Literatuurlijst Deeltijdarbeid
Boeken
- Tijdschriftartikelen en brochures
- Taskforce DeeltijdPlus; Dijkstra, P.; Plantenga, J.; Remery, C.; [et al.], 24orMore : international conference on increasing female labour participation : conference proceedings
Den Haag : Min SZW, 2009.
Overzicht van conferentie-bijdragen. Het geeft inzicht in de specifieke en mogelijk unieke Nederlandse wereld van vrouwelijke arbeidsparticipatie. Maar er is ook geluisterd naar bijdragen uit andere landen. Er werd een spiegel opgehouden voor alle deelnemers. Doel was een culturele verandering aan te brengen en het aantal uren te verhogen van vrouwen die aan het arbeidsproces deelnemen. (B28650)
- Taskforce DeeltijdPlus, De discussie voorbij : eindrapport Taskforce DeeltijdPlus
Den Haag : Taskforce DeeltijdPlus, 2010.
Eindrapport met aanbevelingen van de Taskforce DeeltijdPlus. De taskforce concludeert dat om het aantal gewerkte uren per week van vrouwen te verhogen, alle beslissingen van overheid, sociale partners, bedrijven en gezinnen daarop gericht moeten zijn. Alles wat vrouwen daarin belemmert, moet tot het verleden gaan behoren. De taskforce ziet een grote noodzaak tot flexibilisering van het werk. Flexibele arbeidstijden en mogelijkheden van thuis werken maken de combinatie van arbeid en zorg haalbaar. Flexibilisering moet de norm voor toekomstig personeelsbeleid zijn. De taskforce beveelt dan ook aan om een wettelijk recht op flexibele werktijden te maken. Daarnaast moeten scholen en kinderopvang samengevoegd worden op één locatie en moeten ouders flexibel gebruik kunnen maken van deze geïntegreerde dagopvang. Ook is het essentieel dat fiscale en andere maatregelen voldoen aan de norm 'werken loont'. De zogeheten 'aanrechtsubsidie' past daar niet in. Verder dienen winkeltijden, openingstijden van overheidsloketten en medische voorzieningen verruimd te worden. (B28614)
- Taskforce DeeltijdPlus, Ruim baan voor DeeltijdPlus : handboek grotere deeltijdbanen
Den Haag : Taskforce DeeltijdPlus, 2010.
De Taskforce DeeltijdPlus heeft aan de hand van 28 pilotprojecten een Handboek Grotere Deeltijdbanen samengesteld voor HR-adviseurs en werkgevers die werk willen maken van het uitbreiden van kleine deeltijdbanen. Wie aan de slag wil met DeeltijdPlus, ziet zich geplaatst voor drie missies: de urgentie laten zien, in gesprek gaan en het werk anders organiseren. Het boek bevat achtergronden, ervaringen en praktische instrumenten en is te gebruiken als naslagwerk en werkboek. (B28615)
- SCP; Keuzenkamp, S.; Hillebrink, C.; Portegijs, W.; Pouwels, B., Deeltijd (g)een probleem : mogelijkheden om de arbeidsduur van vrouwen met een kleine deeltijdbaan te vergroten
Den Haag : SCP, 2009.
