Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, 1 december 2009.
Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Afgelopen jaar zijn we geconfronteerd met de zwaarste recessie sinds de jaren dertig. Net als in de jaren dertig volgt deze crisis van nu op een periode van groei en financiële overmoed. De daling van de aandelenkoersen, de wereldwijde industriële productie en het wereldhandelsvolume in de eerste helft van dit jaar 2009 was zelfs sterker dan die aan het begin van de Grote Depressie in 1929.
Sheet 1 Wereldproductie sinds pieken in 1929 en 2008 Gelukkig lijkt er nu een kentering op te treden, al weet niemand natuurlijk hoe duurzaam en krachtig dit herstel zal zijn: gesproken wordt over het zwarte Japan scenario (langdurige stagnatie), het grijze Finse scenario (herstel, maar met diepe sporen, vereist bovengemiddeld groeitempo) en het optimistische Zweedse scenario.
Deze kentering heeft zeker iets te maken met het gevoerde beleid. Beleidsmakers hebben de lessen uit de Grote Depressie geleerd. De financiële crisis eind jaren twintig had vooral zulke langdurige gevolgen in de jaren dertig vanwege verkeerde beleidsreacties zowel op het terrein van het monetaire beleid (vasthouden aan de gouden standaard), het begrotingsbeleid (bezuinigingen en/of te snel ophouden met stimuleren) en het handelsbeleid (protectionisme).
Sheet 2 “We are all Keynesians now!” Het monetaire en begrotingsbeleid is er nu terecht op gericht om de vraaguitval als gevolg van het vertrouwensverlies tegen te gaan. Op dit moment zijn we allemaal weer Keynesianen - maar wel zo lang het moet duren. We zijn door de kritiek op de Keynesianen wijzer geworden over de cruciale rol van verwachtingen van burgers en beleggers. We weten nu dat een perspectief op houdbare overheidsfinanciën en hogere economische groei van belang is om te voorkomen dat burgers hun vingers op de knip houden en veel gaan sparen of dat beleggers een hogere rente op staatsobligaties gaan vragen, waardoor de huidige vraagstimulering dweilen met de kraan open zou worden. Van belang daarom blijft een vertrouwenwekkend langetermijnperspectief op houdbare overheidsfinanciën, het versterken van het groeivermogen en de aanbodkant van de economie. Hogere groei maakt het makkelijker om straks weer de overheidsschuld terug te dringen. Aandacht voor het groeipotentieel op langere termijn is ook nodig omdat het denkbaar is dat een structureel grotere risicoaversie leidt tot minder investeringen. Het is één van de twee thema’s voor ons aanstaande MLT-advies.
Bij de versterking van het groeivermogen speelt vooral de verhoging van de groei van de arbeidsproductiviteit een cruciale rol. Zoals in het recente SER-advies over de nieuwe Lissabon-agenda is aangegeven, is verhoging van de productiviteit cruciaal voor het op peil houden van het concurrentievermogen van de EU op de wereldmarkt.
Productiviteitsverhoging is ook van belang in het licht van de vergrijzing. Bij een teruglopende bevolkingsgroei zal economische groei voor een steeds groter deel afhankelijk worden van de toename van de arbeidsproductiviteit. Productiviteit en innovatie zijn essentieel in het licht van de ambitieuze doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Onderdeel daarvan is productiever benutting van de nu zichtbaar eindige grondstoffenvoorraden (voor sommige is sprake van uitputting in enige tientallen jaren)!
Het SER-advies ‘Europa 2020 over de nieuwe Lissabon-agenda’ onderscheidt twee elkaar aanvullende wegen naar een hogere productiviteitsgroei (per gewerkt uur): marktwerking en kennis.
Sheet 3 Twee wegen naar hogere productiviteitsgroei per uur
Bij
marktwerking gaat het om het bevorderen van concurrentie door o.a. het voltooien van de interne markt, het bevorderen van ondernemerschap door o.a. aandacht voor het vestigingsklimaat, de lastendruk maar ook de kwaliteit van de publieke voorzieningen en sociale innovatie.
