Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Van der Wielenlezing 2012

Van der Wielenlezing 2012: Zonder diploma geen toegang? Voor bestuur en samenleving telt elk talent!

Speech van Alexander Rinnooy Kan, voorzitter Sociaal-Economische Raad, gehouden op 12 april 2012 voor de Stichting VanderWielenlezing, in het Historisch Centrum Leeuwarden.

Alleen het gesproken woord geldt.


Zonder diploma geen toegang? Voor bestuur en samenleving telt elk talent!

Goedemiddag dames en heren. Het is een genoegen om in Leeuwarden te zijn. Niet voor het eerst en zeker ook niet voor het laatst, kan ik u verzekeren, want ik heb een kleine primeur voor u. Ik heb namelijk minder dan een jaar geleden tot mijn vreugde en verrassing ontdekt dat mijn persoonlijke voorgeschiedenis voor een deel in deze stad ligt. Kan, het tweede gedeelte van mijn naam, is een Joodse naam en heel lang heb ik niet geweten wat de voorgeschiedenis van die tak is. Pas een jaar geleden heb ik uitgevonden dat de geschiedenis van die naam door deze stad loopt. Het blijkt namelijk dat hier een huis stond dat 'De Kanne' heette. Daar heeft mijn verre voorvader een groot gedeelte van zijn leven doorgebracht en kennelijk zijn naam aan ontleend. Dat brengt mij bij de beroemde cabaretier Wim Kan, wiens naam dezelfde voorgeschiedenis heeft als de mijne, weet ik toevallig. Daarmee kunt u toch weer een belangrijke Nederlandse burger uit de amusementswereld toevoegen aan de lijst van vooraanstaande afstammelingen. Ik schaar me met vreugde in die rij, want ik vind het een hele eervolle geschiedenis voort te komen uit uw stad. Daarom vind ik het dubbel leuk dat ik hier vandaag voor u de Van der Wielenlezing mag verzorgen. Met als aanleiding de twee heren Van der Wielen die met hun inzet een stempel hebben gedrukt op de geschiedenis van uw stad en omgeving.

Ik wil beginnen met het verhaal van Sandra.
Sandra moet van haar moeder na de basisschool naar het zelfstandig gymnasium. Ze wil niet. Al haar vriendinnetjes gaan naar het VMBO of naar de HAVO. Het 'gennasium', zoals de school in de wijk wordt genoemd, is voor kakkers, niet voor een Surinaams meisje uit een achterstandswijk. Maar Sandra's moeder, een alleenstaande bijstandsmoeder, is vastbesloten: haar kind moet alle kansen grijpen. Ze zegt, zoals zoveel Surinaamse moeders: "Luister meisje. Als je een beter leven wilt, moet je er zelf voor zorgen. Niemand gaat dat voor je doen. Onthoud goed: je diploma is je eerste man!"
Eenmaal op het gymnasium voelt Sandra de wereld van verschil tussen haar en de 22 witte jongens en meisjes uit haar klas. Voor hen is zoveel vanzelfsprekend wat voor Sandra onbekend is. Een ongemakkelijke situatie. Zo vertelt haar klasgenoot Bas dat zijn vader een nieuwe boot heeft gekocht: 50.000 euro duurder dan de vorige. Onvoorstelbaar, vindt Sandra. Dat is vier jaar bijstand! Vreemd zijn ook de spierwitte ringen rond de ogen van haar klasgenootjes, na de voorjaarsvakantie. Zijn ze allemaal geschminkt? Haar vriendinnetje moet het uitleggen: dat komt van de skibril! Maar het grootste verschil tussen Sandra en de anderen is, dat voor hen het 'gym', die goede toegang tot vervolgopleiding en arbeidsmarkt, vanzelfsprekend is.

