Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Henri Polaklezing 2008

Henri Polaklezing 2008

Gesproken tekst eerste Henri Polaklezing 2008 door SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan ,19 februari 2008, De Burcht, Amsterdam.

Alleen het gesproken woord geldt.


Dames en Heren,

Ik vind het ongelooflijk eervol de eerste Henri Polaklezing te mogen houden. Henri Polak, peetvader van de moderne vakbeweging, was een enorm energieke man. Wat hij in zijn leven voor elkaar heeft gekregen: sprekend, schrijvend, actievoerend, dat is heel bijzonder. Wie de biografie over Polak van Salvador Bloemgarten bestudeert, die krijgt een buitengewoon complex, gedetailleerd en intrigerend beeld van deze man. Met veel paradoxale kanten. Hij had graag politicus willen worden, maar hij heeft de overstap niet gemakkelijk kunnen maken.

Polak was een vakbondsleider die zich inzette voor de diamantbewerkers. Dat deed hij vanuit een heel scherp zicht op het kapitalisme, waarvan hij naast de nadelen ook de voordelen inzag: omdat het de groep die hij vertegenwoordigde werk verschafte. Polak werkte aan de ene kant buitengewoon pragmatisch, maar hij had aan de andere kant soms naïeve en bevlogen, vaak anti-industriële ideeën over hoe de wereld eruit zou zien in een postkapitalistisch tijdperk. Hij maakte zich sterk voor een breed beschavingsoffensief onder zijn leden. Hij was een democraat in hart en nieren, maar die van tijd tot tijd buitengewoon autoritair kon optreden. Een complexe persoonlijkheid.

Ik sta hier ook met een marginale claim to fame, want mijn grootmoeder heeft Henri Polak goed gekend. Ze kwam voort uit diamantwerkerskringen, en was in die hoedanigheid ook betrokken en getuige van de ontwikkeling van de Diamantwerkersbond. Haar voornaamste bijdrage aan de geschiedenis van het socialisme is dat zij op schoot heeft gezeten bij Troelstra. Zij zong overigens weleens een liedje voor mij uit die periode, waarvan ik – tot gisteravond - alleen de eerste regel had onthouden. Maar vandaag is mij verteld hoe het verder ging: ‘Henri Polak dat is mijn neef. Op allebei mijn schoenen loop ik scheef. Als Henri Polak mijn neef niet was, hadden wij geen cent in de weerstandskas’. Fantastische tekst!

Polak was een buitengewoon veelzijdig man. Een van zijn meest invloedrijke boeken was, Het kleine land en zijn groote schoonheid (1929). In de tijd waarin hij leefde, was zich een nieuwe onderklasse aan het vormen - met slechte lonen en slechte woonomstandigheden, het industriële proletariaat. In sommige groei-economieën zie je nu vergelijkbare ontwikkelingen, hopelijk met een sneller positief gevolg als Nederland toen gegund werd, want ook toen was de kloof ongelooflijk groot tussen de nieuwe onderklasse en de groeiende rijkdom van de ondernemers. Polak had een open oog daarvoor, hij zei: “Het arbeidersleven was, van de geboorte in het woonkrot tot het einde in het paupersgraf, een troosteloos, hopeloos bestaan. De jenever was de eenige troost en verheugenis” (citaat Henri Polak).” Het is niet verrassend dat zijn strijd tegen alcohol een onderdeel was van zijn cultuuroffensief.

Polak ziet de vakbond als een middel om de diamantbewerkers materieel en geestelijk te verheffen, om ze op te voeden tot klassenbewuste, solidaire, cultureel ontwikkelde socialisten. Als pragmatisch idealist zette hij zich niet alleen in voor een hoger inkomen met meer vrije tijd, maar even zeer voor het bijbrengen van goede manieren en het wekken van belangstelling voor kunst en wetenschap. De diamantbewerkers krijgen doorlopend indringende adviezen van hem, op ieder mogelijk gebied: drink geen alcohol, zorg voor verantwoorde woninginrichting, let op je taalgebruik, was je handen voor het eten, luister naar klassieke muziek. Polak wilde hen opvoeden tot klassebewuste, solidaire, cultureel ontwikkelde socialisten.

