Inleiding van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, gehouden tijdens de Conferentie ‘Werken aan Gelderland’, georganiseerd door SER Gelderland en de Provincie Gelderland, op 28 oktober 2008 in het Hotel en Congrescentrum Papendal te Arnhem.
Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Ongelofelijk leuk hier te zijn in deze prachtige provincie, in dit prachtige conferentieoord over een onderwerp dat ongelofelijk belangrijk is en actueel. En u kunt het zo breed trekken als u maar wilt.
Misschien hebben sommigen van u gezien dat ik afgelopen zaterdag in de NRC heb gepleit voor een modern provincialisme. Die oproep herhaal ik graag bij dezen. Dat zal een beetje de rode draad door mijn verhaal zijn.
Ik ben mij ervan bewust door dat woord te gebruiken, ik ook associaties oproep die juist niet gunstig zijn. Als je in het woordenboek kijkt, wordt het woord ‘provincialisme’ ook wel eens geïdentificeerd met slaperigheid en suffigheid. Het voorvoegsel ‘modern’ zou u wel gerust moeten stellen, maar ik bedoel het vrij fundamenteel. Ik bedoel echt, dat – naar mijn idee – de provincie, in de gedachten van een voldoende grootschalige en kleinschalige leefgemeenschap, voor vele inwoners in het land bepaalt wat de kwaliteit van het dagelijkse leven is. Ook bedoel ik dat juist dáár, bij de provincie, de aangrijpingspunten liggen voor heel veel beleid dat het dagelijkse leven in goede en – als het niet goed is – in mindere zin kan beïnvloeden.
In die zin is het ook alleszins passend om juist vanuit dat regionale, lokale of, zo u wilt, provinciale perspectief te kijken naar alle grote dingen die in de wereld gebeuren. Het past daarbij ook u af te vragen wat die ‘provinciale’ aangrijpingspunten en dat perspectief betekenen voor het werk waarbij velen van u betrokken zijn en wat voor een deel in het verlengde ligt van wat wij als Sociaal-Economische Raad in Den Haag voor het land in totaliteit proberen te bereiken.
De tijd is veel te kort voor een uitputtend overzicht. U zult dat ook niet van mij verwachten. Ik wil wel een aantal grote thema’s expliciet benoemen: de globalisering en de kredietcrisis, de demografie, het globaliseringsproces en productieomstandigheden, meer arbeidsparticipatie, en het onderwijs.
Deze thema’s lenen zich terdege voor een vertaalslag naar het lokale niveau.
Eerst wil ik iets zeggen over globalisering en, summier, de kredietcrisis. Dat is op zich al iets waar je uren over kunt spreken zonder dat je het na afloop daarvan echt beter begrijpt. Ik wil ook iets zeggen over wat ons te doen staat in zo’n periode. En vandaag zij ook nog eens onderstreept, zoals dat hoort, dat een crisis ook kansen biedt, omdat dingen in beweging komen, omdat wat vastzit vloeibaar wordt. Verder zij onderstreept dat wij niet overdreven nerveus moeten zijn.
Het is ingewikkeld wat er gebeurt – lastig en daarmee ook onzeker. Maar ik zou de stelling nu wel willen verdedigen, dat als er één land in Europa is dat de ingrediënten in handen lijkt te hebben om passend te reageren op al die problemen, dat eigenlijk Nederland is.
Daarmee zeg ik niet dat ons niets zal overkomen, maar wel dat wij goed voorbereid zijn op welke uitdaging dan ook. Daarmee kan het nog lastig genoeg worden. En dan ook nog eens onderstreept, dat wij er ook zelf iets aan kunnen doen.
Eén van de meest fatale misverstanden rond globalisering is dat wij in toenemende mate de invloed de ‘control’ op onze eigen toekomst, op onze eigen ‘destiny’ lijken te verliezen. Belangrijke besluiten zouden genomen worden over ons, maar buiten ons en zonder ons. Dat is het gevoel, maar dat is een ernstig misverstand en dat meen ik ook werkelijk.