Het bestaat nog steeds: kinderen uit achterstandsgroepen die stijgen op de onderwijsladder. Kinderen die een veel hogere opleiding volgen dan hun ouders, omdat dat bij hun talenten past en omdat ze die kans krijgen. Kinderen die daardoor een perspectief veroveren op een betere toekomst. Sandra laat het zien: het bestaat nog steeds. Sandra is namelijk de hoofdpersoon in het boek Het Gym van Karin Amatmoekrim (2011). Sandra is geïnspireerd op de ervaringen van de schrijfster, die net als Sandra op aandringen van haar moeder het gymnasium volgde om aan de armoede te ontsnappen. Daarmee is ze een mooi voorbeeld van sociale stijging. In de afgelopen decennia volgden velen zo’n spoor en het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking is de laatste tientallen jaren dan ook fors gestegen. Een prachtig resultaat: zeker voor een samenleving die - zoals Nederland - tot de beste vijf kenniseconomieën van de wereld wil behoren. Tegelijkertijd is er sprake van een bijzondere paradox. Klimmen op de onderwijsladder wordt in ons land beschouwd als het middel bij uitstek om sociale verschillen te verkleinen, als hét middel voor het bereiken van een rechtvaardiger, open samenleving. Deze nadruk op opleiding heeft een pijnlijk neveneffect. Er lijkt in de samenleving een nieuwe scheidslijn te ontstaan: die tussen hoger en lager opgeleiden.
Steeds meer lijkt opleidingsniveau iemands positie in de maatschappij te bepalen: als het gaat om werk en inkomen, maar ook wat betreft wonen, gezondheid en maatschappelijke participatie - het betrokken zijn bij de samenleving in brede zin. Wie niet veel heeft geleerd, dreigt aan de zijlijn te komen staan. Een zorgwekkend vooruitzicht, in allerlei opzichten!

Graag wil ik vanmiddag met u nagaan wat we kunnen doen om dit doemscenario te voorkomen. En daarbij wil ik benadrukken dat ik er niet op uit ben om de waarde van diploma’s en een goede opleiding te relativeren. Het belang daarvan is onverminderd groot en de opleiding en ontwikkeling van mensen verdienen dan ook alle aandacht. De kenniseconomie is onze enige kans om te kunnen concurreren; daar horen opleidingen bij, in de meest brede zin van het woord. Daarbij moeten we er wel voor zorgen dat onze samenleving behalve cognitieve talenten ook allerlei andere talenten honoreert en dat iedereen, ongeacht opleidingsniveau, zich bij de besluitvorming en het bestuur van de samenleving betrokken voelt.

Maar eerst wil ik kort stilstaan bij de stijging van het opleidingsniveau in de laatste halve eeuw en de maatschappelijke betekenis van opleidingsverschillen.
De heren Van der Wielen zouden vast heel trots zijn als ze konden zien hoe het opleidingsniveau van de bevolking de afgelopen eeuw is gestegen. Een paar cijfers (1).
Tussen 1975 en 2006 daalde de categorie laagopgeleiden van 54 naar 24 procent. De categorie hoogopgeleiden steeg van 13 naar 35 procent (2). Dat is een spectaculair resultaat. Met een opvallend verschil tussen jonge vrouwen en jonge mannen: in 2009 had 42 procent van de vrouwen tussen 25 en 34 jaar een hoge opleiding, tegen 36 procent van de jonge mannen. Al met al een forse stijging van opleidingsniveau; soms wel met twee of drie niveaus per generatie, ook onder allochtonen. Van de tweede generatie Turkse, Marokkaanse en Surinaamse jongeren studeert nu meer dan 40 procent aan een HBO of universiteit (3).
Ik geef u nog een voorbeeld, ter illustratie van sociale stijging in een autochtone familie.
Grootvader Willem Haverkamp was aan het begin van de vorige eeuw landarbeider; hij werkte bij een grote boer in de Bollenstreek, had alleen lagere school. Hij kreeg zeven kinderen. Alle kinderen gingen na de lagere school uit werken, behalve de oudste zoon, Theo. Die mocht ‘doorleren’. Eerst naar de MULO en toen naar de Kweekschool: midden vorige eeuw hét vehikel voor sociale stijging. De kweekschool werd ook wel de ‘universiteit voor de armen’ genoemd (4). Theo werd, nadat hij nog allerlei aanvullende aktes had gehaald, leraar op een middelbare school. Hij kreeg drie kinderen. Zijn oudste dochter Annet ging in de jaren zeventig ook naar de MULO. Daar haalde ze zulke mooie cijfers dat ze kon overstappen naar de HBS. Als eerste in de familie. Daarna volgde de universiteit, waar ze na haar afstuderen ook een baan vond en uiteindelijk promoveerde. Van Willem naar Annet, van de eerste naar de derde generatie: een sprong van het laagste naar het hoogste opleidingsniveau. Een waar gebeurd succesverhaal.