SCP-publicatie, nr. 2009/15
Driekwart van de werkende vrouwen in Nederland werkt in deeltijd. Bij ruim de helft gaat het om een kleine deeltijdbaan (minder dan 25 uur per week). Het kabinet wil de gemiddelde arbeidsduur van vrouwen vergroten. Een belangrijke vraag is dan hoe groot de ruimte voor uitbreiding van de arbeidsduur is en wat de mogelijkheden zijn om te bevorderen dat die ruimte zoveel mogelijk wordt benut. In dit rapport wordt vanuit drie invalshoeken op die kwestie ingegaan. In hoeverre en op welke manier spelen werkgevers een rol bij het vergroten van de arbeidsduur van vrouwen en welke mogelijkheden en belemmeringen zijn er op dit vlak. Bij vrouwen in kleine deeltijdbanen is nagegaan in hoeverre zij meer willen werken en proberen dat te realiseren en hoe zij daartoe gestimuleerd zouden kunnen worden. Omdat de ruimte voor vrouwen om meer te kunnen werken mede wordt bepaald door de taakverdeling met hun partner - als ze die hebben - keken we ook op welke manier mannen met voltijdbanen hun arbeidspatroon (willen) veranderen. Dat kan zijn door minder te werken, maar ook door hun werktijden te veranderen en door meer thuis te werken. De bevindingen wijzen uit dat er wel mogelijkheden zijn om de arbeidsduur van vrouwen te vergroten, maar ook dat het niet waarschijnlijk is dat vanzelf zal gaan. (B28231)
- Taskforce DeeltijdPlus; Visser, S.; [et al.], Ambitie kent geen tijd : onderzoek naar de relaties tussen ambities, deeltijdwerk en gender
Den Haag : Taskforce DeeltijdPlus, 2009.
De Taskforce DeeltijdPlus heeft het initiatief genomen de ambities van vrouwen en mannen te onderzoeken in relatie tot het aantal uren dat gewerkt wordt en in relatie tot de beeldvorming en opvattingen over gender in organisaties. Uit het onderzoek blijkt dat vrouwen niet onder doen voor mannen in hun ambitie op het werk. Ze vinden het net zo belangrijk om zich persoonlijk en professioneel te ontwikkelen. Mannen laten in vergelijking met vrouwen wel meer ambitie zien als het gaat om verticale groei en externe profilering. Maar als het gaat om inhoudelijke verdieping en verbetering is er geen verschil tussen mannen en vrouwen. Ambitie is geen voorspeller van het aantal werkuren, zo blijkt uit het onderzoek. Vrouwelijke deeltijders beschouwen zichzelf als ambitieus en zien geen relatie tussen het aantal uren dat ze werken en hun ambities in het werk. De populariteit van deeltijdwerk onder vrouwen kan dan ook niet gelijk worden gesteld aan een gebrek aan ambitie. Het ambitieonderzoek toont verder aan dat zowel vrouwen als mannen hun werkambities bijstellen als de privé-situatie in het gedrang dreigt te komen. Vrouwen stellen hun werkambities dan wel sterker bij dan mannen. Verschillen in ambitie zijn vooral verschillen tussen leeftijdscategorieën: jongeren hebben de sterkste mate van ambitie. De groep 56- tot 65-jarigen, hebben meer ambitie dan de groep 36- tot 45-jarigen. Dat werkambities na het 'spitsuur van het leven' weer toenemen, wordt door werkgevers echter niet goed opgepikt. (B28234)
- EIM; Bruins, A., Parttime van start
Zoetermeer : EIM, 2009.
In het rapport wordt de aandacht gericht op de parttime ondernemers onder de starters. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ondernemers die bewust kiezen voor parttime ondernemerschap en parttime ondernemers die er naar streven fulltime ondernemer te worden. Informatie over fulltime ondernemers completeert het beeld. Een op de vier ondernemers kiest bewust voor parttime ondernemerschap. Een op de vijf ondernemers is weliswaar parttime ondernemer, maar wil fulltime ondernemer worden. De meerderheid van de parttime ondernemers is een vrouw. De bewust parttime ondernemers zijn veel vaker ouderen en mensen met een hogere opleiding. De beoogd fulltime ondernemers onderscheiden zich van de bewust parttime ondernemers doordat zij voor de start een baan in loondienst hadden. Ontevredenheid over die baan was voor veel van deze ondernemers, net als voor veel fulltime ondernemers, een belangrijk motief om voor zichzelf te beginnen. Maar bij de beoogd fulltime ondernemers springt ook het niet hebben van een baan (werkloosheid, geen baan kunnen vinden en dreigende werkloosheid) als startmotief er uit. (B28185)
- SCP [et al.], Verdeelde tijd : waarom vrouwen in deeltijd werken
Den Haag : SCP, 2008. 157 p.
