Sociale innovatie

Rede van dr. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter SER, bij het congres 'Research for Innovation', gehouden bij Inscope, op 3 juni 2008 in Rotterdam.

Alleen het gesproken woord geldt.


1. Inleiding

Langzaam maar zeker groeit het besef dat niet-technologische innovaties in organisaties onmisbaar zijn om succesvol te kunnen innoveren en concurreren. In Nederland hebben Volberda en collega’s het belang van sociale innovatie de afgelopen jaren met diverse onderzoeken aangetoond. Maar natuurlijk hebben ook anderen op de noodzaak van niet-technologische innovatie gewezen. Ik denk met name aan de personen en organisaties die zich de afgelopen jaren hebben ingezet om het Nederlands Centrum voor Sociale Innovatie tot stand te brengen. Het NCSI is nu ruim een jaar actief bezig om de vele facetten van sociale innovatie voor een breed publiek toegankelijk te maken en te bevorderen.

Technologische en niet-technologische innovaties zijn complementair. Dat is een belangrijke constatering. We moeten ons dan ook niet alleen blindstaren op meer R&D – hoe belangrijk ook. Zonder sociale innovatie blijkt technologische vernieuwing maar al te vaak een verloren investering. Tegen deze achtergrond is in Nederland sprake van het nodige achterstallig onderhoud. In dubbel opzicht: het nog onvoldoende in de praktijk brengen van sociale innovatie, maar ook waar het gaat om gegevensverzameling, monitoring en gedegen wetenschappelijk onderzoek.

Wie bij het CBS op zoek gaat naar gegevens over niet-technologische innovatie moet zich tevreden stellen met cijfers uit 2004. Daaruit blijkt trouwens dat Nederlandse bedrijven op dit punt relatief slecht scoren. Vooral op het terrein van organisatorische veranderingen en marketingstrategie is de prestatie van Nederlandse bedrijven benedengemiddeld. Zo geeft slechts 16 procent van de Nederlandse bedrijven aan in de periode 2002-2004 innovatieve organisatorische aanpassingen te hebben doorgevoerd. In landen zoals Denemarken, Duitsland en Oostenrijk is het percentage ruim het dubbele.

Dat recentere CBS-cijfers over niet-technologische innovatie in Nederland ontbreken, geeft wel aan dat hier nog een wereld te winnen is. Een duidelijk signaal dat een topinstituut als INSCOPE op dit terrein hard nodig.

Henk Volberda en de andere sprekers zullen zo meteen ongetwijfeld nog het nodige zeggen over sociale innovatie in Nederland en de potenties hiervan. Ik leg me vooral toe op de bredere context.

Eerst zal ik iets zeggen over de macrocontext: de kenniseconomie en de productiviteitsontwikkeling.
Daarna ga ik in op de betekenis van vertrouwen voor succesvolle sociale innovatie, mede in de internationale context.

2. De macrosetting

De macrosetting van sociale innovatie kan worden getypeerd met twee begrippen: kenniseconomie en productiviteitsverhoging. Beide begrippen moeten worden geplaatst in een globaliserende wereldeconomie.

Kenniseconomie
Het verhaal over de kenniseconomie is bekend. Om onze toekomstige welvaart zeker te stellen moeten we doorgroeien naar een kenniseconomie met een gemiddeld hoge toegevoegde waarde. Dat is de manier voor ons bedrijfsleven om te kunnen concurreren op mondiale markten.

De kenniseconomie is innovatiegedreven. Om concurrerend te zijn moeten bedrijven zich onderscheiden door kwalitatief hoogwaardige nieuwe producten, die zijn toegesneden op de wensen van de afnemers. Voor innovaties zijn behalve marktomstandigheden ook bedrijfs- en persoonsgebonden factoren van belang. Zo zijn duidelijke innovatiedoelen, experimenteerruimte en multifunctionele teams belangrijke succesfactoren. Kortom, herkenbare elementen van sociale innovatie.

Globalisering
Die kenniseconomie krijgt gestalte in een globaliserende wereld.
Op het eerste gezicht is er niets nieuws onder de zon. Globalisering is van alle tijden en komt in golven. Ook de zorg over verplaatsing van economische activiteiten en werkgelegenheid is van alle tijden. Een slogan uit het verleden luidde niet voor niets: “Steun elkaar, koopt Hollandse waar”.

