Literatuurlijst Arbeidsparticipatie
SER-publicaties
- Boeken
- Tijdschriftartikelen en brochures - Standaardwerken
- UWV; Arts, D.; Deursen, C. van, Monitor arbeidsbeperkten en werk 2007-2010
[Amsterdam] : UWV, 2011. 21 p.
De monitor 'Arbeidsbeperkten en werk' volgt de volumeontwikkelingen van mensen met een arbeidsbeperking die betaald werk verrichtten in de periode 2007-2010. Na een stijging in hun arbeidsparticipatie tussen 2007-2008 zien we in 2009, waarschijnlijk als gevolg van de economische crisis, weer een afname. Deze afname zet door in 2010. Van de gedeeltelijke WGA'ers, de herbeoordeelde WAO'ers en de mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt zijn bevonden (de zogeheten 35-minners) - groepen die tot (meer) werk in staat worden geacht - heeft eind 2010 bijna de helft een dienstverband. (B30822)
- Universiteit Utrecht; Movisie; Bouwman-Van 't Veer, M.; Knijn, T.; Berkel, R. van, Activeren door participeren : de meerwaarde van de wet maatschappelijke ondersteuning voor reintegratie van mensen in de bijstand
Utrecht : Universiteit Utrecht, 2011. 132 p.
De onderzoeksgroep Sociaal Beleid en interventies (SOPINS, voorheen ASW) van de Universiteit Utecht is door MOVISIE gevraagd om een verkennende studie te doen naar mogelijk werkzame bestanddelen van de integratie van de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In dit rapport worden de resultaten van dat onderzoek gepresenteerd. Activeren door participeren’ evalueert drie succesvolle activeringsprojecten waarin gebruik gemaakt wordt van de Wmo en de WWB. Aan de hand van interviews met cliënten en professionals zijn de werkzame bestanddelen geïnventariseerd van de integratie van beide wetten. (B30761)
- Veldkamp; Berg, J. ter; Schothorst, Y., De weg naar werk is een hobbelig pad : een onderzoek naar motieven en drijfveren van laagopgeleide vrouwen
Amsterdam : Veldkamp, 2011. 87 p.
De arbeidsparticipatie van laagopgeleide vrouwen in Nederland blijft ver achter bij die van hoogopgeleide vrouwen. Er zijn ruim 1 miljoen laagopgeleide vrouwen tussen de 15 en 65 jaar die nu geen betaald werk verrichten en geen eigen inkomen hebben. De Directie Emancipatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wil deze laagopgeleide vrouwen zonder werk motiveren stappen te zetten op weg naar betaald werk en/of een opleiding. Door middel van een geëigende communicatiestrategie wil het ministerie niet-werkende vrouwen bereiken en ‘beraken’. Hiervoor is inzicht nodig in hun drijfveren en motieven, zodat er een communicatieboodschap kan worden ontwikkeld die aansluit bij hun beleving. Om dit inzicht te verkrijgen heeft Veldkamp een kwalitatief onderzoek uitgevoerd onder verschillende groepen werkende en niet-werkende vrouwen, waarbij de volgende doelstelling centraal heeft gestaan: Hoe kunnen niet-werkende laagopgeleide vrouwen en meisjes het beste worden bereikt en beraakt teneinde hun motivatie om te gaan werken te vergroten?
- Research voor Beleid; Coenen, L.; Noordhuizen, B.; Visser, S. de; Engelen, M., Met de coach naar de job : een evaluatie van de pilot stagejobcoach
Zoetermeer : Research voor Beleid, 2011. 43 p.
In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Research voor
Beleid de pilot stagejobcoach geëvalueerd. Deze evaluatie heeft het effect van de inzet van jobcoaching tijdens de stage in beeld gebracht. Daarnaast is onderzocht in hoeverre het inzetten van een stagejobcoach bijdraagt aan een hogere en meer structurele arbeidsparticipatie. (B30706)
- ESVLA; McCloughan, P.; Batt, W. H.; Costine, M.; Scully, D., Second European quality of life survey : participation in volunteering and unpaid work
Luxemburg : EU, 2011. 54 p.
Dit rapport gaat in op de factoren die ten grondslag liggen aan de beslissing van mensen om vrijwilligerswerk te doen, de hoeveelheid tijd die mensen die vrijwilligerswerk doen daaraan besteden, en of deelname wordt geassocieerd met een grotere tevredenheid met het leven. Het onderzoek kijkt ook naar onbetaald werk (waaronder zorg en huishoudelijk werk), de hoeveelheid tijd die daaraan wordt besteed en de kenmerken van degenen die dit werk vaak doen. (B30555)
- CBS; Centrum voor Beleidsstatistiek; Rijk, A. de; Goedhuys, M.; Lalta, V., Stijgende werkloosheid, stagnerende participatie : het participatiepotentieel in 2010
Den Haag : CBS, 2011. 42 p.
Het kabinet Balkenende IV wilde meer mensen aan het werk krijgen en had zich een bruto-arbeidsparticpatie van 80 % (in 2016) als doel gesteld. Ook het kabinet Rutte I vindt dit belangrijk. Vanwege de crisis is de termijn van het behalen van de doelstelling verschoven naar 2020. De doelstelling dient daarmee als nationale invulling van de participatiedoelstelling in het kader van de Europa 2020 strategie. Het ministerie van SZW wil daarom inzicht hebben in welke groepen dicht of minder dicht bij de arbeidsmarkt staan. De focus ligt daarbij op de doelgroep van de participatiedoelstelling, de 20-64-jarigen. Om de ontwikkeling in arbeidsparticipatie te kunnen volgen, heeft het Centrum voor Beleidsstatistiek van het CBS onderzoek uitgevoerd naar het participatiepotentieel. Het onderzoek gaat niet alleen over de arbeidsmarkt- en uitkeringspositie van 20-64-jarigen, maar bevat ook informatie over enkele subgroepen zoals jongeren, ouderen, vrouwen en niet-westerse allochtonen. (B30528)
- St. De Nationale DenkTank, Maak werk van de toekomst : 22 baanbrekende oplossingen en adviezen voor een Nederland dat werkt : eindrapport De Nationale DenkTank 2011 kennismaken zonder kaders
Amsterdam : St. De Nationale DenkTank, 2011. 96 p.
Hoe kunnen we in Nederland een vernieuwing in arbeidsrelaties, arbeidsorganisatie en werkomgeving tot stand brengen zodanig dat: organisaties beter presteren, werknemers in alle levensfasen meer gemotiveerd zijn en talent beter benut en duurzaam inzetbaar wordt? De Nationale DenkTank heeft gezocht naar knelpunten en oplossingen voor het werken van de toekomst. Het rapport begint met een algemene inleiding. Vervolgens worden vier aspecten van de Nederlandse arbeidsmarkt in kaart gebracht: de arbeidsproductiviteit, de arbeidsparticipatie, de arbeidsmotivatie en het verandervermogen van organisaties. Voor al deze aspecten heeft de Nationale DenkTank oplossingen bedacht en gegroepeerd in drie categorieën: volwaardige arbeidsrelaties, flexibele organisatie van arbeid en stimulerende werkomgeving. (B30513)
- CPB; Jongen, E.; Mastrogiacomo, M.; Weel, B. ter, Hoe prikkelbaar zijn Nederlanders?
Den Haag : CPB, 2011.
CPB Policy Brief, nr. 2011/14
Vooral jonge moeders en laagopgeleide alleenstaanden gaan meer werken door financiële prikkels van de overheid. Financiële prikkels, zoals fiscale kortingen, beïnvloeden vooral de keuze om wel of niet te werken, maar veel minder het aantal uren dat per week gewerkt wordt. Als beleidsmakers de arbeidsparticipatie willen stimuleren, dan zouden de financiële prikkels daarom specifiek gericht moeten zijn op mensen met een lagere opleiding en op jonge moeders concludeert het rapport. (B30501)
- RWI, Factsheet reintegratie 2011-2012
Den Haag : RWI, 2011. 50 p.
Het Factsheet biedt een handzaam en samenhangend overzicht van wat bekend is over uitgaven, doelstellingen, bereik en effectiviteit met betrekking tot re-integratie in Nederland. De komende jaren komt er fors minder publiek geld beschikbaar voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden, WW’ers en arbeidsongeschikten. Het belang van duidelijke keuzes bij de inzet van resterende re-integratiebudgetten neemt daarmee toe, evenals de efficiëntie. Het is daarbij van belang om op de hoogte te zijn van de feiten. Uit het Factsheet blijkt dat de resultaten die met de inzet van re-integratiedienstverlening worden geboekt, zijn afgenomen: minder mensen vinden weer een baan. De economische crisis is hiervan de belangrijkste oorzaak. De zogenoemde 60 procent doelstelling die het kabinet een aantal jaren heeft gehanteerd (en gerealiseerd), heeft het kabinet inmiddels losgelaten. De doelstelling houdt in dat 60 procent van degenen die met re-integratie starten binnen 2 jaar is uitgestroomd naar werk. Sinds 2006 daalt dit percentage, voor ondersteuning die liep in de periode 2008-2010 tot 52 procent. (B30441)
- CPB; Netspar; IZA; University of Padua; Euwals, R.; Trevisan, E., Early retirement and financial incentives : differences between high and low wage earners
De Haag : CPB, 2011.
CPB discussion paper, nr. 195
Financiële prikkels voor doorgaan of stoppen met werken hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de participatie van ouderen in de afgelopen decennia. In deze studie wordt onderzocht het verschil in de mate waarmee werknemers met een hoog en laag inkomen reageren op financiële prikkels voor vervroegde uittreding. (B30407)
- Geerlof, J., De 60% maatschappij : einde aan de talentverspilling!
Amsterdam : Thoeris, 2011. 343 p.
We benutten maar zo'n 60 procent van de talenten in onze samenleving en dat is zowel in economisch als in humanitair opzicht doodzonde. Iedere Nederlander zou de kans moeten krijgen om zijn 'geboorteprogramma' te verwezenlijken, maar dat lukt een groot deel niet of nauwelijks. Ons land telt 1 miljoen werkwillenden zonder baan en parttimers die meer willen werken. 25 procent van werknemers doet werk onder zijn niveau of dat niet bij hem past. Opgeteld betreft dit meer dan 40 procent van de werkzame beroepsbevolking. De afgelopen 20 jaar is het aantal burgers waarvan de talenten niet tot ontwikkeling kwamen alleen maar toegenomen. Net als de uitgaven voor jeugdzorg, speciaal onderwijs, welzijn en schuldhulpverlening, zonder dat we daar resultaten van terug zien. Wat is er aan de hand? Waarom pakten gemaakte keuzes in het publieke domein zo slecht uit? En hoe kunnen we de talenten van alle groepen in de samenleving benutten? Daarover gaat De 60% maatschappij. (B30368)
- UWV, UWV kennisagenda 2012 en 2013
Amsterdam : UWV, 2011. 64 p.
De kennisagenda laat zien hoe de komende twee jaar invulling gegeven wordt aan de strategische kennisfunctie van UWV. Deze kennisfunctie richt zich op de volgende doelstelling:
(semi-)Wetenschappelijke kennis leveren over hoe UWV doelmatig en doeltreffend kan bijdragen aan het verhogen van arbeidsparticipatie en, waar mogelijk, het beperken van de uitkeringslasten. De kennisagenda wordt in vijf hoofdstukken uitgewerkt:
De veranderende arbeidsmarkt; Arbeidsparticipatie van kwetsbare groepen; Beperken uitkeringslasten; Kennisprogramma E-dienstverlening; Kennisprogramma Ziektewet-arborol van UWV. (B30356)
- UWV, UWV kennisverslag 2011-III
UWV : UWV, 2011. 46 p.
Bevat de volgende hoofdstukken:
Inleiding thema flexibiliteit en duurzaamheid; Ontwikkelingen in volumes uitkeringsgerechtigden; De veranderende arbeidsmarkt; Instroom en arbeidsparticipatie; De bevordering van arbeidsparticipatie. (B30354)
- Wiardi Beckman St.; Sie Dhian Ho, M.; Beer, P. de [et al.], Van waarde. Sociaal-democratie voor de 21ste eeuw. Deel drie: arbeid
Amsterdam : Wiardi Beckman Stichting, 2011. p. 27-165 S&D, 68 (2011) 9/10, p. 27-165
S&D, 68 (2011) 9/10, p. 27-165
Derde aflevering van S&D waarin het wbs-onderzoek "Van waarde - Sociaal-democratie voor de 21ste
eeuw" een prominente plek inneemt. Dit derde deel gaat over arbeid. De artikelen proberen allemaal de volgende vragen te beantwoorden: wat is voor arbeid van waarde, hoe staat onze arbeid onder druk en wat staat ons te doen? (B30400)
- CPB; Min. SZW, Kinderopvang in kaart
Den Haag : CPB, 2011. 43 p.
CPB Notitie, 27 oktober 2011
Deze CPB-notitie brengt de markt voor kinderopvang in Nederland in kaart. Het gaat hier om opvang in kinderdagverblijven (KDV) voor kinderen tot vier jaar en buitenschoolse opvang (BSO) voor kinderen die al naar de basisschool gaan.1 Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het Centraal Planbureau gevraagd om de recente ontwikkeling in verschillende publieke belangen die met kinderopvang gemoeid zijn te analyseren. Het ministerie verstaat onder deze belangen i) de toegankelijkheid van de opvang, waaronder de betaalbaarheid, ii) de kwaliteit van de opvang en iii) de doelmatigheid van opvanginstellingen. Het wil weten in hoeverre de introductie van de vraagfinanciering heeft geleid tot veranderingen in deze drie belangen. De vraag is of er ongunstige ontwikkelingen opgetreden zijn die eventueel om beleidsaanpassingen vragen. (B30303)
- FNV, Onzeker werk
Amsterdam : FNV Pers, 2011. 56 p.
De FNV wil met deze brochure flexwerkers een gezicht en een stem geven. Laten zien dat flexwerkers krachtige mensen zijn, trots op hun werk en vakmanschap, met gevoel van eigenwaarde. Mensen die niet te beroerd zijn om hard te werken en flexibel inzetbaar te zijn. Maar die ook vinden dat ze recht hebben op waardering, een behoorlijk loon en gewoon goed werk. Ze willen eindelijk eens af van die eeuwige onzekerheid of er morgen nog werk is. En ze willen, als ‘t nodig is, ook recht hebben op sociale zekerheid. De FNV vindt dat het hoog tijd wordt om de belangen van deze groeiende groep werkenden hoog op de agenda te zetten: van werkgevers, beleidsmakers en politici, maar ook van de FNV-bonden zelf. Onzeker werk is voor steeds meer mensen geen incident, maar een structurele misstand.
Met verhalen van flexwerkers vanuit de branches waarin zij werken (Zorg: Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT)); Supermarkten; Schoonmaak; Bibliotheken; Bouw; Rijksoverheid; Post; Onderwijs: Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie (BVE); Vleesindustrie; AH Distributiecentra). (B30293)
- ESVLA; Sandor, E., Part-time work in Europe : European company survey 2009
Luxemburg : EU, 2011. 46 p.
European company survey 2009
Her rapport probeert de resultaten samen te brengen van twee Europese overzichten die een blik werpen op part-time werk, bekeken van zowel werkgevers- als werknemerszijde. Een literatuuroverzicht bevestigt dat parttime zowel positieve als negatieve gevolgen heeft die verschillend zijn voor werkgevers, werknemers en de economie als geheel. (B30263
- ESVLA, Youth and work : foundation findings
Dublin : ESVLA, 2011. 20 p.
De werkloosheid voor jongeren tussen de 16 en 24 jaar in de EU27 is tweemaal zo hoog als de totale werkloosheid. De recessie heeft dit probleem beduidend verergerd. De bevindingen van de European Foundation for the Improvement of Living and working Conditions bevindingen geven achtergrondinformatie en beleidsaanwijzingen voor alle actoren en belanghebbenden die betrokken zijn bij het huidige Europese debat over de toekomst van het sociaal beleid. (B30019)
- Divosa; Dodeweerd, M. van; Bartelds, A.; Westerhof, E.; Nanninga, M.; Braak, J. van den; Boorsma, P. , Grenzen verleggen : sociale diensten en participatiebevordering : Divosa-monitor 2011 - deel 1
Utrecht : Divosa, 2011. 114 p.
De financiële situatie van sociale diensten is penibel: de bestanden blijven stijgen, er is een flink tekort op het budget voor de uitkeringen en de re-integratiegelden zijn praktisch op. Het jaar 2009 was al wat minder, 2010 was slecht en 2011 en 2012 beloven weinig beters. Dit eerste deel van de Divosa-monitor 2011 gaat over het werk van sociale diensten en biedt inzicht in: het klantenbestand van sociale diensten; de besteding van de gemeentelijke re-integratiegelden; de bezuinigingsplannen van sociale diensten. Willen sociale diensten net als afgelopen jaren resultaten blijven boeken, dan moeten zij hun grenzen verleggen. (B29998)
- SEO; Kok, L.; Koopmans, C; Berden, C.; Dosker, R., De waarde van kinderopvang
Amsterdam : SEO, 2011. 57 p.
SEO-rapport, nr. 2011-33
Er is veel discussie over de kinderopvang. Het kabinet wil de arbeidsparticipatie verhogen maar ook bezuinigen op subsidies, onder andere in de kinderopvang. De vraag is wat de gevolgen daarvan zijn voor de maatschappij. Wat betekent het voor de welvaart als vrouwen minder gaan werken omdat de kinderopvang te duur wordt? Zijn er andere mogelijkheden om te bezuinigen? En wat zijn de effecten van investeren in de kwaliteit van kinderopvang? Om deze vragen te beantwoorden heeft SEO Economisch Onderzoek in opdracht van de kinderopvangsector een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) verricht van acht beleidsalternatieven. Het gaat om vier alternatieven die de uitgaven voor kindregelingen verlagen, drie alternatieven die juist investeren in de kinderopvang met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen en een alternatief waarin uitgavenverlaging wordt gecombineerd met investeren in kwaliteit. De kosten-batenanalyses vergelijken de effecten van de beleidsalternatieven met de situatie in 2011. (B29964)
- Cedris; Newcom Research & Consultancy, Cedris: werkgeversonderzoek wensen en behoeften Wet Werken naar Vermogen
Utrecht : Cedris, 2011. 35 p.
