Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, tijdens het Jaarcongres VNO-NCW NL Twintig Twintig, 7 februari 2008, Den Haag.
Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Voordat ik ga spreken over de toekomst, is er bij mij sprake van een zekere nostalgie. VNO-NCW behandelt haar ex-voorzitters altijd met de nodige aandacht. Je wordt voor borrels uitgenodigd, al is het lastiger om op het jaarcongres spreektijd te krijgen. Als ex-voorzitter heb ik nu de eer op te treden in het voorprogramma van de huidige voorzitter, de heer Wientjes.
Allereerst dus mijn dank voor uw uitnodiging en voor de kans om voor u allen in te gaan op hoe Nederland er over zo’n twaalf jaar uit zal zien.
In mijn bijdrage wil ik mij richten op een onderwerp dat zowel voor nu als voor straks van eminent belang is: het onderwijs als fundament van een sterke kenniseconomie. Hoe ziet de kenniseconomie eruit, en op wat voor manier zal het onderwijs daaraan bijdragen?
In het verleden zijn diverse manieren gehanteerd om de toekomst te verkennen – interessante en soms zelfs riskante manieren. Denk maar eens aan het Orakel van Delphi uit de Griekse oudheid, waar een oude maagd uit het volk – de Pythia geheten – de boodschap sprak van de God Apollo, de god van het licht, de schone kunsten en de voorspellingen. De Pythia kwam tot haar invloedrijke toekomstvisioenen, zittend op een driepoot in een tochtige rotsspleet in de catacomben van haar tempel; die gebouwd blijkt op een beweeglijk stukje aardkorst, waar bij tijd en wijle hallucinaties opwekkende gassen vrijkwamen. Al is dit een andere manier van toekomst voorspellen dan wetenschappelijke bureaus als het SCP tegenwoordig hanteren, toch werd die betrouwbaar geacht. Om de Pythia heen was een machtige schare van wijsgeren verzameld die haar cryptische brabbels vertaalden in ‘meer wereldse adviezen’. Het waren bepaald niet de minsten der aarde die het orakel raadpleegden. Zo ook koning Croesus van Lydië. Deze zou het orakel geraadpleegd hebben over een nieuw project: zijn slaagkansen indien hij een oorlog tegen zijn buurman Perzië zou beginnen. Het orakel antwoordde dat hij "een groot rijk zou verwoesten" als hij aan de oorlog begon. Hetgeen ook uitkwam: Croesus verwoestte inderdaad een groot rijk, en wel het zijne….
U voelt het al aankomen: de toekomst willen voorspellen moge een hachelijke zaak zijn, de toekomst willen beïnvloeden is dat misschien nog wel veel meer. Voorwaar, een mooie uitdaging voor ons allemaal!
In een mooie kerk als deze is het mooi dromen over de toekomst, vandaag onder het motto, dat u wellicht bekend voortkomt: “Je weet alleen waar je naar toe moet, als je weet waar je vandaan komt”.
Waar komen we vandaan?
Wij leven op een breukvlak van twee tijdperken. Nog steeds staan wij met één been in dat oude tijdperk: de zo vertrouwde industriële, hiërarchisch georganiseerde maatschappij. Die specialistisch-mechanistische benadering heeft ons ontwikkeling en vooruitgang gebracht: onze welvaart is ongekend hoog. Tegelijkertijd is een proces van emancipatie op gang gebracht, met individualisering als een bijzonder krachtig bijproduct. Behoefte aan diversiteit en maatwerk komen steeds meer in de plaats van massaliteit en uniformiteit.
We staan met in een spagaat tussen deze industriële samenleving en de kennissamenleving, want met ons andere been staan we al in de kennissamenleving, waarin menselijk kapitaal een factor van doorslaggevende betekenis is. Het tot ontwikkeling brengen en daadwerkelijk benutten van ieders talent zal steeds meer cruciaal blijken om economisch volop mee te kunnen draaien, te overleven en antwoorden te vinden op lastige vragen over de richting waarin de samenleving zich zou moeten ontwikkelen. We staan ervoor om de goede stappen te zetten om hierbij uit te komen.