Bij
kennis gaat het om investeringen in onderzoek, onderwijs en scholing, het brengen van meer focus in onderzoek en het bevorderen van de excellentie bij universiteiten. (Breed geïnterpreteerd is veel noodzakelijk overheidsbeleid in deze categorieën onder te brengen.)
Om deze nationale agenda te realiseren heeft Nederland Europa nodig. Bij de voltooiing van de interne markt spreekt dat voor zich, maar ook op het terrein van de kennis is een grotere Europese rol gewenst. Te denken valt daarbij aan o.a.: een verschuiving binnen de Europese begroting zodat op Europees niveau meer geld beschikbaar komt voor de subsidiering van publieke en private RenD naar verdienste en niet volgens het juiste-retour-principe, het bevorderen van de mobiliteit van wetenschappelijke staf en studenten, een Europees octrooi en de bevordering van open innovatie.
Onderdeel van de productiviteitsagenda is ook verdere vrijmaking van de wereldmarkt via de WTO (afronding van de Doha-ronde en verder) en een meer gezamenlijk beleid ten aanzien van aantrekken van kenniswerkers uit derde landen. (SER-advies over migratiebeleid).
Dames en heren,
Globalisering voedt productiviteit!
Sheet 4 Globalisering voedt productiviteit! De verdieping en de verbreding van het globaliseringsproces is via verschillende kanalen van belang voor de productiviteitsontwikkeling:
- Via RenD buitenlandse bedrijven in Nederland. Ongeveer 30 procent van de RenD-uitgaven in Nederland komt voor rekening van de buitenlandse bedrijven in Nederland, die maar 1 procent van alle bedrijven in Nederland omvatten.
- Via verdere arbeidsdeling door het opknippen van productieprocessen. Ondernemingen hier kunnen zich meer toeleggen op kennisintensieve activiteiten en kostenbesparingen maken meer investeringen in RenD mogelijk.
- Via prikkels door concurrentie. Concurrentiedruk geeft bedrijven een prikkel tot efficiëntieverbetering en tot aanpassing van de gehanteerde technologie en organisatie van de best practices in een bedrijfstak.
- Via schaalvoordelen en grotere markten die innovaties lonender maken. Dit is een van de redenen waarom Amerikaanse bedrijven met hun grote thuismarkt lange tijd een technologische voorsprong hebben weten op te bouwen (maar de EU is groter, anderhalf keer zo groot!).
Sheet 5 Belang open markten breder
Open markten zijn daarom van belang voor een hogere productiviteit, het fundament van de welvaart. Daarnaast waardeert de consument het goedkope aanbod van Chinese textiel, schoenen, speelgoed etc., rechtstreeks in de portemonnee. Het is echter de vraag of de gemiddelde consument zich bewust is dat dit met het globaliseringsproces te maken heeft. Tegenover deze meer diffuse en langetermijnvoordelen van het globaliseringsproces staan vaak de meer zichtbare directe gevolgen van aanpassingsprocessen die het gevolg kunnen zijn van globalisering, bijvoorbeeld de sluiting van een fabriek. Een grote groep Nederlanders blijft zich bedreigd voelen door het globaliseringsproces en zijn door angst gevoelig voor de lokroep van het populisme. Er is een echte politieke tegenstelling in Nederland tussen de winnaars en de verwende verliezers van globalisering.
De Chinese en de Indiase economie konden zo hard groeien omdat de wereldeconomie meer open en geïntegreerd is geworden. Ze hebben technologie, ideeën en know-how geïmporteerd en konden hun goederen en diensten vervolgens kwijt op een enorme afzetmarkt. Dit heeft substantieel bijgedragen aan vermindering van de armoede in de wereld, al zou het effect nog groter zijn geweest bij een beperking van de inkomensverschillen in deze landen.
Bewondering!