Net als de categorie laagopgeleiden is die van de hoogopgeleiden veranderd. Zo is de homogamie, het aangaan van een relatie met iemand van hetzelfde opleidingsniveau, onder hoogopgeleiden sterker geworden. Trouwde in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw de dokter nog met een verpleegster - lees er de doktersromans maar op na - tegenwoordig trouwen dokters, advocaten, rechters en bedrijfseconomen met elkaar. Laag- en hoogopgeleiden verschillen daardoor als groep sterker van elkaar dan vroeger.

Wat is daarvan de maatschappelijke betekenis?
Hoe hoger het opleidingsniveau, des te meer maatschappelijke kansen. Daarin heeft de moeder van Sandra helemaal gelijk. Met als gevolg: grote maatschappelijke verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden. Ik schets er een paar. Daarbij baseer ik me onder meer op een recent rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) Nieuwe ronde, nieuwe kansen, dat nagaat of 'een perspectief op sociale stijging nog toekomstbestendig is' (5).
De verschillen beginnen al vroeg: thuis, in het gezin, vóórdat kinderen naar school gaan. Judi Mesman, hoogleraar Opvoeding en onderwijs in Leiden, laat in haar oratie uit 2010 zien hoe in Nederland hoger opgeleide ouders bijdragen aan het schoolsucces van hun kinderen (6). Dat doen ze door de kinderen cognitief te stimuleren: met speelgoed, leerzaam materiaal, leergerichte activiteiten en gesprekken. Bij lager opgeleide ouders is die stimulans er vaak veel minder en dit is volgens mevrouw Mesman één van de redenen waarom een laag opleidingsniveau vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Op de arbeidsmarkt biedt een hogere opleiding je meer kans op kwalitatief goed werk, een hoger functieniveau en een hoger loon. Een hoogopgeleide verdient gemiddeld bijna tweemaal zoveel als een laagopgeleide (7). Sinds de jaren negentig is de meeropbrengst van een hogere opleiding nog verder toegenomen.
Als het om wonen gaat, is volgens de RMO de grote scheiding tussen hoog- en laagopgeleiden eenvoudig te constateren. Ze wonen in andere wijken en buurten. Om deze geografische scheiding ongedaan te maken, zou dertig procent van de mensen met een laag inkomen moeten verhuizen. De kwaliteit van de woning en de woonomgeving van laagopgeleiden is slechter en ze hebben veel minder vaak een eigen huis. Het percentage eigenhuisbezitters onder laagopgeleiden is de laatste jaren nog verder afgenomen. 'Een eigen huis, een plek onder de zon', de droom van volkszanger René Froger, lijkt steeds meer voorbehouden aan hoger opgeleiden.
Maar het meest in het oog springende verschil tussen hoog- en laagopgeleiden is het verschil in gezondheid en levensverwachting (8). Vrouwen met een lage opleiding leven naar verwachting 6,4 jaar korter dan hun hoogopgeleide seksegenoten, laagopgeleide mannen 7,3 jaar korter. Laagopgeleiden hebben bovendien tijdens hun kortere leven ook nog een slechtere gezondheid en ze kampen met meer beperkingen. En risicogedrag zoals roken en overgewicht komt bij laagopgeleiden vaker voor, waardoor hun kans op aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, longkanker en diabetes groter is.

Een opsomming die reden geeft tot zorg. Daar komt nog een zorg van heel andere aard bij. Een verschil in politieke betrokkenheid.
Eind 2010 publiceerde het CBS een onderzoek over sociale samenhang, waarin participatie, vertrouwen en integratie in onze samenleving werden onderzocht (9). Daarbij bleek vooral opleiding een bepalende factor. Hoger opgeleiden doen vaker vrijwilligerswerk, zijn vaker lid van verenigingen en hebben aanzienlijk meer vertrouwen in de medemens en in instituten zoals de Europese Unie en de Tweede Kamer dan lager opgeleiden. Lager opgeleiden nemen minder deel aan verkiezingen en zijn minder politiek actief. Ze hebben weinig vertrouwen in de politiek en de regering; ze zijn vooral cynisch. Van de laagopgeleiden is twee derde (67 procent) het eens met de stelling: “Mensen zoals ik hebben geen enkele invloed op wat de regering doet” (tegen 32 procent van de hoogopgeleiden) (10). Een even groot percentage laagopgeleiden is het eens met de uitspraak: “Ik denk niet dat Kamerleden en ministers veel geven om wat mensen zoals ik denken” (tegen 31 procent van de hoogopgeleiden).
Er zijn diverse verklaringen voor de verschillen in politieke participatie naar opleidingsniveau. Een belangrijke verklaring is dat hoogopgeleiden in hun lange onderwijstraject meer basiskennis meekrijgen om de politiek te kunnen volgen. Daarnaast leren ze er de cognitieve en sociale vaardigheden om zich met dit complexe bedrijf te bemoeien. Laagopgeleiden missen die hulpbronnen. Met als gevolg dat er in vertegenwoordigende organen en onder politieke bestuurders relatief weinig laagopgeleiden zijn te vinden.