Polak is de man van de geleidelijke hervormingen, niet van de revolutie. Daar is economische en politieke machtsvorming voor nodig. Politieke invloed voor “de arbeider” wil hij realiseren via de invoering van het Algemeen Kiesrecht. De vakbeweging moet zorgen voor hogere lonen en kortere werktijden. Een mooie illustratie van de wijze waarop Polak te werk gaat is de succesvolle staking van 1894, waarin hij uiteindelijk de hele diamantsector “plat krijgt” om te strijden voor de invoering van minimum-loontarieven. Samen met enkele kompanen overdondert Polak de werkgevers - de juweliers - volkomen. Bang als zij zijn voor represailles en onder de indruk van de massaliteit van de staking en het optreden van de stakingsleiders, gaat de een na de ander akkoord met voorgestelde tarieven én met de bijdrage voor de stakingskas. Polak schreef over hun werkwijze, in een groezelig zaaltje van café Centraal, waar hij samen met Loopuit en Pothuis de eerste werkgever ontving: “Loopuit noodigde hem uit aan de benedenzijde der tafel plaats te nemen en verklaarde met plechtigen ernst de besprekingen geopend. Pothuis en ik doopten onze pennen diep in de inktpotten en richtten dezelve gewichtiglijk naar de voor ons liggen groote vellen papier, gereed om den loop der onderhandelingen te vereenuwigen – door al welke dingen onze juwelier zich hoe langer hoe minder op zijn gemak ging gevoelen, waarvan hij door toenemende bleekheid des gelaats duidelijk blijk gaf. Loopuit liet ’s mans pekelzonden de revue passeren, kapittelde hem deswege ongenadig, beduidde hem dat aan zijn hooge sprongen nu een eind was gekomen en noodigde hem ten slotte uit zijn naam onder het tarief te zetten. Onze juwelier begon een beetje tegen te spartelen: doch Loopuit maakte daar onmiddellijk een einde aan, door imperatief uit te roepen: Mijnheer, er is niets te vertellen, u teekent, of u teekent niet, in het laatste geval komen de gevolgen voor uwe rekening! Waarop de delinquent gedwee zijn naam zette onder het tarief. Hij wilde al opstaan en heengegaan, doch Loopuit hield onverwijld een toespraak, waarin hij hem beduidde dat het zijn plicht was bij te dragen aan de weerstandskas. Waarop de man zijn portefeuille voor den dag haalde en zestig pop op het hem gepresenteerde tafeltje legde. Daarna werd hem plechtiglijk uitgeleide gedaan. Nauwelijks was hij buiten de deur, of de plechtige ernst verdween; als één man sprongen wij op en voerden een dollen rondedans om de tafel uit”.

Er zijn toen loonsverhogingen tot 35 procent geboekt! Maar misschien nog wel belangrijker: het succes heeft duidelijk gemaakt dat de tijd rijp is voor de oprichting van één organisatie voor alle branches, joden en christenen, bazen en knechten. Onderlinge verschillen zijn veel kleiner, de gemeenschappelijke belangen juist veel groter dan gedacht. Polak wordt voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, de ANDB. Die ontwikkelt zich tot een model-vakorganisatie met noviteiten als, een eigen kantoor- en vergaderruimtes; een eigen weekblad, met Polak als bevlogen redacteur; een ongekend hoge contributie van een gulden per week, om de stakingskas op te bouwen en fondsen voor uitkeringen bij ziekte of overlijden te stichten; een uitgebreide administratie; en voor het eerst in de geschiedenis: betaalde bestuursleden die met 24 gulden per week een gemiddeld loon van een diamantbewerker ontvangen. Dat gaat niet zonder slag of stoot, de betalingsdiscipline van de leden laat te wensen over en de bestuurders krijgen te maken met gevoelige verwijten als zouden zij baantjesjagers zijn en geen weet hebben van het echte leven van de arbeider. Maar Polak ontpopt zich als een man van discipline en heldere regels, door “de anarchisten” ook wel Generaal Polak genoemd. Wie achterblijft met zijn betalingen, krijgt ook geen steun uit de kassen. ”Wat bliksem, wil men verhoging van loon, verkorting van arbeidstijd, algemeene verbetering van arbeids- en levensvoorwaarden bekomen voor een cent per dag? Wil men een goed georganiseerden, wèl-gewapenden vijand gaan bestrijden met een proppenschieter? …. Wil men het àlvermogende kapitaal beoorlogen met een roode cent? O, als het zoo gemakkelijk ware! Maar zoo gemakkelijk is het nu eenmaal niet. Elke schrede voorwaarts op het pad der bevrijding van den arbeid, kost bloed … Men moet zich gaan gewennen aan hoge contributiën. Wil of kan men dat niet, dan blijft er niets over dan de vakvereenigingen op te doeken. Want vakvereenigingen zonder goed gevulde kassen, zijn niet alleen nutteloos, doch zelfs gevaarlijk. Het is beslist beter geen vakvereeniging te hebben, dan eene die voor effectief optreden geen knip voor den neus waard is" (citaat Polak, hoofdartikel in Weekblad van den ANDB 30-9-1898)