Als juist één ding immers kenmerkend is voor globalisering, dan is het juist precies dat wij nog steeds – meer dan ooit – de ruimte die wij hebben, substantieel moeten benutten door ons te onderscheiden van de rest van de wereld – bij ons, over ons en door ons.
En wat zeker wordt, is dat de rest van de wereld wel onze concurrent geworden is. En in die zin hebben wij onze welvaart te verdedigen, in de wetenschap dat wij daarbij op de vingers worden gekeken door al diegenen die daar met recht en rede jaloers op zijn en ook mee willen doen. Wij moeten ze dat gunnen, maar dan wel de ruimte die wij hebben buitengewoon goed en scherp benutten. En dat kunnen wij ook, die ruimte is substantieel. Er is in die zin ook geen enkel excuus om zoiets na te laten en dat hebben wij ons dan uiteindelijk alleen maar zelf te verwijten. En die ruimte om zelf iets te doen begint in onze directe leefomgeving; de provincie. Leve het moderne provincialisme!
Nu zal ik ingaan op de grote ontwikkelingen van het moment. Die raken ons toch allemaal, of wij dat prettig vinden of niet.
Zo’n ontwikkeling is de demografische ontwikkeling. Een belangrijke ontwikkeling, al kan ik er hier kort over zijn. U kent het verhaal. Het lijkt ongunstig, maar het is daarom niet minder waar, wat je demografen ook mag verwijten. Zij hebben een belangrijke voorsprong op economen. Hun voorspellingen komen immers wél altijd uit.
De belangrijkste voorspellingen voor Nederland liegen er niet om. Er staat ons een vrij substantiële ingreep te wachten in de demografische opbouw van ons land. De beroepsbevolking gaat krimpen en de bevolking gaat vergrijzen.
Ik geef u niet veel statistieken, maar ik geef er één die duidelijk maakt waar het om gaat. Wij hebben in 2020 voor elke 10 personen in Nederland tussen de 20 en 45 jaar bijna evenveel, namelijk 9, personen tussen de 45 en de 65 jaar. En in het jaar 2000 – nu al weer even achter ons – was de verhouding dat tegenover die 10 personen van 20 tot 45 jaar er toen 5 personen van 45 tot 65 jaar stonden. Van 5 naar 9, dat is dus in die korte periode bijna verdubbeld; een heel andere opbouw van onze beroepsbevolking en dat betekent nogal wat.
Dat is echt iets om nu al over na te denken; dat komt namelijk op ons af. Dat is niet tegen te houden en u kunt niet vluchten in ‘wishful thinking’ als: het zal wel meevallen.
Een andere consequentie daarvan is dat ook de gemeenten, zeker de kleinere gemeenten rekening hebben te houden met belangrijke demografische ontwikkelingen. Ik geef u daar ook een voorbeeld van dat tot nadenken stemt. De helft van de gemeenten in Nederland krijgt tussen nu en 2025 te maken met een daling van het inwoneraantal.
Daarvan kunt u denken, dat het wel het dorp links of rechts van u zal overkomen, maar u zelf niet, maar u weet dat anders zal uitvallen. Wij hebben een nieuw perspectief onder ogen te zien en ernaar te handelen en na te denken over welke mogelijkheden dat biedt; ook de bedreiging die dat in zich draagt.
Een tweede belangrijk thema is in zijn volle breedte de globalisering, waar ik eerder naar verwees. Daarover heeft de SER onlangs een vuistdik rapport over uitgebracht, 360 pagina’s, warm aanbevolen als u het in volle glorie wilt begrijpen. Maar ik denk dat de kern iedereen ook wel duidelijk is. Wij weten wat het verschijnsel globalisering inhoudt.