Het kabinet heeft voor de sociale werkgelegenheid een grote hervorming in de planning. De leden van Cedris bieden een passende werkplek aan medewerkers die zelf niet het minimumloon kunnen verdienen. Om informatie aan te dragen voor een betere besluitvorming over de Wet Werken naar Vermogen (WWNV) heeft Cedris onderzoek laten uitvoeren naar de wensen en behoeften van werkgevers. Uit het onderzoek komt naar voren dat ruim 35 procent van de werkgevers op dit moment medewerkers in de organisatie heeft die komen uit de regeling voor de sociale werkvoorziening (Wsw), de bijstand of de Wajong. Ruim een kwart van de werkgevers verwacht in de komende vijf jaar met mensen uit deze regelingen te gaan werken. Uit het onderzoek blijkt verder dat werkgevers op hoofdlijnen drie randvoorwaarden hebben: Werkgevers willen financieel gecompenseerd worden als mensen uit deze groep bij hen komen werken, omdat de arbeidsproductiviteit achterblijft; Verder willen ze zo min mogelijk risico lopen. Genoemd wordt het risico op extra kosten door ziekteverzuim en de mogelijkheid om mensen gemakkelijker te kunnen ontslaan als ze niet goed functioneren; En werkgevers willen geen rompslomp. Het moet hen gemakkelijk worden gemaakt door de administratieve lasten uit handen te nemen, één aanspreekpunt te creëren voor het gehele proces en de betreffende medewerker te laten begeleiden. (B29961)
- Keune, M., Iedereen aan het werk!?! : over de veranderende relaties tussen verzorgingsstaat, arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen : rede
Amsterdam : UvA, 2011.
Maarten Keune bespreekt eerst hoe in Europa sinds het eind van de 19e eeuw over de jaren de relaties tussen de verzorgingsstaat, de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen zijn veranderd en hoe deze drie velden recentelijk steeds meer met elkaar verweven zijn. Vervolgens gaat hij in op de hedendaagse benadering van deze drie velden waarin de verzorgingsstaat als sociale èn productieve factor wordt gezien, werk de nieuwe vorm van sociale zekerheid is en activering, flexicurity en sociale investeringen kernbegrippen zijn. In deze benadering ligt de nadruk op het mobiele, autonome en lerende individu dat strategisch haar weg vindt in een dynamische arbeidsmarkt. Keune toont dat deze benadering niet aansluit bij actuele ontwikkelingen in de arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen, en de bredere samenleving en economie. Hij sluit af met een aantal uitgangspunten en beleidsopties voor een alternatieve visie. Oratie Prof. Dr. Maarten Keune, Universiteit van Amsterdam, 11 maart 2011. (B29696)
- Europese Cie; Plantenga, J.; Remery, C., Flexible working time arrangements and gender equality : a comparative review of 30 European countries
Luxemburg : EU, 2010. 119 p.
Overzicht van regelingen op het gebied van flexibele arbeid en gelijke behandeling in de 27 lidstaten en de 3 EEA-EFTA-landen. Nadruk ligt op interne kwantitatieve flexibiliteit, zowel op de lengte van de arbeid als op parttime werk, overwerk, overuren en de flexibele organisatie van arbeidstijden, tijdschema's, thuiswerk en werk op atypische uren. (B29533)
- RWI, Kansen bekeken : vervolganalyse van het onbenut arbeidspotentieel onder niet-uitkeringsgerechtigden in de krachtwijken
Den Haag : RWI, 2010. 22 p.
In deze analyse wordt ingegaan op de resultaten uit het in opdracht van de RWI uitgevoerde onderzoek 'Geen kans of geen keuze' van het CBS. Bij de totstandkoming van deze analyse is samengewerkt met de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Dordrecht, die centraal staan in het onderzoek van het CBS. Samen met deze gemeenten heeft de RWI een voorbeeld willen geven van de wijze waarop reeds beschikbare informatie via een aantal bewerkingsslagen kan worden benut om meer specifieke, beleidsrelevante informatie voor gemeenten te genereren. In de analyse wordt de groep niet-uitkeringsgerechtigden (de 'nuggers') ingedeeld in acht typen. Deze indeling in typen maakt duidelijk wie kans hebben op werk en wie gemotiveerd zijn om werk te vinden. Eén van de opvallendheden is dat zich onder de niet-uitkeringsgerechtigden in de krachtwijken relatief veel personen bevinden met een goede kans om werk te vinden en dat veel van hen ook gemotiveerd zijn om aan het werk te gaan. De RWI adviseert gemeenten om samen met andere partijen (UWV, werkgevers en uitzendbureaus) hun inspanningen gericht in te zetten op gemotiveerde werkzoekenden in de krachtwijken. Met de informatie uit de analyse kan bij benadering worden achterhaald om hoeveel werkzoekenden het hier per wijk gaat. Deze informatie kan behulpzaam zijn bij het opstellen van beleidsprogramma's in het kader van de wijkaanpak of het jeugd/jongerenbeleid. (B29414)
- FNV; FNV Abvakabo; Pelzer, A.; Kiebert, M., Bijzondere werknemers : verhalen uit de sociale werkvoorziening
Amsterdam : FNV Pers, 2010. 137 p.
In dit boek vertellen eenentwintig werknemers met een handicap, mannen en vrouwen, van jong tot oud, over hun leven en de sociale werkvoorziening. Over hun dagelijkse strijd om een normaal leven te leiden, zoals elke werkende. Ze krijgen een gezicht en met hen 100.000 anderen. Uit de verhalen van de geinterviewden komt duidelijk naar voren: allemaal zouden ze het liefst een 'gewone' baan hebben. Niemand heef erom gevraagd gehandicapt te zijn. Ze verdienen een toekomst, net als iedereen! (B29378)
- OECD, Sickness, disability and work. Breaking the barriers : a synthesis of findings across OECD countries
Parijs : OECD, 2010. 165 p.
Teveel arbeiders verlaten de arbeidsmarkt voorgoed vanwege gezondheidsproblemen of handicap. Te weinig mensen met beperkte arbeidsmogelijkheden blijven aan het werk. Dat is een sociale en economische tragedie in bijna alle OECD-landen. Aandacht voor de rol van instituties en beleid. Conclusie is dat hogere verwachtingen en betere initiatieven voor alle betrokkenen cruciaal zijn. Er moeten belangrijke hervormingen ondernomen worden om werkgelegenheid voor mensen met gezondheidsproblemen te stimuleren. (B29310)
- RWI; Wesdorp, P.; Hooft, E. van; Duinkerken, G.; Geuns, R. van, Het heft in eigen hand : sturen op zelfsturing : handreiking voor re-integratieprofessionals
Den Haag : RWI, 2010. 52 p.
Handreiking 'Het heft in eigen hand'. De handreiking is bedoeld voor re-integratieprofessionals van gemeenten. UWV en re-integratiebedrijven, die het zelfsturend vermogen van hun klanten actief willen bevorderen. Aan de hand van concrete voorbeelden wordt beschreven hoe de meest recente inzichten uit de sociale psychologie zijn te vertalen naar de dagelijkse werkpraktijk in de spreekkamer. (B29338)
- RWI, Sturen op zelfsturing : advies over zelfsturing in de re-integratiepraktijk
Den Haag : RWI, 2010. 38 p.
In dit advies staat het begrip zelfsturing centraal als invalshoek bij re-integratie. Zelfsturing duidt op het vermogen van mensen om richting te geven aan hun leven. Zelfsturing in re-integratie wil dan ook zeggen dat werkzoekenden in staat worden gesteld om vorm en inhoud te geven aan hun re-integratie, om zelf de regie te nemen over hun terugkeer naar de arbeidsmarkt. Veel werkzoekenden zijn daar zeker toe in staat en dat vermogen moet worden benut. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Re-integratie is vaak teveel een zaak van 'voor u, niet door u', waarbij de wensen en opvattingen van de werkzoekenden zelf niet worden meegewogen. Dat komt de motivatie niet altijd ten goede. (B29337)
- EIB; Afrian, K.; Kolk, D. van der, Vrouwen in technische functies : profielschets 2009
Amsterdam : EIB, 2010. 44 p.
De bouwsector is een bedrijfstak die relatief weinig vrouwen aantrekt. Het aandeel vrouwen in technische functies beslaat nog geen procent. Wat is het profiel van vrouwen in technische functies? Welke voorkeuren hebben zij ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en hoe vinden zij dat deze geregeld zijn? Wat zijn de belangrijkste succes- en belemmerfactoren voor hun positieverbetering? Wat zijn redenen om in de sector te blijven werken of deze juist te verlaten? Hoe typeren de vrouwen het imago van de sector? De antwoorden op deze vragen komen in dit rapport aan bod. Dit levert een profielschets op van vrouwen in technische functies in de bouw. (B29302)
- Cie Werkscholen, Zicht op werk : de werkschool als werkend perspectief
[Z.P.] : Cie Werkscholen, 2010. 91 p.
Het eindrapport van de commissie werkscholen. Het vorige kabinet heeft de commissie gevraagd om doelgroep, vormgeving en financiering van de werkschool nader uit te geven. De werkschool moet jongeren in het speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en mbo met een afstand tot de arbeidsmarkt beter begeleiden naar een werkplek. (B29291)
- Min. SZW; Stelt, H. van der; Voogd-Hamelink, M. de; OSA, Trendrapport aanbod van arbeid 2009
Den Haag : Min. SZW, 2010. 111 p.
Trendrapport op basis van OSA paneldata. De in dit rapport gepresenteerde cijfers zijn géén officiële SZW-cijfers, maar een weergave van de resultaten van de Arbeidsaanbodpanels. De cijfers uit het rapport geven een beeld van de ontwikkelingen binnen de Nederlandse arbeidsaanbod tot aan de crisis. Achtereenvolgens zijn gegevens opgenomen over arbeidsparticipatie; arbeidsmobiliteit en zoekgedrag; de dynamiek van de arbeidsmarkt; externe baanmobiliteit en functiemobiliteit; arbeidsomstandigheden en werktevredenheid; lonen en secundaire arbeidsvoorwaarden; deelname aan scholing; aansluiting van kennis en vaardigheden bij het werk; flexibilisering van arbeid; flexibele inzetbaarheid; telewerk. (B29275)
- SCP; Broek, A. van den [et al.], Komt tijd, komt raad? : essays over mogelijkheden voor een nieuwe tijdsorde
Den Haag : SCP, 2010. 124 p.
SCP-publicatie, nr. 2010/30
Veel mensen hebben meer ambities dan tijd om die waar te maken. Met betaald werk, huishouden, kinderen, hobby's en sociale contacten kunnen we eigenlijk niet meer toe met de dagelijks beschikbare 24 uur. Omdat in huishoudens het traditionele kostwinnersmodel steeds meer wordt ingeruild voor het tweeverdienersmodel komt de tijdsordening steeds meer onder druk te staan. In Nederland kiezen wij overigens vaak voor het anderhalfverdienersmodel: een compromis tussen de wensen om betaald werk te hebben, om zelf een flink deel van de zorg voor kinderen op ons te nemen en om tijd voor onszelf te houden. Dat compromis zal zonder enige twijfel een tijdelijk evenwicht blijken. Deze essaybundel bevat enkele antwoorden op de vragen waar het met de tijdsordening naar toe moet en wie daarbij het voortouw moet nemen. Bevat de volgende essays:
Een koets zonder paard: over de vormgeving van iets nieuws / Andries van den Broek en Mariëlle Cloïn; Leven in een tijdloze tijd / Theo Beckers;
De publieke noodzaak om ritmes goed af te stemmen: hoe sociale ritmes het leven gemakkelijk of moeilijk maken / Marli Huijer en Ida Sabelis;
Domweg gelukkig met een deeltijdbaan? / Janneke Plantenga;
Naar een ministerie van Tijd / Hugo Priemus;
Een win-winsituatie: de positieve relatie tussen werk en privé / Tanja van der Lippe en Anne Roeters;
Met getunede arbeidsorganisaties naar een betere tijdsordening: van houdgreep naar omhelzing / Ben Jansen en Christine Baaijens;
Onder de vulkaan: een andere kijk op reistijd / Peter Peters
Zie ook: B 29 .264 Tijd op orde? : een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger en B 29.265 Factsheet tijdsknelpunten (B29266)
- SCP; Cloïn, M.; Schols, M.; Broek, A. van den, Factsheet tijdsknelpunten
Den Haag : SCP, 2010. div. p.
In deze factsheet staan in kort bestek de belangrijkste bevindingen samengevat uit het rapport Tijd op orde? Een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger (B 29264)
Zie ook: B 29.264 Tijd op orde? : een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger en B 29.266 Komt tijd, komt raad: essays over mogelijkheden voor een nieuwe tijdsorde (B29265)
- SCP; Cloïn, M.; Schols, M.; Broek, A. van den; Koutamanis, M., Tijd op orde? : een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger
Den Haag : SCP, 2010. 168 p.
SCP-publicatie, nr. 2010/26
Overheid en burgers voeren 'meedoen' hoog in het vaandel: maatschap¬pe¬lijke participatie in het algemeen en arbeidsparticipatie in het bijzonder. Maar voor iedereen telt een dag slechts 24 uur, dus is er gedrang in de agenda en moeten er keuzes worden gemaakt. In deze publicatie wordt de tijdsordening in Nederland vanuit het perspectief van de burger geanalyseerd. Volle agenda's en vastliggende tijden in de samenleving (werk-, school- en openingstijden) kunnen tot knel¬punten leiden. Ervaren mensen dat ook zo en welke oplossingen zien ze daar dan voor? Staan knelpunten in de tijd een grotere arbeidsdeelname in de weg? Dat blijkt maar zeer gedeeltelijk het geval te zijn: meer flexibiliteit in werktijden en ruimere openingstijden van voorzieningen zijn gewilder dan meer kinderopvang en ruimere schooltijden. De aandrang om meer (uren) betaald te gaan werken is overigens niet groot. Grotere arbeidsparticipatie lijkt meer een kwestie van attitudeverandering dan van het oplossen van tijdsknelpunten. Andere temporele condities kunnen daarbij helpen, maar een gegarandeerde uitkomst is dat niet.
Zie ook B 29.265 Factsheet Tijdsknelpunten en B 29.266 Komt tijd, komt raad? : essays over mogelijkheden voor een nieuwe tijdsorde (B29264)
- UWV WERKbedrijf, Sectorale mobiliteit van werkzoekenden in het crisisjaar 2009 : onderzoek
Amsterdam : UWV WERKbedrijf, 2010. 45 p.
Werkzoekenden die ook buiten hun eigen sector naar werk zoeken, vergroten hun kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk. De vraag is dan in welke sectoren werkzoekenden meer kans maken. Het in kaart brengen van de sectorale mobiliteit van werkzoekenden geeft een goede indicatie in welke sectoren meer kansen liggen. Onder sectorale mobiliteit worden de bewegingen van werkzoekenden verstaan tussen de sector van herkomst en de sector van werkhervatting. De centrale vraag in deze notitie is: Vanuit welke sectoren zijn de werkzoekenden ingestroomd en in welke sectoren vinden zij werk? Uit het onderzoek blijkt dat bijna tweederde van de bij UWV ingeschreven werkzoekenden afgelopen jaar een baan vond in een andere sector. (B29237)
- TNS NIPO; Min. OC & W; Min. VWS; Koenen, B.; Vieira, V.; Verhue, D., Nederland klaar voor het nieuwe werken : onderzoek in het kader van de 'Week van het nieuwe werken'
[Amsterdam] : TNS Nipo, 2010. 46 p.
In opdracht van het ministerie van OCW en het voormalige programmaministerie voor Jeugd en Gezin
heeft TNS NIPO onderzoek uitgevoerd onder een representatieve steekproef van 795 Nederlanders van 18 jaar tot 65 jaar. Hierbij stonden de volgende vragen centraal: Hoe denken Nederlanders over flexibel werken?; In welke mate werken werknemers flexibel?; Welke ervaringen heeft men met flexibel werken?; Aan welke voorwaarden moet bij flexibel werken zijn voldaan?; Wat is de rol van de werkgevers? Uit het onderzoek blijkt dat flexibel werken leidt tot minder stress, minder files, hogere arbeidsparticipatie en minder beroep op kinderopvang. Flexibel werken maakt mensen productiever en meer bereid tot overwerken en is een belangrijke of doorslaggevende voorwaarde bij het zoeken naar een nieuwe baan. Nederlanders staan zeer positief tegenover flexibel werken: 85% vindt het een goede zaak. (B29234)
- CBS, Twee eeuwen beroepsbevolking
Den Haag : CBS, 2010. 45 p.
Statistische gegevens over de beroepsbevolking over de periode 1800-2009. Aan de orde komen onder meer cijfers over de werkloze beroepsbevolking, participatie op de arbeidsmarkt, berekening van de totale en de werkzame beroepsbevolking, spanning op de arbeidsmarkt en de kwaliteit van de uitkomsten. (B29212)
- SCP; Cloïn, M., Het werken waard : het arbeidsaanbod van laagopgeleide vrouwen vanuit een economisch en sociologisch perspectief : proefschrift Universiteit Utrecht
Den Haag : SCP, 2010. 193 p.
SCP-publicatie, nr. 2010/23
Waarom werken laagopgeleide vrouwen minder vaak buitenshuis dan hoger-opgeleide vrouwen? En waarom zijn laagopgeleide vrouwen oververtegenwoordigd in de kleinste deeltijdbanen? Vinden zij het financieel niet genoeg lonen om (veel uren) te werken, of hebben zij traditionelere opvattingen en ideeën over de rol van vrouwen? In dit proefschrift staat de vraag centraal in hoeverre financieel-economische en sociaal-culturele factoren de geringe arbeidsdeelname van laagopgeleide vrouwen helpen verklaren. Daarvoor zijn de gegevens van bijna 2000 laag- en hogeropgeleide moeders en een groep van bijna 1200 laagopgeleide vrouwen geanalyseerd. De resultaten wijzen erop dat - anders dan vaak wordt gedacht - financiële prikkels en opvattingen bijna tot geheel dezelfde invloed hebben op het arbeidsaanbod van laagopgeleide vrouwen als op dat van hogeropgeleide vrouwen. Weliswaar verdienen lager opgeleide vrouwen minder en hebben ze traditionelere opvattingen, maar beide factoren zijn eigenlijk op vergelijkbare manier van invloed op de arbeidsbeslissingen van vrouwen, ongeacht hun opleidingsniveau. (B29113)
- SCP; Eggink, E.; Oudijk, D.; Woittiez, I., Zorgen voor zorg : ramingen van de vraag naar personeel in verpleging en verzorging tot 2030
Den Haag : SCP, 2010. 100 p.
