zaken aan te pakken. Daarbij komt ook de belangrijke rol van de overlegeconomie voor het aanpassingsvermogen van de Nederlandse economie aan de orde. De adviesaanvraag van staatssecretaris F. Heemskerk (EZ) dateert van 26 april 2007. In een aanvullende adviesaanvraag van 2 juli 2007 van de staatssecretaris wordt gevraagd hoe Nederlandse ondernemers, werknemers en samenleving meer voordelen zouden kunnen halen uit de globalisering. Thema's als offshoring en outsourcing maken hier onderdeel van uit. In een aanvullende adviesaanvraag van 14 september 2007 van minister J.P.H. Donner van SZW wordt gevraagd de Decent Work Agenda (DWA) van de ILO expliciet te betrekken bij de sociale dimensie in het globaliseringadvies. (B26895)
- SER, Kernenergie en een duurzame energievoorziening
Den Haag : SER, 2008. 106 p.
SER Adviezen, nr. 2008/02
In het advies pleit de raad ervoor dat het kabinet alle energieopties, dus inclusief kernenergie, op een zakelijke en gelijkwaardige manier laat onderzoeken. Dat moet gebeuren op basis van de criteria betrouwbaarheid, milieubelasting, veiligheid en betaalbaarheid. De SER vindt dat de uitkomsten van dit onderzoek een rol moeten spelen bij de evaluatie van het klimaat- en energiebeleid die het kabinet van plan is in 2010 uit te voeren met het oog op de doelstellingen voor 2020. Dit advies is een vervolg op het advies 'Naar een kansrijk en duurzaam energiebeleid' (2006/10).
In de commissie van voorbereiding waren ook Milieudefensie en de Stichting Natuur en Milieu (SNM) vertegenwoordigd.
Zie ook (B26205): ECN studie 'Fact finding kernenergie'. (B26650)
- SER, Milieu als kans
Den Haag : SER, 2005. 60 p.
SER Adviezen, nr. 2005/13
Met dit advies steunt de SER het kabinet in zijn voornemen milieuvriendelijke innovaties te bevorderen. Deze eco-efficiënte innovaties, die economische kansen bieden en tegelijkertijd milieuwinst opleveren, moeten via Europese en nationale maatregelen een krachtige impuls krijgen.(B24088)
- SER, Keurmerken en duurzame ontwikkeling
Den Haag : SER, 2004. 94 p.
SER Adviezen, nr. 2004/05
De SER-Commissie Consumenten Aangelegenheden (CCA) werkt de adviesaanvraag langs twee lijnen uit; het advies gaat in op de merites van keurmerken in het algemeen en meer in het bijzonder op de merites van duurzaamheidkeurmerken. Duurzaamheidinformatie grijpt aan op het niveau van ondernemingen en productieketens en heeft betrekking op de ecologische, sociale (arbeidsomstandigheden) en economische aspecten die met voortbrenging en gebruik van producten samengaan. De CCA constateert dat er voldoende wettelijke mogelijkheden zijn om de betrouwbaarheid en transparantie van (duurzaamheid)keurmerken te waarborgen. Het advies onderscheidt kwantitatieve verwarring (onoverzichtelijkheid door een veelheid aan keur- en beeldmerken die ongeveer hetzelfde claimen) en kwalitatieve verwarring (onduidelijkheid over de betekenis van een keurmerk of beeldmerk). Voor het tegengaan van zowel het een als het ander kan behalve van wetgeving ook gebruik worden gemaakt van al bestaande voorzieningen op vrijwillige basis in de markt. Idealiter zou er een systematische terugkoppeling uit de markt moeten zijn over de vraag in hoeverre er sprake is van kwantitatieve of kwalitatieve verwarring. Ook de consumentenorganisaties, milieuorganisaties en andere NGO’s spelen daarbij een belangrijke rol. Het advies gaat ook in op de later ontvangen gepreciseerde adviesvragen naar mogelijkheden voor één integraal duurzaamheidkeurmerk en, specifieker, naar de positie van het Nederlandse Milieukeur en het Europese Ecolabel. Eén duurzaamheidkeurmerk voor alle producten in Nederland en de EU acht de CCA alleen al praktisch niet mogelijk. Verbreding van de inhoud van duurzaamheidkeurmerken naar totaalkeurmerken in de zin dat daarin milieu-, sociale en economische aspecten worden gecombineerd is wél wenselijk als uitgangspunt. Daarbij heeft de CCA altijd een voorkeur voor één Europees systeem boven verschillende nationale systemen. In de CCA is verschil van inzicht over de potentie van keurmerken in de beïnvloeding van koopgedrag. Een deel van de CCA acht door de overheid gefinancierde milieu- of duurzaamheidkeurmerken niet meer de aangewezen weg om consumentengedrag substantieel te beïnvloeden. Een ander deel van de CCA ziet mogelijkheden – via gelaagde criteria en met marketing – om de betekenis van duurzaamheidkeurmerken voor consumenten te vergroten. (B22676)
- SER, Duurzaamheid vraagt om openheid : op weg naar een duurzame consumptie
Den Haag : SER, 2003. 90 p.