De toekomst van de globalisering hangt in sterke mate af van de ontwikkeling in deze Aziatische economieën. Alles wijst erop: we verkeren in de nadagen van Westerse dominantie; de globalisering versnelt de verschuiving naar Azië.
Het belang van open markten is onomstreden.
Dit verklaart mede waarom een grootschalige protectionistische reflex, zoals in de jaren dertig, tot nu toe is uitgebleven. Te veel landen hebben belang gekregen bij open markten: het volume van de wereldhandel is nu 32 maal zo groot als in 1950. Als percentage van het wereld-bbp is het gestegen van 5,5 procent in 1950 naar 21 procent in 2007.
Sheet 6 Forse daling wereldhandel: volume wereldhandel toen en nu
De verdieping van het globaliseringsproces – het toenemend belang van handelsnetwerken – heeft samen met het opdrogen van het handelskrediet wel geleid tot een zeer forse en zeer snelle daling van de wereldhandel.
Sheet 7 Elasticiteit wereldhandel voor wereldinkomen gestegen
Deze figuur laat zien dat mede door het opknippen van productieprocessen (de verdieping van het globaliseringsproces) de elasticiteit van de wereldhandel voor het wereldinkomen is toegenomen. Dit verklaart mede waarom open economieën, zoals de Nederlandse, hard worden getroffen door de economische crisis (en het goede nieuws: snel zullen profiteren van herstel).
Ondanks het uitblijven van een grootschalige protectionistische reflex – ook in de EU is de staatssteun aan de niet-financiële sector binnen de perken gebleven – blijft waakzaamheid geboden. De WTO constateert dat het totale aantal handelsbeperkende maatregelen van landen het aantal vrijmakende maatregelen met een factor twee overstijgt. Om te zorgen dat het wereldhandelssysteem niet alsnog onder zware druk komt, is het nu echt zaak om de verworvenheden te consolideren door een snelle afronding van de Doha-ronde.
Sheet 8 Versterking maatschappelijk draagvlak open markten vraagt om:
Dit vraagt om verdere versterking van het maatschappelijke draagvlak voor open markten, ook juist onder de vermeende verliezers. Het antwoord hierop is beleid waarmee het globaliseringsproces in goede banen kan worden geleid. Zoals de SER in het advies ‘Duurzame globalisering: een wereld te winnen’ heeft aangeven, gaat het daarbij om het bevorderen van een duurzame en eerlijke globalisering - én een veiliger globalisering, kunnen we nu, sadder en wiser, vaststellen na de gebeurtenissen van 15 september van 2008 toen Lehman Brothers ten onder ging.
Bij een eerlijker globalisering gaat het vooral om een betere toegang tot westerse markten voor ontwikkelingslanden.
Sheet 9 Wegen naar duurzame globalisering
Bij een duurzamer globalisering gaat het vooral om flankerend beleid dat is gericht op een socialere en schonere globalisering. De ideale weg hiertoe zijn breed gedragen internationale overeenkomsten waarin sociale en ecologische normen zijn vastgelegd in breed gedragen verdragen, Kopenhagen. Landen die deze verdragen hebben ondertekend, kunnen worden aangesproken op de implementatie van deze normen en worden geholpen bij de implementatie ervan. Er is potentiële spanning tussen eerlijkheid en duurzaamheid; om te zorgen dat het streven naar meer duurzame globalisering niet botst met het streven naar een meer eerlijke globalisering is de SER terughoudend met het inzetten van handelsmaatregelen om de naleving van deze normen af te dwingen.
Daarnaast kunnen Nederlandse bedrijven en consumenten worden aangesproken om maatschappelijk verantwoord te produceren en te consumeren.