Grenzen vallen weg en de wereld wordt één groot dorp. Wel een groot ingewikkeld dorp waar van alles kan gebeuren in een buitenwijk, waar je plotseling aan de andere rand van het dorp de invloed van onderkent en voelt. En de kredietcrisis is daar natuurlijk een voorbeeld van.
Het valt niet te ontkennen dat de kredietcrisis in de volle breedte tot ons komt; niet dankzij de globalisering, maar als gevolg daarvan. Het is allerminst iets om dankbaar voor te zijn.
Globalisering heeft geleid tot geïntegreerde kapitaalmarkten en daarmee kan een probleem dat in Amerika ontstaat, vroeg of laat onze kant op komen. En dat is vrij zeker als het probleem maar groot genoeg is. En dat is het.
In die zin hebben wij de globalisering dus ook een verwijt te maken. De globalisering is deel van het probleem. En tegelijk onderstreep ik nu al dat de globalisering ook weer deel van de oplossing zal worden. Want diezelfde globalisering stelt andere landen, andere delen van de wereld – waar de groei beter gewaarborgd blijkt te zijn dan in de VS – in staat om daarbij te hulp te komen, met kapitaal te hulp te komen, om de vraag in stand te houden die uiteindelijk onze export gaande moet houden. Om globalisering de schuld te geven, is een wezenlijke miskenning van wat er in de wereld aan de hand is.
Globalisering, dames en heren, moeten we, denk ik, vooral zien als in de eerste plaats een gegeven, een vanzelfsprekend gegeven. Maar globalisering laat zich wel door slecht beleid wezenlijk afremmen en zelfs tot stilstand brengen. Dat is iets om nog eens te onderstrepen. Zoals heel veel mensen globalisering ondergaan, lijkt het voor hen dat er iets over ons heen komt zonder dat er iets aan te doen zou zijn. Maar de geschiedenis leert anders. Want globalisering heeft een zeer lange voorgeschiedenis die zeer abrupt is onderbroken door de Eerste Wereldoorlog en pas weer op gang is gekomen toen de Tweede Wereldoorlog allang weer achter onze rug lag.
Slecht beleid kan globalisering verzieken. Slecht beleid zoals dat in de jaren dertig gevoerd is, heeft – toen de globalisering net weer op gang begon te komen – het proces afgeremd. Toen hebben landen namelijk gekozen – in het verlengde van een crisis die toen wel even essentieel was als de huidige – voor een kortzichtig protectionisme. Dat is een fout die we in ieder geval niet meer gaan maken. Daar ben ik echt van overtuigd. In Nederland zijn wij het daarover eens en internationaal – geloof ik – gelukkig ook. Globalisering in die zin, voor zover het gezien wordt als iets dat kansen biedt op welvaart. Een zaak die politiek ook zorgvuldig behandeld moet worden. Het is een kans, maar ook één die wij kunnen verpesten.
Maar binnen de mogelijkheden van die kansen zijn ook allerlei varianten denkbaar, waarvan sommige ons meer zouden moeten aanspreken, dan andere.
Ons advies ‘Duurzame globalisering’ is niet voor niets zo opgesteld. Enerzijds kan Nederland profiteren van de globalisering, als zijnde een kleine open economie. Anderzijds hebben wij ook een wezenlijke bijdrage te leveren aan de kwaliteit van het globaliseringproces: om ervoor te zorgen dat de vruchten niet alleen in onze directe omgeving neerslaan, maar dat ze vooral een belofte inhouden naar al diegenen die in onvoorstelbare armoede leven en aan zegeningen van globalisering de hoop aan welvaart ontlenen. Daar zijn er tientallen miljoenen van. Veel zijn de afgelopen tien jaar in belangrijke mate bediend. Maar er zijn grote delen van de wereld waar de zegeningen in de zin van globalisering nog lang niet zijn neergeslagen en waar wij als land ook de opdracht hebben een wezenlijke bijdrage te leveren aan de ontsluiting van hun markten, zodat zij mee kunnen profiteren van wat dit proces ons allen kan bieden.
