Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, tijdens het jubileumcongres van VHTO, landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen en bèta/techniek, maandag 1 december 2008, te Den Haag, Sociëteit De Witte
Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Als man kreeg je vroeger voorgehouden dat je galant diende te zijn, door bijvoorbeeld voor dames de deur open te houden. Dames gaan voor, is het gezegde, maar dat lijkt allerminst op te gaan voor het aantal vrouwelijke studentes in de bèta/technische richting en ict. Aankomende studentes in de exacte richtingen blijven nogal eens stilstaan voor de drempel, en dat is jammer. Terwijl het toch van eminent belang is dat Nederland de deur flink openzet om een duurzame en hoogwaardige kennissamenleving te worden. En daar hoort ook bij dat meisjes meer dan nu de exacte richtingen binnenstappen, en dat de deuren daar gemakkelijker voor hen opengaan.
Het is voor mij heel leuk om hier voor u te spreken. Dat komt mede omdat ikzelf een exacte achtergrond heb, om precies te zijn in de theoretische wiskunde. Verder staat de inzet van de VHTO mij zeer na. Het lijkt mij van groot belang dat meisjes en vrouwen meer studeren in de exacte vakken, en het is belangrijk om daarvoor invloed uit te oefenen. Natuurlijk: de een is invloedrijker dan de ander (dat heeft u in de Volkskrant kunnen lezen), maar met een studie als de uwe kunt u - op uw eigen wijze - grote invloed uitoefenen.
In deze inleiding wil ik dan ook nader ingaan op de volgende kwestie. Slechts een beperkt aantal meisjes of vrouwen kiest voor bèta/techniek-opleidingen; wat voor betekenis heeft dit voor de sociaal economische ontwikkeling van Nederland voor nu en straks?
Laat mij eerst stilstaan bij de verheugende aanleiding tot deze middag. Ik wil de VHTO van harte feliciteren met haar 25-jarig bestaan. De doelen van de VHTO zijn onverminderd van belang. Ook de activiteiten van VHTO zijn onverminderd van belang. Zo heeft VHTO bewezen in de afgelopen jaren succesvol mee aan de weg te timmeren. Maar er is in ons aller belang nog meer nodig, en ook in de komende jaren kan de VHTO daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
Een studiekeuze is een beslissing van een meisje en jongen op individueel niveau, op microniveau. Nu heeft men mij gevraagd het vraagstuk rond meisjes en vrouwen in bèta, techniek en ict te duiden op macroniveau. Daarbij zal ik op de volgende vragen ingaan:
- Wat betekent het voor de sociaal economische ontwikkeling van Nederland dat er nog steeds minder meisjes dan jongens kiezen voor een exacte opleiding?
- Als Nederland ook in de toekomst nog steeds veel minder vrouwen dan mannen kan krijgen en behouden in bèta, techniek en ict, zeker ook in vergelijking tot andere landen – wat voor gevolgen heeft dat dan?
Ik ga kort in op de volgende zaken.
- Allereerst de actuele context, zoals de huidige financiële en economische crisis en de uitdagingen daarvan.
- Dan het belang van bèta/techniek in opleidingen en beroepen voor onze maatschappelijke welvaart – die volgens de SER ook evenredige arbeidsparticipatie inhoudt van bijvoorbeeld vrouwen – en het belang van vrouwelijke bètatechnici.
- Daarna ga ik in op hoe het algemene beeld eruitziet van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de bèta/techniek.
- Ten slotte: changez! Hoe kunnen we de situatie verbeteren met behulp van beleid? Wat zijn de noodzaak en de mogelijkheden om wat te doen?
2. Actuele context: crisis en uitdagingen
U heeft gemerkt: ik ben warm voorstander van meer meisjes en vrouwen in de exacte studies en beroepen. Laat mij op dit standpunt een macrovisie toepassen. Het streven naar meer meisjes/vrouwen in bèta/technische opleiding en beroepen laat zich plaatsen in het perspectief van de huidige economische toestand.