SCP-publicatie, nr. 2008/24
In het rapport geven de onderzoekers een beeld van de beweegredenen van vrouwen om in deeltijd te werken. Aandacht wordt onder meer besteed aan de levensfase waarin men verkeert, de zorg voor de kinderen, de rol van de partner, het beleid van de overheid en de houding van de werkgevers. Het rapport is gebaseerd op zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek. De meeste in deeltijd werkende vrouwen, zo blijkt uit dit rapport, kiezen ervoor. Het biedt hun de ruimte om én te kunnen werken, én tijd over te houden voor andere zaken die zij ook belangrijk vinden. Ook partners en werkgevers lijken het vanzelfsprekend te vinden dat vrouwen in deeltijd werken. Toch wordt de bescheiden arbeidsduur van vrouwen de laatste tijd vooral door de overheid steeds meer geproblematiseerd. Het heeft namelijk ook nadelen, niet alleen voor de loopbanen en economische zelfstandigheid van de vrouwen zelf, maar ook voor de Nederlandse economie en de houdbaarheid van de verzorgingstaat. Daarom zou de overheid graag zien dat met name vrouwen in kleine deeltijdbanen meer uren zouden gaan werken. In dit rapport wordt duidelijk waarom vrouwen zo vaak in deeltijd werken, en wat hen zou kunnen bewegen meer uren te gaan werken. (B27304)
- Nelen, A.; Grip, A. de; ROA, Why do part-time workers invest less in human capital than full-timers?
Maastricht : ROA, 2008.
ROA-RM-2008/4
Analyse van de vraag of lagere investeringen in menselijk kapitaal te maken hebben met de karakteristieken van werknemers of met personeelsbeleid van de onderneming. Het blijkt dat deeltijders minder voor opleiding kiezen dan voltijders. Er wordt ook minder in deeltijders geïnvesteerd omdat dat minder oplevert volgens een personeelsbeleidtheorie. (B27152)
- Taskforce DeeltijdPlus, Een plus een is drie : werkplan Taskforce Deeltijdplus
[Den Haag] : Taskforce DeeltijdPlus, 2008. 33 p.
Tijdens de Participatietop van 27 juni 2007 hebben het kabinet, werkgevers- en werknemers organisaties het initiatief genomen om een Taskforce DeeltijdPlus op te richten. Doel van deze Taskforce is het vergroten van de arbeidsdeelname in uren van vrouwen. De Taskforce DeeltijdPlus is ingesteld voor een periode van twee jaar en gestart op 1 april 2008. Het werkplan bevat onder meer informatie over de visie en doelstelling van de Taskforce DeeltijdPlus, een analyse van de doelgroepen, een overzicht van de activiteiten van de Taskforce DeeltijdPlus, een beschrijving van de communicatiedoelstellingen, -strategie en middelen alsmede een toelichting over de positionering van de Taskforce. Voorts wordt aangegeven op welke wijze de Taskforce DeeltijdPlus zijn doelstelling en activiteiten zal evalueren en hoe de bereikte resultaten te borgen. (B26960)
- ESVLA; [et al.], Flexicurity and security over the life course
Luxemburg : EG, 2008.
In de afgelopen jaren is 'flexicurity' - het handhaven van een evenwicht tussen de behoeften van bedrijven aan meer flexibiliteit in de arbeidscontracten en de behoeften van de werknemers voor flexibele werktijden en continuïteit van de werkgelegenheid - verschoven naar de centrumfase in de politieke arena. In dit rapport wordt gekeken naar de gevolgen van de aanhoudende trend naar meer flexibiliteit op de Europese arbeidsmarkt. Onderzocht wordt of deze trend heeft bijgedragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven van werknemers en toont de lange-termijn effecten van het werken in niet-gestandaardiseerde contracten en van het parttime werken op iemands carrière, inkomen en werkzekerheid. (B26807)
- CPB; Bosch, N.; Deelen, A.; Euwals, R., Is part-time employment here to stay? : evidence from the Dutch labour force survey 1992-2005
Den Haag : CPB, 2008.