Die globalisering is ingewikkelder dan wel eens wordt verondersteld. En het wordt met de dag verfijnder, ingewikkelder en onvoorspelbaarder in zijn consequenties.
Het grote verschil tussen globalisering van de vorige eeuw en van globalisering nu, is dat wij in de tussentijd de opkomst hebben meegemaakt van de informatietechnologie, die ons in staat stelt om productieprocessen veel gefragmenteerder te benaderen dan tot dusver. Globalisering oude stijl betekende dat een complete fabriek naar China of India ging. Globalisering nieuwe stijl betekent dat wij kijken naar een productieproces en dat wij van elke schakel in dat productieproces gaan bedenken, waar die nu het best kan plaatsvinden.
Dat geldt voor de industrie, want u weet dat een enkele auto tegenwoordig, vanuit dezelfde benadering, een assemblageproduct is dat uit tientallen landen afkomstig kan zijn. En dat geldt voor de dienstverlening, omdat de informatie die nodig is van de één naar de andere stad kan wordt overgedragen door internet; een vergelijkbare ontwikkeling.
Productieprocessen in de industrie en in de dienstverlening worden in toenemende mate in stukken geknipt en kunnen belanden waar zij het beste en het goedkoopst uit te voeren zijn. Het is dan ook lastig te voorspellen wat er precies gaat gebeuren.
Het is allang niet meer zo dat de laagwaardige arbeid het meest bedreigd wordt door globalisering. Globalisering gaat nu ook op voor hoogwaardige arbeid. Ook bijvoorbeeld een radioloog – een hoogwaardig specialist – heeft ermee te maken dat zijn werk op termijn goedkoper en dus even efficiënt kan worden uitgevoerd door een collega in India, terwijl wij hier slapen. Dat is ook het onvoorspelbare aan globalisering en tot op zekere hoogte het bedreigende, tot op zekere hoogte het kansrijke. Het is maar waar je zit in het globaliseringproces, dat zich nu afspeelt.
Hoe het ook loopt, hoe het ook zal aflopen, hoe het ook zal gebeuren, wij weten nu al dat het zal leiden tot veranderingen. Veranderingen in de samenstelling van de economie en veranderingen in de prioriteiten, die wij in dit land mogen stellen.
Is dat erg? Neen. Is dat nieuw? Neen. Kunnen wij daarmee omgaan? Ja. Ik ben daar echt van overtuigd. Want Nederland heeft juist de afgelopen veertig jaar laten zien aan grote delen van de wereld, dat dit soort hervormingen, dit soort transformaties die op ons afkomen omdat de economie verandert, wel degelijk op een fatsoenlijke manier te behandelen is: op een manier die recht doet aan de noodzaak om te veranderen en die recht doet aan de noodzaak om mogelijke slachtoffers met fatsoen te behandelen en hun een kans te gunnen op een nieuwe start.
Die formule van fatsoenlijke hervormingen moeten wij vasthouden en die biedt voor Nederland de beste kans om globalisering te zien op wat het is; een kans op verbetering en op vernieuwing!
We staan in dat opzicht helemaal niet machteloos. Vooral niet omdat wij het zelf kunnen regelen in dit land. Ook niet waar het gaat om het accommoderen van de gevolgen die de enorme verandering in de wereldmarkt met zich meebrengt.
Wat betekent al dit groots nu voor u, voor mensen die hier wonen en werken in deze prachtige omgeving?
In de eerste plaats betekent het, waar het gaat om de demografie, dat u er rekening mee moet houden dat de arbeidsmarkt in belangrijke mate krapper zal worden. Misschien nog wel krapper dan die nu al is. En als wij dan wel afstevenen op een recessie, laten we dan hopen dat het een kleine en korte recessie is, als het niet anders kan. En laten we hopen dat die recessie de arbeidsmarkt wat meer rust zal geven. Hier en daar zou dat helemaal niet verkeerd zijn. Het is buitengewoon moeilijk voor velen om de mensen te vinden die u nodig heeft en wij moeten daarmee inhoud geven aan een centraal thema, waarover de SER heeft geadviseerd toen het nieuwe kabinet aantrad, namelijk het thema van participatie.