In dit verband verwijs ik ook naar het SER-initiatief Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO). Daarin committeert het georganiseerde Nederlandse bedrijfsleven zich aan een normatief kader voor de internationale aspecten van mvo en ketenbeheer. Het initiatief is gericht op de nadere invulling en toepassing van dit kader in de praktijk van het internationaal ondernemen. Belangrijke elementen hierin zijn transparantie, verificatie en klachtenbehandeling. Meer specifiek richt het initiatief zich op het verkleinen van de kloof tussen de koplopers op dit terrein – waaronder de Rabobank – en het peloton. De transparantiebenchmark van EZ laat zien dat deze kloof nu veel te groot is. Het gaat ons om beter zicht te krijgen op de vraag hoe meer bedrijven kunnen worden gestimuleerd en worden geholpen om op termijn aansluiting te vinden bij de vele good practices in het Nederlandse bedrijfsleven.
Over een week begint in Kopenhagen de grote klimaatconferentie van de VN. Ik heb me achter het appel van het internationale bedrijfsleven geschaard voor een ambitieuze, robuuste en eerlijke klimaatovereenkomst die een geloofwaardig antwoord biedt op de schaal en urgentie van de klimaatproblematiek. Een dergelijke overeenkomst is nodig om de voorwaarden te scheppen voor de transitie naar een koolstofarme economie en prikkels en signaleen aan bedrijven te geven om hierin te investeren.
Sheet 10 Veilige globalisering: verminderen gevoeligheid financiële schokken
Het gaat niet alleen een om een meer eerlijker en duurzamer globaliseringsproces, maar ook om een veiliger globalisering. In ons globaliseringsadvies hebben we niet veel aandacht geschonken aan de dreigende financiële crisis. Eind 2007/ begin 2008 was het zicht hierop nog onvoldoende helder. We moeten inmiddels vaststellen dat alles wat we in mei 2008 hierover naar buiten zouden hebben gebracht, een paar maanden later alweer zou zijn achterhaald. Maar de enorme schok die de financiële crisis teweeg heeft gebracht, heeft de noodzaak van een veiliger globaliseringsproces op de agenda gezet. Ook de grotere gevoeligheid van de wereldhandel voor het wereldinkomen biedt hiervoor een argument. Het mag toch niet zo zijn dat door moeilijkheden op een deelmarkt van de Amerikaanse financiële markt (de subprime markt) de hele wereldeconomie een gigantische dreun krijgt.
De potentiële voordelen van financiële integratie zijn groot, ook op mondiaal niveau. Met name de nieuwe lidstaten hebben, twintig jaar na de val van de muur, de voordelen mogen proeven van financiële integratie die tot een instroom van kapitaal in deze landen en een snelle convergentie van het inkomen heeft geleid. De schaduwzijde hiervan is dat een aantal van deze landen nu extra hard door de financiële crisis worden getroffen omdat er minder kapitaal naar deze landen vloeit.
Maar de voordelen van financiële integratie – een betere spreiding van risico’s – kunnen alleen worden gerealiseerd als er een helder beeld bestaat over de spreiding van deze risico’s, de risico’s adequaat zijn beprijsd, het financiële stelsel op orde is, er verantwoordelijk met de risico’s wordt omgegaan en externe effecten (het besmettingsgevaar) worden geïnternaliseerd.
De omgang met externe effecten vormt in mijn ogen het gemeenschappelijke element tussen de klimaatcrisis en de financiële crisis. De klimaatproblematiek kan zelfs gelden als het scherpste voorbeeld van alle externe effecten.
Toezicht en regulering van de internationale financiële sector is juist vanwege dat besmettingsgevaar – zowel binnen de sector als naar andere sectoren – van zoveel belang. Ook publieke of onderlinge depositoverzekeringen zijn noodzakelijk om roekeloos gedrag tegen te gaan. Het zijn met name deze twee factoren die de financiële sector anders maken.
We moeten nu vaststellen dat het toezicht en de regulering van de financiële sector achtergebleven is bij de razendsnelle integratie van de sector. Dat betreft zowel de integratie binnen de sector tussen instituties en markten als de internationalisatie van de sector. Het toezicht had te weinig oog voor het besmettingsgevaar binnen de sector – het internaliseren van externe effecten, en was daardoor ook niet goed in staat het ‘too big (or interconnected) too fail’-probleem aan te pakken.