CPB discussion paper, nr. 100
Onderzoek naar de ontwikkeling van de gewerkte uren voor opeenvolgende generaties van vrouwen op basis van de Enquête Beroepsbevolking 1992-2005. De kans op deeltijd voor opeenvolgende generaties is gestegen, terwijl de kans op voltijd is gedaald. Het is waarschijnlijk dat zonder een verandering in de (maatschappelijke) preferenties het deeltijdmodel voorlopig nog zal blijven bestaan. (B26733)
- FNV, Klankbordgroep Deeltijdplus, Maatschappelijk akkoord deeltijdplus 2 x 4
Amsterdam : FNV, 2008.
In dit Akkoord staan aanbevelingen op welke wijze de arbeidsparticipatie van vrouwen het best te verhogen is. Een van die aanbevelingen is om de 2 x 4 constructie – man en vrouw werken beiden 4 dagen in de week – te versterken. het rapport werd aangeboden tijdens de installatie van de Taskforce Deeltijdplus, 8 april 2008. (B26758)
- SCP; Portegijs, W.; Keuzenkamp, S., Nederland deeltijdland : vrouwen en deeltijdwerk
Den Haag : SCP, 2008.
SCP-publicatie, nr. 2008/4
In het rapport wordt een beeld gegeven van de arbeidsduur van vrouwen in Nederland. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met mannen in Nederland, alsook met vrouwen in de ons omringende landen. Nederland is kampioen deeltijd. Met name vrouwen werken zeer vaak in deeltijd. Dit wordt geweten aan de moeizame combinatie van werk en zorgtaken, waardoor de ruimte voor arbeidsparticipatie beperkt is. Klopt dit? In dit rapport worden de belangrijkste feiten over de arbeidsparticipatie en arbeidsduur van vrouwen op een rij gezet en wordt nagegaan in hoeverre het werken in deeltijd samenhangt met (opvattingen over) de rol van de vrouw in het gezin. Dan blijkt dat dit maar deels het geval is. Ook veel vrouwen die geen kleine kinderen hebben, werken bij voorkeur in deeltijd. (B26574)
- ESVLA; Anxo, D.; Fagan, C.; Smith, M.; Letablier, M. T.; Perraudin, C., Part-time work in European companies
Dublin : ESVLA, 2007.
Deeltijdarbeid is gemeengoed geworden in veel delen van Europa. Dit rapport bekijkt de invloed van het nationale beleid op deeltijdarbeid en het mogelijke effect van deeltijdarbeid op arbeidsmarktflexibiliteit. Het rapport onderzoekt verder een aantal aspecten van deeltijdarbeid, zoals: verschillen tussen mannen en vrouwen, beloning, carrièrremogelijkheden, en motivatie. Tot slot wordt ingegaan op de organisatie van deeltijdarbeid. (B25744)
- Román, A. A., Deviating from the standard : effects on labor continuity and career patterns : proefschrift Universiteit van Utrecht
Amsterdam : Dutch University Press, 2006.