SER Adviezen, nr. 2003/02
Duurzame ontwikkeling vereist verduurzaming van de productie en van de consumptie. In het duurzaamheidbeleid in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) en in het SER-advies over het NMP4 is de rol van consumenten in processen naar duurzaamheid onderbelicht gebleven. In dit advies staan daarom de rollen van consumenten en van burgers in transities naar duurzaamheid centraal. Consumptie is echter niet los te zien van productie. Cruciaal voor de effectiviteit van duurzaamheidbeleid is dan ook dat samenhangend beleid wordt gevoerd op verschillende fronten, zowel ten aanzien van de aanbodzijde van de productieketen als de vraagzijde. Het advies bepleit de volgende actiepunten: 1. Bevorder openheid over de productieketen en het product zelf. Duurzaam gedrag van producenten garandeert op zich geen duurzaamheid; ook het gebruik en de afdanking van producten door de consument is van grote invloed op het duurzaamheideffect van de productie. Zonder informatie over producten en productieprocessen kan de consument echter niet kiezen voor meer of minder duurzame producten. Tegelijkertijd garandeert informatie geen duurzame consumptie. Consumenten zijn niet vanzelf bereid zich te verdiepen in duurzaamheidskenmerken van producten, maar zij kunnen wel door hun omgeving worden aangespoord hier op te letten. Voor meer openheid en informatie over producten en productieprocessen moet er een permanente overlegstructuur komen waarin belanghebbenden zoals ondernemers-, werknemers-, consumenten- en milieuorganisaties afspraken kunnen maken over welke informatie op welke wijze beschikbaar moet zijn. De overheid heeft de regie bij dit structurele stakeholders overleg over openheid in de markt. 2. Vergroot het duurzaamheidbesef van de burger. De burger is onderdeel van de sociale omgeving van de consument en heeft als zodanig invloed op het consumptiegedrag. Gedeelde duurzaamheidsnormen in de samenleving zijn cruciaal voor het bereiken van een duurzame consumptie. Burgers vormen het maatschappelijk draagvlak voor duurzaamheidsbeleid. Burgers moeten begrijpen dat bepaalde, soms onsympathieke, maatregelen worden genomen ten behoeve van een duurzame samenleving op lange termijn. Alleen met voldoende maatschappelijk draagvlak kan effectief duurzaamheidsbeleid worden gevoerd. Vergroting van duurzaamheidsbewustzijn is een kwestie van lange adem; in onderwijs en opvoeding zal duurzaamheid als een basiswaarde van de samenleving moeten worden gepresenteerd. Ook de vergaring en verspreiding van kennis over de effecten van onduurzaamheid en de stand van duurzaamheid is van belang. Daarnaast worden waarden en normen gevormd en uitgedragen via de media. 3. Stimuleer duurzaamheid via de sociale en fysieke omgeving van de consument. Consumentengedrag vindt plaats in een bepaalde sociale en fysieke context. Deze zijn van grote invloed op het gedrag. Confrontatie met de schadelijke effecten van gedrag kan de sociale omgeving van individuen in beweging brengen, zoals met de campagne tegen alcohol in het verkeer is gebeurd. Gezamenlijke duurzaamheidsnormen zorgen ervoor dat bepaald consumptiegedrag publiekelijk wordt goed- of afgekeurd. Dit vereist een zekere ‘openheid’ in de samenleving. De fysieke omgeving betreft zaken als bouwvoorschriften, infrastructuur en ruimtelijke ordening, die de gedragsmogelijkheden van individuen beperken of in een bepaalde richting stimuleren. (B21442)
- SER, Naar een doeltreffender, op duurzaamheid gericht EU-landbouwbeleid
Den Haag : SER, 2003. 88 p.