Hoe zit dat? Momenteel is sprake van een neerwaartse economische conjunctuur in veel landen. Wellicht laat zich over ruim een jaar een economisch herstel zien, rond eind 2009, begin 2010. Naar verwachting is de huidige tip van tijdelijke aard. Deze huidige dip komt in ieder geval neer op het naar voren halen en verhevigen van de traditioneel onvermijdelijke neergang na een periode van hoogconjunctuur.
De neergang kent wel een risico: dat de krimp leidt tot langdurige stagnatie. Zoiets heeft grote nadelen. Langdurige stagnatie remt de broodnodige innovatie, het bedreigt de investeringen in onderzoek en kennis die zo noodzakelijk zijn, het belemmert de structurele toename van arbeidsparticipatie en het maakt het lastig om de lasten van de vergrijzing op te vangen. Het is de centrale uitdaging om zo’n stagnatie te voorkomen.
Is de economische teruggang dan nuttig te gebruiken? Ja, mits: we kunnen ook de teruggang in economische groei nuttig maken, mits we er verstandig mee omgaan. Het is noodzakelijk om in deze teruggang met goede beleidsinstrumenten de volgende vraagstukken aan te pakken, vraagstukken die voor onze toekomst cruciaal zijn:
- Op termijn zal het arbeidsaanbod van met name jonge mensen teruglopen. Hoe gaan wij dan goed om met een arbeidsmarkt die structureel krapper wordt?
- Hoe kunnen wij in een wereld die internationaal steeds meer verweven raakt, een eersteklas kenniseconomie verwezenlijken waarmee wij ook internationaal meetellen?
- Hoe richten wij onze productie- en consumptiepatronen zodanig in dat ze meer duurzaam, meer milieuvriendelijk worden? Wat kan techniek daaraan bijdragen?
Arbeidsmarkt, kenniseconomie, duurzaamheid: daarvoor is het absoluut nodig ernaar te blijven streven dat het aantal mensen in bèta/techniek en ict opleidingen en in aansluitende beroepen en functies op de arbeidsmarkt, toeneemt: substantieel en structureel. Belangrijk is een flinke en blijvende toename van het aantal mensen in de exacte richtingen. Dat geldt in het bijzonder voor meisjes/vrouwen. U zit dus in mijn visie al op de goede plek, en een gunstige plek.
De economische ontwikkelingen kunnen daarbij helpen. De vooruitzichten voor bèta’s en technici op de arbeidsmarkt zijn namelijk gunstig: lage werkloosheid, korte wachttijd op een eerste passende baan, een over het algemeen bovengemiddeld startsalaris. Op middellange termijn wordt de situatie nog beter, mede vanwege de vervangingsvraag door de vergrijzing: er gaan meer oude mensen weg en er zijn meer jonge mensen nodig. Kortom: er zijn dus meer bèta’s en technici nodig, mensen zoals u, vrouwen zoals u, en dat vertaalt zich in goede vooruitzichten voor de exacte beroepen.
3. Sociaal economische welvaart - vrouwen en bètatechniek
Exacte beroepen zijn belangrijk, maatschappelijke welvaart is belangrijk, en meer vrouwen in exacte beroepen is belangrijk. Meer meisjes/vrouwen in bètatechniek (opleidingen én beroepen/functies) is nodig voor het behoud en de groei van onze maatschappelijke welvaart: welvaart met duurzaamheid, een goede arbeidsparticipatie voor alle groepen en met een redelijke inkomensverdeling. Meer meisjes/vrouwen in exacte richtingen is van belang zowel voor de maatschappij als voor meisjes/vrouwen. Ik zal die functie nu gaan herleiden.
Beter in bètatechniek zijn betekent dat we als land beter kunnen verdienen. Bètatechniek is één van de bronnen van onze welvaart en ontwikkeling. Daarmee is bètatechniek medebepalend voor het verdienvermogen van onze economie en dus voor de toekomst van Nederland. Voor een gezonde, vernieuwende én ondernemende maatschappij hebben we “wetenschappers en technici, ontwerpers en tekenaars” nodig. Zij bepalen mee of er al dan niet sprake is van een ondernemend innovatief klimaat. U dus ook.