SCP-publicatie, nr. 2010/24
De komende decennia zal de bevolking steeds verder vergrijzen. Dit heeft gevolgen voor het gebruik van de zorg en daarmee voor de vraag naar personeel. Dit geldt zeker voor de sector verpleging en verzorging (thuiszorg, verpleeg- en verzorgingshuizen). In dit rapport worden de gevolgen voor de personeelsinzet van het toenemende zorggebruik tot 2030 in kaart gebracht. Basis hiervoor is de recente SCP-raming van het gebruik van de verpleging en verzorging. Hiermee levert dit rapport een bijdrage aan de discussie over de verwachte personeelstekorten in de zorg. (B29107)
- RWI; Lammerts, R.; Stavenuiter, M.
Wajongers op de werkvloer : inpassing en acceptatie van jonggehandicapten in bedrijven
Den Haag : RWI, 2010. 51 p.
Uit het onderzoek blijkt dat werkgevers een positieve houding hebben ten opzichte van Wajongers als werknemers. Toch ervaren veel Wajongers belemmeringen om aan het werk te komen en te blijven. Om de participatie te verhogen en uitval te voorkomen, is het van belang dat Wajongers zich geaccepteerd weten in hun directe werkomgeving. In dit onderzoek heeft de RWI onderzocht wat leidinggevenden, collega's en Wajongers in MKB-bedrijven kunnen doen om hiervoor te zorgen. Directe en open communicatie, goede begeleiding binnen het bedrijf en goed inzicht in mogelijkheden en beperkingen blijken essentieel. (B29095)
- SCP; Hoff, S.
Uit armoede werken : omvang en oorzaken van uitstroom uit armoede
Den Haag : SCP, 2010. 84 p.
SCP-publicatie, nr. 2010/22
Zijn mensen die in 2004 behoorden tot een huishouden met een laag inkomen, drie jaar later nog steeds arm? Dit rapport laat zien wat de kansen op uitstroom uit armoede zijn en welke factoren bepalen of men boven de lage-inkomensgrens uit komt. Gaat het uitsluitend om het vinden van werk of spelen ook andere zaken, zoals een wijziging in de samenstelling van het gezin, een rol? En wat zijn de redenen dat mensen niet naar werk zoeken om op die manier uit de armoede te raken? Heeft dat te maken met gezondheidsproblemen, met slechtere arbeidsmarktkansen waardoor men ontmoedigd raakt, of met bepaalde opvattingen over werk en werkloosheid? Het rapport laat zien dat betaald werk niet per definitie het einde van de armoede betekent. Gelukkig blijkt echter ook dat, als men uit de armoede uitstroomt, dit in veruit de meeste gevallen gepaard gaat met het vinden van (meer uren) betaald werk.
(B29094)
- HBO-Raad; ROA, HBO-Monitor 2009 : de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo : feiten en cijfers
Den Haag : HBO-Raad, 2010. 6 p.
Factsheet over het onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo richt zich met name op drie indicatoren: Werkloosheid; Arbeidsvoorwaarden (vaste aanstelling, omvang contract, bruto-uurloon); Baan op hbo-niveau. Voor afgestudeerde hbo'ers is er in het eerste jaar van de huidige economische crisis sprake van een stijging van de werkloosheid met 1,9% naar 5,4%. Dit komt met name door een lichte stijging van de werkloosheid onder studenten die een voltijdsopleiding hebben afgerond. Afgestudeerden van een duale of deeltijd-opleiding kennen een zeer lage werkloosheid. Ook zijn er aanzienlijke verschillen per sector. Het aantal arbeidsuren per week is in 2009 onveranderd gemiddeld 35, waarbij eenderde van de afgestudeerde in deeltijd werkt. Van alle hbo-afgestudeerden werkt 83% in een functie waarvoor minimaal een hbo-opleiding is vereist. Van verdringing op de arbeidsmarkt door universitair afgestudeerden is dan ook geen sprake. Gedetailleerde resultaten van de HBO-Monitor zijn te vinden op de website van de HBO-raad via ‘Feiten en Cijfers’.
http://www.hbo-raad.nl/hbo-raad/feiten-en-cijfers/cat view/60-feiten-en-cijfers/63-onderwijs (B28962)
- ESVLA; Kotowska, I. E. [et al.]
Second European quality of life survey : family life and work
Luxemburg : EU, 2010. 83 p.
Demografische veranderingen en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt hebben een aanzienlijk effect op het gezinsleven en het werk van de Europeanen, met verreikende gevolgen voor de toekomst. Het beleid op dit gebied was in de afgelopen jaren gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, het vinden van manieren voor zowel mannen als vrouwen om een betere work-life balans te bereiken en, meer recentelijk, het bevordering van een stijging van het geboortecijfer. Dit rapport verkent het onderwerp van werk en gezinsleven in heel Europa, en zoekt naar manieren om een beter evenwicht tussen de eisen van werk en gezinstaken te vinden. Gebaseerd op gegevens uit de tweede European Quality of Life Survey, uitgevoerd door Eurofound in 2007, analyseert het rapport de spanningen tussen de eisen die het werk stelt en huishoudelijke en zorgtaken, tegen een achtergrond van verschillende institutionele instellingen, de structuren van de arbeidsmarkt en culturele factoren. De resultaten van het onderzoek wijzen op de noodzaak voor de invoering van maatregelen om regelingen aan te passen aan de eisen van het gezinsleven, meer gelijke verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen, en de verbetering van de zorg voor ouderen om familienetwerken te ondersteunen bij de uitvoering van hun zorgtaken. (B28955)
- SEO; Randstad Holding; [et. al], Bridging the gap : international database on employment and adaptable labour
Amsterdam : SEO, 2010. 177 p.
SEO-report, nr. 2010-01
Publicatie gebaseerd op de International Database on Employment and Adaptable Labour (IDEAL). In het rapport wordt achtereenvolgens ingegaan op de Lissabondoelstellingen van de EU; vraag en aanbod in de arbeidsmarkt van de toekomst; internationaal beleid voor het bevorderen van participatie; beleidsoplossingen in de empirische literatuur; moderne arbeidsrelaties; niet-standaard werkgelegenheid en arbeidsparticipatie. (B28912)
- SEO; Min. Jeugd en Gezin; Kok, L., Effecten gezinsbeleid
Amsterdam : SEO, 2010.
SEO-rapport, nr. 2008-43
Het kabinet heeft ten aanzien van de combinatie arbeid en zorg een dubbele doelstelling. Enerzijds vindt het kabinet werk belangrijk, ook voor vrouwen. Anderzijds is het kabinet voor een gezinsvriendelijk beleid. De vraag is hoe beide visies met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Het regeerakkoord bevat daardoor zowel maatregelen die de arbeidsparticipatie van vrouwen stimuleren (bv. verhogen combinatiekorting) als maatregelen die stimuleren dat vrouwen minder gaan werken (bv. kindgebondenbudget). In hoeverre werken de voorgestelde maatregelen tegen elkaar in? Het ministerie van Jeugd en Gezin heeft SEO Economisch Onderzoek gevraagd deze vraag te beantwoorden voor de volgende maatregelen: Invoering betaald ouderschapsverlof na de geboorte van een kind; Niet-overdraagbaar component voor de vader in het betaald ouderschapsverlof; Kinderopvang op maat, zoals gastouderopvang; Kindergebonden budget; Afschaffen heffingskorting voor de afhankelijke partner; Verhogen van de aanvullende combinatiekorting. Voor deze maatregelen zijn de effecten onderzocht op de: De participatie van mannen en vrouwen; Het welbevinden van mannen en vrouwen; De ontwikkeling van kinderen. (B28823)
- SCP; CBS; TNO Kwaliteit van Leven; Jehoel-Gijsbers, G.; [et al.]., Beperkt aan het werk : rapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en arbeidsparticipatie
Den Haag : SCP, 2010.
SCP-publicatie, nr. 2010-9
Jarenlang stond Nederland bekend als een land met een hoog ziekteverzuim en een groot aantal arbeidsongeschikten. In Europees verband werd gesproken over de Dutch disease. Vele beleidsmaatregelen later is het ziekteverzuim gedaald en is het aantal werknemers dat arbeidsongeschikt wordt verklaard, drastisch afgenomen. Inmiddels doemt er een nieuwe 'Hollandse ziekte' op: de sterke groei van de Wajong. Bovendien vormt de lage arbeidsparticipatie van mensen met een gezondheidsbeperking een groot probleem. Meer kennis en inzicht zijn voorwaarden voor een goede oplossing van deze problemen. In deze studie worden de ontwikkelingen in ziekteverzuim, de Wajong en de arbeidsparticipatie van mensen met gezondheidsbeperkingen onderzocht. De volgende vragen komen aan bod: Kan het ziekteverzuim verder worden teruggedrongen? Welke factoren hangen samen met verzuim en met de duur ervan? Wie komen er in de Wajong terecht en hoe groot is hun kans om aan het werk te komen en te blijven? Neemt de arbeidsparticipatie van mensen met een langdurige aandoening, ziekte of handicap de laatste jaren toe of af? Wie heeft de meeste kans een baan te vinden? (B28809)
- Doorne - Huiskes, A. van, Vrouwelijk talent werkt . . .
Assen : Van Gorcum, 2010.
Wordt in Nederland het talent van vrouwen voldoende benut? Waar doen zich nog obstakels voor, waar kan het beter? En hoe kunnen we in een wereld van competitie en nadruk op individuele prestaties, het werk van mannen en vrouwen zo organiseren dat er tijd blijft voor ouderschap, zorg en een leven naast het werk? Man-vrouwverhoudingen zijn in transitie. Nederland bevindt zich ergens tussen traditionaliteit en moderniteit: een moderne samenleving, maar met een nog onmiskenbare patriarchale onderstroom. Om de economische groei ook in de toekomst mogelijk te maken kunnen we (vrouwelijk) talent niet laten lopen. Maar hoe staat het met de realiteit van alledag? Een optimaal gebruik van vrouwelijk talent kent nog een aantal obstakels. Op het niveau van de samenleving als geheel, binnen arbeidsorganisaties, binnen huishoudens en binnen mindsets en attituden van personen. Over die obstakels gaat dit boek en over de vraag hoe deze te overwinnen. Dit boek wil zich niet tot analyses beperken, maar geeft aan het eind van ieder hoofdstuk praktische adviezen hoe het beter kan. Bevat de volgende hoofdstukken:
Talent (v/m) gevraagd: de relevantie van de kwestie; Nederland en Europa: over de beroepsdeelname van vrouwen en het belang van goede voorzieningen; Vrouwenberoepen en mannenberoepen: een glazen muur?; Vrouwen in hoge posities: een weerbarstig vraagstuk; Over ambities, percepties, culturen van organisaties, regretted losses en medisch specialisten; Over taakverdelingen tussen mannen en vrouwen en de mechanismen die daar spelen; Naar een organisatiebeleid dat talenten benut; Perspectief op de toekomst. (B28789)
- Taskforce DeeltijdPlus; Dijkstra, P.; Plantenga, J.; Remery, C.; [et al.], 24orMore : international conference on increasing female labour participation : conference proceedings
Den Haag : Min SZW, 2009.
Overzicht van conferentie-bijdragen. Het geeft inzicht in de specifieke en mogelijk unieke Nederlandse wereld van vrouwelijke arbeidsparticipatie. Maar er is ook geluisterd naar bijdragen uit andere landen. Er werd een spiegel opgehouden voor alle deelnemers. Doel was een culturele verandering aan te brengen en het aantal uren te verhogen van vrouwen die aan het arbeidsproces deelnemen. (B28650)
- CPB; Jongen, E. L. W., Child care subsidies revisited
Den Haag : CPB, 2010.
CPB document, nr. 200
De subsidies voor formele kinderopvang zijn de afgelopen jaren fors geïntensiveerd. Een belangrijk beleidsdoel van kinderopvangsubsidies is het stimuleren van formele arbeidsparticipatie door ouders. Dit document analyseert het effect van kinderopvangsubsidies op de arbeidsparticipatie met behulp van een algemeen-evenwichtsmodel. Het model is gekalibreerd op Nederlandse data. Naast de arbeidsaanbodbeslissing wordt daarbij ook de keuze tussen formele en informele opvang gemodelleerd. De endogene keuze tussen formele en informele opvang speelt een belangrijke rol bij het effect van kinderopvangsubsidies op de arbeidsparticipatie. Onze analyse laat zien dat de bestaande subsidies een positief effect hebben gehad op de arbeidsparticipatie. De subsidievoet is met gemiddeld bijna 80% inmiddels echter zo hoog geworden, dat een verdere verhoging vanuit participatie-oogpunt weinig effectief is. Een verdere verhoging van de subsidievoet leidt met name tot het vervangen van informele opvang door formele opvang. (B28492)
- Landelijk Platform GGz; CrossOver; Kolenberg, A., Werk in behandeling : onderzoek naar aandacht voor arbeidsparticipatiemogelijkheden van jongeren met een psychiatrische stoornis
Utrecht : Landelijk Platform GGz, 2009.
Onderzoek naar de rol die arbeidsparticipatie inneemt in de behandeling van jongeren met een psychiatrische stoornis. Een belangrijke conclusie van het onderzoek is dat er in het behandelbeleid veelal geen heldere visie is op de rol van onderwijs en arbeid. Daar waar het wel wordt benoemd, ontbreekt vaak de vertaling naar de praktische uitvoering. Financiering blijkt een groot struikelblok; bovendien is er voor de professionals die ermee moeten werken ook onvoldoende scholing in deze thematiek. Het onderzoek signaleert tegelijkertijd dat er wel degelijk bereidheid is bij alle spelers in het veld om de noodzakelijke cultuuromslag te maken. Dat blijkt in het rapport vooral uit de genoemde voorbeelden van goede praktijken, en een voorgenomen update van de kwaliteitsrichtlijnen. (B28478)
- CDA, Wetenschappelijk Inst., Op weg naar houdbare overheidsfinanciën : een verkenning van de financiële kaders in de volgende kabinetsperiode
Den Haag : CDA, WI, 2009.
Wissels omzetten
In dit rapport wordt ingegaan op de omvang van de financiële opgave in de volgende kabinetsperiode(n). Vanuit een christendemocratische visie worden oplossingsrichtingen aangedragen om de overheidsfinanciën op een houdbaar pad te krijgen. In het rapport wordt stilgestaan bij het versterken van het productieve vermogen van de economie, een kleinere en slagvaardige overheid, verhoging van de arbeidsparticipatie door een meer activerende sociale zekerheid en verbetering van de efficiency in de zorg en het meer centraal stellen van de patiënt. Het rapport wil bouwstenen aanleveren voor het nieuwe CDA-verkiezingsprogramma 2011-2015. (B28471)
- Nacinovic, H. W.M.; Ubags, J. H. M., Wet investeren in jongeren
Deventer : Kluwer, 2009.
PS-special, (2009), nr. 3. WIJ
Deze PS-special is gewijd aan de op 1 oktober 2009 in werking getreden wet Investeren in jongeren (WIJ). Afgezien van een specifieke groep jongeren van 16 en 17 jaar, verplicht de WIJ gemeenten in de arbeidsinschakeling van jongeren van 18 tot 27 jaar te investeren. Ter bevordering van een duurzame en substantiële arbeidsparticipatie van jongeren, moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen: werken, leren of een combinatie daarvan. (B28345)
- FNV; Regioplan; Horssen, C. van; Blommesteijn, M.; Brukman, M., De wajong'er als werknemer : een onderzoek naar duurzame arbeidsparticipatie van Wajongers : eindrapport
Amsterdam : Regioplan, 2009.
De uitval onder werkende Wajongers is hoog. Om het werk te kunnen behouden heeft vrijwel iedere Wajonger (tijdelijk) behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Het is dan ook niet zozeer de vraag of een Wajonger ondersteund moet worden, maar hoe en door wie. In het onderzoek "De Wajonger als werknemer" worden vier typen Wajongers onderscheiden: de zelfredzamen, de specialisten, de gezelschapsspeler en de begrensden. De probleemstelling van het onderzoek luidt: Welke problemen komen werkende Wajong’ers die bij reguliere werkgevers uitvallen tegen en hoe kan de duurzaamheid van de arbeidsparticipatie van deze groep worden vergroot? Het onderzoek heeft naast een rapport ook een handreiking voor werkgevers, leidinggevenden en collega's opgeleverd. De handreiking bevat tips die kunnen helpen om Wajongers in dienst te houden. (B28318)
- CentERdata; IVA; Knoef, M.; Leenheer, J.; Nelissen, J.; Bergh, M. von, Tussenrapportage 2009 : experiment bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders WWB
Tilburg : CenERdata, 2009.
Op 1 januari 2009 is het experiment bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders WWB van start gegaan. Dit experiment onderzoekt een betere arbeidsinschakeling van bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar. In het experiment worden in een aantal experimentgemeenten (voorgeschreven) maatregelen toegepast die deeltijdwerk voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk maakt. Het doel van het experiment is inzicht te krijgen in welke mate deze maatregelen arbeidsinschakeling stimuleren. Hierbij gaat het om (1) de toetreding tot de arbeidsmarkt, (2) de stabiliteit van de arbeidsinschakeling en (3) de uitstroom uit de bijstand. Deze tussenrapportage geeft de stand van zaken van het experiment per 30 juni 2009. Daarbij wordt ingegaan op ontplooide activiteiten tot zover en de eerste resultaten. Daaruit blijkt dat het experiment, met enige vertraging, goed op gang is gekomen in de (18) deelnemende gemeentes. (B28235)
- RWI, Kansrijker werken met Wajongers : advies om de matchingsvoorwaarden tussen werkgevers en Wajongers te verbeteren
Den Haag : RWI, 2009.