Nederland een diplomademocratie?
De bestuurskundige Bovens noemt Nederland dan ook een Diplomademocratie: een land dat wordt bestuurd door de burgers met de hoogste diploma's (11). Kijk naar het parlement, de regering, overlegorganen en belangenorganisaties: overal domineren hoogopgeleiden. Dat leidt, zo stelt Bovens, tot democratisch ongenoegen bij laagopgeleide burgers. Hij ziet de opkomst van nieuwe, meer nationalistische en populistische partijen als een reactie op het ontstaan van de diplomademocratie. Anders dan de hoogopgeleiden in de traditionele partijen nemen deze nieuwe 'volkspartijen' de zorgen en voorkeuren van laagopgeleiden serieus. Zij komen niet per se met oplossingen, maar wekken op zijn minst de indruk beter te luisteren. Ze maken de lager- en middelbaar opgeleiden zichtbaar in het politieke landschap en geven hun een stem.
De politicoloog Fennema maakt overigens een iets minder sombere analyse (12). Hij wijst erop dat het vertrouwen van laagopgeleiden in de politiek in elk geval veel hoger is dan veertig jaar geleden. En volgens hem is het parlement juist democratischer geworden. Als we democratische vertegenwoordiging zien als een afspiegeling van de opvattingen van kiezers, dan representeert het parlement de laagopgeleiden via de SP en de PVV juist beter.

Niet iedereen doet mee en dat bedreigt de samenhang
Het beeld dat oprijst uit het voorgaande heeft een Januskop. Aan de ene kant zien we iets moois. De stijging van het opleidingsniveau van de bevolking in de afgelopen vijftig jaar is een grote prestatie, die ons veel heeft opgeleverd. Behalve zelfontplooiing op individueel niveau, heeft het geleid tot economische groei en meer welvaart voor de hele samenleving.
De andere kant is minder fraai. Net als toen is er een groep die op allerlei terreinen op achterstand staat: de laagopgeleiden. Zij hebben geen toegang tot allerlei maatschappelijke verworvenheden die voor hoogopgeleiden vanzelfsprekend zijn, want ze hebben geen diploma. Bovendien hebben veel laagopgeleiden niet het vertrouwen dat hun situatie veel kan verbeteren, dat ze in traditionele instituties meetellen en worden gehoord. Dat is zorgelijk. Wie het gevoel heeft er in de samenleving minder toe te doen, voelt zich allengs minder betrokken bij die samenleving. Waar betrokkenheid ontbreekt, heeft ongenoegen en cynisme een voedingsbodem. En een samenleving waarin niet iedereen meedoet, verliest haar samenhang. Zo’n maatschappij verliest ook talent. En dat zou eeuwig zonde zijn, want die talenten hebben we juist zo hard nodig! Het is heel onverstandig - zeker in een vergrijzende samenleving - om talent onbenut te laten.
Daarom wil ik met u nagaan wat we kunnen doen om dit doemscenario te voorkomen.
Maar veel belangrijker is dat wij, als meer bevoorrechte burgers, burgers op een positie met een zekere invloed, burgers in netwerken en organisaties, ook middelen in handen hebben om de achterblijvers erbij te betrekken. Zodat we samen bijdragen aan een rechtvaardige, open en slimme samenleving.
Ik wil met u enkele mogelijkheden verkennen.
Ten eerste: jongeren moeten voldoende kansen krijgen en worden gestimuleerd om hun talenten te ontwikkelen.
Ter illustratie een voorbeeld (13):
In 1926, vlak vóór de crisistijd, meldt Jacob de Bruin zich als jeugdleider in de Haagse Schilderswijk. Met donaties uit de betere Haagse kringen is daar - zoals dat heette – “voor de minst bedeelde jeugd” een buurthuis opgericht, maar de jongeren moeten er niets van hebben. De Bruin, zelf zoon van een schoenmaker en een idealist met charisma, maakt buurthuis De Mussen tot een bloeiend middelpunt van de wijk. Zijn uitgangspunt is dat alle jongeren met een goede voe¬dingsbodem en voldoende zonlicht kunnen uitgroeien tot iets moois. In zijn woorden: "Ieder kind is onze volle aandacht waard." Hij wil hun in het buurtcentrum daarvoor de kans bieden. Heel concreet: door hen maatschappelijk en cultureel te ontwikkelen en daarnaast allerlei praktische vaardigheden te leren. Daarom staan er in De Mussen handenarbeid, timmeren, bouwen en knutselen op het programma. De Mussen heeft ook een eigen kampeerterrein op de Veluwe waar de jongerengroepen jaarlijks een week naartoe gaan om meer te leren over de natuur. Veel mensen uit opeenvolgende generaties in de Schilderswijk kregen in dit buurtcentrum een opstapje naar een beter leven.
De Mussen, het oudste buurthuis van Nederland, bestaat nog steeds. Eind vorig jaar vierden ze hun 85-jarig bestaan en hun missie is dezelfde als toen: kinderen, jongeren en hun ouders kansen bieden op ontwikkeling. Dat is een bemoedigend verhaal. Het kán dus best, maar het vraagt wel inzet, toewijding en heel veel aandacht. In antwoord op de vraag 'Hoe kan het anders en beter?' zou ik dus als eerste willen noemen: talentontwikkeling van jongeren!
In de conclusie van het RMO-rapport Nieuwe ronde, nieuwe kansen dat ik al eerder aanhaalde (14), staat: "In een open samenleving is het de uitdaging om iedereen, ongeacht het bereikte opleidingsniveau, perspectief te geven op talentontwikkeling, waardering en invloed." Een conclusie die gedeeld wordt door de SER. In meerdere adviezen van de afgelopen jaren hebben wij het belang van brede talentontwikkeling benadrukt (15). Voor de SER zijn alle jongeren interessant: hoog- en laagopgeleide jongeren, autochtone en allochtone jongeren, jongeren zonder en met arbeidsbeperkingen.