Maar is een tekort aan technisch personeel. Globalisering en spitsvondige technologische vernieuwingen maken de jacht op bètatechnici groter, zowel wereldwijd als nationaal. Mede daarom kampt het bedrijfsleven al jaren met een groot en structureel tekort aan technisch geschoold personeel. En dit ondergraaft onze internationale concurrentiepositie.
We hebben het dan ook hard nodig om zo goed mogelijk gebruik te maken van talenten en kenniswerkers in onderwijs en beroep. Investeringen: Het is noodzakelijk nog meer te investeren in talenten en in kenniseconomie (bij uitstek de bètatechniek). Inspelen op behoefte van de arbeidsmarkt: Het is nodig om daarbij de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren.
We hebben de kenniswerkers nodig om bij de Europese voorhoede te horen op het terrein van onderwijs, onderzoek en innovatie. Ook moeten we de talenten in onderzoeksinstellingen en bedrijven optimaal kunnen benutten.
Als Nederland een kenniseconomie wil blijven, dan is het bètatalent van allen hard nodig - en in het bijzonder van meisjes,
Meer meisjes/vrouwen in bètatechniek (opleidingen én beroepen/functies) is niet alleen goed voor de economie, maar even goed voor emancipatie van vrouwen. Het leidt ook tot ontwikkelingen als:
- het doorbreken van de sociale scheidingen: de beroepssegregatie (de scheiding qua beroepen) en de seksescheiding (die de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de hand werkt);
- grotere economische zelfstandigheid van vrouwen;
- versteviging/verbetering positie vrouwen aan de top.
Meer meisjes en vrouwen in de exacte richtingen is ook goed voor wat we nomen ‘maatschappelijke welvaart’. De SER staat voor drie hoofddoelen van wat wij noemen ‘maatschappelijke welvaart’. Die kent drie hoofddoelstellingen, te weten:
- Een economische groei die evenwichtig is, binnen het streven naar een ontwikkeling die duurzaam is. En voor duurzame ontwikkeling heb je bètatechnici hard nodig. Meer bètatechnici dus, en meer vrouwelijke bètatechnici.
- Een arbeidsparticipatie die zo groot mogelijk is. Dat houdt in dat het gewenst is dat zo veel mogelijk vrouwen deelnemen aan het arbeidsproces. Zeker als bètatechnici.
- Een inkomensverdeling die redelijk is. Dat houdt onder andere in: goede inkomens ook voor vrouwen, bijvoorbeeld als bètatechnici.
Ter conclusie: Meer meisjes/vrouwen in bètatechniek draagt bij tot het realiseren van deze drie hoofddoelstellingen van sociaal economisch beleid: evenwichtige economische groei met duurzame ontwikkeling, zo groot mogelijke arbeidsparticipatie, een redelijke inkomensverdeling.
4. Enkele gegevens: ontwikkelingen en factoren in de (onder)vertegenwoordiging van vrouwen in de bèta/techniek
Eerst een algemeen beeld van de ondervertegenwoording:
- Al met al is er nog steeds sprake van een uiterst scheve verdeling van Nederlandse mannen en vrouwen over de diverse opleidingssectoren en beroepsgroepen.
Op het vlak van bèta/techniek is er meer vraag dan nu wordt benut, en er is ook meer talent in de aanbieding dan nu wordt benut. De richting bèta/techniek is, met andere woorden, ondervertegenwoordigd: er zijn te weinig jongens en zeker te weinig meisjes die daarin leren en werken.
Ook is er is veel onderbenut bèta talent. Dit heeft nadelen voor zowel leerlingen zelf als de maatschappij als geheel (macroniveau). Enerzijds zijn er leerlingen, vooral meisjes, die hun talenten niet (kunnen) ontplooien en benutten, anderzijds loopt de samenleving maatschappelijk kapitaal mis.
