Duurzame ontwikkeling: leven lang leren op het slappe koord
Lezing door dr. A.H.G. Rinnooy Kan
Perscentrum Nieuwspoort - Den Haag, 14 mei 2008
Alleen het gesproken woord geldt
1. Inleiding
Toen ik hoorde over de geschiedenis van de Erasmuslezing was ik dubbel vereerd door uw uitnodiging. De Erasmuslezing is immers steeds verzorgd door personen die hun sporen op het gebied van duurzaamheid ruimschoots verdiend hebben.
Zo heeft Herman Wijffels, mijn voorganger bij de SER, in 2002 de spirituele dimensie van duurzaamheid belicht. Dat deed hij vanuit zijn jarenlange persoonlijke betrokkenheid – in uiteenlopende functies – bij duurzaamheidsvraagstukken.
En ook vorig jaar toen minister Cramer de lezing voor haar rekening nam, was iemand aan het woord die zich tijdens haar carrière steeds heeft laten leiden door de intrigerende vraag hoe de verbinding tussen sociaaleconomische en milieuvraagstukken kan worden versterkt en verankerd.
Mijn aanloop naar de duurzaamheidsdiscussies is een andere. De fascinerende tijd waarin we leven kan je onmogelijk los zien van duurzaamheidsvraagstukken in al zijn dimensies. Ik heb vanuit mijn vorige baan de opkomst van de nieuwe grootmachten China en India van nabij mogen ervaren, met alle positieve en negatieve neveneffecten van dien. Het is mijn overtuiging dat deze ontwikkeling doorgaat en dat daardoor de verhoudingen in de wereld fundamenteel veranderen. De internationale dimensie van de duurzaamheidsdiscussie heeft sindsdien mijn bijzondere belangstelling.
De SER houdt zich vooral sinds het Brundtland-rapport met grote regelmaat met duurzaamheidsvraagstukken bezig. Ik heb de uitnodiging met vreugde aanvaard, en wil u via deze lezing deelgenoot maken van de wijze waarop binnen de SER met duurzaamheidsvraagstukken wordt omgegaan.
Omwille van de tijd zal ik me op een aantal onderdelen beperken. De tekst die voor deze lezing is opgesteld en schriftelijk beschikbaar komt, is daarom uitgebreider dan mijn spreektekst van vanmiddag.
2. De evenwichtsoefening van duurzame ontwikkeling
Duurzaamheid en duurzame ontwikkeling zijn moeilijk te vangen begrippen. Naast de bekende Brundtland-definitie zijn nog talloze andere omschrijvingen in omloop. Welke omschrijving je ook hanteert, steeds gaat het om afwegingen tussen economische, sociale en ecologische belangen. Met andere woorden, de triple P van people, planet, profit.
Daarnaast zijn er de invalshoeken van tijd en ruimte. Bij de dimensie ‘tijd’ staat het intergenerationele aspect centraal: de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. De ruimtelijke dimensie houdt in dat duurzame ontwikkeling niet los kan worden gezien van het mondiale perspectief. Ons handelen beïnvloedt ook het handelingsperspectief van mensen buiten de eigen grenzen.
Niet één vastomlijnd einddoel
Alsof het nog niet ingewikkeld genoeg is, wil ik aan deze vijf elementen nog een zesde toevoegen: het meerdimensionale waardeoordeel. Duurzaamheid is immers een meerdimensionaal begrip. Ik haak hiermee aan bij het SER advies Nationale strategie voor duurzame ontwikkeling uit 2002. In dat advies stelt de raad dat bij het streven naar een duurzame ontwikkeling niet kan worden toegewerkt naar één vastomlijnd einddoel. Ik citeer (p.16):
Aan de evenwichtsoefening naar duurzaamheid komt nooit een eind. (…) Conflicterende waarden en belangen moeten tegen elkaar worden afgewogen. Uiteindelijk gaat het om de waarden die mensen (individueel en collectief) hechten aan verschillende soorten risico’s. Nieuwe kennis, een toenemend technisch vernuft en een beter inzicht in de werking van complexe economische, sociale en ecologische systemen zullen dat afweegproces beïnvloeden.
In de kern is het streven naar duurzame ontwikkeling dus een maatschappelijk proces van zoeken, leren, afwegen en zich binden.
Voorbeeld: naar een duurzame energievoorziening
In de praktijk zal waarschijnlijk nooit gelijktijdig aan alle duurzaamheidsaspecten volledig kunnen worden voldaan. Er moeten dus keuzes worden gemaakt. Die constatering deden we laatst nog in verband met de duurzame energievoorziening, die we allen zo graag zouden willen realiseren. Van een duurzame energievoorziening is volgens de SER sprake als de gebruikte energiebronnen in voldoende mate beschikbaar zijn en dat ook nog voor zeer lange tijd blijven, de effecten van energiegebruik voor mens en natuur beperkt zijn, de levering betrouwbaar en veilig is, en afnemers (huishoudens en bedrijven) tegen een redelijke prijs toegang tot energie hebben en houden.
Kortom, een geheel duurzame energievoorziening voldoet gelijktijdig aan de kwalificaties betrouwbaar, schoon, veilig en betaalbaar. Hoe noodzakelijk een transitie naar een duurzame energievoorziening ook is, in de voorzienbare toekomst is een geheel duurzame energievoorziening een utopie. Er zal moeten worden gekozen, bijvoorbeeld tussen de mate van milieuschade die aanvaarbaar wordt geacht en de prijs die de samenleving bereid is hiervoor te betalen. Wat hebben we over voor energiebesparing en meer hernieuwbare energie? En: willen we de komende decennia elektriciteit opwekken met nieuwe kolencentrales, gascentrales of kerncentrales?