De ANDB ontwikkelt zich tot de eerste, gecentraliseerde, professionele, “moderne” vakbond. Zijn structuur en strategie worden een voorbeeld voor de hele vakbeweging. Belangrijke successen komen op naam van de ANDB te staan: in 1911 is de ANDB de eerste vakbond ter wereld die de invoering van de 8-urige werkdag weet te bereiken: 8 uur werk, 8 uur vrij, 8 uur rust. Ter ere daarvan zijn in dit prachtige gebouw, dat toen als bondsgebouw fungeerde, muurschilderingen gemaakt die “de sterke uren, de zachte uren en de diepe uren’ uitbeelden (door Richard Roland Holst). Ook mogen de diamantbewerkers als eerste in Nederland een week (onbetaald) op vakantie. Polak geeft tips voor bezienswaardigheden in het Weekblad: hij bespreekt musea, historische gebouwen en natuurgebieden. Het bondsbestuur krijgt als dank zelfs ansichtkaarten uit het buitenland. De ANDB wordt het centrum van een bloeiend verenigingsleven. Er is een eigen bibliotheek en er worden lezingen en cursussen georganiseerd over alle mogelijke onderwerpen; van de muziek van Wagner tot de theorie van de klassenstrijd. Er zijn koren en muziekgezelschappen, feestavonden. Voor jonge leden komt er het maandblad Het Jonge Leven, waarin alleen artikelen staan over kunst, cultuur en wetenschap.

Ondertussen draagt Polak ook bij aan de oprichting van de internationale organisatie van diamantbewerkers. De doelstelling is om overal ter wereld ongeveer dezelfde arbeidsvoorwaarden te krijgen. Dat is niet helemaal gelukt, maar wel goed geformuleerd. In 1903 is het zover: het Wereldverbond van Diamantbewerkers wordt opgericht, met Polak als voorzitter. Polak vindt dat natuurlijk niet voldoende. In Nederland moet ook veel gebeuren, in 1906 komt het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) tot stand, de machtigste vakcentrale van Nederland. Ook de katholieken (RKV) en de protestanten (CNV) organiseren zich, en later fuseren de RKV en NVV tot de FNV. De contouren van de huidige vakbeweging zijn in de toen ontstane structuur nog steeds zichtbaar. Na deze woelige jaren waarin het vakbondswerk veel van Polak heeft gevraagd, richt hij zijn aandacht langzamerhand meer op de politiek en op zijn grote liefde voor de natuur, waarvoor hij diverse bestuursfuncties gaat vervullen. In de oorlog komt hij op 74-jarige leeftijd te overlijden.

De vakbeweging na Polak, een paar kantelmomenten
Tijdens en na de oorlog begint men aan de opbouw van een overlegmodel op nationaal niveau, met ondersteuning van de vakbeweging. Al in de oorlogsjaren is de basis gelegd voor de oprichting van de Stichting van de Arbeid (1945) en de Raad van Vakcentrales (NVV, NKV, CNV). Dit betekende een formeel vastgelegde samenwerking tussen werkgevers en werknemers en tussen de drie grote stromingen in de vakbeweging. In 1950 volgt de oprichting van de Sociaal-Economische Raad. De Eenheidsvakcentrale (EVC), waarin veel communistische sympathisanten zich na het verzet in de oorlog, hadden gevonden, is dan al op zijn retour. Dankzij onder andere de harde aanpak van overheid, werkgevers en het erkende NVV. Vrijwel alles werd in die jaren van wederopbouw op landelijk niveau geregeld. Deze ontwikkeling leidde tot een verwijdering tussen leiding en leden, zeker in de roerige jaren zestig.