Op dit moment heeft slechts een kwart van alle Wajongers werk en zien werkgevers niet altijd mogelijkheden om Wajongers binnen een organisatie in te zetten. De RWI brengt met dit advies vanuit het perspectief van werkgevers in kaart tegen welke belemmeringen werkgevers momenteel oplopen en op welke manier deze zoveel mogelijk kunnen worden opgelost, opdat er in de toekomst meer Wajongers een baan kunnen vinden en behouden. De RWI meent dat om meer jonggehandicapten aan het werk te krijgen werkgevers op een eenvoudiger manier gebruik moeten kunnen maken van de voorzieningen die worden aangeboden. Bij het aannemen van een Wajonger kunnen werkgevers gebruik maken van een aantal instrumenten, zoals loondispensatie, premiekorting, begeleiding op de werkvloer en vergoeding van werkplekaanpassingen. De RWI stelt in zijn advies voor om te onderzoeken of loondispensatie voor de werkgever even aantrekkelijk is als loonkostensubsidie, een instrument dat momenteel voor andere doelgroepen wordt gehanteerd. Verder stelt de RWI stelt voor dat het UWV één totaalpakket aan ondersteuning gaat aanbieden. Daarnaast adviseert de RWI om het instrument premiekorting om te zetten in een subsidie, zodat kleine en grote werkgevers evenveel voordeel genieten. Het advies richt zich ook op het beter in beeld brengen van de kwaliteiten en competenties van Wajongers, zodat meer werkgevers een Wajonger een arbeidsplek kunnen bieden. Zie ook B 28187: Ervaringen van werkgevers met Wajongers (B28186)
- RWI; Wissink, C. E.; Mallee, L.; Leer, van M. van; Regioplan Beleidsonderzoek, Ervaringen van werkgevers met Wajongers : onderzoek onder werkgevers naar de mogelijkheden voor verbetering van de arbeidsparticipatie van Wajongers : rapport
Den Haag : RWI, 2009.
Onderzoek naar de arbeidsparticipatiemogelijkheden werkgevers voor Wajongers bieden en hoe kunnen deze worden verbeterd. In dit onderzoek komen vooral de werkgevers aan het woord, maar daarnaast is er ook aandacht voor de ervaringen van Wajongers en dienstverleners. Het rapport beschrijft in welke sectoren en functies Wajongers momenteel werken. vervolgens gaat het rapport in op de weg naar werk: de manier waarop werkgevers en Wajongers elkaar tegenkomen, de voorzieningen die worden ingezet voor zowel werkgevers als Wajongers en het belang van een goede match tussen de mogelijkheden bij de werkgever en de mogelijkheden van de Wajonger. In een volgend hoofdstuk staat centraal op welke manier werkgevers Wajongers inzetten in hun arbeidsorganisatie. Zijn ze werkzaam in het primaire proces van de organisatie of meer in de ondersteunende functies? Wat voor aanpassingen zijn er gedaan en welke voorzieningen zijn getroffen om de Wajongers te laten functioneren? En onder welke arbeidsvoorwaarden zijn de Wajongers werkzaam bij (reguliere) werkgevers? Een slotbeschouwing schenkt onder meer aandacht aan de concrete mogelijkheden voor een toename van de arbeidsparticipatie voor Wajongers volgens werkgevers. Zie ook: B 28186 Kansrijk werken met Wajongers (B28187)
- Putten, A. E. van; NIDI, The role of intergenerational transfers in gendered labour patterns : proefschrift Universiteit Utrecht
Amsterdam : KNAW Press, 2009.
NIDI Report, nr. 79
Hoe ouders arbeid en zorg onderling verdelen beïnvloedt mede de latere arbeidspatronen van hun kinderen. Dat blijkt uit onderzoek van Anne van Putten. In haar proefschrift doet zij nader onderzoek naar de intergenerationele overdracht van arbeidspatronen. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke rol speelt intergenerationele overdracht in de betaalde en onbetaalde arbeidspatronen van mannen en vrouwen in Nederland? Aan de hand van theorieën uit de psychologie, sociologie, en economie worden drie mechanismen van intergenerationele overdracht besproken, te weten de rolmodellering van gedrag, de overdracht van hulpbronnen, en de overdracht van praktische steun. (B27974)
- SCP; Ooms, I.; Jonker, J. J.; Torre, A. van der, Werken en weldoen : kiezen voor betaalde en onbetaalde arbeid
Den Haag : SCP, 2009. 61 p.
SCP-special, nr. 33
In dit onderzoek worden de keuzes verklaard die Nederlanders maken bij de verdeling van hun tijd over betaalde arbeid, onbetaalde arbeid en vrije tijd. Onderscheiden worden drie vormen van onbetaalde arbeid: huishoudelijke taken, zorg voor kinderen en vrijwilligerswerk (inclusief mantelzorg). Geprobeerd wordt in te schatten wat het effect van een hogere arbeidsparticipatie kan zijn op de tijdbesteding aan onbetaalde arbeid en vrije tijd, en welke activiteiten daarbij eventueel in de knel dreigen te komen. De mogelijke uitruil tussen betaalde arbeid enerzijds en onbetaalde arbeid anderzijds staat hierbij centraal. (B27962)
- Vrie, N. J. van de, Wet participatiebudget en de wet stimulering arbeidsparticipatie
Deventer : Kluwer, 2009.
PS-special, (2009) nr. 2. Arbeidsparticipatie
In deze special staan twee wetten centraal: de Wet participatiebudget (Wet van 29 december 2008 tot bundeling van het WWB-werkdeel, budgetten voor inburgeringsvoorzieningen en de middelen voor volwasseneneducatie, Stb. 2008, 588) en de Wet stimulering arbeidsparticipatie (Wet van 29 december 2008 houdende regels met betrekking tot participatieplaatsen en loonkostensubsidies, Stb. 2008, 590). Beide wetten - die per 1 januari 2009 in werking zijn getreden - hebben tot doel de inschakeling in de arbeid te bevorderen. De een (Wet participatiebudget) via het bundelen en ontschotten van het WWB-werkdeel, inburgeringsbudgetten voor zover deze betrekking hebben op de inburgeringsvoorzieningen en de middelen voor volwasseneneducatie; de ander (Wet stimulering arbeidsparticipatie) via het stellen van regels met betrekking tot participatieplaatsen en loonkostensubsidies. (B27867)
- CPB; Euwals, R.; Folmer, K., Arbeidsaanbod en gewerkte uren tot 2050 : een beleidsneutraal scenario
Den Haag : CPB, 2009.
CPB Memorandum, nr. 225
Dit memorandum beschrijft een beleidsneutrale projectie voor het arbeidsaanbod en het aantal gewerkte uren per week tot 2050. De projectie ligt mede ten grondslag aan studies van het CPB met betrekking tot vergrijzing en de toekomst van de welvaartsstaat. Volgens de projectie zal de participatie van de leeftijdsgroep 20 tot 65 stijgen van 75% in 2007 naar 77% in 2015 en 78% in 2040. Vrouwen en ouderen leveren een aanzienlijke bijdrage. Het arbeidsaanbod van vrouwen stijgt naar verwachting verder doordat oudere generaties met een lage participatiegraad plaats maken voor jongere generaties met een hoger opleidingsniveau en een hogere participatiegraad. Het arbeidsaanbod van ouderen stijgt naar verwachting ook verder door hervormingen van de regelingen voor vervroegde uittreding. Tot slot leveren ook hervormingen van de regelingen voor arbeidsongeschiktheid een bijdrage aan de toename. Het gemiddelde aantal gewerkte uren per week daalt naar verwachting licht. De reden is dat de participatie van juist de groepen met een minder hoog aantal gewerkte uren per week, vrouwen en ouderen, stijgt. (B27798)
- Groen van Prinsterstichting; ChristenUnie; Kennedy-Doornbos, S.; Spijker, G. J., Samen de schouders eronder : christelijke sociale visie op gezin en werk
[Amersfoort] : Mr. G. Groen van Prinsterstichting, 2008.
In dit boek beoordeelt het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie de huidige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in gezinnen vanuit christelijk-sociaal perspectief. Het boek doet aanbevelingen om arbeidsparticipatie op verantwoorde wijze te verhogen. De auteurs beklemtonen de waarde van zorgrelaties en onbetaalde arbeid, alsmede de noodzaak van ruimte voor ouders om hun kinderen op te voeden. Ook benadrukken ze de wenselijkheid van arbeidsdeelname door ouderen. De werkgelegenheid onder ouderen kan worden verbeterd door werkgevers deels verantwoordelijk te maken voor werk-naar-werk transities en door scholing. Ook moeten vrijwillige demotie en deeltijdpensioen worden aangemoedigd. Het WI pleit bovendien voor de verhoging van de pensioenleeftijdsgrens van 65 jaar, gekoppeld aan de levensverwachting. Enkele andere aanbevelingen uit het rapport: Enkele andere aanbevelingen: Creëer meer mogelijkheden voor flexibele werktijden, schooltijdbanen en thuiswerken; Erken de waarde van onbetaalde arbeid en informele zorgrelaties; Bundel kindgebonden verlofregelingen tot flexibel verlof dat deels wordt doorbetaald; Zorg voor een studiebeurs en laag collegegeld voor 30-plussers; Snoei in het woud van inkomensvoorzieningen, regelingen en belastingkortingen; Geef meer ruimte aan de professional en aan lokale initiatieven; Voer geen vlaktaks in. (B27776)
- RMO, Verkenning participatie : arbeid, vrijwillige inzet en mantelzorg in perspectief
Den Haag : RMO, 2008.
Werkdocument, nr. 16
De vraag die in deze verkenning centraal staat is hoe Nederland ervoor staat op weg naar een participatiemaatschappij en welke knelpunten er opdoemen. Om deze vraag te beantwoorden heeft de Raad ‘de staat van de participatie’ in kaart gebracht. Daarbij is gekozen voor een focus op arbeid, vrijwillige inzet en mantelzorg. De Verkenning Participatie laat zien dat het met de algemene deelname van mensen aan arbeid, vrijwilligerswerk en mantelzorg in Nederland relatief goed gesteld is. Toch zijn er specifieke groepen die structureel weinig participeren en daarom specifieke aandacht behoeven zoals ouderen, jongeren met een functiebeperking en langdurig werklozen. Werkende ouders en werkende mantelzorgers, zogenaamde takencombineerders, participeren juist veelvuldig maar lopen daarbij het risico overbelast te raken. (B27661)
- Schreuder, K. P. A. B., Trade unions and the work-family balance : proefschrift Universiteit van Amsterdam
[Amsterdam] : K. Schreuder, 2009.
Kilian Schreuder onderzocht of arbeids- en zorgonderwerpen, in het licht van de stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen, aan belang hebben gewonnen in CAO-onderhandelingen. Hij stelt dat CAO's waar relatief veel vrouwen onder vallen niet per se veel arbeids- en zorgregelingen blijken te bevatten. Dit onderwerp staat daar ook niet vaker dan elders op de vakbondsagenda. Volgens Schreuder zijn het juist de centrale aanbevelingen en de mate waarin arbeids- en zorgregelingen in de voorgaande CAO zijn uitgekristalliseerd die voor vakbondsonderhandelaars leidend zijn bij het bepalen van het belang van arbeid en zorg op hun agenda. Het vakbondsbeleid is er namelijk op gericht om in alle sectoren van de arbeidsmarkt een bepaald minimumniveau aan arbeids- en zorgregelingen af te spreken. Daardoor zijn werknemers met zorg voor kleine kinderen minder beperkt in hun keus wanneer zij werk zoeken. Ook kunnen werkgevers aantrekkelijker worden voor een bredere groep potentiële werknemers. Bovendien hopen vakbonden meer leden te werven onder vrouwen door zich specifiek voor deze groep in te spannen. Schreuder concludeert dat er geen direct verband is tussen het aandeel vrouwen onder een CAO en arbeids- en zorgregelingen op de vakbondsagenda dan wel in de CAO. Volgens hem blijkt echter dat de arbeidsparticipatie van vrouwen een indirecte, positieve invloed heeft gehad op de uitbreiding van arbeids- en zorgregelingen in de collectieve arbeidsvoorwaarden in Nederland. (B27604)
- Cie fundamentele herbezinning Wsw, Werken naar vermogen : advies van de commissie fundamentele herbezinning Wsw
[Den Haag] : Cie fundamentele herbezinning Wsw, 2009.
De Cie fundamentele herbezinning Wet sociale werkvoorziening had als opdracht na te gaan hoe de participatie van mensen met een arbeidsbeperking kan worden vergroot zonder dat dit meer geld kost. Om de problematiek goed in beeld te krijgen heeft de commissie de belangrijkste regelingen die bedoeld zijn om mensen aan het werk te helpen en de uitvoering ervan tegen het licht gehouden: de Wsw, de WWB, de Wajong, de Wet WIA en de WW. De commissie heeft daarbij alleen gekeken naar de mogelijkheden voor mensen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen en die om te kunnen werken vaak voor langere tijd gebruik moeten maken van allerlei voorzieningen. Kernthema van het advies is 'werken naar vermogen'. De commissie stelt in het advies werk boven uitkering en adviseert voor iedereen, ongeacht de uitkering, dezelfde re-integratiemiddelen beschikbaar te stellen. Mensen met een arbeidsbeperking moeten volgens de commissie zo veel mogelijk bij een gewone werkgever werken tegen een loon dat in overeenstemming is met hun daadwerkelijke productiviteit. De werkgever krijgt toestemming om minder te betalen dan het wettelijke minimumloon als de productiviteit van de werknemer daaronder ligt. De werknemer ontvangt dan een aanvulling van de overheid. Werknemers die meer gaan werken gaan in dit systeem ook meer verdienen. (B27577)
- OSA; Borghouts-van de Pas, I.; Pennings, F., Arbeidsparticipatie van jonggehandicapten : een onderzoek naar Europese systemen en praktijken
Tilburg : OSA, 2008.
In dit rapport staat de volgende probleemstelling centraal: Wat zijn de overeenkomsten en verschillen in de systemen (instituties en wet- en regelgeving) ten aanzien van de arbeidstoeleiding, plaatsing en behoud van werk voor jonggehandicapten in Europa en welke lessen kunnen uit nationale goede praktijkvoorbeelden worden geleerd. De volgende landen zijn in het onderzoek betrokken: Duitsland, België, Groot-Brittannië, Denemarken, Ierland en Tsjechië. Een belangrijk gegeven is dat in de onderzochte landen er geen specifieke inkomensvoorziening voor jonggehandicapten bestaat. De enige regeling die overlap vertoont met de Wajong is de Britse ‘Incapacity in Youth’ regeling. Dit is geen aparte uitkering, maar een aparte set van regels voor jongeren die een Incapacity Benefit aanvragen. In de onderzochte landen blijken er wel diverse activiteiten te zijn om gehandicapte jongeren aan het werk te houden of te krijgen. In het algemeen kan echter worden gesteld dat het beleid zich nog in de kinderschoenen bevindt. In alle onderzochte landen zijn werkgevers huiverig om jonggehandicapten in dienst te nemen. Uit het onderzoek zijn een aantal succesfactoren af te leiden voor het succesvol integreren van jonggehandicapten op de arbeidsmarkt. Van belang is o.a. dat partijen die betrokken zijn bij de re-integratie (inclusief de jongeren zelf) zich committeren aan het project, zowel moreel als financieel en dat goed onderzocht is welke ondersteuning een persoon met een beperking nodig heeft om aan het werk te komen. De praktijkvoorbeelden uit dit onderzoek laten zien dat ook personen met een beperking een baan kunnen vinden op de reguliere arbeidsmarkt. Het sleutelwoord is en blijft: maatwerk. Een succesvol Nederlands integratiebeleid van jongeren kan heel goed als exportproduct leiden. In het buitenland staat het integratiebeleid van jonggehandicapten immers (ook) nog in de kinderschoenen. Met het oog op dit exportproduct zijn goede evaluaties en goede experimenten met integratieprojecten van jongeren des te meer noodzakelijk. Zie ook bijbehorend bijlagenboek: B 27534 (B27533)
- OSA; Bollens, J.; Tomes, I.; Koldinská, K.; Greve, B.; Litz, A.; Eichenhofer, E.; Jenak, A.; Cousins, M.; Roberts, S., Integration into work of persons who were already disabled before adulthood : national reports : annex
Tilburg : OSA, 2008.
Landenrapporten bij de OSA-studie 'Arbeidsparticipatie van jonggehandicapten' (B 27534) over de volgende landen: Duitsland, België, Groot-Brittannië, Denemarken, Ierland en Tsjechië. Per land worden tevens een aantal goede praktijken gegeven. (B27534)
- Min. EZ; Min. BUZA; Min. van Financiën; Min. SZW, Nationaal Hervormingsprogramma Nederland 2008 - 2010 : in het kader van de Lissabonstrategie
Den Haag : Min. EZ, 2008.
In het Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) 2008-2010 bericht Nederland over de maatregelen die worden genomen om de Lissabondoelstellingen te realiseren. De Lissabonstrategie kent een cyclus van drie jaar: eens in de drie jaar wordt een Hervormingsprogramma opgesteld, de twee daarop volgende jaren een Voortgangsrapportage. De nadruk in dit NHP ligt op beleid op het terrein van de arbeidsparticipatie en private R&D. Deze terreinen zijn door de Europese Voorjaarsraad 2008 aangemerkt als specifiek van belang voor Nederland. (B27498)
- Inspectie Werk en Inkomen, Resultaten van het project aangestuurd en uitgevoerd : nota van bevindingen
Den Haag : IWI, 2008.
N08/16
Het onderzoek aangestuurd en uitgevoerd is onderdeel van het programma participatie van de inspectie werk en inkomen. Deze notitie bevat de resultaten van het onderzoek naar de wijze waarop UWV, CWI en gemeenten in hun beleid aandacht besteden aan de re-integratie / participatie van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De vraagstelling van het project aangestuurd en uitgevoerd luidt als volgt: Op welke wijze geven uitvoeringsinstanties en gemeenten invulling aan het participatiebeleid voor kwetsbare groepen (fase 1), op welke manier wordt dat beleid uitgevoerd (fase 2) en wat zijn de resultaten van de gekozen aanpak? (B27397)
- Inspectie Werk en Inkomen, Zicht op 'Iedereen doet mee' : stand van zaken uitvoering participatiebeleid zomer 2008
Den Haag : IWI, 2008.