De kern is dat globalisering geen zero sum game is. Anders gezegd: als we in Nederland slim opereren dan kunnen we op tal van manieren profiteren van de opkomst van demografische reuzen in Azië en Zuid-Amerika. Dat vereist wel visie en leiderschap. In de politiek en in het bedrijfsleven.

Geen misverstand. Ik wil de zorgen die velen over globalisering hebben zeker niet bagatelliseren. De geschiedenis herhaalt zich nooit geheel op dezelfde manier. In de SER hebben we het afgelopen jaar gewerkt aan een advies waarin veel facetten van globalisering tegen het licht worden gehouden. Daar valt dan ook heel veel over te zeggen. Gelet op het thema van vanmiddag wil ik me op deze plek beperken tot wat een groeiend aantal economen wel als een nieuwe fase van globalisering duiden: concurreren op taken.

Derde industriële revolutie?
Door innovaties in de ICT-sfeer kan routinematig en gestandaardiseerd werk steeds beter op afstand uitgevoerd worden. Verschillende stadia van het productieproces kunnen worden losgekoppeld. Voorheen werd gedacht dat concurrentie met lage lonenlanden alleen bepaalde branches in de industrie en vooral laaggeschoolden trof. Recent onderzoek laat echter zien dat concurrentie invloed kan hebben op ieder opleidingsniveau. Concurrentie zal veel meer op het niveau van taken gaan plaatsvinden. Het belang van deze constatering is dat de nieuwe uitingsvormen van globalisering dwars door sectoren heen fietsen. Dit maakt veel onvoorspelbaarder wie door globalisering geraakt zullen worden.

De impact van nieuwe ontwikkelingen, als het opsplitsen van de productieketen en de toename van hooggeschoolde concurrentie, in werkgelegenheidstermen is misschien veel groter dan voorheen. Zo wordt door de Amerikaanse econoom Blinder al gesproken over een op handen zijnde derde Industriële Revolutie.

Veel hiervan is echter nog speculatief. De effecten zijn nog onduidelijk, maar mogelijk zeer groot. Nader onderzoek, bijvoorbeeld door INSCOPE, is daarom hard nodig.

Netwerkeconomie
Hoe het ook zij, de kenniseconomie zal in toenemende mate de trekken van een netwerkeconomie krijgen. Dat betekent dat organisatiegrenzen vervagen. Innovatie vindt meer en meer plaats in open processen met samenwerking tussen verschillende partijen op basis van gelijkwaardigheid. Waar voorheen hiërarchische systemen met veel formele relaties en bureaucratische principes de boventoon voerden, is nu steeds meer sprake van netwerken en partnerschappen. Gedeelde belangen en interesses staan daarbij centraal. Reputatie en vertrouwen zijn in dit verband essentiële cultuurelementen.
Ik kom hier zo meteen nog op terug.

Productiviteitsverbetering
Behalve door de kenniseconomie wordt de macrosetting van sociale innovatie ook bepaald door de noodzaak van productiviteitsverbetering. Het verbaast dan ook niet dat de werkgeversvereniging AWVN sociale innovatie al vele jaren hoog op de CAO-agenda heeft staan.

Het macroverhaal over arbeidsproductiviteit is bekend. Onze arbeidsproductiviteit per gewerkt uur ligt erg hoog, maar de productiviteitsgroei blijft ver achter bij landen als de VS.
Tenminste dat dachten we tot voor kort.

Enige tijd geleden bleek echter dat de arbeidsproductiviteit in Nederland sterker is gegroeid dan gedacht. Dat komt doordat het CBS de productiviteitscijfers systematisch heeft onderschat. Op basis van de laatste revisie van de nationale rekeningen blijkt dat er in Nederland rond 1997 een versnelling van de groei van de arbeidsproductiviteit heeft plaatsgevonden, net als in de VS. Die groei doet zich vooral voor in de communicatie en de groothandel.
De gemiddelde Nederlandse productiviteitsgroei per gewerkt uur is hoger dan gedacht – de afgelopen jaren ruim boven de 2 procent per jaar – maar blijft nog wel licht achter bij die van de Verenigde Staten. Het verschil bedraagt een kwart procentpunt.

Dat is op zich goed nieuws, maar nog geen reden tot tevredenheid. Zeker niet als studies aangeven dat met sociale innovatie nog veel winst te behalen is.