In 1970 zijn er grote stakingen in de haven en metaal (op de werven). Het is het einde van de geleideloonpolitiek. Dat betekende dat er meer verantwoordelijkheden naar het overleg in bedrijfstakken gingen, met af en toe looningrepen van de overheid. De arbeidsmarkt ontploft en de bonden radicaliseren, onder druk van acties. De koppelbazen in de haven en de houding van werkgevers wekken woede op van havenwerkers. Het gevolg is een algemene loonronde van 400 gulden, men wil “Centen in plaats van procenten”. Nu ontstaan ook de afzonderlijke bonden voor middelbaar en hoger personeel. En de havenwerkers ervaren hun kracht. In 1982 ontstaat het Akkoord van Wassenaar. Daarvan is onlangs het 25-jarig bestaan gevierd. Het is een van de meest besproken akkoorden uit de geschiedenis, maar vrijwel niemand weet wat erin staat! Het staat vooral achteraf te boek als het einde van de radicalisering. De vakcentrales leggen zich neer bij loonmatiging in ruil voor een belofte tot banengroei en arbeidstijdverkorting. En dat leidt weer tot vergroting van de afstand tussen de leiding en de leden. Veel leden zien het nut niet in van loonmatiging. Er gaan meer verantwoordelijkheden naar het overleg op bedrijfsniveau, mede op basis van aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid. In 2004 is de massale demonstratie op het Museumplein in Amsterdam, waar 300.000 mensen aan meedoen.

De agenda van de toekomst
De wereld is ongelooflijk veranderd sinds de tijd van Polak, en in belangrijke mate verbeterd, op sommige punten lijkt Polaks visie niet meer relevant. Zijn visie op de “moderne” vakbeweging lijkt nauwelijks van toepassing op onze huidige, laat staan toekomstige tijd. Centralistisch, hiërarchisch, bevoogdend. Maar toch…. Wat kunnen we van hem leren? Ik denk aan zijn gedrevenheid, zijn niet aflatende opkomen voor “de arbeider”, voor diens materiële en immateriële noden. Ik denk aan zijn heldere perspectief op waar hij uit wou komen: de socialistische samenleving, waar geen honger en geen dorst is, waar we ons laven aan onderwijs en kunst, waar we de natuur respecteren en we onszelf willen ontwikkelen. Ik denk aan zijn doortastende, bijna bruuske, optreden, niet schromend zijn soms tegendraadse opvattingen tegenover zijn leden te verdedigen, “erdoorheen” te drukken.

Als voorzitter van de SER zult u het mij niet kwalijk nemen als ik ook nog even stil sta bij de plaats van de vakbeweging in de overlegeconomie. Onze fameuze overlegeconomie, soms verguisd, dan weer omhelsd, bestaat bij de gratie van een herkenbare, strijdbare en daadkrachtige vakbeweging. Dat merken we in de SER, waar draagvlak voor nieuw beleid gezocht wordt, mede op basis van ervaringen uit de praktijk. Dat lukt meestal, maar niet altijd. Wij realiseren ons onvoldoende hoe bijzonder dat is, zeker als je dat vergelijkt met hoe dat in het buitenland gaat. De enige momenten dat de SER tegenwoordig de voorpagina’s haalt, is als we het een keer niet eens zijn met elkaar. In vele andere landen halen ze de voorpagina als ze dat juist wel zijn.