R08/17
Wie werkt, voelt zich meer betrokken bij de samenleving. Daarom moeten meer mensen die nu nog niet werken, aan de slag. Vooral mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die al lange tijd een uitkering hebben, moeten weer gaan deelnemen aan de samenleving. Zij hebben daarbij wel recht op hulp. In dit rapport maakt de inspectie de stand van zaken op van de uitvoering van de participatiedoelstellingen uit het coalitieakkoord van februari 2007. Het onderzoek concludeert dat werkzoekenden die zelf niet in staat zijn om werk te vinden, meer hulp moeten krijgen bij het vinden van een baan. CWI, UWV en gemeenten helpen veel mensen bij het vinden van werk. Daarin is de afgelopen jaren al veel verbeterd. De hulpverlening zou nog wel aan kracht en snelheid kunnen winnen. De mensen die de hulp het hardst nodig hebben krijgen die nog niet in voldoende mate. Bovendien krijgen ze vaak dezelfde hulp als mensen die makkelijk zelf werk kunnen vinden. (B27392)
- Inspectie Werk en Inkomen, Dienstverlening aan vluchtelingen met een hoge opleiding, alleenstaande ouders en 45-plussers : nota van bevindingen
Den Haag : IWI, 2008.
N08/14
Niet alle uitkeringsgerechtigden profiteren van de krapte op de arbeidsmarkt die mogelijkheden biedt om te werken. De SUWI-partners geven aan dat het grootste deel van de uitkeringsbestanden bestaat uit mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, de kwetsbare groepen. IWI heeft in dit onderzoek gekeken naar de dienstverlening aan kwetsbare groepen. Er is ingezoomd op drie groepen, die naar hun aard en omvang tevens zouden kunnen bijdragen aan de oplossing van de huidige arbeidsmarktproblematiek, namelijk vluchtelingen met een hoge opleiding en alleenstaande ouders in de WWB en 45 plussers die bedreigd worden met ontslag. (B27395)
- Steenvoorden. E., Hoe werkt opleiding? : een internationaal vergelijkend onderzoek naar opleidingsverschillen in de arbeidsparticipatie van vrouwen
[Amsterdam] : VU, 2008.
Waarom werken lageropgeleide vrouwen minder dan hoogopgeleide vrouwen? In deze thesis wordt dat in verschillende landen onderzocht aan de hand van zowel individuele opvattingen en omstandigheden als cultuur en beleid. Er is nagegaan of deze kenmerken opleidingsverschillen in arbeidsparticipatie verklaren. Allereerst zijn de opleidingsverschillen in arbeidsparticipatie van vrouwen in dertien Europese landen en de Verenigde Staten in kaart gebracht. De opleidingsverschillen blijken dan in Nederland relatief klein in vergelijking met andere EU-landen. Van de onderzochte kenmerken blijken alleen de individuele opvattingen de opleidingsverschillen in arbeidsparticipatie te verklaren in een aantal landen, waaronder Nederland. Lageropgeleide vrouwen werken minder vaak doordat ze traditionelere opvattingen hebben over de rol van vrouwen in betaalde arbeid en de zorg voor kinderen dan hoogopgeleide vrouwen. De kindsituatie, de nationale familiecultuur en verschillende beleidsmaatregelen blijken geen van alle te verklaren waarom lageropgeleide vrouwen minder vaak werken dan hoogopgeleide. Masterthesis Sociologie van mondialisering en diversiteit Vrije Universiteit (B27279)
- ABU, De uitzendbranche als aanjager van de werkgelegenheid : advies door de commissie De Vries over de bevordering van de arbeidsparticipatie
Lijnden : ABU, 2008.
Advies over de rol van de uitzendbranche bij het verhogen van de arbeidsparticipatie. In dit advies doet de commissie de Vries een aantal aanbevelingen voor maatregelen waarvan uitvoering de arbeidsparticipatie in hoge mate zal kunnen bevorderen, waaronder meer betrokkenheid van de uitzendbranche bij beroepsgerichte scholing, en bij re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers). Volgens het advies kan de uitzendsector in 2009 37.500 personen extra aan het werk te helpen. Dit aantal kan oplopen tot 77.500 in 2012. (B27229)
- SCP; Kwekkeboom, M. H.; Weert,, Meedoen en gelukkig zijn : een verkennend onderzoek naar de participatie van mensen men een verstandelijke beperking of chronische psychiatrische problemen
Den Haag : SCP, 2008.
SCP-publicatie, nr. 2008/17
Meedoen’ – dat is het sleutelwoord in het beleid voor mensen met beperkingen. Maar wat houdt dat meedoen eigenlijk in en wat is ervoor nodig om te willen of kunnen meedoen? Betekent meedoen ook dat je er gelukkiger van wordt? Heeft meedoen dezelfde betekenis voor mensen met een verstandelijke beperking als voor mensen met chronische psychiatrische problemen, en zo nee: wat is dan het verschil? Op deze en andere vragen wordt in dit rapport een antwoord gezocht. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van gegevens over op zichzelf wonende mensen met een verstandelijke beperking of chronische psychiatrische problemen in Zuidwest-Nederland. Hun meedoen wordt aan de hand van een model aan de ene kant in verband gebracht met voorwaarden voor participatie. Aan de andere kant wordt nagegaan of en welke vormen van participatie bijdragen aan hun geluk. (B27196)
- FF werken; Stadsdeel Amsterdam Noord; Oei, J. van; Zwaan, I.; Blok, E., FF werken : uitzendbureau voor jongeren in Amsterdam Noord
Amsterdam : Stadsdeel Amsterdam Noord, 2008.
Het fotoboek ff werken laat betrokkenen – jongeren, professionals en bestuurders – aan het woord, om de aanleiding, het proces en de resultaten van het project ff werken met anderen te delen. Trots over het project is de rode draad die door het fotoboek loopt. ‘ff werken’ is een werkgelegenheidsproject voor jongeren uit Amsterdam-Noord. In 2006 gestart om jongeren van 18-23 jaar, die niet meer naar school gingen en niet bereikt werden door de reguliere instanties te ondersteunen en begeleiden naar een baan. In samenwerking met Randstad Rentree is in juli 2006 ff werken gestart met een groep van 50 jongeren. Grotendeels geworven door ze op straat aan te spreken met de vraag: “Wil je geholpen worden bij het krijgen van een baan?” De resultaten van het project na twee jaar zijn goed. Terwijl nu de derde groep jongeren aan het instromen is, is van de eerste groepen jongeren meer dan 50% in een baan terechtgekomen. (B27197)
- OSA; Bekker, S.; [et al.], Trendrapport aanbod van arbeid 2007
Tilburg : OSA, 2008.
OSA-publicatie, nr. A234
Tweejaarlijks rapport over de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. In de rapportage komen de volgende thema's aan de orde: arbeidsparticipatie, de arbeidsmobiliteit en het zoekgedrag van werkenden en werklozen, arbeidsomstandigheden, werktevredenheid en ziekteverzuim, lonen en secundaire arbeidsvoorwaarden, scholing, flexibele arbeid en nuggers (niet-uitkeringsgerechtigde niet-werkenden). (B27150)
- Gestel, N. van; Benders, J.; Nijs. W. de [et al.], Arbeidsbestel en werknemersparticipatie : liber amicorum voor Fred Huijgen
Den Haag : Lemma, 2008. 223 p.
Liber Amicorum voor Fred Huijgen, die op 13 juni 2008 afscheid nam als hoogleraar Sociale Bedrijfskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het boek reflecteert zijn brede belangstelling voor arbeidsvraagstukken in organisatie en maatschappij. Het bevat beschouwingen over werknemerszeggenschap op verschillende niveaus in het arbeidsbestel: van de maatschappij als geheel tot inkijkjes in organisaties. (B26974)
- CPB ; Euwals, R. ; Knoef, m. ; Vuuren, D. van, The trend in female labour force participation. What can be expected for the future?
Den Haag : CPB, 2007.
Discussion paper, nr. 93
Gedurende de jaren tachtig en negentig is de participatiegraad van vrouwen sterk gestegen. Onderzoek naar de participatietoename over de opeenvolgende generaties. Er wordt een onderbouwde raming gemaakt voor de toekomstige participatie. Deze groei zal naar alle waarschijnlijkheid in de komende jaren afnemen. (B27136)
- CPB, Effecten van participatiebeleid
Den Haag : CPB, 2008.
CPB Notitie
De Commissie Arbeidsparticipatie heeft het CPB gevraagd naar de effecten van diverse beleidsopties op de arbeidsparticipatie en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Deze notitie bevat de gevraagde analyse. Gezien het verzoek van de Commissie ligt de nadruk op participatie- en houdbaarheidseffecten van beleidsopties, maar op sommige punten is gekozen voor een wat bredere invalshoek: draagt het bij aan het vergroten van de maatschappelijke welvaart? Beleid dat participatie bevordert, is niet noodzakelijkerwijs ook welvaartsverhogend. Meer participatie betekent immers tegelijkertijd minder vrije tijd, die op zichzelf ook waardevol is. Beleid dat niet bijdraagt aan participatie- of houdbaarheidsdoelstellingen, kan welvaartsverhogend zijn, bijvoorbeeld omdat het de inkomensverdeling in een gewenste richting beïnvloedt of inkomensrisico's verkleint. (B27010)
- SCP; Harms, L., Overwegend onderweg : de leefsituatie en de mobiliteit van Nederlanders
Den Haag : SCP, 2008. 321 p.
SCP-publicatie, nr. 2008/13
In deze studie wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen en veranderingen in de uithuizigheid en mobiliteit van Nederlanders. De volgende vragen staan daarbij centraal: Hoe heeft de mobiliteit van de Nederlandse bevolking zich gedurende de afgelopen decennia ontwikkeld? Welke maatschappelijke ontwikkelingen zijn daarop van invloed geweest? Welke verschillen zijn er tussen bevolkingsgroepen in uithuizigheid en mobiliteit? Welke beweegredenen zijn er voor het onderweg zijn? En hoe ervaren en beleven Nederlanders de dagelijkse mobiliteit? Uit het rapport blijkt onder meer dat door veranderingen in de leefsituatie Nederlanders voor hun dagelijkse activiteitenpatronen in toenemende mate voor de auto kiezen. De afgelopen decennia is er weinig veranderd in de tijdstippen waarop Nederlanders onderweg zijn. Wel lijken de pieken in het woon-werkverkeer en het onderwijsgerelateerde verkeer in toenemende mate samen te vallen met andere vormen van mobiliteit. Met bijna 45% van alle verreden kilometers en bijna 40% van alle gemaakte verplaatsingen is vrije tijd de belangrijkste bron van mobiliteit. (B26967)
- RWI, Van werk naar werk : activiteiten voor met werkloosheid bedreigde werknemers, de rol van O&Ofondsen en intersectorale mobiliteit
Den Haag : RWI, 2008. 75 p.
Via Van Werk Naar Werk-afspraken (VWNW) kunnen werknemers duurzaam inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt. De RWI ziet primair een rol weggelegd voor werkgevers en werknemers om op bedrijfs- en instellingsniveau gezamenlijk acties te ondernemen om mensen binnen óf buiten de huidige werkkring aan de slag te houden. Via lokale, regionale, sectorale én intersectorale samenwerking valt nog veel winst te behalen. In het bijzonder geldt dit voor het midden- en kleinbedrijf. De RWI wijst in het bijzonder op de mogelijkheden van O&O-fondsen. Deze fondsen kunnen activiteiten ontplooien gericht op zowel een brede en duurzame inzetbaarheid, als op het op een gezondere manier laten werken van werknemers. Hierbij is het belangrijk dat O&O-fondsen meer onderling gaan samenwerken, zodat ze ook over de grenzen van hun sector actief kunnen zijn. (B26966)
- Taskforce DeeltijdPlus, Een plus een is drie : werkplan Taskforce Deeltijdplus
[Den Haag] : Taskforce DeeltijdPlus, 2008. 33 p.
Tijdens de Participatietop van 27 juni 2007 hebben het kabinet, werkgevers- en werknemers organisaties het initiatief genomen om een Taskforce DeeltijdPlus op te richten. Doel van deze Taskforce is het vergroten van de arbeidsdeelname in uren van vrouwen. De Taskforce DeeltijdPlus is ingesteld voor een periode van twee jaar en gestart op 1 april 2008. Het werkplan bevat onder meer informatie over de visie en doelstelling van de Taskforce DeeltijdPlus, een analyse van de doelgroepen, een overzicht van de activiteiten van de Taskforce DeeltijdPlus, een beschrijving van de communicatiedoelstellingen, -strategie en middelen alsmede een toelichting over de positionering van de Taskforce. Voorts wordt aangegeven op welke wijze de Taskforce DeeltijdPlus zijn doelstelling en activiteiten zal evalueren en hoe de bereikte resultaten te borgen. (B26960)
- Commissie Arbeidsparticipatie, Naar een toekomst die werkt : advies Commissie Arbeidsparticipatie
Z.P. : Z.U., 2008.
De Commissie Arbeidsparticipatie, onder voorzitterschap van dhr. Bakker, heeft in opdracht van de minister van SZW voorstellen geformuleerd die ertoe leiden dat in Nederland meer mensen meer aan het werk gaan en dat de werking van de arbeidsmarkt verbeterd wordt
Belangrijke conclusie van de Commissie is dat de arbeidsmarkt in Nederland aan de vooravond staat van een fundamentele verandering. Dit komt doordat er in de komende decennia meer werk is en er minder mensen zijn. En door de globalisering nemen de eisen aan het kennisniveau en aanpassingvermogen van de beroepsbevolking toe.
De Commissie ziet kansen en mogelijkheden om de discussie over werken er één van hoop in plaats van angst te maken. Om de talenten van iedereen te ontwikkelen, kwetsbare groepen aan het werk te helpen en mee te laten doen. Om deze kansen te benutten doet de Commissie voorstellen om:
• Nu meer mensen aan het werk te krijgen
• Structureel aan te sturen op inzetbaarheid en werkzekerheid
• Mensen geleidelijk langer te laten werken.
De Commissie pleit voor een cultuurverandering ondersteund door nieuwe maatregelen op het gebied van arbeidsmarkt en socialeverzekering. (B26930)
- UWV; Berendsen, E.; Havinga, H.; Stoutjesdijk, M., De participatiemogelijkheden van de Wajonginstroom : een onderzoeksrapport in het kader van het dossieronderzoek Wajong 2007
Amsterdam : UWV, 2008.
Kenniscahier, nr. 08-01
Onderzoek naar de participatiemogelijkheden van Wajongers, binnen de huidige wetgeving en uitvoeringskaders. Het gaat hier om Wajongers die tussen 2002 en 2006 zijn ingestroomd. Het rapport bevat een analyse van het oordeel over de participatiemogelijkheden bij instroom alsmede een analyse van de feitelijke situatie. Vervolgens vindt de confrontatie plaats van oordeel en feitelijke situatie. (B26922)
- MKB-Nederland; LangmanEconomen, “Wat werkgevers weerhoudt” : belemmeringen voor een hogere arbeidsdeelname
Delft : MKB-Nederland, 2008.
MKB-Nederland heeft de grootste belemmeringen van het werkgeverschap in kaart gebracht. Daaruit blijkt dat ondernemers die in essentie wel personeel willen aannemen, hiervan worden weerhouden omdat zij de kosten en risico’s die dit met zich meebrengt niet kunnen overzien en het daarom niet aandurven. De kosten en risico’s van het werkgeverschap zijn de afgelopen zeven jaar fors toegenomen door nieuwe wet- en regelgeving. MKB-Nederland stelt dat de arbeidsparticipatie in Nederland niet zal toenemen als ontlastende maatregelen voor de hoeveelheid kosten en verantwoordelijkheden, die werkgevers momenteel moeten dragen voor hun personeel, uitblijven. MKB-Nederland is van mening dat de kosten en niet-beïnvloedbare risico´s van het in dienst hebben van personeel moeten worden beperkt en evenredig verdeeld. Ook moet de ´mismatch´ tussen vraag en aanbod worden opgelost. MKB-Nederland doet concrete voorstellen voor maatregelen die de arbeidsdeelname kunnen verhogen. MKB-Nederland heeft de onderzoeksresultaten ingebracht bij de commissie-Bakker, die de ondernemerskoepel om extra input heeft gevraagd voor het arbeidsmarktadvies dat zij half juni presenteert aan het kabinet. (B26904)
- TNO Kwaliteit van Leven; [et al.], Participatiemogelijkheden van Wajongers
Hoofddorp : TNO Kwaliteit van Leven, 2008.
Onderzoek naar de mogelijkheden tot participatie voor instromers in de Wajong (eventueel in te delen in groepen met meer of minder mogelijkheden)? En naar wat er nodig is (bijvoorbeeld voorzieningen / re-integratiemiddelen) om de participatiemogelijkheden maximaal te benutten? (B26913)
- TNO Kwaliteit van Leven; [et al.], Scholing en arbeidsintegratie van Wajongers met ernstige scholingsbelemmeringen: volumeontwikkeling en effectiviteit
Hoofddorp : TNO Kwaliteit van Leven, 2008.
De kernvraag van het onderzoek is: Hoe groot is de groep van Wajongers met perspectief op arbeid, die binnen de reguliere vormen van onderwijs en re-integratiedienstverlening niet kan worden geschoold en begeleid naar werk en hoe ontwikkelt de omvang van deze groep zich in de komende jaren, dit mede in het licht van de beleidsvoornemens en de ontwikkelingen in het onderwijsveld? Daartoe wordt allereerst een raming gepresenteerd van het aantal Wajongers dat de komende jaren bij de REA-scholingsinstituten een traject zal volgen op grond van de Subsidieregeling. Vervolgens worden de scholings- en re-integratiemogelijkheden geïnventariseerd die er voor de doelgroep bestaan buiten de vijf
REA-scholingsinstituten. Daarna wordt nader ingegaan op de kosteneffectiviteit van de REA-scholingsinstituten in vergelijking met alternatieve voorzieningen. (B26914)
- OSA; Román, A.; Schippers, J., Inzet van lager opgeleiden op de Nederlandse arbeidsmarkt : werkgevers aan zet
Tilburg : OSA, 2008.