SER Adviezen, nr. 2003/07
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie moet beter aansluiten op nieuwe maatschappelijke wensen op het gebied van duurzaam voedsel en groen. Wat marktconform kan, moet aan de markt worden overgelaten. Maar waar marktwerking duurzaam produceren in de weg staat, moet het GLB inspringen om de Goede Landbouwpraktijk te helpen verwezenlijken. De hervormingsvoorstellen van de Europese Commissie vormen een belangrijke stap in de goede richting. De SER signaleert dat de traditionele doelstellingen van het GLB onvoldoende rekening houden met nieuwe maatschappelijke wensen op het gebied van natuur, milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn. Het traditionele instrumentarium van het GLB, vooral aan productie gekoppelde prijssteun, is ook veel te bot om de nieuwe doelstellingen op een efficiënte en effectieve manier te kunnen realiseren. In het geval van agrarisch natuur- en landschapsbeheer pleit de SER voor zoveel mogelijk marktwerking op decentraal niveau. Lokale en regionale overheden en organisaties zijn veel beter op de hoogte van de plaatselijke behoefte aan groene diensten. Zij moeten ervoor zorgen dat lokale aanbieders (waaronder boeren) voor hun inspanningen een marktconforme beloning krijgen. De rol van het GLB blijft dan beperkt tot het aanreiken van een gemeenschappelijk kader voor het belonen van groene diensten. Dit moet voorkomen dat er langs deze weg toch concurrentievervalsende subsidies worden verstrekt. Op het gebied van duurzaam geproduceerd voedsel sluit de SER zich op hoofdlijnen aan bij de Tussenbalansvoorstellen van Europees Commissaris Fischler. Fischler stelt voor om de huidige prijssteun voor landbouwproducten fors te verlagen. In ruil ontvangen landbouwers een gedeeltelijke compensatie in de vorm van een directe inkomenstoeslag. De inkomenstoeslag neemt af in de tijd (degressiviteit) en staat los van wat de boer produceert. Dit stimuleert de boer bij zijn productiebeslissing uit te gaan van de vraag van de consument. De raad heeft overigens ook kritiek op de Tussenbalansvoorstellen van Fischler. Zo doet de Eurocommissaris alsof zijn voorstellen net zo geschikt zijn voor de huidige 15 EU-lidstaten als voor de toetredende landen. De raad vindt dat hij daardoor voorbijgaat aan belangrijke verschillen in uitgangspositie tussen de oude en nieuwe lidstaten. Over de Tussenbalans heenkijkend naar de lange termijn vindt de SER het van belang om het GLB zo marktconform mogelijk in te vullen. De randvoorwaarde is wel dat de Goede Landbouwpraktijk dan ook via het marktmechanisme, door de bereidheid van afnemers om boeren voor de kwaliteit van hun goederen en diensten te betalen, kan worden verwezenlijkt. Als dat inderdaad mogelijk is, kunnen Europese landbouwers die efficiënt en duurzaam produceren goed verdienen en worden de directe inkomenstoeslagen vanuit het GLB overbodig. De SER onderkent evenwel dat het combineren van marktwerking en duurzaamheid ook op de langere termijn complicaties kan oproepen. (B21749)
- SER, Nationale strategie voor duurzame ontwikkeling : advies over de Verkenning van het Rijksoverheidsbeleid in het kader van de nationale strategie voor duurzame ontwikkeling
Den Haag : SER, 2002. 36 p.