Uit het promotieonderzoek van sociologe Amelia Roman blijkt dat het afwijken van een standaard voltijdse loopbaan, ook al betreft het een tijdelijk uitstapje, verstrekkende gevolgen heeft voor individuele carrières. Zowel deeltijdarbeid, periodes van non-participatie en werkloosheid hebben negatieve gevolgen voor loopbaancontinuïteit, de hoogte van het loon, de socio-economische status en het functieniveau. Deze negatieve effecten zijn blijvend en achtervolgen werknemers in hun verdere carrièreopbouw. De Nederlandse overheid draagt een levenslooparrangement voor die juist dit soort loopbaandeviaties aanmoedigt als bevorderlijk voor het combineren van arbeid met andere belangrijke levensdomeinen zoals zorg, training en vrije tijd. Maar de kosten en de consequenties van dit soort afwijkende loopbaan zijn voor de werknemer en die is meestal vrouw. In België echter bestaat ruim 20 jaar het recht op de loopbaanonderbreking en daar worden juist positieve gevolgen voor werknemers gesignaleerd. Het recht geldt ook voor terugkeer naar hun werkgever. Belgische vrouwen gebruiken de regeling voornamelijk om arbeid en zorg te combineren waarbij ze tijdelijk in deeltijd gaan werken. (B25256)
- Rijswijk, K. van, It's about time. Part-time, flextime, and a healthy work-home balance : proefschrift Universiteit van Tilburg
Maastricht : Datawyse, 2005. 185 p.
Onderzocht wordt of parttime werk en flexibele werktijden bijdragen aan een gezonde werk-thuisbalans Uit het onderzoek blijkt dat parttime werkende vrouwen hun werk minder 'mee naar huis nemen' dan fulltime werkende vrouwen. Echter, deze parttimers zijn op hun werk weer meer bezig met thuis wat tot spanningen leidt. Ook flexibele arbeidstijden dragen bij aan een juiste balans maar houden tegelijkertijd het gevaar in dat de grens tussen privé en werk vervaagt. Van Rijswijk stelt dat parttime werk en flexibele werktijden waarschijnlijk alleen effectief zijn als de werktijden aansluiten bij de wensen en behoeften van de betreffende werknemers. (B24603)
- OSA; RU Utrecht; Utrecht School of Economics, Arbeidsmarktconsequenties van kinderen krijgen : een verkenning van de langetermijngevolgen
Tilburg : OSA, 2005.
OSA-publicaties, nr. A216
Het rapport relateert de huidige arbeidsmarktparticipatie van vrouwen aan de arbeidsmarkttransities rond de geboorte van het eerste kind. De combinatie van informatie over opeenvolgende jaargangen (cohorten) van de vrouwelijk bevolking geeft enerzijds een beeld van de gedragsveranderingen van vrouwen rond de geboorte van kinderen en biedt anderzijds inzicht in de vraag of de langetermijnconsequenties voor de arbeidsmarkt van het krijgen van kinderen in de loop der jaren zijn veranderd. Uit het rapport blijkt dat de gevolgen van de arbeidsmarktkeuzes die vrouwen maken rond de geboorte van kinderen vaak lang doorwerken. Wie stopt met werken, keert niet zonder slag of stoot terug op de arbeidsmarkt. Hetzelfde geldt voor deeltijdwerk. De schade aan de carrière die deeltijdwerk nog altijd met zich meebrengt, is niet zomaar gerepareerd. Toch zijn de consequenties van loopbaanonderbrekingen en deeltijdwerk niet onherroepelijk. Met het verstrijken der jaren vlakken de verschillen in arbeidsdeelname en beloning af tussen vrouwen die rond de geboorte van hun eerste kind verschillende keuzes hebben gemaakt. (B24327)
- MKB-Nederland, Scholieren- en studentenbanen en administratieve lasten
Delft : MKB-Nederland, 2005.
Onderzoek van MKB Nederland naar de bijbanen van scholieren en studenten en de bijhorende administratieve lasten die deze banen met zich meebrengen. In de nota wordt allereerst gekeken naar de aantallen scholieren en studenten die een kleine deeltijdbaan hebben. Vervolgens wordt gekeken naar de rechtenopbouw met betrekking tot de verschillende toepasselijke regelingen van de scholier en de student als werknemer en wordt de hoogte van de administratieve lasten van de werkgever geanalyseerd. Tot slot wordt bekeken hoe hoog de kosten van de uitvoeringsinstanties zijn. (B23471)
- OSA; Román, A.; Fouarge, D.; Luijkx, R., Career consequenses of part-time work : results from Dutch panel data 1990-2001
Tilburg : OSA, 2004.
