Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | De toekomst van Europa in de wereldeconomie

De toekomst van Europa in de wereldeconomie

Lezing van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter van de SER, gehouden tijdens het jaarcongres van de Europese Beweging Nederland, op 4 december 2008 in Perscentrum Nieuwspoort in Den Haag.

Alleen het gesproken woord geldt.



Dit zijn bijzondere tijden. Wie van u had drie maanden geleden gedacht dat de helft van het Nederlandse bankwezen in handen van de staat zou raken? Wie had ooit gedacht dat de Financial Times (op 22 november jl.) nog eens boven een redactioneel commentaar zou afdrukken met de dreigende kop Bankers must start lending – or else om daaraan voor alle duidelijkheid toe voegen If they do not, governments will force their hands (nota bene met volledige instemming van deze zakenkrant!).

Er lijkt sprake van een Umwertung aller Werte. Abram de Swaan spreekt over het einde van de ‘marktistische heilsleer’, de genadeklap voor het vrijemarktfundamentalisme. Zelfregulering en het nastreven van het eigen belang – om maar niet te spreken van kortetermijnwinstbejag – leiden niet altijd en zeker niet zonder meer tot maatschappelijk gewenste uitkomsten. De onzichtbare hand heeft enige bijsturing door wetten en regels nodig. Dat wist Adam Smith overigens ook al.
Ontstaat daarmee weer ruimte voor een herleving van Marxistische idealen? Ik zal u bekennen, ik ben een aanhanger van Marx, niet van Karl, maar van Groucho, een van de Marx Brothers – van ‘A Day at the Races’ en ‘A Night at the Opera’. Een van diens levenswijsheden was dat hij nooit wilde behoren bij een club die hem als lid zou willen hebben. Een uitdagend organisatieprincipe! Maar Groucho Marx had gelukkig ook een pragmatische kant: “Dit zijn mijn principes. Als ze je niet bevallen, heb ik nog wel andere.”

Maar alle gekheid op een stokje: hoe zal de Europese integratie uit deze Umwertung tevoorschijn komen? Zal het gaan om een positieve – en wat mij betreft terechte – herwaardering, of leidt deze crisis uiteindelijk tot de afwaardering van het Europese idealen die ook in de Europese Beweging zijn belichaamd?

Laat mij, voor mij over te geven aan bespiegelingen over de kredietcrisis en over de toekomst van Europa, eerst schetsen hoe ik tegen de Europese integratie aankijk. Wat is de betekenis, waar ligt de specifieke meerwaarde van Europa?

Naar mijn overtuiging is het belang van de zich steeds verder uitbreidende Europese ruimte van veiligheid, stabiliteit en welvaart voor de Nederlandse economie en samenleving onverminderd groot. Wie de geschiedenis van dit continent kent, en wie ook wel eens buiten Europa heeft rondgekeken, weet wat voor een kostbaar goed zo’n zone van veiligheid, stabiliteit en welvaart is. Een verworvenheid, waarin vele andere landen graag zouden willen delen. Niet voor niets oefent de Europese Unie grote aantrekkingskracht uit op een brede kring van landen om ons heen.

Europa staat ook voor belangrijke waarden. Tot de waardevolle tradities in Europa op sociaal-economisch vlak behoren (ik vermijd hier de term Europees model; er zijn auteurs die vier verschillende modellen binnen Europa onderscheiden): 
- Het goed borgen van publieke belangen
- Belang hechten aan sociale cohesie
- De onderneming beschouwen als samenwerkingsverband van diverse belanghebbenden (stakeholder-model in plaats van shareholdermodel)
- De oriëntatie op waardeschepping op langere termijn

Veel van de verworvenheden van de Europese integratie worden inmiddels als vanzelfsprekend ervaren. Zo ook de interne markt en het vrije verkeer. Wie staat er nog bij stil hoeveel gemakkelijker het is geworden, vergeleken met twintig jaar geleden, om je als burger (consument, toerist, werknemer, student of ondernemer) in de Europese ruimte te bewegen?

