Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, gehouden tijdens Maastricht University Dinner, donderdag 2 april 2009, in Maastricht University, Maastricht.
Alleen het gesproken woord geldt.
Fijn om met u hier over de wereld en de regio – en de verschillende schakels daartussen – van gedachten te wisselen. U heeft hier bij uitstek ervaring met het wegvallen van grenzen tussen landen; en uw ambities zijn letterlijk grenzeloos. Limburg wil zich immers positioneren als onderdeel van een Europese Technologische Top Regio. Een heel gezonde ambitie! Ik hoop van harte dat u ook bij Nederland wilt blijven horen – de rest van het land zou anders een heel gevoelig verlies lijden.
De organisatoren hebben ons advies
Duurzame Globalisering: Een wereld te winnen gekozen als kapstok voor dit diner. Het programma stelt: “Een zorgvuldig en op duurzaamheid gericht beleid kan de wereld, Europa, Nederland, maar ook deze regio veel opleveren.” Ik wil proberen u uit te dagen om met uw tafelgenoten de kansen van deze regio in Europa en in de wereld te verkennen – en de mogelijkheden voor beleid en samenwerking waardoor die kansen kunnen worden gerealiseerd.
Ik ga het SER-advies niet voor u samenvatten. Daar is het veel te dik voor, en te rijk aan analyses en aanbevelingen. Om te beginnen wil ik graag kort de huidige ronde van globalisering typeren. Vervolgens zal ik de gevolgen voor de beleidsagenda van ons land belichten.
Ons advies over globalisering geeft afzonderlijk aandacht aan de betekenis van Europa voor Nederland, in het bijzonder met het oog op het globaliseringsproces. Het belang van de Europese integratie hoef ik in deze stad – die zijn naam heeft gegeven aan het Verdrag dat de basis legde voor de Economische en Monetaire Unie – niet te onderstrepen. Europa vormt voor u een vanzelfsprekende beleidsomgeving. In deze crisistijden prijzen wij ons gelukkig met de stabiliteit die de interne markt en de euro ons kunnen bieden. De EU vormt bovendien een waardengemeenschap waarbinnen beginselen van democratie, grondrechten van het individu, zorg voor redelijke inkomensverhoudingen en werkomstandigheden, duurzaamheid en een sociaal vangnet worden gedeeld. Dankzij en via de EU kan Nederland invloed uitoefenen op de spelregels van het globaliseringsproces.
Wat betekent globalisering? Grenzen vallen weg en de wereld wordt één groot dorp. Wel een groot ingewikkeld dorp waar van alles kan gebeuren in een buitenwijk, waar je plotseling aan de andere rand van het dorp de invloed van onderkent en voelt. En de kredietcrisis is daar natuurlijk een voorbeeld van. Globalisering heeft geleid tot geïntegreerde kapitaalmarkten en daarmee kan een probleem dat op een ander continent ontstaat, vroeg of laat onze kant opkomen. En dat is nu gebeurd met de subprimehypotheken, in combinatie met grote macro-economische onevenwichtigheden in de wereldeconomie.
In die zin hebben wij de globalisering dus ook een verwijt te maken. De globalisering is deel van het probleem. En tegelijk onderstreep ik nu al dat de globalisering ook weer deel van de oplossing zal worden. Want diezelfde globalisering stelt landen in staat hun specialisaties verder te ontwikkelen en tegelijkertijd te profiteren van de specialisaties van anderen. Dat heeft ons in de voorbije jaren veel welvaart gebracht. En het is nu vooral de daling van de wereldhandel die de ernst van de huidige economische neergang bepaalt.
Globalisering, dames en heren, moeten we, denk ik, vooral zien als een gegeven. Maar globalisering laat zich wel door slecht beleid wezenlijk afremmen en zelfs tot stilstand brengen. Veel mensen lijken globalisering te ervaren als iets dat over ons heen komt, zonder dat er iets aan te doen zou zijn. Maar de geschiedenis leert anders. Want globalisering heeft een lange voorgeschiedenis; een aanloop die abrupt is onderbroken door de Eerste Wereldoorlog en pas weer op gang is gekomen toen de Tweede Wereldoorlog allang weer achter onze rug lag.
Slecht beleid – zoals dat in de jaren dertig van de vorige eeuw gevoerd is – kan globalisering verzieken. Toen hebben landen namelijk gekozen voor een kortzichtig protectionisme.
Dat is een fout die we vast niet meer gaan maken. Maar de verleiding blijft op de loer liggen. In het kader van een doeltreffend anticrisisbeleid zoeken overheden – nationale en decentrale – naar beleidsmaatregelen die in de eigen omgeving, voor de werkgelegenheid ter plekke, zo veel mogelijk effect kunnen sorteren. Er is een natuurlijke neiging om weglekeffecten naar de overkant van de grens te willen minimaliseren. Maar als we aan deze verleiding toegeven, lokken we tegenreacties uit en halen we een golf van protectionisme in huis. De geschiedenis van de jaren dertig heeft ons geleerd dat dit een heilloze weg is. Daarmee zouden de voordelen van de internationale arbeidsverdeling ongedaan worden gemaakt. Globalisering is een kans, maar ook één die wij kunnen verpesten.
De globalisering wordt overigens met de dag verfijnder, ingewikkelder en onvoorspelbaarder in zijn consequenties. Dankzij de moderne informatie- en vervoerstechnologie kunnen productieprocessen in schakels worden opgeknipt. Globalisering oude stijl betekende dat een complete fabriek naar elders verhuisde. Globalisering nieuwe stijl betekent dat wij van elke schakel in het productieproces gaan bedenken, waar die nu het best kan plaatsvinden. Dat geldt voor de industrie, want u weet dat een auto tegenwoordig een assemblageproduct is dat uit tientallen landen afkomstig kan zijn. En dat geldt zeker voor de dienstverlening, waar internet de benodigde informatie van het ene deel van de wereld naar het andere deel stuurt.