OSA-publicatie, nr. A233
De inzet van laag geschoolden, individuen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt vormt een belangrijk thema in sociaal-economische beleidsdiscussies. In dit onderzoek wordt gekeken naar mogelijkheden om bestaande functies aan te passen zodat het mogelijk wordt laag geschoolden in te zetten. Ook wordt gekeken naar de knelpunten en condities waaronder succesvolle inzet van laag opgeleiden mogelijk zou moeten zijn. Scholing is daarbij een sleutelbegrip. Ook de aanpassing van CAO's en andere regelingen blijkt een belangrijke voorwaarde te zijn voor succesvolle aanpassing van functies ten behoeve van lager opgeleiden. (B26912)
- NTN Activering; EQUAL; Agentschap SZW; Jongerius, M.; Wesdorp, P., Boven het maaiveld : eindrapport EQUAL Nationaal Thematisch Netwerk Activering
Den Haag : Agentschap SZW, 2007.
De subsidieregeling EQUAL is een communautair programma van het Europees Sociaal Fonds (ESF) gericht op het creëren van gelijke kansen en het bestrijden van discriminatie op de arbeidsmarkt. Eind 2005 zijn in Nederland binnen het thema Activering 26 EQUAL-projecten van start gegaan gericht op het verbeteren van de (her)intredingsmogelijkheden van groepen met een achtergestelde positie op de arbeidsmarkt. Deze projecten hebben zich gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten, mensen met meervoudige problematiek en jongeren. De eindrapportage bevat aanbevelingen ten behoeve van beleid en uitvoering. Voorts wordt de werkwijze van het NTN beschreven en bevat het rapport een presentatie van de verschillende projecten in hun beleidsmatige context. (B26820)
- NTN Leren en Werken; EQUAL; Agentschap SZW; Hoedt, M. den; Vries, S. de; Metsemakers, W., Ruimte geven aan persoonlijke kracht en samenwerking in de keten leren en werken : resultaten van de tweede tranche EQUAL-projecten : eindrapport EQUAL Nationaal Thematisch Netwerk Leren en Werken
Den Haag : Agentschap SZW, 2007.
Het NTN Leren en Werken presenteert in deze eindrapportage de door de projecten ontwikkelde good practices en doet aanbevelingen over de mogelijkheden voor beleid en uitvoering om op het terrein van leren en werken te komen tot gelijke kansen. Om de geselecteerde good practices van de verschillende projecten op een gestructureerde manier te kunnen presenteren, heeft het NTN een viertal thema’s geformuleerd welke de rode draad vormen in de succesvolle aanpak van deze projecten: 1. Voortrajecten; 2. Regionale samenwerking en werkgeversperspectief; 3. (H)erkennen van competenties, o.a. de EVC methodiek en de rol van docenten; 4. Langer doorwerken van oudere medewerkers. (B26823)
- Centre for European Reform; Barysch, K.; [et al.], The Lisbon scorecard VIII : is Europe ready for an economic storm?
Londen ; CER, 2008.
Na meer dan een half decennium van economische somberheid, hebben de jaren 2006 en 2007 weer enig optimisme naar Europa gebracht. Een snellere groei van het BBP en een dalende werkloosheid waren minstens gedeeltelijk toe te schrijven aan de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen. Maar overheden kunnen niet zelfgenoegzaam achterover leunen. Vooral niet in een tijd waar de recessie Europa's economische veerkracht test. De achtste Lissabon Scorekaart toont hoeveel lidstaten van de EU nog moeten doen om innovatie bevorderen, mensen te laten toetreden tot het arbeidsproces, uitstoot van broeikasgassen verminderen en te voldoen aan hun vele andere Lissabon-doelstellingen. (B26753)
- SCP; RWI; Echtelt, P. van; Hoff, S. van, Wel of niet aan het werk : achtergronden van het onbenut arbeidspotentieel onder werkenden, werklozen en arbeidsongeschikten
Den Haag : SCP, 2008.
SCP-special
Het rapport beschrijft het 'onbenut arbeidspotentieel' onder werkenden, werklozen en arbeidsongeschikten. Bekeken is wat deze groepen stimuleert of juist ervan weerhoudt om te gaan werken of de arbeidsduur uit te breiden. Ook wordt ingegaan op hun ervaringen met re-integratie in geval van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Uit het onderzoek komt naar voren dat veel mensen met een uitkering het liefst in deeltijd willen werken. (B26629)
- Min. EZ; Min. BUZA; Min. van Financiën; Min. SZW, Voortgangsrapport 2007 van het Nationaal Hervormingsprogramma Nederland 2005 - 2008 : in het kader van de Lissabonstrategie
Den Haag : Min. EZ, 2007.
Het Voortgangsrapport 2007 bericht over de stand van zaken van hervormingen aangekondigd in het Nationaal Hervormingsprogramma 2005-2008 en de ambities van het nieuwe kabinet ten aanzien van het bevorderen van groei en werkgelegenheid. Het Voortgangsrapport sluit nauw aan bij het beleidsprogramma en de Miljoenennota 2008. Aan de orde komen ambities en initiatieven op het terrein van o.a. arbeidsparticipatie, ondernemingsklimaat, kennis en innovatie en energie en duurzaamheid. (B26299)
- OECD, Netherlands : OECD economic surveys 2008
Parijs : OECD, 2008.
OECD economic surveys, Vol. 2008/1
OESO landenexamen Nederland. Het rapport richt zich op het verhogen van de arbeidsparticipatie. het terugdringen van de arbeidstekorten, het terugbrengen van outsiders op de arbeidsmarkt, het verhogen van het aantal arbeidsuren door een betere mogelijkheden voor het combineren van werk en gezinsleven, het benutten van de economische voordelen van immigratie. (B26503)
- RWI, De wijk Inc. : ondernemerschap en arbeidsparticipatie in aandachtswijken
Den Haag : RWI, 2007.
Handreiking
Onderzocht wordt welke bijdrage vergroting van de arbeidsparticipatie kan leveren aan de sociale cohesie en de leefbaarheid van de veertig aandachtswijken en welke concrete initiatieven en ideeën er in de private sector bestaan om invulling te geven aan wijkgerichte projecten ter oplossing van de arbeidsmarktproblematiek? De RWI is van mening dat er goede mogelijkheden zijn om de sociaal-economische situatie in de probleemwijken te verbeteren. De RWI bepleit slimme, innovatieve deals en coalities tussen bedrijfsleven, projectontwikkelaars, gemeenten, woningcorporaties, onderwijsinstellingen en bewoners. Hiermee kunnen de bedrijvigheid en werkgelegenheid – en daarmee ook de leefbaarheid – in de wijken toenemen. Ook de landelijke overheid, uitkeringsinstanties en re-integratiebedrijven moeten hun aanpak bijstellen. Voor bedrijven geldt dat in de probleemwijken onbenut arbeidspotentieel schuilgaat. Hiermee kunnen zij hun nijpende personeelstekorten tegengaan. Opmerkelijk is ook dat uit onderzoek is gebleken dat in deze wijken meer mensen aan het werk willen dan altijd werd aangenomen. (B26468)
- RWI; Nicis Inst.; Argiolu, R.; Geerdes, C.; Wattimena, E., Arbeidsparticipatie wijken : analyse praktijkvoorbeelden
Den Haag : RWI, 2007.
Nicis Institute inventariseerde, op verzoek van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI), ruim
veertig praktijkbeschrijvingen van projecten gericht op het vergroten van de arbeidsparticipatie. Ook vond er een survey plaats onder de projectleiders van deze arbeidsmarktprojecten. Dit rapport vat de hoofdlijnen samen, beschrijft de leerervaringen en benoemt de meest opmerkelijke aspecten. De rode draad is voortdurend op welke wijze publiek-private samenwerkingsverbanden maximaal bij kunnen dragen om de arbeidsparticipatie in de krachtwijken te vergroten. Daarbij wordt aangesloten bij een aantal hoofdthema’s. Deze hoofdthema’s zijn: • opbrengsten van de projecten, afgezet tegen de inspanningen; belemmeringen bij de uitvoer van de projecten; het verleiden van private actoren om projecten te starten; effectiviteit van publiek-private samenwerking; verhouding tussen publiek en private verantwoordelijkheden; volume en kopieerbaarheid van de projecten. (B26469)
- CPB; Suijker, F., Verdubbeling van de instroom in de Wajong : oorzaken en beleidsopties
Den Haag : CPB, 2007.
CPB document, nr. 156
De instroom in de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong) is sterk gestegen. Dit document zet de recente ontwikkelingen bij de Wajong op een rij, gaat in op de mogelijke oorzaken en schetst een aantal beleidsopties om de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te verhogen. De belangrijkste conclusie is dat er volop mogelijkheden zijn om via nieuw beleid de instroom in de Wajong te beperken en de arbeidsparticipatie te bevorderen. (B26430)
- Allen, J. ; Grip, A. de; ROA, Skill obsolescense, lifelong learning and labor market participation
Maastricht : ROA, 2007.
Research memorandum, nr. ROA-RM-2007/6
De vraag is of technologische verandering, veroudering van ervaring met zich mee brengt en in welk opzicht dat te maken heeft met levenlang leren. Het onderzoek spitst zich toe op oudere Nederlandse werknemers (tussen 40 en 62). Er wordt onderzoek gedaan met 2 modellen, een statisch en een dynamisch model. Met conclusies. (B26201)
- RWI, De drempel over : advies over het aanboren van onbenut arbeidspotentieel
Den Haag : RWI, 2007.
Advies over de positie van niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden (nuggers). Aan de hand van de gegevens uit CBS-onderzoek wordt ingegaan op de om op de omvang, samenstelling en kenmerken van het participatiepotentieel, waaronder de nuggers, in de jaren 2005 en 2006. Vervolgens worden de gegevens over de Nug-populatie zoals die naar voren komen uit de analyse van het cliëntstromenbestand over de periode 2001 tot en met 2005 geanalyseerd. Specifiek wordt hier ingegaan op de nuggers die staan ingeschreven bij het CWI. De dienstverlening door gemeenten en CWI aan nuggers komt daarna aan bod. evenals de ervaringen van nuggers zelf. Tot slot worden conclusies getrokken, waarna in de laatste paragraaf een aantal aanbevelingen wordt geformuleerd. Een kleine half miljoen mensen, die géén uitkering hebben, wil aan het werk. Volgens de RWI is het hoog tijd om deze grote arbeidsreserve te mobiliseren voor de arbeidsmarkt. Het inschakelen van deze niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden kan een grote stap zijn in het bestrijden van de huidige en toekomstige personeelstekorten. De RWI beveelt sectoren, werkgevers, gemeenten en de Centra voor Werk en Inkomen aan zich bij personeelswerving en arbeidsbemiddeling meer dan tot nu toe gebeurt op deze groep te richten. (B26182)
- CBS; Hersevoort, M.; Goedhuys, M.; Haar, D. ter; Hagoort, K.; Centrum voor Beleidsstatistiek, Wie willen er werk? 2007 : participatiepotentieel in 2005 en 2006
Voorburg : CBS, 2007.
Onderzoek naar de omvang van de potentiële beroepsbevolking. Het onderzoek richt zich met name op het participatiepotentieel dat geen uitkering heeft. Uit het onderzoek blijkt dat in 2006, 1,7 miljoen Nederlanders van 15 tot en met 64 jaar, die geen voltijd onderwijs volgden, geen werk of uitkering hadden. Een kwart van deze groep wilde werk voor twaalf uur of meer in de week. De 453 duizend personen zonder werk en zonder uitkering die geen voltijd onderwijs volgden en wel werk wilden, vormden het participatiepotentieel zonder uitkering. Meer dan de helft van het participatiepotentieel zonder uitkering bestond uit samenwonende of gehuwde vrouwen. Niet iedereen die werk wil, zoekt ook actief naar werk. Van het participatiepotentieel zonder uitkering zocht slechts 44 procent naar werk voor twaalf uur of meer in de week. Mannen, jongeren en alleenstaanden zochten relatief vaker naar werk. 10 procent van het participatiepotentieel zonder uitkering stond ingeschreven bij een Centrum voor Werk en Inkomen. (B26183)
- Inspectie Werk en Inkomen, Wajong en werk : onderzoek naar de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten
Den Haag : IWI, 2007.
R07/14
De afgelopen jaren is het aantal jonggehandicapten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wajong) flink toegenomen. Het gaat om jongeren die als gevolg van fysieke, geestelijke en/of mentale beperkingen onvoldoende in staat zijn om in hun eigen inkomen te voorzien. Het is een kwetsbare groep met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt. De inspectie heeft onderzocht of deze jongeren goed begeleid worden en welke knelpunten zich voordoen bij hun participatie op de arbeidsmarkt. Uit het rapport blijkt dat de Wajong veel mogelijkheden kent om recht te doen aan de bijzondere problematiek van jonggehandicapten. Dit brengt maatwerk binnen bereik, maar geeft als onbedoeld effect dat uitvoering, werkgevers en Wajongers met complexe regelgeving te maken hebben. De wachttijden voor een Wsw-baan bemoeilijken de kansen om Wajongers snel aan het werk te helpen. Het onderzoek sluit aan op een advies van de SER aan het kabinet dat op 24 augustus 2007 is gepubliceerd (2007/06). (B26170)
- CBS, De Nederlandse economie 2006
Voorburg : CBS, 2007.
Met De Nederlandse economie geeft het Centraal Bureau voor de Statistiek ieder jaar een breed, samenhangend en diepgaand overzicht van de belangrijkste economische ontwikkelingen in Nederland. De actuele uitkomsten van de Nationale rekeningen staan in deze publicatie centraal. Niet alleen de productie en de inkomensverdeling maar ook de arbeidsmarkt, de huishoudens, de bedrijven, de financiering, het milieu en de overheid komen daarbij aan de orde. In deze editie van De Nederlandse economie zijn onder meer de economische prestaties van Nederland vergeleken met die van andere EU-landen, de Verenigde Staten en Japan. Ook bevat deze editie enkele artikelen die ingaan op de distributiefunctie van Nederland, toerisme en recreatie, arbeidsparticipatie en overheidsfinanciën. In het laatste hoofdstuk ten slotte wordt nader ingegaan op het toenemende belang van hoogopgeleiden in onze kenniseconomie. De onderwijsuitgaven zijn geanalyseerd en aan ieder diploma is een prijskaartje gehangen. (B26103)
- Min. SZW; Lautenbach, H.; Cuijpers, M.; Kösters, L.; CBS, Arbeidsgehandicapten 2006 : arbeidssituatie van mensen met een langdurige aandoening
Den Haag : Min. SZW, 2007.
Werkdocumenten, nr. 390
De Arbeidsgehandicaptenmonitor geeft zicht op de mate waarin mensen met een langdurige aandoening, ziekte of handicap zich belemmerd voelen bij het verkrijgen of behouden van werk. Ook wordt gevraagd naar het al of niet willen werken en het wegnemen van ervaren belemmeringen door de werkgever door middel van werkaanpassingen. Gekoppeld aan aandoening, leeftijd, opleidingsniveau en sector wordt hierover informatie gepresenteerd. Tevens wordt een aanvullende analyse naar inkomensgegevens over 2004 gepresenteerd. Algemene conclusie is dat het aantal arbeidsgehandicapten na een aanvankelijke stijging in de periode 2002 tot en met 2004, in de jaren 2005 en 2006 iets is gedaald. In 2006 waren er bijna 1,7 miljoen mensen van 15-64 jaar die vonden dat zij door een langdurige aandoening of handicap belemmerd werden in het verkrijgen of uitvoeren van werk. Daarmee wordt 15,8% van alle mensen van 15-64 jaar aangemerkt als arbeidsgehandicapt. In 2005 was dit percentage 16,2%. (B26092)
- SCP ; Ooms, I. ; Eggink, E. ; Gameren, E. van, Moeders, werk en kinderopvang in model : analyse van arbeidsparticipatie- en kinderopvangbeslissingen van moeders met jonge kinderen
Den Haag : SCP, 2007.
De overheid wil dat vrouwen meer gaan werken. De keuze tussen werk en zorg staat volop in de belangstelling. Het rapport beschrijft welke factoren deze keuzes van moeders met jonge kinderen beïnvloeden. Uit analyses blijkt dat de gezinssituatie en het loon van de moeders een grote rol spelen bij de beslissingen over werk en kinderopvang. (B26073)
- Versantvoort, M., Ouderschapsverlof; carrièrestop of -stap? : een schets van de sociaal-economische effecten van verlof en de beleidsmatige dilemma’s die daaruit volgen
Leiden : Universiteit Leiden, 2007. 17 p.
Onderzoeksmemorandum 2007.03. Hervorming Sociale Zekerheid
Streven naar een toename van de arbeidsparticipatie en emancipatie van vrouwen staat reeds geruime tijd hoog op de beleidsagenda in Nederland. In het regeerakkoord worden verlenging van de duur van het recht op ouderschapsverlof en een verdere subsidiëring van dit verlof middels de levensloopregeling genoemd als mogelijke doeltreffende maatregelen. Dit onderzoeksrapport poogt - op basis van internationale vergelijkingen van welvaartsstaten en inzichten uit de theoretische en empirische literatuur over de gevolgen van loopbaanonderbrekingen - een beeld te geven van de te verwachten effecten van deze maatregelen voor participatie, inkomen en emancipatie van vrouwen. Het schetst een niet uit te sluiten trade-off: uitbreiding van het recht op ouderschapsverlof zou onder voorwaarden kunnen leiden tot verhoogde baankansen van vrouwen, maar dit mogelijke positieve effect gaat naar verwachting samen met een lagere beloning en verminderde carrièremogelijkheden voor vrouwen in algemeenheid. (B26014)
- Inspectie Werk en Inkomen, Jaarplan 2008
Den Haag : IWI, 2007.