Naarmate hernieuwbare energiebronnen technologisch verder ontwikkeld zijn en tegen concurrerende marktprijzen kunnen worden geleverd, zal deze spanning afnemen. Maar ook dan is het denkbaar dat er conflicterende belangen zijn die tot keuzes dwingen bij de dan geldende duurzaamheidsopvattingen. Het eenvoudige energiedebat is verleden tijd.
3. Duurzaamheid en doelstellingen van sociaal-economisch beleid
Het SER-advies over duurzame ontwikkeling waaruit ik zonet citeerde komt uit 2002. Duurzame ontwikkeling heeft in de loop van de SER-geschiedenis – die startte in 1950 – een plaats gekregen in het SER-gedachtegoed. Daar is wel het een en ander aan vooraf gegaan. Ik wil dat kort toelichten. Ook ga ik in op de trade offs tussen economie en sociale rechtvaardigheid en tussen economie en milieu.
Aanvankelijk vooral kwantitatieve doelstellingen
In het Nederlandse sociaaleconomisch beleid hebben de doelstellingen die de SER op dit terrein formuleert altijd een belangrijke rol gespeeld. Die doelstellingen zijn in de loop van de decennia flink aangepast, zowel naar aard als naar taalgebruik.
Sinds 1951 zijn de doelstellingen diverse malen veranderd. In verschillende bewoordingen ging het tot eind jaren zestig vooral om maximale economische groei, werkgelegenheidsbevordering en een redelijke inkomensverdeling. Daarnaast was er – tot het Verdrag van Maastricht deze naar het Europese niveau tilde – de zorg voor inflatie en onevenwichtigheden op de betalingsbalans.
De intrede van het brede welvaartsbegrip
Aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving komt in de jaren zeventig pas goed op gang. Ik hoef dat in dit gezelschap natuurlijk niet toe te lichten. Ook in regeringskringen veranderde er iets. Zo herinneren de 50-plussers onder u zich uit die tijd ongetwijfeld het begrip ‘selectieve groei’. Dit begrip werd door de toenmalige minister van Economische Zaken, Ruud Lubbers, geïntroduceerd. Denken in termen van selectiviteit was een duidelijke kentering in het denken over economische groei.
Recenter, in 1992, doet duurzame ontwikkeling haar intrede in de SER-doelstellingen. 1992 was het jaar van het Verdrag van Maastricht. Europa zet in die beginjaren negentig belangrijke stappen voorwaarts naar de Economische en Monetaire Unie. Tegen deze achtergrond komt de SER tot een herformulering van de doelstellingen van het sociaaleconomisch beleid. Inflatiebestrijding en betalingsbalansevenwicht zijn onverminderd van belang maar zijn niet langer onderdeel van het nationale domein. Daardoor kan het aantal doelstelling worden beperkt tot slechts drie:
- Bevordering van een evenwichtige economische groei, binnen het streven naar een duurzame ontwikkeling.
- Bevordering van een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie.
- Bevordering van de totstandkoming van een redelijke inkomensverdeling.
U ziet het: geen aparte doelstelling voor een betere leefomgeving. Economische groei wordt ingebed in het streven naar een duurzame ontwikkeling. De SER gaat uit van het brede welvaartsbegrip, waarin naast materiële vooruitgang (hogere levenstandaard, koopkrachtverbetering), ook sociale vooruitgang (welzijn, sociale cohesie) en een goede kwaliteit van de leefomgeving (ruimtelijke en milieukwaliteit) figureren.
Deze multidimensionale ambitie is inherent spanningsvol. Er is veel geschreven over de spanningen in de driehoek: economie, sociale rechtvaardigheid en ecologie. Vooral gaat het dan om de afruil tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid (equality versus efficiency) en de afruil tussen economie en milieu. Daar valt heel veel over te zeggen; ik zal me hier beperken tot wat korte opmerkingen.
Eerste trade off: economie en sociale rechtvaardigheid …
Allereerst de afruil tussen equality en efficiency. Arthur Okun publiceerde in 1975 een paper, waarin deze “big trade off” zoals hij dit noemde centraal stond. Sociale rechtvaardigheid en economische doelmatigheid staan op gespannen voet met elkaar, zo luidde de kernboodschap. Die discussie speelde ook in Nederland, vooral in de jaren dat de verzorgingsstaat in volle bloei en vooral groei was en we nog een IB-toptarief kenden van 72 procent.
Er is sindsdien echter veel veranderd. En naar mijn mening in algemene zin ten goede. Ik vind dat we in Nederland een acceptabel evenwicht hebben tussen het economisch noodzakelijke en het sociaal wenselijke. We beschikken nog steeds over een behoorlijk sociale-zekerheidsstelsel, waardoor er in ieder geval een bodem in het inkomensgebouw is gelegd. Toch is er reden tot zorg als we er niet in slagen meer mensen uit te rusten met de kennis en vaardigheden die onze kennissamenleving nodig heeft. Ik hoop daarom vurig dat de komende jaren veel meer in onderwijs en scholing wordt geïnvesteerd. Het doel moet zijn het niveau van kennis en vaardigheden van zoveel mogelijk mensen te verbeteren. Op die manier moet het mogelijk zijn de economische en maatschappelijke zelfredzaamheid van veel meer personen te verbeteren. Daar is de hele samenleving mee gediend. ‘Human capital’ blijft de belangrijkste basis voor onze toekomstige maatschappelijke welvaart.
… en geluk?
Een heel fundamentele vraag is in dit verband of de economische welvaart die we in het Westen hebben bereikt en die andere landen naarstig nastreven ook voor meer geluk heeft gezorgd. Want uiteindelijk staat ‘the pursuit of happiness’ centraal. Het gaat nog steeds om het adagium ‘the greatest happiness for the greatest number’, zoals Jeremy Bentham ons al ruim twee eeuwen geleden voorhield.