- Gelukkig is het zo dat in de afgelopen jaren meer meisjes/vrouwen een opleiding/baan in de bètatechniek aan het kiezen zijn. Het aantal in absolute zin stijgt. Maar: het is nog niet genoeg, het loopt nog te veel achter in vergelijking tot andere landen.
Het aantal is te laag in twee opzichten. Het percentage jongvolwassenen dat in Nederland de arbeidsmarkt betreedt met een hogere bètatechnische opleiding is laag in vergelijking met andere landen. En binnen deze groep is het percentage vrouwen ook nog eens extreem laag, vroeger en ook nu nog. Vrouwen in de bèta/techniek is daarmee een te kleine deelverzameling.
Het beperkte aantal meisjes en vrouwen dat voor bètatechniek kiest, baart dus nog steeds zorgen en het aanbod van bètatechnici op de arbeidsmarkt blijft vooralsnog achter bij de vraag.
Dit precaire geldt ook voor het aan het werk blijven. Als vrouwen eenmaal zijn gaan deelnemen aan het arbeidsproces, blijft het een probleem deze vrouwen te behouden in een technische functie in de bèta/technische sector. Wanneer vrouwen vroegtijdig weer vertrekken, is dat een ernstige vorm van kapitaalvernietiging.
- De beperkte hoeveelheid jongens en meisjes die de (bèta)techniek kiezen, is allerminst te verklaren vanuit een gebrek aan talent. In vergelijking met andere landen scoort Nederland zelfs goed wat bètatalent betreft (PISA cijfers). Daarnaast kiezen meisjes nog steeds minder voor bètatechniek dan jongens, ook al hebben ze niet minder aanleg voor bèta/techniek. Neen, er zijn andere factoren in het spel.
Enkele factoren ter verklaring van de ondervertegenwoordiging wil ik hier noemen:
- Persoonlijke attitude:
Te veel twijfel, te weinig vertrouwdheid. Meisjes hebben minder zelfvertrouwen voor bèta/techniek, ze beleven er minder plezier aan, ze zien minder het nut ervan in en het ontbreekt hen aan rolmodellen. Ze oriënteren zich niet vanzelf op een toekomst in bèta of techniek, omdat ze ten onrechte twijfelen of ze het wel aankunnen en omdat ze een onvoldoende beeld van bètafuncties en beroepen hebben.
Het is dus ook een kwestie van zelfbeeld en van attitude ten opzichte van wetenschap en techniek. Daaraan ligt een aantal oorzaken ten grondslag, zoals gender codes, de aard van het rekenonderwijs (nadruk op realistisch rekenen - met alle sommen ingepakt in een context), de interactie met de leerkracht en de attitude van de ouders. Dit remt meisjes vaak af voor een technische richting.
- De onderwijsstructuur:
Een vroege keuze vergroot de onbekendheid. Ter illustratie het volgende voorbeeld: in het vmbo/mbo moeten leerlingen al op zeer jonge leeftijd een keuze maken voor beroepssectoren en vakken. Onbekend maakt onbemind: meisjes die geen expliciete stimulansen krijgen om zich serieus op techniek en ict te oriënteren, krijgen daardoor gemakkelijk de kans om zich al op jonge leeftijd helemaal van die wereld van de techniek en ict af te keren. Zij kiezen voornamelijk niet voor techniek en ict omdat ze van deze beroepenwereld helemaal niets weten en bovendien geen vrouwen kennen die daarin werken.
- Arbeid, zorg en ontplooiing:
Veel vrouwen zijn ontevreden over de geringe ontplooiingskansen en over de mogelijkheden arbeid en zorg te combineren. Dat geldt in het bijzonder in de bètatechnische sectoren.