Het toezicht op de sociale zekerheid staat in 2008 vooral in het teken van participatie. De Inspectie Werk en Inkomen gaat in 2008 vooral kijken welke bijdrage de uitvoerende organisaties op het terrein van werk en inkomen leveren zodat zoveel mogelijk mensen meedoen in de samenleving. IWI heeft daarbij speciale aandacht voor de manier waarop CWI, UWV en gemeenten (sociale diensten) voor burgers en bedrijven merkbaar samenwerken. In het onderzoeksprogramma voor 2008 legt IWI een stevig accent op de dienstverlening aan moeilijk bemiddelbare cliënten, zoals allochtone vrouwen, ouderen, voortijdig schoolverlaters zonder startkwalificatie en arbeidsgehandicapten. In haar jaarplan beschrijft de inspectie haar werkwijze en welke activiteiten zij in 2008 gaat uitvoeren. (B26009)
- E-Quality; Plantenga, J.; Kok, L., Nederland werkt en moeder ook
Den Haag : E-Quality, 2007.
Emancipatie in Nederland heeft een nieuwe impuls nodig. De arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt weliswaar, maar de groei blijft achter bij de streefcijfers uit het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie 2006-2010. Het nieuwe kabinet heeft in zijn regeerakkoord onder andere financiële prikkels voorgesteld om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen. Vanuit economisch perspectief toetsen de auteurs de voorstellen uit het regeerakkoord en geven zij antwoord op de volgende vragen: Wat moet er gebeuren om de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen?; En wat moeten we vooral niet doen?; Wat schieten vrouwen (en mannen) ermee op als ze meer gaan werken?; Worden ze daar gelukkiger van? (B25849)
- Román, A.; Schippers, J.; Vlasblom, J. D.; OSA, Vrouwen, gezinnen en werk : een cohortbenadering van de arbeidsparticipatie in Nederland
Tilburg : OSA, 2007.
OSA-publicatie, A224
Het rapport beoogt een handvat te bieden voor nieuwe impulsen in het emancipatiebeleid gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen en daarmee het verwezenlijken van de Lissabondoelstellingen. Steeds meer vrouwen blijven werken als zij moeder worden. Deeltijd was en is het parool. (B25832)
- Adecco Inst., Transitioning from education to work: can we ease the (hard) journey for Europe’s young?
[Londen] : Adecco Inst., 2007. 22 p.
Adecco Institute white paper
In dit witboek staat centraal hoe jongeren in Europa het beste bij de arbeidsmarkt betrokken kunnen worden. Met gegevens over de jeugdwerkloosheid en de werkloosheid in de Europese Unie, die invloed van economische groei op de arbeidsmarkt voor jongeren, de overgang van school naar werk. Tevens twee korte cases over het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. (B25623)
- Adecco Inst., Demographic fitness survey : Belgium and the Netherlands
[Londen] : Adecco Inst., 2007. 31 p.
Adecco Institute white paper
Het Adecco Institute lanceerde een Demografic Fitness Index (DFX) om te meten hoe sterk Europese bedrijven staan in vijf cruciale domeinen om met die vergrijzing om te gaan: het begeleiden van het personeel in de carrière; levenslang leren; het stimuleren van gezondheid op de werkvloer; kennisbeheer; diversiteit op het vlak van leeftijd. De veroudering van de werkende bevolking zal op korte termijn een grote invloed hebben op de economie, aldus het Adecco Institute, de denktank van uitzendbureau Adecco. Ook voor Nederland blijken recente prognoses onrustwekkend. Zo zal het aantal werkende 60-plussers tussen nu en 2015 meer dan verdubbelen. Uit het onderzoek blijkt dat Nederlandse bedrijven nog onvoldoende maatregelen nemen om de vergrijzing van de werkende bevolking op te vangen. (B25624)
- Gier, E. de, Overpeinzingen bij een activerende participatiemaatschappij : inaugurele rede
Nijmegen : Radboud Universiteit Nijmegen, 2007.
De activerende participatiemaatschappij komt binnen afzienbare tijd in de plaats van de verzorgingsstaat en vormt een radicale breuk met het verleden. De kernwaarden van de activerende participatiemaatschappij liggen op het terrein van verdienste, werkprestatie en productiviteit. Het is een ambitieus overwegend neoliberaal beleidsproject dat beoogt tegelijkertijd zowel werkgevers als werknemers van dienst te zijn. Daar staat tegenover dat zij meer dan voorheen verantwoordelijk zullen zijn voor de negatieve gevolgen van hun eigen gedrag. In de activerende participatiemaatschappij zal bovendien de formele binding tussen de werkgever en werknemer losser worden. Werknemers zullen makkelijker worden ontslagen, maar elders ook sneller aan de slag kunnen. De activerende participatiemaatschappij is vooral leuker en aantrekkelijker voor relatief jonge hoogopgeleide en individualistisch ingestelde kenniswerkers. Minder positief valt de participatiemaatschappij uit voor de lager opgeleiden en traditionele groepen werknemers. Hun zekerheden kalven verder af en zij zullen zich meer dan voorheen moeten inspannen om bij te blijven op de arbeidsmarkt. De grootste uitdaging van de activerende participatiemaatschappij is het tegengaan van een ongewenste insider - outsiderproblematiek op de arbeidsmarkt die volgens De Gier aanzienlijk breder uit kan pakken dan de huidige laaggeschooldenproblematiek en ook ouderen, jongeren en vrouwen verhoudingsgewijs hard kan treffen. Oratie tot aanvaarding van het ambt als hoogleraar Comparatief arbeidsmarktbeleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen, uitgesproken op donderdag 1 maart 2007 (B25614)
- Min. SZW; [et al.], De armoedeval : een nieuwe kijk op een oud probleem
Den Haag : Min. SZW, 2007.
Het rapport begint met een samenvatting van de literatuur en onderzoeken over de armoedeval. Vervolgens wordt inzicht verschaft in de omvang van de armoedeval in de praktijk. In het onderzoek is gebruik gemaakt van een representatieve steekproef van de bevolking (65.000 huishoudens). Vervolgens wordt bij verschillende gebeurtenissen de meest waarschijnlijke inkomensverandering gesimuleerd. Deze gebeurtenissen zijn: het aanvaarden van werk vanuit een uitkeringssituatie (de werkloosheidsval), van geen inkomen naar een baan (de herintredersval), uitbreiding van het aantal arbeidsuren door deeltijders (de deeltijdval) en een verhoging van het bruto loon (de doorstroomval). Deze verschillende ‘vallen’ vormen een nadere invulling van het bredere begrip armoedeval. Op basis van de meest waarschijnlijke bruto inkomensverandering bij verschillende gebeurtenissen wordt de verandering in het netto huishoudinkomen berekend. Na de kwantitatieve beschrijving van de armoedeval rijst de vraag in welke mate vermindering van de armoedeval het arbeidsaanbod stimuleert. Het antwoord hierop is afhankelijk van de vraag in hoeverre de armoedeval een rol speelt bij de participatiebeslissing. Om hier zicht op te krijgen is een aantal interviews gehouden met mensen die in hun dagelijks werk op enigerlei wijze te maken hebben met de problemen op de arbeidsmarkt. Het doel van deze interviews is om te achterhalen of financiële prikkels inderdaad een belangrijke rol spelen bij de participatiebeslissing en zo ja voor welke groepen. (B25531)
- SEO; Min. SZW; [et al.], Kosten en baten van participatiebeleid
Amsterdam : SEO, 2007.
SEO-rapport, nr. 960
Het rapport gaat in op vragen als Hoe komt het dat Nederland behoort tot de achterhoede van Europa daar waar het gaat om de arbeidsparticipatie van vrouwen? Is het echt zo dat het vooral de opvattingen van Nederlandse vrouwen over opvoeding van kinderen bepalen hoeveel ze werken, zoals het SCP suggereert (B24555)? Of verschillen de preferenties niet zozeer als wel het beleid? En als dat zo is, wat kan Nederland dan doen om de participatiegraad in 2010 op de beoogde 65% krijgen? En wat leveren die inspanningen de samenleving als geheel op? Het onderzoek bestaat uit de drie stappen: 1. Literatuuronderzoek; 2. Meten effecten van beleidsopties; 3. Berekenen kosten en baten van beleid. Doel van het literatuuronderzoek is om te achterhalen waarom Nederlandse vrouwen in zo groten getale in deeltijd werken. Wat is de oorzaak, en welke beleidsopties zijn er om de participatie te vergroten? De volgende stap is het meten van de effecten van beleidsopties (o.a. gratis kinderopvang, verhogen tegemoetkoming kinderopvang, betaald ouderschapsverlof, afschaffen heffingskorting voor afhankelijke partner, verhogen aanvullende combinatiekorting). De laatste stap is het berekenen van de kosten en baten voor de maatschappij. Neemt de welvaart toe als we maatregelen nemen die de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt stimuleren? Wegen de kosten van beleid op tegen de baten? En zijn er bepaalde groepen die erop vooruit gaan, terwijl anderen erop achteruit gaan? (B25475)
- CDA, Wetenschappelijk Inst., Investeren in participeren
Den Haag : CDA, Wetenschappelijk Inst., 2006.
Perspectieven. Economie
Het rapport belicht tegen de achtergrond van ontwikkelingen zoals onder meer de vergrijzing en de globalisering in onderlinge samenhang arbeidsparticipatie, arbeidsmarktbeleid, financieel en fiscaal beleid. Op al deze terreinen worden ook beleidsaanbevelingen gedaan. De uitdagingen van globalisering en vergrijzing worden in dit rapport langs twee lijnen benaderd. Enerzijds ligt de nadruk op een goed financieel-economisch beleid. Schuldreductie draagt bij aan het opvangen van de kosten van de vergrijzing. Anderzijds is een goed arbeidsmarktbeleid nodig. Uiteindelijk gaat het om een goed benutten van de talenten van mensen, ook al om zo de collectieve voorzieningen in de toekomst voor iedereen toegankelijk en betaalbaar te houden. In de bijlage wordt ingegaan op het Scandinavisch model (lessen uit de Nordics). (B25435)
- NIDI; [et al.], Social situation observatory : demography monitor 2005 : demographic trends, socio-economic impacts and policy implications in the European Union
Den Haag : NIDI, 2006
Report, nr. 72
De demografische monitor 2005. De monitor schetst allereerst de demografische ontwikkelingen in de Europese Unie. Daarna wordt ingegaan op onderwijs, werkgelegenheid tijdens de levensloop. Hierbij o.a. aandacht voor ontwikkelingen in arbeidsparticipatie, ontwikkelingen in vroegpensioen; arbeidsparticipatie van vrouwen van middelbare leeftijd, arbeid en zorg voor kinderen, vergrijzing van de beroepsbevolking, arbeidstijden. Voorts is een hoofdstuk gewijd aan sociale zekerheid. met hierbij aandacht voor pensioensystemen in Europa, ontwikkelingen in de pensioenleeftijd, pensioenhervormingen en de gevolgen van de vergrijzing op de gezondheidszorg. Verder wordt aandacht besteed aan patronen van tijdsbesteding gedurende de levensloop. Het slothoofdstuk is gewijd aan demografisch beleid en aan demografisch gerelateerd beleid in een aantal EU-landen. (B25278)
- OSA; [et al.], Werkt scholing? het effect van opleiding en post-initiële scholing op arbeidsparticipatie en de loonvoet
Tilburg : OSA, 2006.
OSA-publicatie, nr. A219
Onderzoek naar het effect van scholing – zowel initiële (schoolse opleidingen) als postinitiële scholing (cursussen voor werkenden) – op de arbeidsparticipatie en de beloning van mensen. De centrale vraag is of een hogere initiële opleiding en (meer) post-initiële cursussen daadwerkelijk leiden tot een hogere arbeidsparticipatie en bijdragen aan een hogere beloning. Op het eerste gezicht lijkt meer scholing ertoe te leiden dat mensen vaker deelnemen aan betaalde arbeid (ook wat betreft het aantal uren) en een hoger gemiddeld loon bereiken. Dit effect is vooral zichtbaar bij vrouwen en oudere mannen. Uit een nadere analyse blijkt dat deze effecten niet zozeer het gevolg zijn van de genoten scholing, maar in sterke mate worden bepaald door verschillen in persoonlijke kenmerken tussen hoger en lager opgeleiden, waarbij bijvoorbeeld te denken valt aan verschillen in motivatie, doorzettingsvermogen, intelligentie en sociale vaardigheden. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de aard en de richting van het onderwijs en de cursussen van belang zijn. (B25275)
- Román, A. A., Deviating from the standard : effects on labor continuity and career patterns : proefschrift Universiteit van Utrecht
Amsterdam : Dutch University Press, 2006.
Uit het promotieonderzoek van sociologe Amelia Roman blijkt dat het afwijken van een standaard voltijdse loopbaan, ook al betreft het een tijdelijk uitstapje, verstrekkende gevolgen heeft voor individuele carrières. Zowel deeltijdarbeid, periodes van non-participatie en werkloosheid hebben negatieve gevolgen voor loopbaancontinuïteit, de hoogte van het loon, de socio-economische status en het functieniveau. Deze negatieve effecten zijn blijvend en achtervolgen werknemers in hun verdere carrièreopbouw. De Nederlandse overheid draagt een levenslooparrangement voor die juist dit soort loopbaandeviaties aanmoedigt als bevorderlijk voor het combineren van arbeid met andere belangrijke levensdomeinen zoals zorg, training en vrije tijd. Maar de kosten en de consequenties van dit soort afwijkende loopbaan zijn voor de werknemer en die is meestal vrouw. In België echter bestaat ruim 20 jaar het recht op de loopbaanonderbreking en daar worden juist positieve gevolgen voor werknemers gesignaleerd. Het recht geldt ook voor terugkeer naar hun werkgever. Belgische vrouwen gebruiken de regeling voornamelijk om arbeid en zorg te combineren waarbij ze tijdelijk in deeltijd gaan werken. (B25256)
- CEPS; Turmann, A., Getting Europe to work : the role of flexibility in tapping the unused potential in European labour markets
Brussel : CEPS, 2006.
CEPS working document, nr. 250
Een van de doelstellingen van de Lissabonstrategie uit 2000 was het bereiken van een percentage werkenden van 70% algemeen, 60 % voor vrouwen en 50 % voor oudere werknemers binnen de EU-15 in 2010. Vijf jaar later is de arbeidsmarktparticipatie enigszins (in het algemeen van 62,5% in 1999 tot 64,3% in 2003) gestegen, maar teleurstellend laag gebleven in de EU-15 (en nog lager in EU-25). Deze studie gaat in op de problemen met betrekking tot de flexibiliteit (en dus ook de efficiency) van arbeidsmarkten in Europa, waar te veel mensen aan de kant staan en waar gefaald wordt om werklozen uitzicht op een baan te bieden. Vragen die rijzen zijn hoe de flexibiliteit kan worden verhoogd en hoe actoren uit de private sector kunnen bijdragen aan het verbeteren van de prestaties van arbeidsmarkten. Het rapport onderzoekt de ontwikkeling van de arbeidsmarktparticipatie in de EU. Er wordt aandacht besteed aan speciale groepen (vrouwen, jongeren, ouderen), het opleidingsniveau van de beroepsbevolking, flexibele vormen van arbeid (deeltijdarbeid, contract voor een bepaalde periode), transities op de arbeidsmarkt, en ontslagbescherming. Voorts wordt onderzocht de slechte verhouding tussen het aantal werklozen en het aantal openstaande vacatures, de verschillende benaderingen van lidstaten m.b.t. de marktschommelingen en de bijdrage van de particuliere sector aan de reïntegratie van langdurig werklozen. (B25173)
- Min. SZW, Nationaal strategisch rapport sociale bescherming en insluiting Nederland 2006-2008 : in het kader van de Lissabonstrategie
Den Haag : Min. SZW, 2006.
Nationaal strategierapport (NSR) door het kabinet opgesteld ten behoeve van de Europese Commissie. Het NSR bevat het nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en bevordering van participatie 2006 (NAP 2006), een actualisering van het nationaal strategierapport pensioenen 2005 (NSR-P 2005), alsmede een nationaal plan voor gezondheids- en langdurige zorg. (B25142)
- Min. SZW, Nationaal strategisch rapport sociale bescherming en insluiting Nederland 2006-2008 : in het kader van de Lissabonstrategie
Den Haag : Min. SZW, 2006.
Nationaal strategierapport (NSR) door het kabinet opgesteld ten behoeve van de Europese Commissie. Het NSR bevat het nationaal actieplan ter bestrijding van armoede en bevordering van participatie 2006 (NAP 2006), een actualisering van het nationaal strategierapport pensioenen 2005 (NSR-P 2005), alsmede een nationaal plan voor gezondheids- en langdurige zorg. (B25142)
- Min. EZ; Min. SZW, Voortgangsrapport 2006 van het Nationaal Hervormingsprogramma Nederland 2005-2008 : in het kader van de Lissabonstrategie
Den Haag : Min. EZ, 2006.
Nederland heeft in 2005 een Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) opgesteld. Hierin is weergegeven welke beleidsmaatregelen Nederland in de periode 2005-2008 neemt in het kader van de Lissabonstrategie. Het onderhavige Voortgangsrapport beschrijft welke maatregelen uit het NHP in het afgelopen jaar zijn of worden uitgevoerd. Daarmee wordt ook ingegaan op de aandachtspunten voor Nederland zoals aangegeven door de Europese Commissie. Dit zijn arbeidsparticipatie van prioritaire groepen (met name vrouwen en minderheden) en een doelstelling voor R&D-uitgaven, die Nederland in het voorjaar van 2006 reeds heeft vastgesteld op 3% BBP. (B25146)
- Yerkes. M. A., What women want : individual preferences, heterogeneous patterns? : women's labour market participation patterns in comparative welfare state perspective : proefschrift Universiteit van Amsterdam
Z.P. : M.. A. Yerkes, 2006.
Onderzoek naar de verschillen in de patronen van arbeidsmarktparticipatie van Nederlandse, Duitse en Britse vrouwen. Zijn er verschillen, en zo ja welke? Welke rol spelen individuele preferenties en attituden bij het verklaren van heterogeniteit tussen vrouwen. Gekeken wordt naar het effect van individuele preferenties op de arbeidsmarktparticipatiepatronen van werkende en inactieve vrouwen. Verder wordt ingegaan op de uitzonderlijke groei van deeltijdarbeid in Nederland in vergelijking tot Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, en op het beleid met betrekking tot de balans tussen arbeid en zorg (toegespitst op het beleid m.b.t. flexibele werktijden, zorgverlof en kinderopvang). Tevens wordt gekeken naar het belastingstelsel en het sociale zekerheidsstelsel in de onderzochte landen. Tot slot worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek en voor beleid. Wat Nederland betreft wordt gesteld dat beleidsmakers zich vooral moeten richten op kinderopvang, schooltijden en belastingvoordelen als zij het aantal uren dat vrouwen werken daadwerkelijk willen vergroten en/of de arbeidsparticipatie van vrouwen verder willen laten stijgen. (B25071)
- ESVLA; Arrowsmith, J. , Temporary agency work in an enlarged European Union
Luxemburg : EG, 2006. 45 p.