Geld maakt niet gelukkig, maar het helpt wel – tot op zekere hoogte. Richard Layard, maar ook anderen, hebben aangetoond dat de mate van geluk in hoogontwikkelde landen in de afgelopen vijftig jaar niet (meer) is toegenomen – ondanks de geweldige stijging van de levensstandaard. Meer rijkdom maakt over het algemeen niet heel veel gelukkiger.
Het is in dit kader aardig om de World database of happiness van de Rotterdamse hoogleraar Ruut Veenhoven te raadplegen. Veenhoven doet al ruim dertig jaar onderzoek naar geluk en geluksgevoel. Volgens zijn database zit Nederland in de top twintig van gelukkige bevolkingen, met een 7,5 als rapportcijfer. De toppers zijn Denemarken met een 8,2 en Zwitserland met een 8,1. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Het interessante is echter dat Zwitserland zijn tweede plaats moet delen met Colombia. En verrassend genoeg scoren ook Guatamala en Mexico volgens de World database of happiness beide met een 7,6 hoger dan Nederland.
Moeten we het bbp en het streven naar economische groei dan maar terzijde schuiven? Dat zou wat mij betreft iets te kort door de bocht zijn. Ik ben het eens met de kritiek op het afmeten van welvaart of vooruitgang aan louter kwantitatieve groeicijfers (BBP, aantal verkochte automobielen etc.). Maatschappelijke welvaart zou leidraad voor ons handelen moeten zijn. Dus rekening houden met externe effecten en niet-reproduceerbare goederen zoals natuur. En ook rekening houden met de ontwikkelingsmogelijkheden van mensen elders en van toekomstige generaties.
Dat stelt ook de SER – en daarmee centrale organisaties van ondernemers en werknemers. Maar in de praktijk van het leven laten we ons toch meestal primair leiden door materiële vooruitgang. In de Miljoenennota staat de groei van het BBP en de verdeling ervan centraal; hoe het maatschappelijke welzijn zich ontwikkelt zal ook dit jaar – zo durf ik te voorspellen – niet het centrale gespreksonderwerp van Prinsjesdag zijn.
Tweede trade off: economie en milieu
Ik kom nu bij de tweede afruil, die tussen economie en milieu. In Nederland zijn we er de afgelopen decennia in geslaagd om de milieudruk bij de meeste milieuthema’s in absolute zin terug te dringen ondanks een groeiende economie. Die ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk is bijvoorbeeld voor verzuring en grootschalige luchtverontreiniging fors te noemen. Dat is niet het geval bij de uitstoot van broeikasgassen, hoewel sinds kort ook hier een lichte kentering lijkt op te treden.
Dat is op zich positief, maar toch staan in de voortgangsrapportages van het Milieu en Natuur Planbureau voor flink wat milieudoelen de seinen op rood. Om de milieukwaliteit te verbeteren moeten de meeste emissies immers gedurende lange tijd structureel met tientallen procenten worden teruggedrongen. Ondanks de toepassing van veel milieuefficiëntere technologieën lekt een flink deel van de milieuwinst weer weg doordat we onze toenemende rijkdom vertalen in een gebruiksintensivering of kwaliteitsverhoging. De auto is een goed voorbeeld van dit rebound effect.
Economische groei of economische krimp?
Opnieuw rijst de vraag of we dan maar een lagere economische groei of – zoals sommigen betogen – een economische krimp moeten nastreven? Mijn antwoord – en het antwoord van de SER – is nee.
Om sociaaleconomische redenen is de SER voorstander van economische groei, al was het alleen maar om de kosten van de komende vergrijzing op te kunnen vangen. Ook voor het milieu kan een behoorlijke groeivoet om een aantal redenen positief uitpakken. Ik noem er drie:
In de eerste plaats draagt economische groei bij aan de maatschappelijke acceptatie van een stringent milieubeleid, doordat werkgelegenheid en reële inkomens dan minder onder druk staan.
In de tweede plaats stelt economische groei bedrijven gemakkelijker in staat de R&D-uitgaven aan schone technologie te verhogen en de toepassing van milieuvriendelijke technieken te versnellen
En ten derde schept meer economische groei meer financiële ruimte om hypotheken uit het verleden (zoals bodemverontreiniging) weg te werken.
We zijn dus voor economische groei, maar niet zonder voorwaarden. Dat was precies de reden om bij de herformulering van de SER-doelstellingen in 1992 economische groei in te bedden in duurzame ontwikkeling. Voor het milieu is naar onze mening niet het tempo maar de aard van de economische groei van belang. In het bijzonder gaat het daarbij om een veel efficiëntere inzet van energie en grondstoffen en om een veel sterker hergebruik van afvalstoffen. U ziet, in feite zit de SER nog steeds op het spoor van selectieve groei.
Veel bereikt maar urgentie onverminderd hoog
Er is veel bereikt. Daarmee is er ook de dreiging van rationalisering, van duurzaamheid als gedachteloze panacee voor alle kwalen, duurzaamheid als ‘feel good’ voorvoegsel voor elke mogelijke controversiële vorm van overheidsbeleid.
Er is naar mijn mening reden voor zelfvertrouwen, maar niet voor zelfgenoegzaamheid. De urgentie is onverminderd hoog: onze kleine planeet wordt steeds zwaarder belast. Dat is fraai zichtbaar in de statistieken van de ‘ecologische voetafdruk’: per wereldbewoner is er maximaal 1,8 hectare land duurzaam beschikbaar. Het gemiddelde ligt nu al op 2,23 ha. In Nederland is de afdruk per inwoner nog eens het dubbele hiervan (4,4 ha), terwijl het beslag van de gemiddelde VS-burger op maar liefst 9,6 ha uitkomt!