In een SER-advies over het onderwijs uit 2011 benadrukt de raad dat in het onderwijs iedereen moet worden doorgeleid naar de plek die - gezien zijn of haar talenten- het beste past en dat elke jongere, op welk onderwijsniveau dan ook, vervolgens moet kunnen rekenen op uitstekend onderwijs (16). Op de juiste plek in het onderwijs terechtkomen: dat blijkt voor veel jongeren niet gemakkelijk. Daarom pleit de SER voor meer aandacht - ook van jongeren zelf - voor het maken van de juiste keuze. Dat kan beginnen met een assessment van de competenties en vaardigheden van de jongere. Voor alle jongeren en vooral voor degenen met beperkingen is het belangrijk te weten waar ze goed in zijn, waar hun talenten liggen. Intake- of matchingsgesprekken maken daarna duidelijk of student en opleiding bij elkaar passen. Bovendien is voor elke opleiding vanzelfsprekend heldere voorlichting nodig over wat studenten te wachten staat. Deze SER-adviezen bevatten veel aanbevelingen voor de overheid en het onderwijs, maar ook een oproep aan werkgevers om zich in te spannen om alle jongeren een kans te geven. Ook als dat vraagt om 'jobcarving' ofwel: het toesnijden van een baan op de mogelijkheden van een jongere. Voor jongeren uit kwetsbare groepen is die inspanning veel waard, want meedoen op de arbeidsmarkt zorgt voor binding met de samenleving en het gevoel dat je meetelt.
Ten tweede moeten we zorg dragen voor talentontwikkeling van ouderen. Leren is immers niet alleen belangrijk voor jongeren en niet alleen mogelijk tijdens initiële opleidingen. Leren, of liever gezegd: 'ontwikkelen', kan ook later in het leven. In onderwijsinstellingen, maar ook op de werkplek of door actief deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Daar kunnen allerlei talenten worden erkend en gehonoreerd.
Juist over het postinitieel onderwijs brengt de SER deze maand een advies uit met de titel Werk maken van scholing (17). Uitgangs¬punt is dat een leven lang leren inmiddels noodzakelijk is. Kennis veroudert immers razendsnel. Werkenden zullen zich dan ook veel meer dan in het verleden moeten blijven scholen om hun functie of beroep goed te kunnen blijven uitoefenen en om wendbaar te blijven op de arbeidsmarkt. Ook voor werkzoekenden geldt dat zij meer kansen hebben om aan de slag te komen als ze adequaat zijn geschoold. In ons ontwerpadvies staat dat onderwijsaanbieders intensiever zullen moeten inspelen op de snel veranderende behoeften van bedrijven, werkenden en werkzoekenden. En omgekeerd: de vragers van scholing zullen beter duidelijk moeten maken aan welke scholing zij behoefte hebben. Nederland zit namelijk nog lang niet op het scholingsniveau dat we willen: slechts een zesde van de beroepsbevolking volgt in ons land een vorm van aanvullend onderwijs, bij- of herscholing. Dat is wel ongeveer het Europees gemiddelde, maar dat is wat betreft onze ambitie om bij de top van kenniseconomieën te horen, een veel te laag percentage. In de Scandinavische landen ligt dat percentage bijvoorbeeld ongeveer twee keer zo hoog!

