Toespraak van dr. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter SER, bij de Rondetafelconferentie over de evaluatie van de EU-begroting, op 10 april 2008 in het SER-gebouw, Den Haag.
Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Hartelijk welkom in deze zaal, waar de Sociaal-Economische Raad een keer in de maand bijeenkomt om adviezen vast te stellen. Wij zijn een Nederlandse adviesraad, maar Nederland hoort nauw bij Europa. Dus, vanaf de oprichting van de EEG, ruim vijftig jaar geleden, rekenen we ook Europa tot ons werkterrein. Zo was de SER al nauw betrokken bij de onderhandelingen over het Verdrag van Rome van 1957. Ons instituut heeft een langdurige betrokkenheid bij samenwerking in Nederland en samenwerking in Europa, dus het is passend dat u in deze vergaderzaal heeft plaats kunnen nemen.
Door de jaren heen heeft de SER dan ook een aantal adviezen over de Europese begroting uitgebracht, vaak in de aanloop naar de besluitvorming over nieuwe Financiële Vooruitzichten, het meerjarige begrotingskader van de EU. De mededeling van de Europese Commissie over de tussentijdse evaluatie van de Europese begroting heeft ons geen aanleiding gegeven om opnieuw een advies over dit onderwerp uit te brengen. Evenmin heeft het kabinet ons om advies gevraagd, waarschijnlijk omdat de opvattingen van de SER al goed bekend zijn. De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft eind vorig jaar wel een diepgravend advies over
De financiën van de Europese Unie uitgebracht; in dat advies vindt u ook veel van het gedachtegoed van de SER terug.
Plaats van de EU-begroting in de Europese integratie Bij de Europese begroting denken veel Nederlanders vooral aan twee dingen, en dat zijn helaas negatieve dingen: 1. Nederland betaalt te veel aan ´Brussel´; 2. Brussel staat voor geldverspilling, waarvoor vooral het voordurende pendelen van het Europees Parlement tussen Brussel en Straatsburg symbool staat. Ik wil deze twee ongenoegens wel serieus nemen, maar alvorens dat te doen, ben ik zo vrij om ze eerst wat te relativeren.
Het eerste punt, van te veel geld betalen aan Brussel, klopt strikt genomen niet – we betalen niet te veel, maar gewoon evenredig naar ons nationaal inkomen. Wel is waar dat wij minder ontvangen: we hebben een negatieve nettobetalingspositie ten opzichte van de EU-begroting. Dit komt doordat Nederland relatief weinig ontvangt uit hoofde van het landbouwbeleid en het cohesie- en structuurbeleid. Nederland heeft dat volgens EU-normen namelijk niet nodig. En het feit dat ons land relatief veel invoerrechten int, doet niet ter zake. Wat bij binnenkomst in Nederland aan invoerrechten wordt geheven, behoort de EU toe. De invoer voor de Europese Unie wordt daar geheven waar de goederen een land binnenkomen. Om deze gelden dan zomaar, zonder meer mee te nemen als nationale middelen, is onterecht.
En van het tweede punt, de zogenaamde geldverspilling, zou ik willen zeggen: was het maar waar dat alleen dat gedwongen gependel van het EP vragen over de doelmatigheid van de inzet van EU-begrotingsmiddelen zou oproepen. De administratieve uitgaven van de EU beslaan immers maar een bescheiden deel van de EU-begroting. Bovendien zegt de manier waarop een EU-begroting is samengesteld, veel minder over het inzetten van begrotingsmiddelen dan een nationale begroting.
Feit is wel dat de onderhandelingen over de Europese begroting steeds meer in het teken van de lastenverdeling tussen de lidstaten – de nettobijdragen, het juste retour-denken – zijn komen te staan. Dat is een slechte zaak. Het verstoort een goede afweging van de beleidsprioriteiten in het uitgavenbeleid. Het gaat om een groter verband.
De SER – en ook de AIV – kiezen een andere invalshoek. Veel belangrijker dan de precieze geografische verdeling van de EU-uitgaven is de vraag hoe we de kwaliteit van het EU-beleid kunnen verbeteren en hoe we het beste kunnen investeren in onze gezamenlijke toekomst. Vertrekpunt daarbij is het motto van een eerder SER-rapport:
Met Europa meer duurzame groei. Daarmee wordt ook het belang van de EU-begroting wat gerelativeerd. Zeker, de begroting is een belangrijke hefboom om beleidsdoelstellingen te realiseren en gewenste veranderingen teweeg te brengen, maar – zoals de Europese Commissie zelf ook vaststelt – niet alle beleidsterreinen vergen financiering door de EU. Bovendien bevat de Europese begroting niet meer dan 1 procent van het nationaal inkomen van de EU. De Europese begroting geeft daarmee veel minder dan nationale begrotingen een getrouw beeld van de prioriteiten van het beleid.
De hoeksteen van de Europese integratie is de interne markt. Deze geeft consumenten meer keuzevrijheid, werknemers betere mogelijkheden om over de grens te gaan werken en ondernemingen een betere toegang tot ruimere afzetmarkten. Daarmee heeft de EU zo´n tien procent aan onze welvaart bijgedragen. Dat is een effect waaraan we bij de discussie over nettobijdragen en ‘juste retour’ ook terdege aandacht mogen geven.