De achtergrond is duidelijk: extreme groei. Sinds 1750 is het aantal mensen op onze planeet vertienvoudigd; ook de productiviteit is met een factor 10 gestegen. Het resultaat is dus dat de wereldproductie nu 100 keer hoger ligt dan in de achteinde eeuw. De water- en voedselvoorziening lopen gevaar, de visvoorraad slinkt in hoog tempo, de millenniumdoelstellingen raken buiten bereik.
Kortom, de spanning tussen economie en milieu loopt internationaal weer scherp op. Dit vraagt om extra aandacht in nationaal en supranationaal beleid.
4. Milieu- en klimaatbeleid
Milieu in de prijzen
Gelet op het voorgaande kan het niet meer verrassen dat het brede welvaartsbegrip en het ‘vervuiler betaalt’-beginsel de centrale uitgangspunten in de SER-adviezen over de Nationale Milieubeleidsplannen (NMP’s) vormen. Analyses van gerenommeerde nationale en internationale instellingen (zoals CPB en OESO) laten keer op keer zien dat een structurele aanpak van de milieuproblemen macro-economisch inpasbaar is. Een belangrijke notie daarbij is dat aan het niet voeren van zo´n beleid ook kosten zijn verbonden.
Vanuit macroperspectief mag een stevig milieubeleid dan economisch inpasbaar zijn, op microniveau speelt heel nadrukkelijk het probleem van de kostentoerekening. Er zijn winnaars en verliezers. En vooral die verliezers – of potentiële verliezers – trekken aan de bel. Bepaalde sectoren en bevolkingsgroepen kunnen bij het stringent toepassen van het ‘vervuiler betaalt’-beginsel immers een flinke lastenverhoging tegemoet zien. Dat resulteert in andere concurrentieverhoudingen in industriële sectoren en treft daarmee vooral het internationale bedrijfsleven. Consequenter toepassen van het ‘vervuiler betaalt’-principe is in de politiek vooral problematisch als dat tot koopkrachtverliezen van lage inkomensgroepen leidt.
Deze potentiële lastenverhogingen verklaren de maatschappelijke weerstand van belangenorganisaties tegen de inzet van financiële instrumenten. Dit kwam bijvoorbeeld heel duidelijk aan de oppervlakte in het SER-advies over het derde Nationaal Milieubeleidsplan uit 1998. Hierin komt de verhoging van energiebelastingen – bij een gelijktijdige verlaging van andere belastingen – aan de orde.
De SER accepteerde de voorgestelde verhoging van de energiebelastingen, maar was verdeeld over de vormgeving. De werknemersorganisaties en kroonleden meenden dat van deze belastingverhoging slechts de zeer grote energieverbruikers moeten worden uitgezonderd. De werkgeversorganisaties vinden alleen een vormgeving aanvaardbaar, waarin de verhoging van de energiebelasting zich beperkt tot het echte kleinverbruik.
Emissiehandel
De afgelopen twee decennia is een groeiende rol voor marktconforme instrumenten zichtbaar. Naast de diverse vormen van ecotaxen is verder het instrument van CO2-emissiehandel in het klimaatbeleid ontwikkeld en ingevoerd. De SER heeft zich altijd voorstander van dit instrument getoond. Al in 1992, in de aanloop naar de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), vroeg de raad aandacht voor de optie van verhandelbare emissierechten.
Inmiddels is het EU-emissiehandelsysteem al weer enige jaren operationeel en zijn we in een volgende beleidsfase aangeland. De raad is ervan overtuigd dat CO2-emissiehandel op wereldschaal een belangrijke bijdrage aan een effectief klimaatbeleid kan leveren. Het is deze beoogde inzet van een nationaal beproefd instrument op Europees of wereldniveau waaraan de internationale duurzaamheidsdiscussie zijn complexiteit dankt. Voor het Nederlandse bedrijfsleven met zijn internationale oriëntatie is ook een wereldwijde aanpak nodig om een level playing field te waarborgen. Daarom vindt de SER dat de Nederlandse regering zich bij de onderhandelingen voor een nieuwe wereldwijde klimaatcoalitie moet inzetten voor een ruim gebruik van CO2-emissiehandel.
5. Duurzaam produceren
Ik stap nu over naar een van de hoofdopdrachten van het milieubeleid: het bevorderen van een duurzame productie, allereerst op nationaal niveau. Dat beleid richt zich de afgelopen jaren vooral op een verhoging van de eco-efficiëntie van de Nederlandse economie. Voor de SER-opvattingen hierover verwijs ik naar de uitgebreide tekst.
Ik wil het bij duurzaam produceren vooral met u hebben over de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers. Die komt de afgelopen jaren in toenemende mate via maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) tot uitdrukking.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
We constateerden al dat het bij welvaartsverbetering niet om brood alleen gaat. Voor ondernemers betekent dat, dat ondernemen meer is dan winst maken. Daar hoort ook maatschappelijke betrokkenheid bij. Dit betreft de mensen binnen en buiten de onderneming. En natuurlijk zijn ook de effecten op het natuurlijke leefmilieu van groot belang. U herkent de drie elementen van duurzaamheid: people, planet, profit.
De SER heeft hier in 2000 over maatschappelijk verantwoord ondernemen geadviseerd. Het huidige overheidsbeleid bouwt hierop voort. In de kern gaat het om twee zaken:
1. een voldoende gerichtheid op bijdrage aan maatschappelijke welvaart op langere termijn; en
2. een volwaardige dialoog met stakeholders, resp. de maatschappelijke omgeving.