Een meritocratie moet worden voorkomen
Maar, dames en heren, ook met meer ontwikkelings-, opleidings- en scholingsinspanningen zijn we er nog niet. We kunnen idealistisch zijn en hopen dat ieder zijn kansen kan benutten: er zullen altijd hoog- en laagopgeleiden blijven bestaan. Enerzijds is dat niet erg, want ook aan lager opgeleiden blijft behoefte. We moeten in zo'n samenleving wél vermijden dat die lager opgeleiden in een isolement geraken. We moeten voorkomen dat zij zich politiek niet gerepresenteerd of zelfs buitengesloten voelen. Ofwel: hoe kunnen we een meritocratie, in de onaangename zin van het woord, vermijden? Daar zijn allerlei interessante ideeën over. Ik noem er twee.
Volgens Bovens kan dat onder meer door het tegengaan van statusmonopolies. Dat betekent: voor vertegenwoordigende en bestuursfuncties moeten we niet alleen letten op diploma’s, niet alleen academici vragen, maar ook competenties en kennis erkennen die buiten het formele onderwijs zijn verworven. Kijkend naar de SER kan het ook daar beter. Van alle raadsleden zijn er slechts vijf van de 33 niet universitair geschoold. Vier van die vijf zitten aan werkgeverszijde. Het bedrijfsleven biedt duidelijk kansen om hogerop te komen en invloed uit te oefenen.
Verder stelt Bovens voor om de beleidsarena aan te passen. Hij pleit ervoor lager opgeleiden in een veel vroeger stadium te betrekken bij de ontwikkeling van beleid. Een vorm van interactieve beleidsvorming waarbij laag- opgeleiden een kans krijgen om betrokken te zijn. Soms zal dat vragen om specifieke maatregelen om dit te doen slagen: bijvoorbeeld selectie en training van deelnemers en actieve moderatie van de beraadslagingen. Ook de SER vindt het voor het draagvlak van zijn adviezen heel belangrijk om zo veel mogelijk relevante groepen bij de voorbereiding te betrekken. Zo hebben de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties elk een zetel beschikbaar gesteld aan de zzp’ers in hun achterban en de vakbonden deden dat ook voor de jongeren in hun kring. Verder maken we regelmatig gebruik van hoorzittingen om alle partijen in het veld te raadplegen die bij een adviesthema zijn betrokken. Soms vragen we zelfs nog ruimer om ideeën en suggesties via een online consultatie van alle burgers.
Een leuk voorbeeld in dit verband werd mij aangedragen door David van Rijbroek, auteur van het boek Congo en initiatiefnemer van G1000, een grootschalig initiatief in België om de bevolking te betrekken bij de ontwikkeling van nieuwe perspectieven voor het land. De samenstelling van dat gezelschap kwam niet tot stand doordat mensen zich konden opgeven, maar doordat ze werden uitgeloot. Er werden net zo lang steekproefsgewijs mensen benaderd totdat ze er 1000 hadden die mee wilden doen. Op zijn minst een creatieve manier van betrokkenheid genereren, vind ik.
Het zijn een paar voorbeelden van manieren waarop we kunnen zorgen voor een bredere betrokkenheid bij beleidsontwikkeling, bestuur en politiek. Ongetwijfeld zijn er ook in uw 'branche' soortgelijke initiatieven genomen of staan ze op stapel.