De interne markt is het product van vrijmaking van grensoverschrijdend verkeer, van gemeenschappelijke regels – voor het beschermen van onder meer gezondheid, veiligheid en milieu – en van mededingingsbeleid om een gelijk speelveld te waarborgen. Daar komt heel weinig begrotingsgeld aan te pas. Het terugdringen van nationale, discriminerende regels die het onderlinge verkeer belemmeren, het harmoniseren van regels voor het beschermen van publieke belangen (waaronder die van werknemers en van consumenten) en het bevorderen van wederzijdse erkenning van elkaars regels: dat is de
core business van de EU – niet het verdelen van geld.
De EU-begroting speelt niet zozeer een sturende als wel een beleidsondersteunende rol. Dat betekent ook dat uit de samenstelling van de EU-begroting niet direct de prioriteiten van het EU-beleid zijn af te lezen – en, omgekeerd, dat een hoge prioriteit niet automatisch beslag hoeft te leggen op veel EU-begrotingsmiddelen. Dat is anders dan bij een nationale begroting. Ook in dit opzicht kan het misleidend zijn om met een nationaal georiënteerde blik naar een Europese begroting te kijken.
Toekomstige uitdagingen De eerste vijftig jaar van de vorige eeuw heeft in het teken gestaan van Europese oorlogen. De tweede helft heeft in het teken gestaan van de Europese integratie. De Europese integratie schrijdt voort. De Europese integratie is een succesverhaal. De integratie heeft zich in vijftig jaar tijd niet alleen maar verdiept maar ook verbreed, naar nieuwe terreinen zoals sociaal beleid en milieu. Bovendien heeft zich een formidabele uitbreiding van het aantal lidstaten voorgedaan, van zes in 1957 naar 27 nu. Daarbij is de naoorlogse politieke en economische tweedeling op ons continent ongedaan gemaakt; tegelijkertijd is de diversiteit binnen de Europese Unie natuurlijk flink toegenomen.
Europa is dus zonder meer een succesverhaal, maar dat verhaal is zeker nog niet af. Europa is niet af, Europa is nuttig, en Europa heeft een missie. Bepaalde hoofdstukken moeten worden herschreven en andere aan het geheel worden toegevoegd.
Door een sociaal-economisch gekleurde bril naar de toekomst kijkend, zou ik vooral aandacht willen vragen voor:
- Een goed onderhoud en een verdere voltooiing van de interne markt;
- Het ontwikkelen van een echte Europese kennisruimte, als basis voor ons concurrentie- en innovatievermogen;
- Het ontwikkelen van een gezamenlijk energiebeleid dat gericht is op voorzieningszekerheid, doelmatigheid en duurzaamheid (en dus ook een effectief antwoord kan geven op de klimaatproblematiek);
- Het voortzetten van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid naar meer duurzaamheid en grotere doelmatigheid, door het gericht belonen van maatschappelijk gewenste prestaties te bevorderen;
- Een verdere toespitsing van het cohesiebeleid op de armste lidstaten;
- Het ontwikkelen van een volwaardig, gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid;
- Een goede voorbereiding van de toetreding van nieuwe lidstaten (in de rij staan, zoals bekend, Kroatië, de rest van de Westelijke Balkan en Turkije).
Wat zou dit voor de Europese begroting kunnen of moeten betekenen? Daarvoor is ook een reflectie nodig op subsidiariteit en evenredigheid. Om maar iets te noemen: ik ben hartstochtelijk voorstander van een echte Europese kennisruimte én van verhoging van de publieke kennisinvesteringsquote, maar daarmee zou ik nog niet willen bepleiten om al onze uitgaven voor kennis en innovatie zonder meer maar naar het Europese vlak te tillen. De Europese inzet moet ook duidelijk meerwaarde hebben – vanwege bijvoorbeeld schaalvoordelen en grensoverschrijdende effecten. Bovendien zal in de regel een gemengd Europees-nationale financiering de voorkeur verdienen.
Betere verantwoording nodig
Dat brengt mij op de noodzaak van een betere verantwoording van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de EU-uitgaven. Het ´verantwoordingstekort´ heeft minister Bos er onlangs toe gebracht om in de Raad van ministers tegen te stemmen toen de decharge over de EU-begroting 2006 aan de orde was. Hij gaf daarbij terecht aan dat zijn kritiek is gericht op de lidstaten die onvoldoende bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor een goed financieel beheer en een goede verantwoording van de EU-gelden in gemengd beheer. Dat is een belangrijk punt omdat – zoals de Europese Commissie ook benadrukt – het beheer over driekwart van de EU-begroting in belangrijke mate wordt gevoerd door de lidstaten. Zonder de actieve medewerking van de lidstaten is het ronduit onmogelijk om de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid voldoende aan te scherpen.
Dames en heren,
Zoals gezegd: Er is momenteel veel aandacht voor de precieze geografische verdeling van de EU-uitgaven. Veel belangrijker voor de toekomst is echter de vraag hoe we de kwaliteit van het EU-beleid kunnen verbeteren en hoe we het beste kunnen investeren in onze gezamenlijke toekomst. Ik wens u veel inspiratie toe, zowel voor vanmiddag als voor de nabije toekomst van Nederland in Europa!