MVO is een eigentijdse strategie om marktgerichtheid en marktpotenties te laten corresponderen met de eisen uit de maatschappelijke omgeving: ‘license to operate’
Een eenzijdige gerichtheid op (korte termijn) aandeelhouderswaarde, ten koste van de waarde voor de andere stakeholders, staat MVO in de weg. De kern van de zaak is om maatschappelijke waarden, algemene belangen en particuliere belangen op een intelligente manier via het winstmotief en de inbedding ervan in een bredere waardeoriëntatie aan elkaar te koppelen. Goed opgeleide mensen willen zich inzetten voor een hoger doel dan alleen de bottom line; een onderneming moet appelleren aan de behoefte aan persoonlijke zingeving van mensen; het gaat als het ware om het matchen van de zingeving van ondernemingen aan de zingeving van hun managers en medewerkers.
Is MVO een hype?
Is MVO toch niet vooral een modeverschijnsel, een hype? Ik denk het niet. Door de globaliserende economie en de mogelijkheden van ICT (internet) is de wereld daadwerkelijk een global village geworden. De overheid treedt terug, haar macht brokkelt af. Maatschappelijke organisaties en ondernemingen beschikken over veel kennis en krijgen meer macht. Dat schept wel verplichtingen. De ethische of morele schijnwerpers zijn verschoven van kerken en overheden naar het bedrijfsleven, dat verantwoordelijkheden krijgt toebedeeld waarom het nooit heeft gevraagd.
Dat betekent dat ondernemingen steeds sterker op die maatschappelijke verantwoordelijkheid worden aangesproken. Door consumenten, door burgers, door belangengroepen (milieu- en consumentenorganisaties, Amnesty International etc.).
Is de verspreiding van MVO nu een gelopen race?
Er zijn tal van voorbeelden van Nederlandse bedrijven – groot en klein – die MVO hoog in het vaandel hebben staan en succesvol opereren. In vier van de achttien marktsectoren die de Dow Jones Sustainability Indexes onderscheidt gaan Nederlandse bedrijven aan kop: AkzoNobel, Unilever, TNT en Philips. De logica en wenselijkheid van MVO suggereert dat maatschappelijk verantwoord ondernemen zich snel over de aardbol zal verspreiden.
Er zijn echter ook sceptici. Zo was ik afgelopen januari betrokken bij een boekpresentatie van de vooraanstaande Amerikaanse econoom Robert Reich. De titel van zijn boek luidt Supercapitalism. Reich ziet niets in MVO. Hij meent dat door de toenemende concurrentiedruk in de wereldeconomie ondernemingen zich steeds kapitalistischer zullen gaan gedragen. Twee citaten ter illustratie:
The last several decades have involved a shift of power away from us in our capacities as citizens and towards us as consumers and investors. (…)
The purpose of companies is to play the economic game as aggressively as possible. The challenge for us as citizen is to stop them from setting the rules.
Reich ziet een onderneming dan ook niet als een samenwerkingsverband, maar als ‘bundles of contracts’. Een onderneming moet de winst en de aandeelhouderswaarde maximeren. Niets meer en niets minder:
Companies are not interested in the public good. It is not their responsibility to be good. (…)
Corporations and their executives have no license to use shareholder money to accomplish public purposes.
In de visie van Reich mag je van ondernemers alleen maar verwachten dat ze zich aan de wet houden. Voor public goods is de overheid nodig.
Ik vind dit al te somber, al is de schizofrenie tussen burger en consument, waar Reich naar verwijst, wel een punt van zorg (waarover later meer).
Cradle to cradle (C2C)
Eerst zet ik er een geheel andere benadering tegenover, die van ‘cradle to cradle’: afval is voedsel. De kern is vrij simpel: zorg ervoor dat je bij het ontwerpen en maken van producten rekening houdt met de afvalstromen. Die moeten of volledig biologisch afbreekbaar zijn of opnieuw als grondstof voor nieuwe producten kunnen worden gebruikt. De grondleggers van C2C – William McDonough en Michael Braungart – spreken niet over eco-efficiëntie maar over eco-effectiviteit.
Er zijn spectaculaire voorbeelden van de toepassing van dit principe. Twee Nederlandse TV-documentaires hebben dat aanschouwelijk gemaakt. En niet zonder resultaat. Het is interessant te zien dat juist in Nederland C2C bij bedrijven en overheden erg aanslaat. In tegenstelling tot veel milieuboodschappen blijkt C2C een enthousiasmerend concept. Het stimuleert mensen tot out of the box denken. Tot nieuwe innovatieve concepten.
Goed beschouwd is er met C2C niets nieuws onder de zon. Eco-design en het idee van de gesloten kringlopen hebben al vele jaren geleden een plaats in het milieubeleid gekregen. Maar waarschijnlijk is het maatschappelijk klimaat op dit moment beter geschikt voor dit soort initiatieven dan tien of vijftien jaar geleden. Dat is goed nieuws.
6. Duurzaam consumeren
Ik sprak net over kringlopen. Het denken in kringlopen en ketens heeft er binnen de SER toe geleid dat naast advisering over duurzaam produceren in 2003 ook een advies over duurzaam consumeren is uitgebracht. Beide zijn niet los van elkaar te zien. Om duurzaam te kunnen consumeren moet er duurzaam worden geproduceerd. Omgekeerd zullen duurzame producten alleen tot stand komen als er ook vraag naar is.
Alvorens iets over de aanbevelingen uit het advies over duurzaam consumeren te zeggen, wil ik op twee zaken wijzen die in dit verband van groot belang zijn: de zojuist genoemde spanning tussen consument en burger en het zogenaamde ‘gekke-Henkie’-effect.
Het onderscheid consument-burger
Ten eerste het onderscheid tussen consument en burger.