Dat is juist in de arbeidsmarkt die wij nu beleven, onverminderd noodzakelijk. Eigenlijk is het om twee redenen noodzakelijk om meer participatie voor elkaar te krijgen.
De eerste reden is, dat als wij erin slagen om de participatie, die in Nederland helemaal niet laag is, maar nog lang niet zo hoog als in andere Europese landen naar dat hoge – bijvoorbeeld Zweedse – niveau te brengen van ongeveer 80 procent, dat wij dan in belangrijke mate de rekening betaald hebben die de vergrijzing bij ons neerlegt.
Vergrijzing betekent een aanslag op ons aller budget. Het betekent dat een relatief kleinere beroepsbevolking relatief meer welvaart in stand moet houden en participatie, stijgende participatie, is ‘by far’ de beste manier om dat voor elkaar te krijgen.
De tweede reden om dat te doen, is omdat het noodzakelijk is voor het goed functioneren van ondernemingen. Organisaties waar personeelstekorten optreden, kunnen op enig moment alleen aanvulling krijgen door de participatiegraad te verhogen met groepen die daar op dit moment nog ruimte voor bieden. Ik kom er zo op terug.
En de derde reden om participatie centraal te stellen, is om een fatsoenlijke samenleving te creëren, waarin mensen betrokken zijn op een manier die uiteindelijk de beste manier is: zinvol betaald werk. Ik zeg niets onaardigs over vrijwilligerswerk, helemaal niet. Maar uiteindelijk is de koninklijke route naar participatie toch het normaal meedoen op de arbeidsmarkt en door de talenten te ontwikkelingen en demonstreren.
Hebben wij ruimte voor meer participatie? Het antwoord is ja. Nog niet zozeer onder de categorie waar allereerst altijd naar wordt gekeken, de blanke mannen van rond de 40.
Die werken in het algemeen in grote percentages. Maar er zijn andere categorieën waarvoor dat niet geldt. Dat weten wij allemaal.
Er is ruimte voor verbetering bij de ouderen. Bij de 50-plussers. Er is ruimte voor verbetering onder vrouwen, waar veel teveel kleine deeltijdbanen zijn.
Er is ruimte voor wezenlijke verbeteringen onder arbeidsgehandicapten. Een naar woord, want in de praktijk kunnen zij veel meer dan menigeen van ons vermoedt.
Al die categorieën hebben onbenutte talenten, onbenutte energie. Ze hebben ruimte om die energie in te zetten en die ruimte moeten wij hun de komende tijd gunnen.
En de harde kern van het SER-advies is samen te werken aan allerlei maatregelen en creatieve ideeën om die mensen naar de arbeidsmarkt brengen. Zij willen het zelf en wij hebben ze nodig.
Dat heeft te maken met onderwijs, met bijscholing en herscholing. Ik vind het een schande dat zo weinig van die inspanningen ten goede komen aan ouderen. Wij weten eigenlijk allemaal dat zij net zo goed kunnen leren als jongeren. Zij krijgen gewoon de kans niet en dat is één van de redenen dat zij niet zo breed beschikbaar zijn als zij zouden kunnen en willen zijn.
Daar moeten wij wat mee doen. Wij moeten ervoor zorgen dat de barrières die er zijn, worden weggenomen als zij kunstmatig zijn en wij moeten vrouwen in staat stellen – als zij dat willen – zich voluit in te zetten door een volwaardige vorm van kinderopvang aan te bieden.
Er is een reeks van mogelijkheden die vaak onderbenut zijn. In onze eigen omgeving kunnen wij er vaak heel wat aan doen om ze benut te krijgen. En dat geldt voor ons allemaal; voor heel Nederland en voor uw provincie die ook eigen kenmerken heeft die bijzondere aandacht vragen.