3. De rol van vertrouwen

Eerder constateerde ik dat we naar een netwerkeconomie gaan waarin open innovatieprocessen steeds belangrijker worden. Open innovatie is succesvoller naarmate er beter kan worden samengewerkt. Wederzijds vertrouwen is hiervoor een belangrijke randvoorwaarde. Wederzijds vertrouwen is ook noodzakelijk bij sociale innovatie. Alleen bij voldoende vertrouwen werpt overleg, afstemming en ideeënuitwisseling tussen leiding en personeel voldoende vruchten af.
Tegen deze achtergrond is het goed te begrijpen dat een van de NCSI-projecten Managen op basis van vertrouwen als titel heeft.

In de complexe wereld van de kenniseconomie is vertrouwen een asset. Vertrouwen betekent namelijk dat sprake is van sociaal kapitaal. En veel sociaal kapitaal verlaagt de transactiekosten. In een land of arbeidsorganisatie met veel vertrouwen en sociaal kapitaal zijn minder regels en controlesystemen nodig. Het zelfsturende vermogen is dan groot. Maatwerk en flexibiliteit is het gevolg.

Is Nederland een high trust society?
Ondanks ons gebutste zelfbeeld behoort Nederland in internationaal perspectief nog steeds tot de high trust landen.
Uit de Europese Verkenning van CPB en SCP van september 2006 komt naar voren dat Nederland samen met Finland, Denemarken en Zweden hoog scoort als het gaat om sociaal vertrouwen. Verder hebben andere volkeren uit de EU-lidstaten een hoge dunk van ons. Samen met wederom de Scandinavische landen, de Zwitsers en de Belgen worden Nederlanders als het meest betrouwbaar gezien.

Wat betekent dit nu voor de kenniseconomie?
Nederland bevindt zich zo bezien dus in een gunstige positie, zeker in het licht van de recente ontwikkeling van gesloten naar open innovatie.

Ik verwijs in dit verband ook graag naar de befaamde wetenschappers Manuel Castells en Pekka Himanen die aantonen dat een cultuur van creativiteit het onderscheidende kenmerk is van succesvolle teams en organisaties op het gebied van innovatie. Onderling vertrouwen vormt de basis voor die cultuur van creativiteit. Andere succesfactoren zijn volgens Castells en Himanen dat mensen in een omgeving werken waarin verschillende achtergronden bij elkaar komen, dat mensen elkaar stimuleren en uitdagen en dat er sprake is van een duidelijk gemeenschappelijk doel.

Je kunt het ook psychologisch duiden. Het gaat om de trits: veiligheid, erkenning en vreugde. Hoe simpel en overtuigend!

Internationaal perspectief
Wie de snel groeiende literatuur over sociale innovatie erop naslaat, ziet steeds weer dezelfde ingrediënten: een op innovatie gerichte langetermijnstrategie, actieve participatie van werknemers, heterogene teams, zelfsturing, ruimte om te experimenteren en fouten te maken, de bereidheid om te blijven leren en een cultuur van continue verbetering.

Bij sociale innovatie spelen grofweg dezelfde voorwaarden als bij het sluiten van compromissen in de overlegeconomie. Partijen moeten langetermijndoelen delen, partijen moeten bereid zijn in elkaar te investeren en partijen moeten bereid zijn te geven en te nemen.

High trust samenlevingen zoals de Scandinavische en de Nederlandse zijn hierbij in het voordeel. Zij beschikken over relatief veel sociaal kapitaal.

Zo bezien verkeren we in het voordeel ten opzichte van de Amerikanen en Britten die alle afspraken het liefst via lange contracten volledig juridisch dicht willen timmeren. Advocaten verdienen zo een goede boterham.

Ook ten opzichte van Latijnse landen als Frankrijk hebben we een voordeel, aangezien deze landen veel hiërarchischer zijn. Leiders zijn veelal autocratisch ingesteld en zijn niet gewend te luisteren naar ondergeschikten. Veel stakingen zijn het gevolg.

Duitsland is geen eenheidsworst, maar toch kun je stellen dat Duitsers hiërarchischer, gezagsgetrouwer en sterker onzekerheidsmijdend zijn. Toegeeflijkheid is niet bepaald een gewaardeerde eigenschap, voorspelbaarheid wel.

En de Chinezen? In China is improviseren dagelijks werk. Namaken van voorbeelden is iets goeds, niet iets verderfelijks. Grote beslissingen worden genomen door de nr. 1. De lange termijn staat centraal. En Chinezen hebben geduld, meer dan westerlingen. In China bestaat een gezegde: “Laat een Amerikaan lang genoeg wachten en hij tekent alles”.

Alle seinen op groen?
Betekent dat nu dat alle seinen in Nederland op groen staan voor sociale innovatie?