Als consument zijn we onderhevig aan tal van invloeden. Een lange reeks van factoren bepaalt onze consumentenbehoeften: de prijs/kwaliteitverhouding, beschikbaarheid, gewoontes, smaak, comfort, mode, veiligheid, gezondheid enzovoorts. In dit rijtje horen ook duurzaamheidsaspecten, zoals de productiewijze van een artikel. Met andere woorden: duurzaamheid is maar een van de vele variabelen in de aankoopbeslissing van een consument.
Plaats daar de burger tegenover. De burger is een maatschappelijk wezen, die zich niet alleen maar laat leiden door marktbehoeften. De burger beschikt over een ethisch besef; hij of zij hecht belang aan sociale rechtvaardigheid, een schoon milieu en dierenwelzijn. De burger heeft politieke voorkeuren, is lid van maatschappelijke organisaties en ziet de overheid als hoedster van publieke belangen. De burger verwacht daarom dat de overheid erop toeziet dat producten aan minimale duurzaamheidseisen voldoen.
De spanning consument-burger verklaart dat de burger met zijn rechterhand een enquête over scharrelvlees invult, terwijl hij of zij met de linkerhand de boodschappenkar met de kiloknaller van de Aldi vult.
Er huizen met andere woorden twee zielen in zijn borst: er is sprake van massale schizofrenie.
Sociaal dilemma
Ik kom nu bij het tweede punt: het ‘gekke-Henkie’-effect. Het gaat hier om de spanning tussen het individuele offer en het collectieve resultaat. Waarom zou ikzelf mijn auto laten staan als mijn buren er met hun SUV op uit trekken? De gemiddelde Nederlander zal uitroepen: “Ik ben toch zeker gekke Henkie niet?”
Dit herkenbare sociale dilemma “the tragedy of the commons”, leidt ertoe dat consumenten de verantwoordelijkheid van hun gedrag graag afwentelen op de overheid en het bedrijfsleven.
Veelsporenaanpak
Het voorgaande betekent dat sturen op een groter duurzaamheidsbesef van de bevolking en de inzet van meer prijsprikkels weliswaar helpen, maar op zich onvoldoende zijn om de gewenste gedragsverandering in duurzame richting tot stand te brengen. Er zullen veel sporen tegelijk moeten worden bewandeld. Ik noem er zes.
Om te beginnen vallen we terug op eerdere inzichten: het ‘vervuiler betaalt’-principe en het technologiespoor. De consumptie wordt duurzamer als negatieve externe effecten een prijs krijgen en als de technologie inspeelt op het gebruik van de consument. Bij dit technologiespoor heeft de overheid (vooral de EU) de mogelijkheid om via voortschrijdende normstelling met wortel en stok de lat steeds hoger te leggen.
Ten derde is duurzaamheidsbesef belangrijk. Dat speelt in het onderwijs, maar ook via de media. Betrouwbare en toegankelijke informatie is daarvoor een absolute voorwaarde. Ook helpt het enorm als autoriteiten en rolmodellen het goede voorbeeld geven. Dat maakt duurzaamheidsbeleid ook geloofwaardig. Wat dit betreft geeft minister Cramer het goede voorbeeld door duurzaam inkopen door de overheid als een van de speerpunten van haar beleid uit te roepen. Ik ben benieuwd of zij haar doel zal bereiken.
Ten vierde is er de sociale omgeving. Gedragsverandering kan plaatsvinden onder invloed van de opvattingen in de sociale omgeving. Goed- of afkeuring werkt dan regulerend. Zo staat roken nu in een heel ander daglicht dan tien of twintig jaar geleden. Sommige dingen waren vroeger heel gewoon, maar zijn nu in brede lagen van de bevolking ‘not done’.
Ten vijfde biedt de fysieke omgeving aangrijpingspunten. Denk aan de woonomgeving. In de ontwerpfase van gebouwen, wijken en voorzieningen zijn er tal van technisch innovatieve mogelijkheden om duurzaamheid een belangrijke plek te geven. Denk aan de energieneutrale wijken, de energieproducerende kas et cetera. Denk ook aan een betrouwbaar en frequent openbaar vervoer.
Tot slot kan de ketentransparantie in veel sectoren nog vele malen beter. Het gaat hierbij om de ontsluiting van relevante informatie over productieprocessen, productieketens en de producten. Die informatie moet toegankelijk zijn voor consumenten of consumentenorganisaties. Keurmerken kunnen hierbij helpen, mits ze onafhankelijk geverifieerd zijn.
7. Tot slot: waar staan we anno 2008?
Voorzitter, dames en heren, ik kom nu aan het laatste onderdeel van mijn lezing: Hoe oogt de duurzaamheidsagenda voor de komende jaren?
Eerder gaf ik aan dat duurzame ontwikkeling een proces is van zoeken, leren, afwegen en zich binden. Die zoektocht gaat verder, vooral in internationale richting.
In de raadsvergadering van juni zal de raad zich uitspreken over een omvangrijk advies waarin globalisering centraal staat; duurzaamheidsvraagstukken zijn hierbij volop aan de orde.
Verder bevat het werkprogramma van de SER nog adviesaanvragen over verduurzaming van mobiliteit. Het Nederlandse duurzaamheidsbeleid en de bio-based economy.
En aanstaande vrijdag – 16 mei –zullen we het advies Waarden van de landbouw vaststellen. In het toekomstige landbouwbeleid zal beloning van maatschappelijk gewenste prestaties centraal moeten komen te staan. Denk hierbij aan een scala van groene diensten: natuur- en landschapsbeheer, groene recreatie en toerisme, waterbeheer en natuur- en milieu-educatie. Deze filosofie betekent in onze ogen onder meer een verschuiving van (financiële) verantwoordelijkheid van de EU naar de lidstaten, in combinatie met een nieuwe vormgeving van het Europees landbouwbeleid. Rijk en decentrale overheden zullen serieuzer moeten investeren in de verdere ontwikkeling van het agrarische natuur- en landschapsbeheer in Nederland.