Sheet 11 Veilige globalisering: wat moet er gebeuren?
Om het besmettingsgevaar aan te pakken moet er meer nadruk komen op macro-prudentieel toezicht. Goed toezicht op individuele instellingen is onvoldoende om systeemrisico’s te voorkomen. Om financiële overmoed in goede tijden tegen te gaan, moet het toezicht ook meer tegen de wind leunen. Daarnaast moet het toezicht en de regelgeving niet alleen oog hebben voor het risico van de beleggingen, maar ook voor de wijze waarop deze beleggingen zijn gefinancierd (in technische termen: de maturity mismatch en de leverage ratio).
Ik zei het al:
De ontwikkelingen in het afgelopen jaar hebben ook duidelijk gemaakt dat er tussen de integratie van het toezicht en de integratie van de sector een grote kloof gaapt. Dat gaat ten koste van de financiële stabiliteit. Schoenmaker spreekt in dit verband zelfs van een financieel trilemma.
Sheet 12 Financieel trilemma
Om de financiële stabiliteit in een geïntegreerd financieel systeem te waarborgen, moet het toezicht meer supranationaal worden. Dat geldt zeker voor de EU, waar de Europese Commissie nu concrete voorstellen op tafel heeft gelegd, maar ook op mondiaal niveau zal er meer moeten worden samengewerkt tussen toezichthouders.
Ook de bestaande depositogarantieregelingen – het vangnet onder de financiële sector – moeten kritisch tegen het licht worden gehouden om roekeloos gedrag te voorkomen. Er kan gedacht worden aan meer differentiatie aan de premiekant waardoor banken die risicovoller opereren ook meer premie gaan betalen, en/of aan differentiatie aan de verzekeringskant. Te denken valt bij dit laatste aan een fors hogere eigen bijdrage voor spaargelden bij banken die risicovoller opereren. Een extreme variant is om alleen deposito’s te garanderen van streng gereguleerde spaarbanken, maar niet van hoger renderende durfbanken, die wel meer vrijheid krijgen. Cruciaal daarbij is wel de geloofwaardigheid van het eigen risico voor burgers die hun geld bij durfbanken stallen. Gezien de interne markt is het ook van belang om zoiets op Europees niveau te regelen.
Sheet 13 Nog veel vragen
Ik ben me ervan bewust dat bovenstaand pleidooi voor beter macro-prudentieel, internationaal en geïntegreerd toezicht veel vragen oproept:
Hoe zwaar moet het macro-prudentieel toezicht zijn? Hoe kan het toezicht geloofwaardig tegen de conjuncturele wind in leunen (wie wil er een leuk feestje bederven)? Hoe te zorgen dat de toezichtsarbitrage beperkt blijft? Hoe de lasten op EU-niveau te verdelen om instellingen in nood te redden? Welke instellingen en markten moeten onder het systeemtoezicht vallen (b.v. ook hedgefonds en/of de kredietverzekeringsmarkt)? etc. etc.
Juist vandaag wordt gehoopt op witte rook uit de Europese schoorsteen.
Er is dan ook nog veel werk te doen. Maar dat mag geen excuus zijn om er niet aan te beginnen. Hier moet de financiële sector ook zelf haar verantwoordelijkheid nemen. We kunnen ons niet veroorloven om bij een volgende financiële crisis te constateren dat we niets geleerd hebben van de huidige crisis.
Dames en heren,
Het globaliseringsproces wordt zwaar op de proef gesteld door crisis en naweeën. Het proces is krachtig maar niet onstuitbaar – de eerste en tweede golf van de globalisering zijn in 1914 en 1930 effectief afgeremd. De politieke besluitvorming op nationaal niveau is van doorslaggevende betekenis voor de toekomst van internationale proces.
Aan u en mij de opgave om hen die zich nu verliezers van de globalisering voelen, een winnend perspectief aan te reiken.