OSA-publicatie, nr. A206
Onderzoek naar de effecten van deeltijd op hun loopbaan. Aan de orde komen de volgende vragen: In hoeverre heeft deeltijdervaring negatieve effecten op de loopbaan van individuen?; Zijn de eventuele negatieve effecten blijvend of slechts tijdelijk van aard?; Kunnen werknemers de eventuele initiële schade van deeltijdarbeid op hun carrière goedmaken wanneer zij weer voltijd gaan werken? De effecten zijn gemeten met behulp van drie kernindicatoren voor sociale gelaagdheid, namelijk functieniveau, sociaal-economische status en loon. Uit het onderzoek komt het volgende naar voren. Mannen en vrouwen die eerder in hun loopbaan in deeltijd hebben gewerkt ontvangen een lager uurloon. Zelfs na een succesvolle herintrede in voltijdwerk, zijn de negatieve effecten op het uurloon nog merkbaar. Hoewel het negatief effect van deeltijdervaring sterker is voor mannen, laten zij een positieve loongroei zien. Dit betekent dat mannen in staat zijn om na verloop van tijd hun inkomenspositie te herstellen. Personen met deeltijdervaring hebben een grotere kans om te werken in banen met lage functieniveaus en deze kans is groter voor vrouwen dan voor mannen. Dit wijst op een structurele ongelijkheid tussen in deeltijd werkende mannen en vrouwen. (B22790)
- CPB; Euwals, R.; Hogerbrugge, M., Explaining the growth of part-time employment : factors of supply and demand
Den Haag : CPB, 2004.
CPB discussion paper, nr. 31
Het aantal personen dat in deeltijd werkt is toegenomen van 24% van de werkenden in 1991 tot 33% in 2001. Het gaat om personen die 34 uur of minder per week werken, terwijl de werkgelegenheid personen bevat die 12 uur of meer werken. In de studie is onderzocht in hoeverre vraag en aanbod de groei van deeltijdwerk kunnen verklaren. Nederland heeft het hoogste aandeel deeltijdwerk van de OESO-landen en de groei blijft zich sterk doorzetten. De toename van het arbeidsaanbod van vooral vrouwen speelt hierbij een belangrijke rol. Vraagfactoren zoals de verschuiving van de werkgelegenheid tussen bedrijfstakken hebben bijgedragen aan de groei van deeltijdarbeid. Vraagfactoren alleen kunnen echter het grote verschil in de groei van deeltijdwerk met andere landen niet verklaren. De conclusie is dat gedurende de sterke economische groei van de jaren negentig de Nederlandse bedrijven hebben moeten inspelen op de wensen van het groeiende arbeidsaanbod om voldoende nieuwe werknemers te kunnen aantrekken. (B22699)
- ESVLA, Part-time work in Europe
Dublin : ESVLA, 2004.
Deeltijdarbeid wordt steeds meer gemeengoed binnen de Europese Unie. In 2002 werkte 18% van de beroepsbevolking van de EU in deeltijd. Deeltijdarbeid is niet evenredig verdeeld tussen mannen en vrouwen en binnen leeftijdsgroepen, en eveneens niet tussen landen, sectoren of beroepen. Vanuit de arbeidsvoorwaarden bezien, blijkt uit de praktijk dat deeltijdarbeid wordt geassocieerd met mindere arbeidsvoorwaarden, zoals minder kansen voor scholing en het maken van carrière, slechter arbeidscontract, lager salarisniveau en minder toegang tot aanvullende betalingen en sociale voorzieningen. Omgekeerd hebben deeltijdarbeiders minder last van arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en zijn ze meer in staat een goede balans te vinden tussen werk en privé. (B22690)
- Arbeidsinspectie; [et al.], Wet aanpassing arbeidsduur : een onderzoek naar in CAO’s vastgelegde afspraken om de arbeidsduur te verminderen of te vermeerderen
Den Haag : Arbeidsinspectie, 2003.