Globalisering en duurzaamheid
Ik gaf al aan dat we in de SER de laatste hand aan het leggen zijn aan een advies over globalisering, een zeer veel omvattend onderwerp met tal van duurzaamheidsaspecten. Om er maar twee te noemen: de aanpak van de armoedeproblematiek en het tegengaan van negatieve maatschappelijke effecten van internationale handel.
Ik kan nu nog niet op de uitkomsten vooruitlopen, maar ik kan wel in algemene zin iets zeggen over de aanpak van de negatieve externe effecten van internationale handel. Centraal staat hierbij de vraag hoe we verstandig kunnen omgaan met ethische kwesties van kinderarbeid, milieu en dierenwelzijn die in de internationale handel naar voren komen.
Er zijn meerdere sporen om het beoogde doel te bereiken, maar het zijn allemaal lastige trajecten: er is geen magic bullet, geen wereldregering die dit naar aller tevredenheid gaat regelen. Wat kunnen we doen?
1. De koninklijke weg om verduurzaming van globalisering te bevorderen is door internationale normen in breed gedragen internationale verdragen af te spreken. Landen die deze verdragen onderschrijven kunnen worden aangesproken op de handhaving van deze normen. Het gaat hierbij vooral om verdragen op de terreinen van de arbeidsrechten (ILO-verdrag), milieu en biodiversiteit, en voedselveiligheid.
U weet allen hoe lastig het is om internationale verdragen tot stand te brengen en die vervolgens ook te handhaven. Internationale verdragen zijn noodzakelijk, maar komen tot stand via zeer langdurige processen en geven onzekere uitkomsten.
2. Een tweede spoor loopt via handelsmaatregelen, waarmee de druk op productielanden wordt opgevoerd. De discussie over handelsmaatregelen is onder meer actueel bij de invoer van biomassa. We hebben het dan over non-trade concerns. Ook dit zijn lastig trajecten. Van groot belang is hierbij het onderscheid tussen productgerelateerde kenmerken en niet-productgerelateerde kenmerken.
Bij productgerelateerde kenmerken hebben de eisen betrekking op meetbare kenmerken van de producten, zoals de samenstelling. Het WTO-recht biedt ruimte voor productgerelateerde non-trade concerns. Op basis van internationaal aanvaarde normen mogen landen bijvoorbeeld producten, die niet voldoen aan eisen op het terrein van voedselveiligheid, weigeren aan de grens.
Deze ruimte is voor niet-productgerelateerde eisen veel minder duidelijk. Hierbij gaat het om eisen aan de gehanteerde productiemethode, zonder dat deze meetbare sporen in het product nalaat. Beroemd is in dit verband het voorbeeld van de tonijnvangst met dolfijnvriendelijke netten. De import van Mexicaanse tonijn wilde de Amerikaanse regering verbieden omdat die tonijn niet met dolfijnvriendelijke netten werd gevangen, zoals de Marine Mammals Protection Act voor de Amerikaanse wateren voorschrijft. Mexico was het daar niet mee eens en spande een geding aan bij de GATT, de voorganger van de WTO, en werd in het gelijk gesteld.
De opstelling van Mexico komt voort uit de vrees voor non-tarifaire belemmeringen voor de toegang van de markten in rijke landen. Kortom, een duidelijk voorbeeld van botsende belangen van arme en rijke landen.
3. De oplossing wordt in dit soort gevallen steeds vaker gezocht in de vorm van keurmerken, een derde spoor. Keurmerken kunnen het productieproces transparant maken en leveranciers en consument in staat stellen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Denk ook hier weer aan biomassa.
Maar ook de opkomst van keurmerken vervult ontwikkelingslanden met zorg over de non-tarifaire handelsbelemmeringen die hiervan het gevolg kunnen zijn. Daarbij zijn er vragen: Wie bepaalt de duurzaamheidsnormen? Hoe zit het met de kosten om gecertificeerd te worden? Berusten keurmerken op vrijwillige initiatieven vanuit de particuliere sector of worden zijn ze door een overheid verplicht gesteld?
4. Tot slot kunnen Nederlandse ondernemingen ook zelf het nodige doen om negatieve externe effecten tegen te gaan door eisen te stellen aan producten uit buitenlandse productie- en handelsketens. Hiermee komen we op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik heb daar eerder al het een en ander over gezegd.
In het komende globaliseringsadvies gaat het vooral om de ketenverantwoordelijkheid van ondernemingen. Er bestaat een uitgebreid normatief kader voor de vormgeving van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Te denken valt onder meer aan de richtlijnen van de Internationale Kamer van Koophandel over ketenverantwoordelijkheid en aan OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Daarnaast zijn er op dit terrein tal van codes, keurmerken en overeenkomsten.
Essentieel is natuurlijk hoe bedrijven met dit normatieve kader omgaan en hoe ze verantwoordelijkheid afleggen. De discussie daarover hopen wij binnenkort af te ronden.
Mijn conclusie is dat het uiterst lastig is om globalisering in duurzame banen te leiden. We zullen ons via diverse sporen tot het uiterste moeten inspannen om de snel groeiende wereldhandel hand in hand te laten gaan met een daadwerkelijke duurzame verbetering van de levenskwaliteit van een groter deel van de wereldbevolking.
Nederlands milieubeleid en de EU
Verbeter de wereld, begin bij Europa! Maar het is nog niet zo lang geleden dat de media ons meldden dat Nederland op slot zat: stopzetting van infrastructurele projecten en nieuwbouwprojecten als uitvloeisel van uitspraken van de Raad van State over de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit. Deze geluiden waren voor de SER aanleiding voor een advies eigener beweging.