De groei bijvoorbeeld van de Wajong-categorie, waarvan wij moeten zeggen dat daar veel onbenutte energie zit. Grote verborgen reserves in de ouderen, arbeidsongeschikten en op uw krappe arbeidsmarkt zijn evenzoveel kansen.
Ik juich het toe dat, dat in de SER – in SER-Gelderland – een poging wordt gedaan om gesprekken tussen werkgevers en werknemers en anderen tot stand te brengen.
Wat wij in Nederland – denk ik – in totaliteit goed op orde hebben, is het besef dat hier een gezamenlijke opgave ligt, die uiteindelijk alleen in gezamenlijkheid tot een succes kan worden gebracht.
Onderwijs staat in het hart van deze opgave.
Onderwijs als het ultieme vehikel om al die talenten te mobiliseren, te maximaliseren. Het daadwerkelijk benutten van al die talenten is, denk ik, de enige route om ten volle profijt te krijgen van de talenten die wij in Nederland in huis hebben en ook daar hebt u, denk ik, regionaal al heel veel te doen en bij te dragen. Ik wil bijvoorbeeld een compliment maken in de richting van een heel mooi initiatief, ‘de Sapfabriek’. Een heel bijzonder leerbedrijf, waar u trots op kunt zijn. Alle functies worden hier door leerlingen uitgevoerd en zij leren er concreet vaardigheden waarmee zij hun levenlang vooruit kunnen. Hier werken bedrijven en overheden voortreffelijk samen om schooluitval tegen te gaan en leerlingen te doen excelleren.
Van dat soort zaken hebben wij er meer nodig. De rest van het land kan daar wat van leren. U geeft daarbij het goede voorbeeld. Ik denk dat u – wat dat betreft – de schijnwerper best op uzelf mag richten.
Ik hoop dat wij langs deze lijn met elkaar aan de slag kunnen. Graag wil ik proberen u – voor zover dat nodig is uit Den Haag – met ons landelijke overzicht aan ideeën te helpen, maar u kunt al heel veel zelf.
U heeft een heel goed initiatief ‘Leren en Werken Noord-Veluwe’ dat precies illustreert wat ik hier probeer te beschrijven: maximaliseren van talenten. Onderwijs voor eenieder en iedereen een plek te gunnen op de arbeidsmarkt. Een plek die iedereen kan gebruiken.
Ook voor het onderwijs geldt dat wij in Nederland nog een hele opgave voor de boeg hebben. Er zijn onvolkomenheden waarop wij ons moeten gaan richten. Zo is er het probleem rond aanbod van goede leraren. Ik hoef dat niet uit te tekenen, maar wij hebben ook een traditie om mee te beginnen. En die traditie wordt in uw provincie op vele plekken voortreffelijk zichtbaar gemaakt.
Ik hoop, dames en heren, dat u in deze wereldwijde agenda een lokale vertaalslag ziet ontstaan, die het u mogelijk maakt om op eigen wijze aan de oplossing bij te dragen. Daarbij blijft het adagium dat wij centraal moeten doen wat eigenlijk alleen centraal mogelijk is en decentraal wat ook maar enigszins decentraal kan. En dat is heel veel.
Er is heel veel ruimte voor eigen invulling van eigen beleid en wat dat betreft, beschrijft het advies van SER Gelderland met de titel ‘Alle hens aan dek’ precies wat wij de komende maanden met elkaar moeten doen. We weten dat het misschien zwaar weer wordt. Maar ook weten wij dat we in Nederland over tradities beschikken die ons in staat stellen het zware weer het hoofd te bieden, om een koers aan te houden die ons zo snel mogelijk weer brengt in meer beschut en veilig water.
Werken aan Gelderland is werken aan Nederland en voor Nederland.
Ik wens u daarbij heel veel succes.