Deze verworvenheden zijn niet zonder slag of stoot bereikt. De lidstaten hebben daarvoor een deel van hun eigen bevoegdheden moeten afstaan en bundelen in gemeenschappelijke structuren. De grondleggers van Europa hadden de moed en de verbeeldingskracht om de samenwerking tussen landen op een andere dan de strikt intergouvernementele leest te schoeien. Europa is een succesverhaal, maar was dat nooit geworden zonder de bindende en daardoor disciplinerende werking van het Gemeenschapsrecht, zonder de stuwende rol van Europese Commissie, Hof van Justitie en Europees Parlement en zonder de toepassing van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad van Ministers.

Essentieel is dat de EU een eigen rechtsorde kent. Het Gemeenschapsrecht legt lidstaten én burgers en bedrijven bepaalde verplichtingen op, maar kent burgers en bedrijven tegelijkertijd ook bepaalde rechten toe. Juist het beroep op de vrijheden van de interne markt door burgers en bedrijven vormt een belangrijke bron van dynamiek voor het integratieproces.

De hoeksteen van de Europese integratie is de interne markt. Deze geeft consumenten meer keuzevrijheid, werknemers betere mogelijkheden om over de grens te gaan werken en ondernemingen een betere toegang tot ruimere afzetmarkten. Daarmee heeft de EU al zo´n vijf procent aan onze welvaart bijgedragen. Het CPB schat dat dat uiteindelijk – als alle effecten van de interne markt in de vorm van productiviteitsverbetering en innovatie zijn uitgewerkt – ruim 15 procent kan worden – en nog meer naarmate de interne markt voor diensten verder vorm krijgt.

De interne markt vormt bovendien een belangrijke pijler van de EMU, de Economische en Monetaire Unie. En dat brengt mij bij de euro en de kredietcrisis. De euro heeft in deze crisis zonder meer zijn bestaansrecht bewezen. Niet alleen hebben de critici die voorspelden dat de euro aan de eerste de beste crisis ten onder zou gaan, ongelijk gekregen; de euro heeft stabiliteit gebracht waar dat hard nodig is. Je moet er niet aan denken dat deze ernstige kredietcrisis nog eens zou zijn verergerd door een valutacrisis. De middelpuntvliedende krachten op de interne markt zouden dan wel heel sterk zijn geworden.

De euro is in deze woelige tijden een zo overtuigend betrouwbaar anker gebleken, dat meer landen daarop willen aanhaken. In Denemarken en Zweden is het tij duidelijk aan het keren ten gunste van de euro. En in IJsland – geen lid van de EU, maar wel deel van de Europese Economische Ruimte – gaan de mensen zelfs voor aansluiting bij de EU en de euro de straat op. Hongarije is in heel zwaar weer terechtgekomen en zoekt nu ook de beschutting van de eurozone.

Tegelijkertijd heeft de kredietcrisis nog eens duidelijk de tekortkomingen van de EMU blootgelegd. In de EMU is het monetaire beleid gecentraliseerd – of liever gezegd: gefederaliseerd – maar het toezicht op financiële instellingen verloopt uitsluitend langs nationale lijnen. De ECB noch een andere Europese instelling oefent bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen uit. Dat is een anomalie.
Banken die in landen van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd, kunnen zich met een nationaal ‘paspoort’ min of meer vrijelijk bewegen op de interne markt. Een bankvergunning in IJsland of Malta verschaft toegang tot alle EU-lidstaten. De 25 grootste Europese banken doen gemiddeld 55% van hun zaken in eigen land en 25% in andere EU-lidstaten. Er bestaat dus ook voor financiële dienstverlening een interne markt, maar het toezicht daarop is sterk gefragmenteerd. De 15 grootste financiële instellingen van de euro-zone hebben samen een marktaandeel van meer dan 50%, maar er is geen enkele toezichthoudende instantie die een totaaloverzicht over deze vijftien banken heeft.

Daar komt bij dat Europa weliswaar gemeenschappelijke regels heeft voor de solvabiliteit van banken – de Basel 2 richtlijn – maar dat de omzetting ervan in de afzonderlijke lidstaten heel verschillend is geweest. Verder liet Basel 2 veel ruimte voor de eigen risicoweging door banken van diverse activa. En in de gehanteerde risicomodellen werd evident geen rekening gehouden met systeemrisico’s: met een mogelijke epidemische besmetting van uitstaande middelen. Daardoor konden banken de hefboomwerking – de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen – tot extreme hoogten (70x) opvoeren. Perverse prikkels in de beloningsstructuur lokten uit dat op zoek naar hoge rendementen met ondoorzichtige producten te grote risico’s werden genomen. Het interne risicomanagement van banken heeft daaraan te weinig weerstand geboden. En rating agencies hebben vooral het marktsentiment gevolgd en versterkt en daardoor een procyclische invloed uitgeoefend. De risico’s waren te lang te laag geprijsd; nu lijkt men naar de andere kant door te slaan.

