Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, tijdens de Eerste ZLTO Ondernemersdag, 29 februari, te Rosmalen.
Alleen het gesproken woord geldt.
Geachte dames en heren,
Ik ben blij met deze gelegenheid om kennis te maken met u – zo veel agrarische ondernemers die door innovaties markten beter willen bedienen en duurzamer willen produceren. Zelf heb ik geen achtergrond in de land- en tuinbouw. Wel ben ik veel bezig om kennis en innovatie in ons land te bevorderen, onder meer via het Innovatieplatform. Hierdoor heb ik goed leren kennen wat er aan de innovatieve kracht in de land- en tuinbouw schuilgaat. En hierdoor heb ik de afgelopen jaren voor de innovatieve kracht in de landbouw en tuinbouw veel waardering en ontzag gekregen.
Graag wil ik u wat meer vertellen over hoe wij vanuit het Innovatieplatform naar de land- en tuinbouw kijken. Het Innovatieplatform houdt zich met het heden én de toekomst bezig, en op het Innovatieplatform zal ik dan ook pas zo meteen ingaan.
Eerst zal ik ingaan op de SER en de bijzondere plaats van land- en tuinbouw. Als voorzitter van de SER heb ik uw vertegenwoordigers op het nationale niveau leren kennen. U weet: in de SER bereiden vertegenwoordigers van centrale organisaties van werkgevers en werknemers samen met onafhankelijke deskundigen – de kroonleden – adviezen over sociaal-economisch beleid voor. In de SER is de bijzondere positie van de land- en tuinbouw zonder meer erkend. Uw sector, de land- en tuinbouw, neemt immers als enige een eigen, aparte plek in de SER in. De andere zetels worden namelijk toebedeeld door brede, sectoroverstijgende koepels van ondernemers- of werknemersorganisaties. De land- en tuinbouw neemt daarmee een speciale plaats in.
Die bijzondere positie rechtvaardigt ook dat de SER zich zo nu en dan in zijn adviezen met de wereld van de land- en tuinbouw bezighoudt. Seizoenen komen en gaan, en ook land- en tuinbouwonderwerpen keren met regelmaat terug bij de SER. Bijvoorbeeld: We zijn nu volop bezig met een advies over de maatschappelijke en publieke waarden van de landbouw in relatie tot de hervorming van het Europese landbouwbeleid. Dan gaat het om de vraag: wat verwacht de maatschappij van de landbouw, en hoe kan de landbouw de producten en diensten leveren die de maatschappij wenst. Eerder heeft de SER advies uitgebracht over met name onderwerpen als: over cofinanciering van het Europese landbouwbeleid, over de leefbaarheid van het platteland en over ‘innovatie voor duurzaam voedsel en groen’.
Innovatie, duurzaam voedsel en groen. In dat laatste advies van een paar jaar geleden noemde de SER innovatie de sleutel voor verandering. Dat gaat in het bijzonder met het oog op drie grote uitdagingen:
- De keten omkeren naar vraaggericht, naar ondernemen en produceren met het gezicht naar de markt;
- Het verwezenlijken van duurzaamheid, en wel in drie dimensies (financieel-economisch, sociaal en milieu);
- behoud en versterking van concurrentiekracht op de wereldmarkt.
Voor een deel behoren de benodigde proces- en productinnovaties tot de primaire
verantwoordelijkheid en competentie van de individuele ondernemer – van u dus. Deze innovaties heeft u goeddeels in eigen hand. Wel mag u daarbij van de overheid enige ondersteuning verwachten: door vernieuwingen te faciliteren en daarvoor de juiste voorwaarden te scheppen.
Dit betreft de ‘gewone’ innovaties. Veel ingrijpender en lastiger zijn de zogenoemde systeeminnovaties die vragen om samenwerking en afstemming met anderen – bijvoorbeeld in de keten. Bijvoorbeeld: u doet goed uw best om extra diervriendelijk en milieuvriendelijk te produceren; maar vervolgens komt uw product in de bulkstroom terecht, waardoor kwaliteitsverschillen van uw product met de rest verdwijnen. Dan kan ook de maatschappelijk betrokken consument er geen meerwaarde meer aan toekennen. Dan zijn uw individuele inspanningen genegeerd. Willen in die situatie uw eigen innovaties effect opleveren, dan is samenwerking met anderen dus nodig.
Voor vernieuwingen in ketens van voedsel is zodoende een clusteraanpak gewenst: afspraken en samenwerking tussen schakels in de keten om productinformatie transparant te maken. Zo’n clusteraanpak biedt mogelijkheden: voor afnemers om ook echt onderscheid te kunnen maken, mogelijkheden om kennis te bundelen, om schaalvoordelen te benutten en/of om free rider-gedrag (gratis meeliften) tegen te gaan.
Innovatie, ondernemen en samenwerking is een hele toer, en het is te vergelijken met een wielertour. Er gaan mensen voorop in de kopgroep en er is het peloton dat volgt. Het gaat er bij innovatie en ondernemen om innovatieve ondernemers als koplopers te waarderen en te stimuleren verder te gaan, zodat het peloton kan volgen met de ambitie om de koplopers in te halen.