5. Wat te doen? Changez!
- Algemeen:
We moeten er iets aan blijven doen, zowel voor de bètatechniek in het algemeen, als voor de positie van meisjes/vrouwen in bètatechniek. Er zijn wel degelijk mogelijkheden. Het tekort aan technisch geschoold personeel hoeft geen onherroepelijk gegeven te zijn. Technisch en wetenschappelijk talent is genoeg bij jonge kinderen aanwezig.
- Er zijn niet alleen mogelijkheden, maar gelukkig reeds veel waardevolle initiatieven om ervoor te zorgen dat op alle niveaus van onderwijs meer aandacht komt voor de bèta- en technische vakken. Zo is het manifest Koers op talent aan de politiek aangeboden, waarin onderwijs, bedrijfsleven en overheid aandringen op verdere maatregelen. Ook zijn zo’n 2500 basisscholen gestart met het invoeren van wetenschap en techniek in lesprogramma’s en tienduizend leerkrachten en pabostudenten worden binnen dit domein geschoold.
Bij deze initiatieven gaat bijzondere aandacht uit naar de positie van meisjes. Zo gaf minister Plasterk het officiële startschot voor het project Meisjes en techniek van het Platform Bèta Techniek; dit in samenwerking met VHTO. Dat moet ervoor zorgen dat veel meer meisjes een (bèta)technische vervolgopleiding kiezen. Over drie jaar moeten alle scholen in Nederland het technisch talent van meisjes stimuleren.
Uit publicaties van onder meer de VHTO blijkt dat aandacht voor meisjes en bètavakken resultaat oplevert. Meer bekendheid van meisjes met bètavakken leidt dus tot meer keuze van meisjes in die richting.
Ten slotte wil ik een aantal suggesties voor beleid meegeven.
Voor beleid is van belang dat er voor opleidingen en voor de leerlingen cruciale momenten zijn: de overgangen van primair naar voortgezet onderwijs, van voortgezet onderwijs naar vervolgopleidingen in beroepsonderwijs tot en met hoger onderwijs, en van opleiding naar werk. Op dergelijke overgangsmomenten kunnen vele potentiële bèta’s gaan afhaken of juist kiezen.
Nodig is een ketenbenadering, met een goed afgestemde aanpak over de gehele loopbaanketen van groep 1 op de basisschool tot en met de inzet en het behoud van goed opgeleide kenniswerkers voor de arbeidsmarkt. Daarbij is speciale aandacht nodig voor de “schakels” of kruispunten tussen onderwijstypen en tussen onderwijs en arbeidsmarkt.
Cruciaal is: wie is verantwoordelijk? wie neemt het voortouw?
Hieronder volgen enkele voorzetten.
Zorg voor stimulerend onderwijs en aantrekkelijke opleidingen
- Zorg ervoor dat het onderwijs de natuurlijke nieuwsgierigheid van jonge mensen maximaal stimuleert, het talent herkent en erkent, en kinderen/jongeren aanmoedigt om in de klas of op school te leren én te experimenteren. Het is de ruime aandacht voor wetenschap en techniek in het onderwijs die de basis vormt voor een kritische, constructieve houding en praktisch inzicht.
- Ga zorgvuldig na wat meisjes belangrijk vinden in hun opleiding, en geef daarbij aandacht aan nut, relevantie en gebruikswaarde van bèta/techniek;
- Het is van belang aandacht te besteden aan een aansprekende vormgeving van mbo opleidingen die rekening houden met de interesses van meisjes;
- Laat meisjes uitgebreid kennismaken met techniek en technische functies en begeleid hen goed tijdens keuzemomenten. Het is belangrijk scholen te ondersteunen in specifieke keuzevoorlichting aan meisjes (via voorlichting aan scholieren en aan ouders!)
- Goed voorbeeld doet goed volgen. Breng meisjes al in een vroeg stadium in contact met vrouwelijke rolmodellen die al werkzaam zijn in technische branches en zorg voor divers samengestelde docententeams voor de bètavakken.
- Geef aandacht voor de cultuur en de sfeer, en voor de studieomgeving.