Door dit alles waren ook de Europese banken heel kwetsbaar toen de Amerikaanse rommelhypothekencrisis ontaardde in een systeemcrisis. Kwetsbaarder dan lokale banken in Afrika, zoals Arthur Arnold, de vertrekkende topman van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO, onlangs fijntjes opmerkte. De Afrikaanse toezichthouders hebben zo’n hoge hefboomwerking niet toegestaan.

Voor die kwetsbaarheid van het bankwezen betalen wij nu een hoge prijs, vooral in de vorm van een vertrouwenscrisis. Het vertrouwen in financiële instellingen is weg, niet alleen van beleggers – dat is nog wel overkomelijk – maar ook van spaarders en van banken in elkaar. Daardoor stokt ook de kredietverlening en wordt de rest van de economie geraakt. We ondervinden nu aan den lijve dat het bankwezen niet zomaar een economische sector is maar ook iets van een collectieve voorziening heeft. En dat concurrentie heel heilzaam kan zijn, maar niet als het gaat om de regels die de solvabiliteit en liquiditeit van het bankwezen moeten waarborgen.

Toen de kredietcrisis in september – na het faillissement van Lehman Brothers - in volle omvang uitbrak, heeft Europa – de lidstaten en de Unie – al improviserend van de nood een deugd gemaakt. Het Europese mededingingsbeleid was gelukkig robuust genoeg om de discriminerende aanpassing van het depositogarantiestelsel in Ierland direct te kunnen torpederen. Dankzij de euro is er een goede infrastructuur voor overleg en afstemming over financiële en monetaire aangelegenheden; daarvan is driftig gebruik gemaakt voor crisismanagement.

Maar daarnaast moet worden gewerkt aan een versterking van de financiële architectuur. Dat moet leiden tot een betere bewaking van de stabiliteit van financiële systemen, zowel wereldwijd als in Europees verband.
Wereldwijd zou het goed zijn het werkterrein van het IMF te verbreden. Het Fonds heeft vanouds een taak in het bevorderen van de macro-economische stabiliteit van landen. Het gaat er nu om het Fonds een centrale rol te geven bij het versterken van de financiële sector. Dat kan door het bestaande Financial Stability Forum onder de vleugels van het IMF te brengen.
De hervorming van het IMF is overigens geen eenvoudige zaak. Tegelijkertijd zal namelijk de samenstelling van het bestuur van het IMF aan de veranderde economische verhoudingen moeten worden aangepast. Opkomende economieën zoals China, India en Brazilië eisen – met enig recht – een zwaardere stem in het kapittel. Europa zal daarvoor moeten inschikken. Maar ook zal de dominantie van de VS moeten worden doorbroken. Het veto dat de VS nu bij de besluitvorming in het IMF kan uitoefenen, maakt het namelijk onmogelijk om effectief kritiek op het Amerikaanse beleid uit te oefenen.
In dit spanningveld doet Nederland er goed aan zijn huidige zetel in het bestuur van het IMF te gebruiken als hefboom om tot een gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de Europese Unie te komen. Met het oog daarop is het ook belangrijk dat Nederland actief blijft participeren in de G-20.

De externe dimensie van het optreden van de EU moet uiteraard in balans zijn met de interne bevoegdheden en beleidslijnen. Ik ben voorstander van een consistente toepassing van het subsidiariteitsprincipe. Op grond daarvan is voor mij zonneklaar dat de EU meer bevoegdheden en betere instrumenten moet krijgen op het terrein van toezicht. Het Nederlandse kabinet is terecht voorstander van een echte Europese toezichtstructuur. Nationale toezichthouders hebben daarin een belangrijke rol te spelen, maar er is een sterk centraal orgaan nodig. Het toezicht op grote financiële instellingen moet Europees worden georganiseerd. Ook zullen in Europees verband extra criteria voor beoordeling van de solvabiliteit van banken moeten worden afgesproken.
Het toezicht op de consumentenbescherming en op het naleven van gedragsregels kan daarentegen nationaal blijven.