Kortom: er is in de land- en tuinbouw goede afstemming en samenwerking in de keten nodig, vaak ondersteund door een flinke inbreng vanuit de kennisinstellingen zoals Wageningen.
Het moet niet zomaar gaan om samenwerking. Die samenwerking moet dan wel in het teken staan van ondernemend gedrag. En daarom is het ook zo goed dat de ministeries van EZ en OCW de handen ineen hebben geslagen voor ondernemend gedrag. De ministeries willen stimuleren dat meer en meer studenten en leerlingen zich ondernemender gaan gedragen. En daarbij is de agrosector zeker niet vergeten. Een van de projecten betreft namelijk een samenwerkingsverband van onder andere Wageningen Universiteit en de HAS (Hogere Agrarische School) Den Bosch. Dit consortium zal aandacht besteden aan het vermarkten van kennis en octrooien.
Heel interessant vind ik ook de aanpak van uw Brabantse Agro&Co: innovatieve ondernemers door het inzetten van projectregisseurs begeleiden bij het omzetten van een idee in een product dat vermarktbaar is. Ik ben benieuwd naar uw ervaringen; het lijkt mij een aanpak die elders navolging zou verdienen.
Innovatieplatform
Dat brengt mij bij het werk van het Innovatieplatform. Het Innovatieplatform wil de concurrentiekracht van Nederland versterken, vooral door de sterktes en kansrijke gebieden in het bedrijfsleven en wetenschap verder uit te bouwen. Dit krijgt vorm in de sleutelgebiedenaanpak. De gedachte hierachter is dat innovatie in een alsmaar kennisintensievere economie steeds meer vraagt om samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen. Sterktes van kennis en bedrijvigheid bieden kansen. Om die kansen te vergroten, is een aantal zaken nodig. De partijen die bij dat sleutelgebied betrokken zijn (bedrijven, kennisinstellingen en overheden) moeten elkaar weten te vinden. Ze moeten voortbouwen op elkaars krachten en ze moeten samen de wil hebben een gezamenlijk doel te bereiken.
Tot nog toe zijn er zes gebieden naar voren gekomen als sleutelgebieden van de Nederlandse economie:
- Flowers & Food
- Hightech systemen en materialen
- Water
- Chemie
- de Creatieve Industrie
- Pensioenen & sociale verzekeringen.
Land- en tuinbouw horen bij deze sleutelgebieden. Op het gebied van Flowers&Food spelen de land- en tuinbouw onmiskenbaar een hoofdrol. Daarnaast vormen Water en Chemie sleutelgebieden waar zeker ook kansen liggen voor ondernemers in de land- en tuinbouw. Ik zal op deze gebieden nader ingaan, om te beginnen met Flowers&Food.
Flowers and food
Flowers and food (F&F) is onomstreden een sterkte van Nederland. Binnen de F&F als geheel springt een aantal gebieden eruit wat economische kracht en innovatief vermogen betreft. Denkt u maar aan de zaadveredeling, sierteelt en (delen van de) voedingsindustrie (food & nutrition) met klinkende namen als Unilever en Heineken. Wageningen Universiteit en Research is van oudsher een kloppend kennishart in de sector.
Voor dit sleutelgebied zijn de volgende ambities uitgesproken. Aan deze ambities kunt ook u een bijdrage leveren.:
- Van Nederland dé Food & Nutrition (F&N) Delta van de wereld maken, een verdedigbare positie als nummer-één-innovatieregio in de wereld.
- Wereldmarktleider in sierteeltproducten blijven en de sterke positie behouden in de overige tuinbouw door beter en sneller te innoveren.
- Groene genetica: nummer één blijven waar dat nu het geval is, positie versterken in groeimarkten en nieuwe geografische markten veroveren.
Bij kracht en innovatief vermogen gaat het ook om duurzaamheid. Nederland is in vergelijking met andere landen dichtbevolkt; dit maakt duurzaamheid des te dringender. Een belangrijk aandachtspunt voor het hele cluster vormt dan ook de duurzaamheid van de productie in zo’n dichtbevolkt land als Nederland. De tuinbouw heeft in het bijzonder innovaties nodig om de duurzaamheid van de bedrijfsvoering te vergroten (bijvoorbeeld energie- en ruimtegebruik). In dit licht is het concept van de EnergieProducerende Kas heel waardevol; het verdient brede toepassing en doorontwikkeling.
Landbouw en water: blauwe diensten
Water is een ander sleutelgebied voor het innovatiebeleid. Wij gaan met waterbeheer ingrijpende veranderingen meemaken: veel water én watertekorten, de kwaliteit van water. Die zijn het gevolg van klimatologische ontwikkelingen, zoals een stijgende zeespiegel en een toenemende jaarlijkse neerslag, in samenhang met bodemdaling. Dit alles zal ertoe leiden dat Nederland in de toekomst meer water te verwerken zal krijgen. Daarnaast zullen drogere zomers leiden tot periodes van watertekort; dit zal het bestaande probleem van verdroging vergroten.