Over een langere periode bezien, wordt het hervormingstempo in Nederland positief beïnvloed door de advisering door de SER. Met adviezen over het zorgstelsel, de WAO en de WW heeft de SER een flinke basis gelegd voor de hervormingen. Daar waar de SER er niet uitkwam, met name over levensloop en ontslagrecht, heeft dat het kabinet voor grote problemen gesteld. Om oude beleidsporen te verlaten, is moed nodig van bestuurders van organisaties. Er is leiderschap nodig om achterbannen te overtuigen van de noodzaak tot verandering in wijzigende omstandigheden. Vooral de vakbeweging heeft de afgelopen decennia een flinke koerswijziging moeten accepteren. Maar dat heeft ons land geen windeieren gelegd. Denk bijvoorbeeld aan de hervormingen in het socialezekerheidsstelsel, die in hoofdlijnen door partijen in de SER zijn gesteund. Mede hierdoor is het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt sterk verbeterd. De arbeidsparticipatie ligt inmiddels op een hoog niveau, de werkloosheid is historisch laag en de arbeidsmobiliteit ligt ver boven het Europese gemiddelde.

In menig buitenland wordt de Nederlandse vakbeweging geroemd om haar verantwoordelijkheidsgevoel. Nederland is dan ook een land met relatief weinig stakingen. De polarisatie in de samenleving en de politiek leidt wel tot een toenemende druk vanuit het activistische deel van de vakbeweging om minder compromisbereid te zijn. Een veelgehoorde kritiek is dat outsiders in het overlegcircuit onvoldoende aan bod komen. Die kritiek deel ik niet. De organisaties in de SER hebben zeer diverse achterbannen, die brede segmenten van de samenleving afdekken. Bovendien zorgt de aanwezigheid van kroonleden ervoor dat alle belangen tot hun recht kunnen komen. We doen ook erg ons best minder gehoorde geluiden goed over het voetlicht te brengen, en in het bijzonder doen we de laatste tijd extra moeite om jongeren aan het woord te laten. Ik wil het FNV prijzen voor het feit dat zij een raadszetel beschikbaar stelt aan haar jongerenafdeling FNV Jong. Vanuit FNV Jong is het initiatief genomen tot een advies uit eigen beweging, over allochtone jongeren op de arbeidsmarkt. En bij de SER heeft het afgelopen jaar een Jongerenpanel aan een rapport over maatschappelijke stages gewerkt. Dit panel is op experimentele basis ingesteld en bestond geheel uit jongeren, zowel uit werknemers- en werkgeverskringen als onafhankelijke jongeren. Dus ik ben van mening dat outsiders een royale kans krijgen.

Wat zou de agenda van de toekomst voor de vakbeweging moeten zijn? Ik denk dat ik daar alleen maar in bescheidenheid over kan spreken. Ik zie een rol voor de vakbeweging in een goed functionerende overlegeconomie: Bij de modernisering van de arbeidsverhoudingen, met behoud van centraal overleg voor de noodzakelijke afstemming; voor het bieden van draagvlak voor nieuw beleid, via bijvoorbeeld SER-advisering; voor het zoeken naar een betekenisvolle positie ook in internationaal verband en in Europa; en tot slot bij het nadenken over de positie en werkwijze van de ‘polderinstituties’, de Stichting van de Arbeid en de SER. Met het erbij betrekken van outsiders als belangrijk aandachtspunt.
Om een betekenisvolle rol te kunnen blijven spelen, zal de vakbeweging lastige vragen onder ogen moeten zien. Zoals de vraag: hoe krijgt de vakbeweging meer sturende invloed? De opvattingen daarover lopen sterk uiteen, ook binnen de vakbeweging. Een veel gehoord geluid is de opvatting dat de vakbeweging zich zou moeten ontwikkelen tot een soort “sociale ANWB”, met veel aandacht voor de individuele belangen van de leden. Anderen zien de meerwaarde van de vakbeweging juist in het regelen van zaken die niet individueel te regelen zijn, de collectieve belangen. Volgens die opvatting zou de vakbeweging zich meer moeten gaan inzetten voor rechtvaardige loonverhoudingen, werkzekerheid, zeggenschap in ondernemingen en de emancipatie van achtergestelde groepen. Een moderne invulling van het begrip solidariteit, een begrip dat wat mij betreft noch nationaal, noch internationaal achterhaald is.

Ik denk dat Henri Polak een heel goede godfather is van onze overlegstructuur. Ik hoop dat het debat gevoerd zal blijven worden en tot een tevreden resultaat zal leiden, misschien wel inclusief een nieuw overtuigend strijdlied met als refrein: “Agnes, dat is mijn nicht.”