Het rapport onderzoekt verschillende aspecten van tijdelijke arbeid door uitzendkrachten, met inbegrip van de definitie en de omvang van tijdelijke arbeid door uitzendkrachten, de regelgeving in de verschillende landen, zowel door wet als collectieve arbeidsovereenkomst (CAO), en de meningen van de sociale partners over ontwikkelingen in de sector. (B25029)
- Inspectie Werk en Inkomen, Eén fase, één keten : de ondersteuning door CWI, UWV en gemeenten van werkzoekenden met een goede kans op werk
Den Haag : IWI, 2006. 28 p.
R06/09
Als mensen werkloos worden, kunnen ze zich melden bij het CWI om een nieuwe baan te zoeken en een uitkering aan te vragen. CWI maakt dan een inschatting van de kansen die iemand heeft om snel een nieuwe baan te vinden (fase-indeling). De meeste mensen die net werkloos zijn geworden komen in fase 1 omdat van hen verwacht wordt dat ze zonder veel hulp weer snel aan het werk kunnen komen. In dit rapport heeft de inspectie onderzocht hoe CWI, UWV en gemeenten die mensen ondersteunen. Het rapport belicht verschillende experimenten waarin de organisaties uitproberen hoe zij het beste met elkaar kunnen samenwerken. (B25023)
- SEO; Groot, I.; Sadirau, K.; Unie KBO, Verdiend met pensioen? : ontwikkelingen in participatie over de levensloop
Amsterdam : SEO, 2006.
SEO-rapport, nr. 907
In dit onderzoek staat de volgende vraag centraal: Hoeveel uren productieve arbeid hebben verschillende generaties over de levensloop verricht? Met behulp van historische reeksen van het CBS en het SCP en toekomstprognoses van het CPB is in kaart gebracht hoeveel uur verschillende generaties over hun levensloop hebben gewerkt of zullen gaan werken. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: Het aantal uur dat mensen gedurende hun leven werken is al een aantal decennia lang redelijk constant. Dit geldt zowel voor het aantal uur dat mensen betaalde arbeid verrichten, als voor het aantal uur dat mensen aan huishoudelijke arbeid besteden; Door een toegenomen levensverwachting werken jongere generaties een minder groot deel van hun leven dan oudere generaties; De arbeidsparticipatie van mannen is de afgelopen decennia gestaag afgenomen. Dit geldt vooral voor jongeren (tot 25 jaar) en ouderen (50 jaar en ouder). Ook het aantal uur dat mannen per week betaald werken is sterk gedaald. Mannen zijn de afgelopen jaren wel steeds meer tijd gaan besteden aan huishoudelijke arbeid; Voor vrouwen liggen de trends precies omgekeerd. De arbeidsparticipatie is de afgelopen decennia juist steeds toegenomen. Hoewel vrouwen minder uur per week werken, zorgt de sterke toename van het aantal vrouwen dat betaalde arbeid verricht voor een stijging van het aantal uur dat vrouwen betaald werken. De tijd besteed aan huishoudelijke arbeid is afgenomen; Mannen verrichten meer uur betaalde arbeid dan vrouwen, vrouwen besteden meer tijd aan het huishouden. Opgeteld geldt dat vrouwen meer uur productief zijn dan mannen. (B24909)
- CPB; Vuuren, D. van; Euwals, R., De structurele groei van het arbeidsaanbod op middellange termijn
Den Haag : CPB, 2006.
CPB Memorandum, nr. 155
Het memorandum bespreekt de demografische ontwikkeling in de periode 2008-2011, de structurele arbeidsparticipatiegraden naar leeftijd en geslacht, de rol die het beleid en de sociaal-culturele ontwikkelingen hierin spelen, en de ontwikkeling van het structurele arbeidsaanbod. Tot slot wordt een decompositie gemaakt van de geprognosticeerde groei van de arbeidsparticipatie naar de drie eerder genoemde factoren (demografie, sociaal-culturele ontwikkelingen, en beleid) en wordt ingegaan op de ontwikkeling van de deeltijdfactor. Uit het memorandum blijkt dat de structurele groei van het arbeidsaanbod in de periode 2008-2011 naar verwachting ruim 150 000 personen bedraagt. In vergelijking met voorgaande perioden is deze groei beduidend lager, wat voor het belangrijkste deel kan worden verklaard uit de vergrijzende bevolking. Dat nog altijd sprake is van een groeiend arbeidsaanbod wordt veroorzaakt door de nog immer stijgende participatiegraden van ouderen en vrouwen. (B24877)
- Bradshaw, J.; Hatland, A., Social policy, employment and family change in comparative perspective
Cheltenham : Edward Elgar, 2006. 309 p.
Globalization and welfare
Vergelijkende studie over de veranderingen in gezinssamenstelling, arbeidsparticipatie van ouders en het sociaal beleid in de Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, IJsland, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In al deze landen zijn leefvormen beïnvloed door: lagere vruchtbaarheidscijfers, minder huwelijkssluitingen, toename van het aantal samenwonenden; grotere kans op het verbreken van relaties, episodes van alleenstaand ouderschap. Deze veranderingen houden ook verband met de toename van het aantal werkende moeders. De bijdragen in het boek schetsen de sociale trends van de afgelopen twintig jaar en analyseren hoe het sociaal beleid zich als antwoord op deze trends heeft ontwikkeld. Gesteld wordt dat hoewel de noordelijke landen baanbrekend werk hebben verricht in het erkennen van nieuwe leefvormen en het combineren van aspecten van arbeid en zorg, er nog steeds grote onderlinge verschillen zijn. Tevens blijkt dat de niet-noordelijke landen een inhaalslag voeren. Bevat de volgende bijdragen: Family change; The parental employment context; State recognition of new family forms?; Parental rights and obligations; Family benefit packages; Childcare and parental leave; Fertility rates in Europe: the influence of policy, economy and culture; First births: a comparative study of the patterns of transition to parenthood in Europe; Men and their families: comparatives perspectives on men's roles and attitudes towards family formation; Education, employment and family formation: differing patterns; Working their way out of poverty? Lone mothers in policies and labour markets; Family poverty in the European Union; Gender equity and time use: how do mothers and fathers spend their time? (B24780)
- SMO; Min. EZ, Innovatiever omgaan met verlofdagen : eindrapport
Den Haag : SMO, 2006. 31 p.
Aanleiding van het rapport is het belang van langer werken en het verhogen van de arbeidsproductiviteit voor de Nederlandse economie. Minister Brinkhorst (EZ) ziet dit als belangrijke pijlers om de economie bestendig te maken tegen de vergrijzing en de toenemende internationale concurrentie. Het flexibeler omgaan dan wel productiever aanwenden van verlofdagen kan hieraan een bijdrage leveren. Het rapport inventariseert ideeën en best practices met betrekking tot het innovatief gebruik van vakantie-, verlof- en ADV-dagen. Uit het onderzoek blijkt dat werkgevers behoefte hebben om deze dagen beter af te stemmen op de wisselende werkdruk. Verder willen zij graag de zogenoemde 'stuwmeren' aan opgebouwde vrije dagen bij werknemers voorkomen. Het rapport gaat ook in op de mogelijkheden om verlofdagen productief in te zetten. Zo wordt de mogelijkheid geschetst voor het omzetten van leeftijdsgerelateerde vrije dagen in scholingsdagen. Voorwaarde hierbij is dat er op decentraal niveau afspraken worden gemaakt. Werkgevers en werknemers hechten sterk aan een grote mate van individuele keuzevrijheid. (B24777)
- CPB; Vermeulen, W., Regional disparities in a small country? : an analysis of regional unemployment and participation differentials in the Netherlands from 1975 to 2003
Den Haag : CPB, 2006.
CPB document, nr. 113
Het bestaan van regionale steun veronderstelt dat arbeidsmarkten in Nederland niet op nationaal niveau ruimen, maar op een lokaal niveau. Vanuit een algemeen evenwichtsperspectief is het niet gemakkelijk om de regionale component van arbeidsmarkten te identificeren. Deze studie betoogt dat de grootte en persistentie van regionale verschillen in werkloosheid en participatie geschikte indicatoren vormen. De studie analyseert regionale werkloosheid en participatie in Nederland van 1975 tot 2003. Het blijkt dat verschillen in inactiviteit geen betrouwbare indicator zijn van de regionale dimensie van arbeidsmarkten. Zowel vanuit een internationaal perspectief, als in vergelijking met variatie van kansen op de arbeidsmarkt tussen hoog- en laagconjunctuur, lijkt de regionale dimensie van arbeidsmarkten klein. Deze dimensie is echter relatief groot voor vrouwen, jongeren en lager opgeleiden, die ook minder mobiel zijn. Het zou dus efficiënt zijn om regionaal arbeidsmarktbeleid te richten op deze groepen, als dit soort beleid überhaupt wenselijk is. (B24725)
- Europese Cie; Fagan, C.; Hebson, G., Making work pay : a comparative review of some recent policy reforms in thirty European countries
Luxemburg : EG, 2006.
Rapport over de strategieën van de landen van de Europese Unie om hun sociale zekerheidsstelsels arbeidsgerichter te maken (werk lonend maken). Deel 1 van de publicatie gaat in op belastingmaatregelen; de hervorming van de werkloosheidsvoorziening door beperking van de uitkeringen in Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Ierland; de maatregelen met betrekking tot reïntegratie van arbeidsongeschikten in Noorwegen; alsmede voorstellen voor hervorming van de werkloosheidsvoorziening waarbij de uitkeringen in bepaalde omstandigheden worden verhoogd in Noorwegen, Italië, Bulgarije, Roemenië en Lichtenstein. Deel twee van de publicatie gaat in op de invloed van moederschaps- en ouderschapsverlof op de (re-)integratie op de arbeidsmarkt. Deel drie bespreekt de de rechten van werknemers die gebruik maken van ouderschapsverlof of langdurige afwezig zijn vanwege de zorg voor kinderen. Het vierde deel tot slot gaat in op de rol van kinderopvang. (B24657)
- CPB; [et al.], Income incentives to labour participation and home production : the contribution of the tax credits in the Netherlands
Den Haag : CPB, 2006.
CPB discussion paper, nr. 59
In het onderzoek wordt een herleide-vorm-model voor de arbeidsmarktparticipatie van jonge vrouwen gepresenteerd. Het model houdt rekening met een aantal onzekere factoren die de toekomstige participatie kunnen verstoren, zoals de geboorte van een kind of vervroegde pensionering. Nieuw is dat het model ook tijd besteed aan thuiswerk (home production) meeneemt. Geclaimd wordt dat het model geen schatting van een (dynamisch) structureel model vereist. De zorgvuldige toepassing van de instituties geeft al voldoende informatie om optimale participatiebeslissingen over de levensloop te kunnen modelleren. De zwakkere theoretische modellering wordt ruimschoots gecompenseerd door het brede scala aan beleidssimulaties die uitgevoerd kunnen worden. Ter illustratie wordt het effect van twee beleidsopties gesimuleerd; afschaffing en verhoging van de arbeidskorting en de combinatiekorting. Afschaffing hiervan verkleint het verschil in levensloopinkomen tussen werken en niet-werken en zal mogelijkerwijs de prikkel tot participatie verminderen. (B24632)
- Min. SZW, Ruim baan voor vrouwen
Den Haag : Min. SZW, 2006. 34 p.
Op Europees niveau loopt Nederland achter wat betreft de arbeidsparticipatie van vrouwen. Het kabinet streeft ernaar dat in 2010, 65% van de vrouwen een betaalde baan heeft. Daarbij gaat het om banen van 12 uur of meer per week. De publicatie bespreekt de verschillende projecten voor herintredende vrouwen. Ingegaan wordt op het SZW-project 'Ruim baan voor vrouwen, alsmede op de projecten van landelijke en regionale convenantpartijen en de projecten binnen bepaalde sectoren. (B24615)
- CPB, Mooij, R. de [et al.], Reinventing the welfare state
Den Haag : CPB, 2006. 222 p.
Bijzondere publicaties. nr. 60
De Nederlandse verzorgingsstaat staat onder druk. Toekomstige trends als vergrijzing en globalisering dreigen de overheidsfinanciën onhoudbaar te maken en verslechteren de positie van laaggeschoolden. Tegelijkertijd lijkt de verzorgingsstaat onvoldoende aangepast aan veranderde sociale verhoudingen. Bovendien lokt ze langdurige inactiviteit uit bij onder meer uitkeringsgerechtigden, ouderen en vrouwen. Om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen staat het vergroten van de arbeidsdeelname en het investeren in menselijk kapitaal hoog op de Nederlandse beleidsagenda. Deze studie onderzoekt hoe hervormingen in de verzorgingsstaat aan die doelstellingen kunnen bijdragen. Daarbij wordt rekening gehouden met de sociale en economische functies die de verzorgingsstaat in onze samenleving vervult. De studie analyseert diverse afzonderlijke hervormingsopties vanuit een breed welvaartsperspectief en kwantificeert de effecten op de arbeidsmarkt en de inkomensverdeling. Tevens worden drie alomvattende toekomstbeelden voor de Nederlandse verzorgingsstaat ontwikkeld (gerichte verzorgingsstaat, universele verzorgingsstaat en decentrale verzorgingsstaat). Elk toekomstbeeld combineert bepaalde keuzes, uitgaande van uiteenlopende maatschappelijke prioriteiten. Onderzocht hoe robuust deze alternatieven zijn voor toekomstige internationale trends in immigratie, economische integratie en technologische ontwikkeling. (B24616)
- Rijswijk, K. van, It's about time. Part-time, flextime, and a healthy work-home balance : proefschrift Universiteit van Tilburg
Maastricht : Datawyse, 2005. 185 p.
Onderzocht wordt of parttime werk en flexibele werktijden bijdragen aan een gezonde werk-thuisbalans Uit het onderzoek blijkt dat parttime werkende vrouwen hun werk minder 'mee naar huis nemen' dan fulltime werkende vrouwen. Echter, deze parttimers zijn op hun werk weer meer bezig met thuis wat tot spanningen leidt. Ook flexibele arbeidstijden dragen bij aan een juiste balans maar houden tegelijkertijd het gevaar in dat de grens tussen privé en werk vervaagt. Van Rijswijk stelt dat parttime werk en flexibele werktijden waarschijnlijk alleen effectief zijn als de werktijden aansluiten bij de wensen en behoeften van de betreffende werknemers. (B24603)
- SCP; [et al.], Hoe het werkt met kinderen : moeders over kinderopvang en werk
Den Haag : SCP, 2006.
Het rapport analyseert de keuzes die moeders maken ten aanzien van kinderopvang en arbeidsparticipatie. Gekeken is in hoeverre opvattingen over kinderopvang, het aanbod aan kinderopvang en de kosten van kinderopvang samenhangen met het gebruik van kinderopvang en de arbeidsparticipatie van de moeders. Aan het onderzoek werd in 2004 meegewerkt door 2000 moeders met kinderen van 0-12 jaar. Na invoering van de Wet Kinderopvang zijn zij nogmaals bevraagd over de eventuele gevolgen van deze wet. Uit het onderzoek blijkt dat de moeders de opvang grotendeels, of geheel, in eigen hand willen houden. Voor kinderopvang zien de moeders slechts een bescheiden rol weggelegd. Als derden worden ingeschakeld, is dit slechts voor hooguit een paar dagen per week en de voorkeur gaat meestal uit naar opvang door familie of bekenden. Meer of goedkopere formele opvang zal dan ook niet zonder meer leiden tot verhoging van de arbeidsparticipatie van moeders. Als arbeidsinstrument zal kinderopvang pas dan een grotere rol kunnen spelen, indien de opvattingen over de zorg voor kinderen veranderen. (B24555)
- Algan, Y.; Cahuc, P.; [et al.], Civic attitudes and the design of labor market Institutions : which countries can implement the Danish flexicurity model?
Bonn : IZA, 2006.
IZA discussion paper, nr. 1928
Gesteld wordt dat de efficiency van het Deense model dat hoge werkloosheidsuitkeringen combineert met een geringe ontslagbescherming en een hoge arbeidsparticipatie, kan rekenen op een sterk draagvlak onder de Deense bevolking. Daarnaast wordt beweerd dat de continentale en mediterrane landen niet in staat zullen zijn het Deense model in praktijk te brengen omdat juist vanwege het ontbreken van een dergelijk draagvlak bij de inwoners van deze landen er morele risico's ontstaan die de verwezelijking van een efficiente publieke werkloosheidsverzekering hinderen. (B24536)
- OECD, Going for growth 2006 : economic policy reforms
Parijs : OECD, 2006. 160 p.
In het rapport beoordeelt de OECD het beleid dat de OECD-landen hebben gevoerd om de economische groei te stimuleren. In de tweede editie van deze jaarlijkse uitgave wordt aan de hand van een aantal benchmark indicatoren gekeken in welke mate overheden, de beleidsaanbevelingen van vorig jaar hebben opgevolgd. Het rapport toont gemengde resultaten. Het verhogen van de arbeidsproductiviteit is redelijk geslaagd. Veel landen hebben initiatieven genomen tot wetgeving om concurrentie te bevorderen en beperkingen m.b.t. bedrijfsactiviteiten op te heffen (bv de dienstenrichtlijn in de EU). Pogingen om meer mensen aan het werk te helpen bleven veelal echter zonder resultaat. De publicatie rapporteert wel de grote vooruitgang in een aantal landen (waaronder Nederland) voor wat betreft de hervormingen in de ziekte- en arbeidsongeschiktheidswetgeving. Verder presenteert het rapport een aantal indicatoren waaraan kan worden afgemeten in welke mate landen innoveren. De themahoofdstukken gaan dit keer over: de relatie tussen regulering van de financiële markten en economische groei; en over de vraag of het BBP per hoofd van de bevolking gebruikt kan worden als meetinstrument voor welzijn en welvaart. (B24496)