Dat is te simpel. Er zijn naast gezamenlijke belangen binnen een organisatie immers ook belangentegenstellingen. Wat voor een bedrijf beter is, is niet automatisch voor de individuele werknemer goed. De werkgever is uit op betere bedrijfsprestaties, zoals een efficiëntere bedrijfsvoering, een hoger rendement of een groter marktaandeel. De werknemer wil een leuke, vaste baan, liefst met carrièreperspectief. Beide belangen kunnen samengaan, maar ook botsen.

Daarbij komt dat tal van reorganisaties veel verliezers hebben opgeleverd, vooral op de werkvloer. Dat maakt werknemers argwanend. Zo is er bij velen angst voor de gevolgen van globalisering. Er is angst voor reorganisaties en massaontslagen. De vele kansen die een open economie als de onze heeft op de snel groeiende wereldmarkt worden onvoldoende herkend.

Gelukkig zijn er ook tal van voorbeelden van sociale innovatie die demonstreren dat ‘win-winsituaties’ wel degelijk mogelijk zijn. Het NCSI heeft hier de schone taak om die voorbeelden op te sporen en uit te dragen. INSCOPE moet zich vooral richten op de achterliggende mechanismen en het bloot leggen van nieuwe inzichten.

Naar een democratische meritocratie
Op basis van eigen waarneming ben ik tot de conclusie gekomen dat de kennisorganisatie van de toekomst zich meer en meer zal gaan gedragen als een democratische meritocratie. Wie daaraan leiding wil geven, bevindt zich op het snijvlak van twee veeleisende culturen. Een democratische of semi-democratische cultuur, waarbinnen elke professional of semi-professional mag meepraten of in ieder geval wil meepraten, en waar de publieke overtuigingskracht van de publieke bestuurder een essentieel ingrediënt voor succes zal worden.

De meritocratische cultuur, het tweede snijvlak, voeg daar als extra opgave nog eens de noodzaak aan toe om in betrekkelijk bescheidenheid te opereren. Een leider in een kennisorganisatie zal, hoe charismatisch, gezaghebbend en vooraanstaand ook, toch altijd een primus inter pares blijven. Deze combinatie van talenten in een en dezelfde persoon te vinden is een uitzonderlijke heksentoer. Wie dat in zijn mars heeft, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de kenniseconomie die wij in Europa tot stand wensen zien te komen.


4. Afronding

Dames en heren, ik rond af.

In een moderne kenniseconomie is innovatie de sleutel voor welvaartsgroei. Als land slagen we er maar matig in om innovatie goed van de grond te tillen. De Europese Commissie wijst Nederland er ieder jaar weer op dat we er bij lange na niet in slagen de totale R&D-investeringen op het gewenste niveau van 3 procent van het BBP te brengen.
Dat moet beter, maar tegelijkertijd weten we allen dat een bloeiende kenniseconomie meer is dan voldoende R&D-investeringen.

Op verschillende niveaus wordt er hard aan gewerkt om het innovatievermogen te verbeteren. Ik maak dat zelf van dichtbij mee in het Innovatieplatform. Ik wijs bijvoorbeeld op de kennisinvesteringsagenda, maar ook op enkele andere projecten.
  • Zoals hopelijk bij u bekend is, heeft ook het IP een project Sociale innovatie, waarin slimmer werken centraal staat. 
  • Daarnaast noem ik het project ‘kennis en benutting’ waarin kennisvalorisatie het leidende thema is. 
  • Verder is het tweede IP projecten gestart gericht op productiviteitsverhoging en kwaliteitsverbetering in onder meer het onderwijs en de zorg.

Ik ben ervan overtuigd dat de kennisontwikkeling van INSCOPE ook voor het IP van groot belang zal zijn. Naast afstemming met het NCSI ligt ook afstemming met het IP dan ook voor de hand.

Dames en heren, het leidt geen twijfel er is veel te doen. Met de komst van het NCSI is een infrastructuur ontstaan die sociale innovatie toegankelijk maakt voor bedrijven en instellingen met uiteenlopende kenmerken. Het is zeer verheugend dat hieraan nu een wetenschappelijk complement wordt toegevoegd. Sociale innovatie is een complex proces. Om beter zicht op de succes- en faalfactoren te krijgen is nog veel wetenschappelijk onderzoek nodig. Ik ben ervan overtuigd dat INSCOPE daar een goede basis voor biedt.

Ik dank u voor uw aandacht.