Op 1 juli 2000 is de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa) in werking getreden. In de Waa is vastgelegd dat werknemers, onder bepaalde voorwaarden, het recht hebben om de arbeidsduur te verminderen of te vermeerderen. De werknemer dient hiervoor een verzoek in bij de werkgever. De werkgever kan slechts onder verwijzing naar zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van het verzoek afwijken. Ten aanzien van vermeerdering van de arbeidsduur biedt de wet de mogelijkheid om afwijkende bepalingen in de CAO op te nemen. Dit onderzoek gaat na of en hoe CAO-partijen gebruik maken van deze mogelijkheid om in CAO’s zelf een nadere invulling aan deze wet te geven. (B22610)
- MuConsult, Onderzoek ten behoeve van evaluatie Waa en Woa : eindrapport
Amersfoort : MuConsult, 2003.
De Woa die op 1 november 1996 in werking is getreden verbiedt het maken van onderscheid tussen werknemers op grond van arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel beëindigd. De Waa die op 1 juli 2000 in werking trad, geeft iedere werknemer het (geclausuleerd) recht op aanpassing (vermeerdering of vermindering) van de arbeidsduur. Dit onderdeel van de evaluatie beschrijft de werking van de Waa en de Woa in de praktijk. Voor de Waa geeft het onderzoek inzicht in: Bekendheid met de wet; Mate van gebruik; Ervaringen van werkgevers en werknemers met ingediende verzoeken; Regelingen op bedrijfs- of CAO-niveau; Effecten in de praktijk voor werknemers en (kleine) werkgevers. Voor de Woa geeft het onderzoek inzicht in: Bekendheid met de wet; Bekendheid met de Commissie gelijke behandeling (Cgb) als klachtencommissie en als adviesinstantie; Vermeend voorkomen van ongelijke behandeling Gebruik van de wet in de praktijk; Uitwerking op de arbeidsvoorwaarden. Zie ook bijbehorend tabellenboek B22612 (B22611)
- Min. SZW, Wet aanpassing arbeidsduur : jurisprudentieonderzoek 3e meting
Den Haag : Min. SZW, 2003.
In dit rapport wordt de rechtspraak vanaf 1 januari 2002 over de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa) besproken. Het onderzoek is een vervolg op de in de Voortgangsrapportage Wet aanpassing arbeidsduur (Van Beek, e.a., 2002) beschreven eerste (de nulmeting) en tweede meting. Doel van deze derde meting van de Waa is te bezien hoe de jurisprudentie zich ontwikkelt over de periode van 1 januari 2002 tot 1 mei 2003. Het is van belang te onderzoeken welke betekenis deze rechtspraak heeft voor de mogelijkheden tot aanpassing van de arbeidsduur en welke veranderingen en constanten te signaleren zijn ten opzichte van de situatie vlak na de inwerkingtreding van de Waa (tweede meting). Er wordt een zo volledig mogelijk overzicht gegeven van alle rechtspraak over de Waa die is verschenen na 1 januari 2002. Na het overzicht van de rechtspraak volgt een bespreking hiervan. (B22613)
- OSA; Fouarge, D.; Baaijens, C., Veranderende arbeidstijden : slagen werknemers er in hun voorkeuren te realiseren?
Tilburg : OSA, 2003.