SER Adviezen, nr. 2002/07
Het kabinet heeft de SER op 19 januari 2002 gevraagd om advies uit te brengen over de Verkenning van het Rijksoverheidsbeleid in het kader van de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (kortweg aan te duiden als 'NSDO-verkenning'). De nationale strategie wordt opgesteld met het oog op de VN Conferentie over Duurzame Ontwikkeling die in september 2002 in Johannesburg wordt gehouden. Het advies geeft allereerst, voortbouwend op de visie van de SER op duurzame ontwikkeling, een algemene beoordeling van de Rijksverkenning. Vervolgens gaat het advies in het bijzonder in op de thematiek van de twee laatste hoofdstukken van de NSDO-verkenning: de ontwikkeling van een strategie voor de lange termijn en het opstellen van een agenda met prioriteiten voor de korte termijn. Daarbij wordt ook commentaar gegeven op de selectie van indicatoren voor duurzame ontwikkeling. De SER stemt in met het streven naar duurzame ontwikkeling en hanteert daarbij in dit advies het duurzaamheidsbegrip zoals in de NSDO-verkenning omschreven. Het gaat om het evenwichtig en in samenhang beheren van financieel-economische (profit), sociaal-culturele (people) en ecologische (planet) voorraadgrootheden, niet alleen in het 'hier en nu', maar ook met het oog op 'daar' (internationaal, met bijzondere aandacht voor ontwikkelingslanden) en 'later' (voor komende generaties). Tegelijkertijd constateert de raad dat de verkenning op belangrijke onderdelen tekortschiet. De opstellers van het beleidsstuk maken geen heldere keuzen en geven te weinig richting aan een maatschappelijke discussie over lastige duurzaamheidsvraagstukken. Daardoor maakt de NSDO-verkenning een achterhaalde indruk. Om een duurzame samenleving te realiseren zijn ingrijpende transities nodig. De NSDO-verkenning zou uitdrukkelijk aandacht moeten geven aan spanningen en knelpunten die het streven naar duurzaamheid met zich mee brengt. Omdat de verkenning dit echter nalaat, worden lastige keuzen ontlopen en worden problemen afgewenteld. (B20410)
- SER, Innovatie voor duurzaam voedsel en groen : advies over de beleidsbrief 'Innovatie: sleutel tot verandering' en over het Tweede Structuurschema Groene Ruimte
Den Haag : SER, 2002. 87 p.
SER Adviezen, nr. 2002/09
Het advies is een reactie op twee adviesaanvragen: de beleidsbrief Innovatie: sleutel tot verandering (29 oktober 2001) en over het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (8 maart 2002). Allereerst schetst het advies de hoofdlijnen van de innovatiebrief en plaatst deze tegen de achtergrond van de ambities van het kabinet voor voedsel en groen. Vervolgens wordt innovatie in het bredere kader van de transitie naar een duurzaam agrocluster en groene ruimte geplaatst. Het advies bevat verder een analyse van een aantal coördinatievraagstukken in de keten van 'voedsel', zoals het waarborgen van transparantie en de spanning tussen concurrentie en innovatie. In een paragraaf over de regie van de afstemming in de keten wordt het instrumentarium besproken waarover product- en bedrijfschappen beschikken om een regie rol te vervullen. Een volgend hoofdstuk gaat in op de landbouw als beheerder van de kwaliteiten van het landelijk gebied – en bespreekt daarmee de behoefte aan (systeem)innovatie op het vlak van ‘groen’. Dit hoofdstuk bevat ook de reactie van de SER op (deze derde vraag in de adviesaanvraag over) SGR2. De raad is een groot voorstander van multifunctionaliteit van de landbouw. Daardoor kan tegemoet worden gekomen aan de maatschappelijke vraag naar onder meer 'groen' (natuur en landschap). Vervolgens formuleert de SER zijn aanbevelingen voor het innovatiebeleid voor 'voedsel' en 'groen'. Daarbij staan de knelpunten in het tot