De reden van de consternatie was vooral dat de verantwoordelijke bestuursorganen - provincies, gemeenten - bij de vergunningverlening de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet of onvoldoende onderbouwd hadden. Op de achtergrond speelde mee dat de voorlichting vanuit de ministeries laat op gang gekomen was. Ook was sprake van gebrekkige expertise bij betrokkenen.
In de media werd al snel met de beschuldigende vinger naar ‘Brussel’ gewezen, daarmee het anti-Europa-sentiment versterkend. Dat was wel erg gemakkelijk. Nederland is medebestuurder van datzelfde Europa. Daarom moeten we ons proactief en strategisch opstellen, in de fase vóór de besluitvorming. De nationale politiek moet over belangrijke voorstellen tijdig een heldere positie innemen, op basis van een brede afweging van waarden en belangen. Dat kan alleen goed als de ‘Haagse’ EU-coördinatie zodanig op orde is, dat tijd en energie niet opgaan aan het beslechten van interdepartementale meningsverschillen, maar kunnen worden omgezet in het creatief zoeken naar nieuwe kansen op het Europese speelveld.
Daarbij is het ook zaak om bij belangrijke kwesties een beroep te doen op de inzichten en deskundigheid van maatschappelijke organisaties, zoals de sociale partners en de natuur- en milieuorganisaties. Een goed uitvoeringsplan dat bijtijds is opgesteld is nodig om een goede balans te vinden tussen rivaliserende doelstellingen en om op tijd knelpunten op te sporen. Het plan moet als het ware meebewegen met de besluitvorming in Brussel.
De Europese Unie is aan de ene kant een interne markt die bedrijven een zoveel mogelijk gelijk speelveld biedt. Maar de EU is aan de andere kant ook een rechtsgemeenschap die de burgers in de verschillende lidstaten een bepaald minimumniveau aan bescherming biedt door gelijke milieukwaliteitseisen te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de luchtkwaliteit. Tussen die twee principes zal vooral in een dichtbevolkt land als Nederland vaak een spanning bestaan.
Voor het halen van de doelstellingen van de luchtkwaliteit is een scherp Europees bronbeleid dringend gewenst. Aan de andere kant mag geen perfecte ‘match’ tussen EU-bronbeleid en EU-milieukwaliteitsdoelen worden verwacht; in dichtbevolkte gebieden zal een aanvullende nationale inzet in veel gevallen nodig zijn.
De menselijke maat in het klimaatbeleid
Laten wij ons in nuchterheid zetten aan het brede duurzaamheidstakenpakket dat zich ontvouwt, met een passend gevoel van urgentie maar ook met een passend gevoel voor bescheidenheid.
Die kunnen we ontlenen aan het boek van Salomon Kroonenburg: De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar.
Velen van u zullen Kroonenberg en zijn boek kennen. Kroonenberg kijkt vanuit zijn professie – geologie – naar de klimaatverandering en houdt ons vanuit die invalshoek een spiegel voor. Hij ontkent niet dat de mens bijdraagt aan het broeikaseffect, maar hij relativeert de invloed hiervan op de zogenaamde astronomische cycliciteit. Het gaat hierbij om tijdschalen van pakweg honderdduizend jaar, waarin een ijstijd wordt afgewisseld door een warme periode, vergelijkbaar met de jaarlijkse cyclus van zomer en winter. Tienduizend jaar geleden begon de lente, nu is het zomer en over 25.000 jaar is het winter.
Als men zo naar onze planeet kijkt, dan zitten we nu in de periode van hoogzomer. Het door de mens veroorzaakte versterkte broeikaseffect resulteert in de woorden van Kroonenberg in niet meer dan “kleine klimaatpiekjes en vage rimpeltjes in de zeespiegelcurve.” Iets verder schrijft hij:
We zien een groter stuk van een langjarige cyclus, die nu de menselijke maat te boven gaat. En met die kennis van de lange termijn in het hoofd nemen we misschien ook andere beslissingen voor de korte termijn. Misschien zijn de mensen over vierhonderd generaties wel blij met al het koolzuurgas dat wij nu in de atmosfeer brengen: dan is de herfst niet zo koud.
Vanuit dit geologische perspectief roeien we dus als het ware tegen de stroom in. Moeten we de boel dan maar de boel laten? Nee, dat zeker niet. Milieubeleid is hoogst noodzakelijk. Dat geldt ook voor een verantwoorde omgang met grondstoffen en fossiele brandstoffen. Maar we moeten ook niet te snel in paniek raken. De mens heeft bewezen zich goed te kunnen aanpassen. Dat is ook de boodschap van Kroonenberg.
Als de steentijdmens met berenvellen en stenen bijlen een hele ijstijd heeft weten te overleven, zouden wij met al onze hoogontwikkelde technologie dan niet een metertje zeespiegelstijging aankunnen? En dat terwijl de zeespiegel in de Westerschelde tweemaal dáágs vier meter stijgt? Misschien moeten we juist nadenken over wat we gaan doen als de zeespiegel straks weer daalt. Het duurt geen tienduizend jaar voor het weer zover is.
En Erasmus?
Erasmus, de nuchtere en ironische humanist, zou zich in deze toonzetting wel herkennen, al was hij de eerste om zich sterk te maken over basisvoorwaarden waar relativering uit den boze zou zijn. Die combinatie van kwaliteiten maakt hem de ideale naamgever van deze lezing, die met geen andere conclusie mag eindigen dan dat duurzaamheid nationaal en internationaal de kernopgave is voor de 21e eeuw.