OSA-publicatie, nr. A199
In dit rapport staan de transities op de arbeidsmarkt centraal. Er wordt ten eerste ingegaan op de discrepantie tussen gewenst en gewerkt aantal uren op individueel niveau. Voorts zijn de veranderingen in de arbeidsduur in de loop van de jaren bestudeerd. Met name de invloed van interne en externe mobiliteit op aanpassingen in de arbeidsduur krijgt hier de aandacht. Uit de analyses blijkt dat zelfs in deeltijdwerkend Nederland grote behoefte bestaat aan vermindering van de arbeidsduur. Van alle Nederlandse werknemers in loondienst wil 23 procent hun arbeidsduur aanpassen. Driekwart daarvan zou graag minder uren willen werken, de rest juist meer. Per saldo zou het inwilligen van deze arbeidsduur voorkeuren resulteren in een afname van het arbeidsaanbod, met name onder mannelijke werknemers. (B21829)
- Min. SZW; [et al.], Wet aanpassing arbeidsduur voortgangsrapportage
Den Haag : Min. SZW, 2002. 214 p.
Op 1 juli 2000 is de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa) in werking getreden. De Waa beoogt de mogelijkheden te verbeteren om betaald werk met andere verantwoordelijkheden te combineren. De wet geeft hiertoe de werknemer onder bepaalde voorwaarden het recht om een eenmaal gemaakte afspraak over de arbeidsduur te wijzigen. Deze voortgangsrapportage brengt in beeld hoe de stand van zaken is in Nederland als het om deeltijdwerken gaat en welke bijdrage de Waa hieraan levert. Omdat de wet van recente datum is, gaat het vooral om de eerste indrukken en ervaringen uit de praktijk. Aan de orde komt welke wensen er leven onder werknemers over korter of langer werken en hoe men deze wensen doorgaans tracht te realiseren. Ook de ervaringen van werkgevers zijn uiteraard van belang. Hoe beziet men de ontwikkelingen tot aanpassing van de arbeidsduur, welke rol dicht men de Waa in dit geheel toe, ervaart of verwacht men knelpunten in de organisatie of ziet men ook voordelen van de mogelijkheid tot aanpassing van de arbeidsduur? Tenslotte wordt ook aandacht besteed aan de ontwikkeling van de rechtspraak van de Waa. Welke rechtszaken zijn er tot nu toe op grond van de Waa gevoerd, wat zijn de uitkomsten daarvan en maakt het verschil dat een recht op aanpassing van de arbeidsduur inmiddels wettelijk is vastgelegd? (B20970)
- Min. SZW, Wet aanpassing arbeidsduur : tekst, toelichting, rechtspraak
Den Haag : Min. SZW, 2002.
Werkdocumenten, nr. 236
De Wet aanpassing arbeidsduur is op 1 juli 2000 in werking getreden. De kern van de wet is een (geclausuleerd) recht op zowel vermindering (deeltijd) als vermeerdering van de arbeidsduur voor zowel werknemers als ambtenaren. het eerste deel van dit werkdocument bevat een weergave van de tekst van de wet en een artikelsgewijze toelichting die is ontleend aan de wetsgeschiedenis en aan de Notitie (zelf)regulering: relatie werkgever, sociale partners / medezeggenschapsorgaan in de arbeidsverhoudingen. het tweede deel heeft betrekking op de rechtspraak in het kader van de Wet aanpassing arbeidsduur. 2e herz. uitg. (B20582)
- CNV; Vinkers, J., Hoe zorgvriendelijk is uw organisatie? : een onderzoek onder mannelijke en vrouwelijke fulltimers en deeltijders, naar de mate van zorgvriendelijkheid van organisaties en de mogelijkheden voor deeltijdwerk
Utrecht : CNV, 2002.
Zorg & Arbeid
Onderzoek waarin wordt nagegaan hoe het in het algemeen is gesteld met de mate van zorgvriendelijkheid in organisaties en meer specifiek op de mogelijkheden die er zijn voor deeltijdwerk. Daarnaast is gekeken hoeveel belang werknemers hechten aan een zorgvriendelijk klimaat en of zij tevreden zijn met de bedrijfscultuur in hun organisatie. Omslagtitel: Hoe is het bij u geregeld? : mogelijkheden voor deeltijdwerk (B20438)