Het is allang niet meer zo dat het de laagwaardige arbeid is die het meest bedreigd wordt door globalisering. Globalisering betreft nu ook hoogwaardige arbeid. Het werk van een kapper is strikt plaatsgebonden; dat van een radioloog veel minder. Die radioloog zal dus eerder worden geconfronteerd met concurrentie door een collega uit, pak ’m beet, India.
Is dat erg? Neen. Is dat nieuw? Neen. Kunnen wij daarmee omgaan? Ja. Ik ben daar echt van overtuigd. Want Nederland heeft juist de afgelopen veertig jaar laten zien aan grote delen van de wereld, dat dit soort hervormingen, dit soort transformaties die op ons afkomen omdat de economie verandert, wel degelijk op een fatsoenlijke manier te behandelen is: op een manier die recht doet aan de noodzaak om te veranderen en die recht doet aan de noodzaak om mogelijke slachtoffers met fatsoen te behandelen en hun een kans te gunnen op een nieuwe start.
Die formule van fatsoenlijke hervormingen moeten wij vasthouden en die biedt voor Nederland de beste kans om globalisering te zien op wat het is: een kans op verbetering en op vernieuwing! Daarbij hoort dat wij onze comparatieve voordelen zoeken in slimme mensen, in slimme organisaties, in innovatieve producten. Daar moeten we dus in investeren. Meer dan ooit gaat het erom de ruimte die wij hebben, daadwerkelijk te benutten door ons te onderscheiden van de rest van de wereld. En die ruimte om ons te onderscheiden begint in de directe leefomgeving, in de eigen regio.
Innovatie gaat gepaard met een proces van voortdurende ‘creatieve vernieling’. We maken ons nu soms zorgen over het behouden van bepaalde industrieën, maar wie had ooit gedacht dat er nu zoveel mensen zouden werken in de ICT-branche? En dat mensen zoveel geld uit zouden geven aan TomToms en andere elektronische gadgets?
Een tekenend voorbeeld van de ongrijpbaarheid van innovatie vind ik de volgende quote in een artikel van Alan S. Blinder, die zich afvraagt wat een economisch adviseur van nu aan president Thomas Jefferson in 1802 überhaupt had kunnen adviseren:
“You’ve just told the president that the share of Americans earning their living on farms will fall from 84% to 2% within 150-200 years--a great prediction. The great man looks worried, and asks: “And what will the other 82% do?” You couldn’t have answered, but neither could anyone else. (1) ”
Je kunt innovatie en vernieuwingen van economische structuur dus moeilijk plannen, maar het gaat ook niet vanzelf. Het is het werk van slimme koppen die nieuwe producten, processen en organisatiewijzen bedenken. Maar kennis alleen is niet genoeg. Het is aan ondernemers alert de markt te volgen en nieuwe ideeën creatief aan de man te brengen. En aan de basis ligt goed onderwijs. Onderwijs is het ultieme vehikel om onze talenten te mobiliseren, te maximaliseren. Maar ik moet met verdriet constateren dat wij helemaal niet zuinig zijn op onze talenten. Wij verkwisten een flink deel ervan door ze te laten weglekken in voortijdige schoolverlaters of door feitelijk te discrimineren naar sociale herkomst. Jarenlang hebben wij de hoeders van dat talent niet voldoende gesteund in hun belangrijke taak. Daar krijgen we gelukkig nu wel spijt van, maar zoals altijd volgt berouw op de zonde.
Goed onderwijs op de verschillende niveaus – en in het verlengde daarvan de kwaliteit en beschikbaarheid van de beroepsbevolking – is sterk bepalend voor de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat voor ondernemingen en instellingen. Daarnaast zijn onder meer de kwaliteit van het kennis- en innovatieklimaat en het woon- en leefklimaat van belang. Het fiscale klimaat en het systeem van corporate governance zijn uiteraard ook van belang, maar deze elementen van het vestigingsklimaat zet ik even apart, omdat ze echt nationaal worden bepaald en zich niet lenen voor regionale differentiatie. Op de eerder genoemde terreinen van onderwijs, arbeidsmarkt, innovatieklimaat en woon- en leefomgeving is de regio weliswaar gebonden aan nationale kaders, maar kan zij zich duidelijk van andere regio’s onderscheiden, vooral door welbewuste profilering op basis van lokale kwaliteiten en omstandigheden, door de hoogwaardige kwaliteit van publieke voorzieningen, door een zorgvuldig beheer van waardevolle cultuurlandschappen te organiseren, door effectieve samenwerking en productieve clustervorming te bevorderen.
De regio vormt daarbij een rekbaar begrip dat kan variëren van een kring van aangrenzende gemeenten tot een landsdeel of zelfs een deel van Europa. In Limburg geeft u daarbij het goede voorbeeld door zich in economische zin te positioneren binnen de grenzendoorbrekende driehoek Eindhoven – Leuven – Aken.
“Korte lijnen creëren en de mogelijkheden benutten van samenwerking”. Dat is het motto van dit diner. Waar zijn de lijnen korter dan aan de dinertafel? Het woord is aan u!
- Alan S. Blinder (2007) “Offshoring: Big Deal, or Business as Usual?”, CEPS Working Paper No. 149, June 2007, p. 31.