Wat moeten we doen om de nodige bescherming te bieden, water te kunnen zuiveren en ons van voldoende schoon drinkwater te voorzien? Hiervoor is nieuwe innovatieve deltatechnologie nodig. Voor Nederland liggen hierin grote kansen door de enorme kennis en kunde die we op dit punt hebben opgebouwd. Nieuwe experimenteerruimte is hier echter hoog nodig.
De land- en tuinbouwsector kan een belangrijke bijdrage leveren aan een goed kwantitatief en kwalitatief waterbeheer in de vorm van ‘blauwe diensten’. Daarvoor zullen ook onderling in stroomgebieden afspraken moeten worden gemaakt, want water houdt zich niet aan perceelsgrenzen. Ook op dit vlak is samenwerking gewenst.
Agro en chemie: biobased economy
Duurzaamheid, waterbeheer als sleutelgebieden. Een derde raakpunt tussen de landbouw en het Innovatieplatform betreft het sleutelgebied van de chemie, en dan denk ik aan biobased landbouw. De wereldeconomie zal onherroepelijk overschakelen van aardolie naar (duurzame) biomassa als basis voor de industriële productie. Ons land kan op dit nieuwe terrein een belangrijke rol spelen. De Nederlandse situatie biedt uitstekende perspectieven: Niet alleen kennen wij een agro-industrie die internationaal vermaard is, maar ook een internationaal vermaarde chemische industrie. Verder is in Nederland sprake van veel reststromen van biomassa en grote havens voor de import van biomassa. De uitgangssituatie is daarmee gunstig. Om succes te hebben in de nieuwe biologische economie, moeten boer en chemicus elkaar veel meer opzoeken: “Boer zoekt Chemicus” – in de hoop op een goede match. De boer produceert op zijn bedrijf biomassa; de chemicus ontwikkelt daarvoor nieuwe toepassingen. Glucoses en vezels, bijvoorbeeld, zijn als grondstof te gebruiken voor de productie van kunststoffen. Ook zoiets simpels als gras kan in allerlei elementen worden ontrafeld die als alternatief kunnen dienen voor petrochemische grondstoffen.
Biobased landbouw biedt mogelijkheden en er is momenteel dan ook aandacht voor biobased economy. Het kabinet zal binnenkort een adviesaanvraag aan de SER voorleggen over biobased economy. Een belangrijke vraag die naar verwachting aan de orde zal komen, is: hoe is de biobased economy uit te bouwen zonder concurrentie met voedselproductie en zonder verlies van biodiversiteit? Mogelijkheden daartoe zijn er zeker. Het Platform Groene Grondstoffen schat dat in Nederland binnenlandse groene grondstoffen een tiende van de energievoorziening voor hun rekening kunnen nemen. Hierbij gaat het alleen om reststoffen als sloophout, GFT resten van land- en bosbouw, mest etc. Specifieke teelt van energiegewassen is hierbij niet eens meegerekend. Wat dat laatste betreft is voor Nederland vooral de natte teelt van belang: benutting van plantengroei in sloten en kanalen, zoutwaterlandbouw, teelt van microalgen in speciale bassins en teelt van zeewieren op zee. Veel nieuwe toepassingen om aan te pakken.
Groene diensten
De SER brengt in 2008 een advies uit over maatschappelijke waarden van de landbouw in relatie tot de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). In dat advies is aandacht gegeven aan een breed spectrum van maatschappelijke waarden. Sommige daarvan kun je opvatten als een vorm van publieke dienstverlening en die moeten boeren vergoed krijgen, op een geschikte manier.
Ik noemde al de ‘blauwe diensten’; daarnaast zijn er uiteraard de ‘groene diensten’ in de sfeer van agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De diensten die boeren als extra leveren, verdienen een gerichte beloning. Daarvoor zullen we het nationale en Europese beleid moeten aanpassen. De vergoeding voor groene diensten moet namelijk naar de mening van de SER uit de subsidiesfeer worden gehaald. Die vergoeding moet volgens de SER een kwestie worden van transacties met groepen boeren en andere grondeigenaren. Ook zijn er gebieden met een natuurlijke handicap, waar de maatschappij blijvend een bepaalde vorm van grondgebonden landbouw wil zien. Voor die gebieden zal de mogelijkheid moeten bestaan om die handicaps dan te compenseren.
Dat alles vormt een forse uitdaging: een systeeminnovatie op zich. Hier zal de maatschappij respectievelijk de overheid verder duidelijk moeten maken welke diensten zij wenst. Die maatschappelijke vraag daagt u dan uit om met een bepaald aanbod aan groene diensten te komen.
Afronding
Ik heb u willen schetsen hoe vanuit het Innovatieplatform en vanuit de SER naar de land- en tuinbouw wordt gekeken. Het agrocomplex beschouwen wij als een innovatieve sector. Marktgerichtheid en marktontwikkeling, duurzaamheid en samenwerking in de keten zijn daarbij belangrijke trefwoorden. En het is uw ondernemerschap dat aan een dergelijke innovatie een belangrijke bijdrage levert. Daarnaast levert u ook belangrijke publieke diensten. U begrijpt: de land- en tuinbouw is van grote waarde, zowel nu als in de toekomst.
Dank u voor uw aandacht.