stand brengen van systeeminnovaties voor voedsel (effectieve, op kwaliteitsverbetering en transparantie gerichte samenwerking in ketens) en groen (het ontbreken van heldere, vertrouwenwekkende perspectieven voor expliciete waardering van ‘groene diensten’) centraal. Tot slot worden de concrete voorstellen uit de innovatiebeleidsbrief van commentaar voorzien. De Raad vindt dat er meer samenwerking moet komen in voedselketens (van boer tot consument). Zo kan voorkomen worden dat initiatieven van innovatieve boeren ter verbetering van de voedselkwaliteit, voedselveiligheid en dierenwelzijn in tussenliggende schakels van de voedselketen worden afgeremd. Van belang is ook dat de wensen van de consumenten via de keten bij de boer terechtkomen. Daarnaast moet de landbouw worden gestimuleerd verder te verbreden naar bijvoorbeeld natuur- en landschapsbeheer. De waardering daarvoor moet dan wel worden omgezet in een beloning. (B20511)
- SER, Nationaal Milieubeleidsplan 4
Den Haag : SER, 2001. 58 p.
SER adviezen, nr. 2001/08
Dit advies is een reactie op de hoofdlijnen van het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) van het kabinet. Het NMP4 formuleert een antwoord op zeven hardnekkige milieuproblemen. De problemen betreffen de thema’s biodiversiteit, klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, gezondheid, externe veiligheid, leefomgeving en mogelijk onbeheersbare risico’s. Voor de thema’s biodiversiteit, klimaatverandering en natuurlijke hulpbronnen biedt het NMP4 een belangrijke strategische vernieuwing in de vorm van transitiebeleid voor de lange termijn (tot 2030). Voor de thema’s gezondheid, externe veiligheid en leefomgeving bevat het NMP4 zogeheten beleidsvernieuwingen. In het advies over NMP4 bepleit de raad een plan van aanpak voor de overgang naar een duurzame energiehuishouding. Het advies beschouwt de NMP4-plannen daartoe als een antwoord op het eerdere SER-advies om een 'deltaplan voor een meer duurzame energievoorziening’ op te zetten. Volgens het NMP4 zal de transitie plaatsvinden langs drie sporen, te weten het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, verbetering van de energie-efficiëntie en geavanceerde energietechnologie. Een concreet plan van aanpak is nu nodig om de transitie van de grond te krijgen. De raad steunt de kerngedachte uit het NMP4 dat op een aantal terreinen ingrijpende transities nodig zijn om tot een duurzame samenleving te komen. Transities zijn veranderingsprocessen op de lange termijn. Het denken in transities is vernieuwend en ambitieus en stelt hoge eisen aan het overheidsbeleid. Zo heeft transitiebeleid een tijdhorizon van vele decennia, die vereist dat huidige en toekomstige politici bereid zijn om werkelijk langetermijnbeleid te voeren en de druk van kortetermijnbelangen te weerstaan. Ook is de inzet van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties nodig om een transitie te realiseren. (B20003)
- SER, Nederland 2030 : advies inzake het ruimtegebruik in Nederland op langere termijn
Den Haag : SER, 1998. 65 p.
SER adviezen, nr. 1998/06
Advies over de nota 'Nederland 2030'. Deze nota bevat bouwstenen voor nieuw beleid voor de leefomgeving na 2010 in de vorm van vier ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven: Stedenland, Stromenland, Parklandschap en Palet. De raad geeft zijn visie op de zes ruimtelijke opgaven die in de discussie-nota worden onderscheiden: duurzame economische ontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur, ruimteclaims voor wonen, werken en recreatie, sociale diversiteit, ruimteclaims voor natuur en landschap en sturing en strategie. Op basis van deze visies wordt vervolgens een eigen ruimtelijk perspectief ontwikkeld. (B16236)