- Gebruik activerende onderwijsvormen, waarbij een directe relatie met de beroepspraktijk tot stand komt;
- Organiseer een breder en meer gevarieerd bèta/technisch opleidingenaanbod. In plaats van of naast vooral monodisciplinaire technische of natuurwetenschappelijke opleidingen zijn ook opleidingen met elementen van andere disciplines erin nodig. Combineer dan ook functies en opleidingen van meerdere vakgebieden (intersectorale of snijvlakopleidingen zoals domotica en industrieel productontwerp).
- Zorg voor een mentor vrouwelijke studenten vanaf een half jaar voor het afstuderen tot en met het eerste jaar op de arbeidsmarkt.
- Tot slot: vernieuwing van het onderwijs heeft alleen kans van slagen als er sprake is van commitment, betrokkenheid met daadkracht, bij de schoolleiding, ook als het gaat om meisjes en bètatechniek.
Zorg voor loopbanen die interessant en aantrekkelijk zijn en blijven
- Werkgevers hebben belang bij vrouwelijke bètatechnici, vanwege verschillende redenen.
Gezien het vooruitzicht van de krappe arbeidsmarkt doet zich de noodzaak voor van voldoende (bèta)personeel, met des te meer vrouwen en meisjes.
Een divers samengesteld personeelsbestand (met diversiteit aan mannen en vrouwen) leidt tot meer creativiteit en innovatief vermogen; een evenwichtig managementteam is evenwichtiger.
Ook is dit gunstig voor het bedrijfsimago: een divers personeelsbeleid draagt bij tot de goede reputatie van een bedrijf.
- De uitdagingen voor werkgevers is vrouwelijke professionals in de bètatechniek aan hun bedrijf verbonden te houden en daarin geïnteresseerd te houden, door onder meer:
het bieden van ontplooiingskansen en aantrekkelijke ontwikkelings en loopbaanmogelijkheden;
goede voorzieningen om arbeid en zorg te combineren;
passende arbeidsvoorwaarden (flexibele werktijden; mogelijkheden voor deeltijdwerk);
begeleiding door een coach of mentor;
aandacht voor werving, selectie en promotie en voor communicatie uitingen.
Tot slot
Het is niet enkel een kwestie van de werkvloer, maar ook van het werk thuis. Een noodzakelijke tegenhanger voor meer meisjes/vrouwen in bèta/techniek is:
- meer jongens/mannen die meer in zorg gaan leren en werken (zowel in de opleidingen als in de arbeidsmarkt);
- meer (privé)zorgtaken bij/door mannen.
6. Afrondend
Er zijn, kortom, veel mogelijkheden om bèta/technische opleidingen en functies aantrekkelijk en toegankelijk te maken voor meisjes/vrouwen en om meisjes te stimuleren die stap te zetten. Er is heel wat expertise en kennis, uit binnen en buitenland, met dank aan de VHTO.
Nu gaat het erom die mogelijkheden daadwerkelijk te benutten.
Ik kan u zeggen dat ik volledig akkoord ben met de titel van jubileumprogramma: CHANGEZ, MAAK NU PLAATS VOOR VROUWEN IN DE BETATECHNIEK.
Obama zegt niet alleen: Change we need, maar ook : Yes, we can. En dan op de manier die de titel van de brochure VHTO aangeeft: Maak werk van vrouwelijk talent.
Er is geen betere investering denkbaar, met hoger rendement, dan de ontwikkeling van de talenten van onze kinderen/jongeren!
Ook de SER kan zijn steentje bijdragen. De SER adviseert vaker over onderwijs en kenniseconomie en krijgt binnenkort een adviesaanvraag over diversiteit in arbeidsorganisaties.
Laat mij, last but not least, de VHTO een vruchtbare toekomst toewensen. Ik hoop dat het mogelijk wordt om nog veel deuren open te krijgen om plaats te maken voor vrouwen als u. Dat is ook voor ons land als geheel van groot belang.