Een interessante vraag is nog of de geïntegreerde structuur voor het financiële toezicht primair bij de eurozone of bij de EU moet aangrijpen. Vanuit de invalshoek van de ene munt en de Europese Centrale Bank als ‘lender of last resort’ bij systeemcrises zou de eurozone voor de hand liggen. Aan de andere kant beslaat de interne markt voor financiële diensten de hele EU (en zelfs meer dan deze, de Europese Economische Ruimte).

Het toezicht zal niet van de ene op de andere dag Europees kunnen worden georganiseerd. In de tussentijd is het zaak om de samenwerking tussen de nationale toezichthouders te verbeteren. Een interessante stap daarbij is het instellen van colleges van toezichthouders voor alle grensoverschrijdende financiële instellingen waartoe de Ecofin-Raad heeft besloten.

De kredietcrisis vergt nu en in de komende tijd veel aandacht. Maar ook op andere terreinen moeten integratietekorten worden weggewerkt en zijn hervormingen nodig. Om te beginnen is er natuurlijk de uitdaging om het Verdrag van Lissabon alsnog ongeschonden door de ratificatieprocedure te loodsen. De kredietcrisis heeft hopelijk de ‘hearts and minds’ van de Ieren in een voor de toekomst van de EU gunstige richting beïnvloed – en mede daardoor ook de voorwaarden geschapen voor ratificatie door Tsjechië en Polen. Dan resteert nog het oordeel van het Duitse Constitutionele Hof.

Heel interessant zijn ook de verschuivingen in de rolverdeling binnen de EU. Frankrijk heeft zijn voorzitterschapsrol dit halfjaar heel overtuigend ingevuld. Het VK is opmerkelijk actief en constructief; Duitsland steekt daar op dit moment bleekjes tegen af. Ik ben heel benieuwd hoe de twee komende voorzitterschappen – Tsjechië en Zweden – die beide niet tot de eurozone behoren – het eraf gaan brengen. Eind volgend jaar zullen we vast een duidelijker beeld hebben van de pro’s en contra’s van een vast en een roulerend voorzitterschap.

Europa heeft zich in de afgelopen 50 jaar verdiept, verbreed en uitgebreid – en vormt daarmee een succesverhaal. Dat verhaal is zeker nog niet af. Bepaalde hoofdstukken moeten worden herschreven; andere aan het geheel toegevoegd. Door een sociaal-economisch gekleurde bril naar de toekomst kijkend, zou ik vooral aandacht willen vragen voor:
  • Een goed onderhoud en een verdere voltooiing van de interne markt. De interne markt moeten we zeker niet gaan verstoren met steunmaatregelen voor bepaalde bedrijfstakken.
  • Het ontwikkelen van een echte Europese kennisruimte, als basis voor ons concurrentie- en innovatievermogen.
  • Het ontwikkelen van een gezamenlijk energiebeleid dat gericht is op voorzieningszekerheid, doelmatigheid en duurzaamheid (en dus ook een effectief antwoord kan geven op de klimaatproblematiek). De kredietcrisis is geen reden om de inzet van Europa voor een wereldwijd effectief klimaatbeleid op een lager pitje te zetten.
  • Het voortzetten van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid naar meer duurzaamheid en grotere doelmatigheid, door het gericht belonen van maatschappelijk gewenste prestaties te bevorderen. 
  • Een verdere toespitsing van het cohesiebeleid op de armste lidstaten.
  • Een goede voorbereiding van de toetreding van nieuwe lidstaten (in de rij staan, zoals bekend, Kroatië, de rest van de Westelijke Balkan en Turkije).
  • Het ontwikkelen van een volwaardig, gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De EU kan economisch gezien veel gewicht in de schaal leggen, maar speelt op het wereldpolitieke toneel voorlopig niet meer dan een bijrol. Deze discrepantie tussen het economische en het politieke gewicht van de EU in de wereld doet afbreuk aan de kracht waarmee onze gemeenschappelijke waarden en belangen kunnen worden behartigd. Zoals gezegd, beschouw ik het innemen van één gemeenschappelijke zetel in het bestuur van het IMF als een belangrijke stap op weg naar een volwaardige rol van Europa in de wereldeconomie.