Tot slot
Karin Amatmoekrim, de schrijfster van het Het Gym, ging na het gymnasium letterkunde studeren. Inmiddels is ze behalve schrijfster en recensent voor de Volkskrant, lid van de adviesraad Cultuur van de gemeente Den Haag en lid van de Raad van Toezicht van Forum, het kennisinstituut voor multiculturele vraagstukken. Zij is echt een prachtig voorbeeld van de sociale stijging die de afgelopen eeuw kenmerkte. Nederland heeft zich in rap tempo ontwikkeld. Dat neemt niet weg dat er ook nu 'achterblijvers' zijn: de laagopgeleiden. Ze trekken op allerlei terreinen zoals werken, wonen, arbeidssatisfactie en gezondheid aan het kortste eind en ze voelen zich op afstand staan van de rest van de samenleving. Voor hen kan het lijken of er overal bordjes staan met de tekst: Zonder diploma geen toegang.
Hoe kunnen we voorkomen dat een grote groep in onze samenleving aan de zijlijn blijft staan? Door alle talent, van welke aard en opleidingsniveau dan ook, zorgvuldige aandacht te geven en tot ontwikkeling te brengen. Daarvoor is niet alleen talentontwikkeling van jongeren van belang, maar ook blijvende talentontwikkeling van ouderen. Daarnaast moeten we ervoor zorgen dat alle burgers zich door beleid, bestuur en politiek gezien en gehoord voelen. Want meedoen aan onze maatschappij moet voor iedereen mogelijk zijn. Met of zonder diploma.


1. Herweijer, L. (2010) Generaties in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, in: Wisseling van de wacht: generaties in Nederland, SCP, Sociaal en Cultureel Rapport 2010, p. 275 – 299.  
2. Dekker, P. en T. van der Meer (2009) Opleidingsverschillen verder onderzocht, in: Crisis in aantocht? Verdiepingsstudie Continu Onderzoek Burgerperspectieven 2008, SCP, oktober 2009, p. 136.  
3. SCP (2012) Jaarrapport Integratie 2011, p. 117 – 118.  
4. Herweijer, L. (2010) Generaties in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, in: Wisseling van de wacht: generaties in Nederland, SCP.  
5. RMO (2011) Nieuwe ronde, nieuwe kansen: Sociale stijging en daling in perspectief, Den Haag, april 2011.  
6.   Mesman, J. (2010) Oud geleerd, jong gedaan: Investeren in ouders bevordert onderwijskansen van kinderen, Leiden, oratie.  
7. In cijfers: 49.000 tegenover 26.000 euro (cijfer 2009). CBS (2009) Inkomen stijgt met opleidingsniveau.
8. Zie: Nationaal Kompas Volksgezondheid van het RIVM op: www.nationaalkompas.nl
9. CBS (2010) Sociale samenhang: participatie, vertrouwen en integratie, Den Haag : CBS, december 2010.
10. CBS (2010) Sociale samenhang: participatie, vertrouwen en integratie, p. 137.
11. Bovens, M. en A. Wille (2010) De diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie, Amsterdam : Uitgeverij B. Bakker, december 2010.
Zie ook: Bovens, M. en A. Wille (2009) Kloof in opleidingsniveau levert gevaar voor democratie, 6 april 2009, www.kennislink.nl/kernwoorden/democratie.
12. Fennema, M. en J. van Koppen (2011) Democratisch gehalte van de Tweede Kamer is toegenomen, 26 oktober 2011, www.opiniestukken.com.
13. Willems, W. en S. Klein Kranenburg (2011) Niks geteisem: Het wonderbaarlijke verhaal van De Mussen, Den Haag : uitgeverij De Nieuwe Haagsche.
14. RMO (2011) Nieuwe ronde, nieuwe kansen: Sociale stijging en daling in perspectief, p. 11.
15. Zie bijvoorbeeld de SER-adviezen: Niet de afkomst maar de toekomst: Naar een verbetering van de arbeidsmarktpositie van allochtone jongeren, 07/01; Meedoen zonder beperkingen: Meer participatiemogelijkheden voor jonggehandicapten, 07/06; De winst van maatwerk: Voorbereiding op participatie van jongeren met ontwikkelings- en gedragstoornissen, 09/07.
16. SER (2011) Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap, 11/07.
17. SER (2012) Werk maken van scholing, advies over de postinitiële arbeidsmarkt, 12/02.