Die spagaat tussen twee tijdperken gaat gepaard met fricties die we allemaal ieder dag aan den lijve ondervinden: het schuurt op allerlei plaatsen. We zien tekenen van stagnatie: de samenhang in de maatschappij neemt af, het vertrouwen in politiek en instituties daalt. Maar men heeft mij uitdrukkelijk gemaand het luchtig te houden, dus ik ga nu niet zitten somberen. Als er wrijving optreedt, kunnen we denken: wrijving geeft glans.
Hoe ziet mijn sterke kenniseconomie eruit in 2020?
We zijn op weg naar een wereld waarin we analytisch vermogen inzetten naast andere belangrijke competenties zoals ons empathisch vermogen, waarin we naast specialisatie zoeken naar integratie, waar duurzaamheid een conditie ‘sine qua non’ is, waar ruimte is voor diversiteit en het streven naar excelleren gemeengoed.
In 2020 maakt Nederland met zijn open economie deel uit van een dynamische, sterk internationaal georiënteerde Europese kenniseconomie. Een hoog niveau van welvaart gaat gepaard met een hoog niveau van welzijn. Het streven naar duurzaamheid is allesbehalve een papieren tijger. Bedrijven leggen zich immers toe op het slimmer produceren van producten en diensten met een hoge toegevoegde waarde (kwaliteit en maatwerk). En dat biedt ook nieuwe kansen aan onze ondernemerszin. Ondernemingslust is doorgedrongen in alle poriën van de samenleving.
Mijn ideaalbeeld is het verlengde van de vorige spreker, de premier. In 2020 is de arbeidsproductiviteit historisch hoog dankzij de grote aandacht voor innovatie van productie- en werkprocessen. Wetenschap en bedrijfsleven halen het beste in elkaar boven, met respect voor ieders specifieke doelstelling. De nationale investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn tot ongekende hoogte gestegen sinds de succesvolle afspraak over cofinanciering die 12 jaar geleden is gemaakt (in 2008 dus!) in het kader van de nationale kennisinvesteringsstrategie. De uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling bedragen maar liefst zo’n 4 procent van het bbp, waarbij de private sector 2,5 procent voor zijn rekening neemt. Dat is substantieel hoger dan vandaag.
Kortom, in 2020 hebben we onze sterke kanten van vroeger opnieuw weten te benutten: het vestigingsklimaat is bijzonder aantrekkelijk, waardoor buitenlandse bedrijven en kennismigranten ons land graag voor een poosje bezoeken. Op de arbeidsmarkt is volop beweging, dankzij de doorbraak in de sociale verhoudingen die de oriëntatie op werkzekerheid tot stand heeft gebracht. De participatiemaatschappij – waar veertien jaar daarvoor, in 2006, de SER nog een lans voor heeft gebroken – is nu een feit. Tijdens onze loopbaan beweegt onze arbeidsdeelname soepel mee, ondernemend geven we invulling aan onze eigen wensen en ambities, transities op de arbeidsmarkt zijn eenvoudig te realiseren. Scholing, leren op de werkvloer en loopbaanbegeleiding zijn laagdrempelig toegankelijk en deelname daaraan wordt actief gestimuleerd in elk bedrijf. Voor velen is het bereiken van de leeftijd van 65 jaar dan ook geen reden meer om werkgerelateerde activiteiten te staken, ook al verkiezen de meesten een positie als zzp’er. Goed opgeleid en flexibel menselijk kapitaal is met recht de motor van een sterke kenniseconomie.
Dames en heren, dat is een visioen dat we allemaal herkennen.
Hoe draagt onderwijs daaraan bij in 2020?
Hoe droomt onze jeugd zich de toekomst? Laat mij u meenemen naar het Orakel van Hindeloopen: een meisje uit groep 8 van een basisschool – zij won een opstelwedstrijd die was uitgeschreven door het Innovatieplatform. Aan haar – en aan nog heel veel andere leerlingen – was de vraag gesteld “hoe ziet Nederland eruit over tien jaar?”. In haar opstel maakt zij kleine hoofdstukjes over allerlei onderwerpen. Over het onderwijs van de toekomst schrijft zij:
“Ik denk dat de scholen veel meer op laptops gaan werken. En dat er een elektronisch bord komt. Dat zou niet verkeerd zijn. De scholen zijn verplicht om kinderen op te vangen als de ouders naar het werk gaan”.
Voor kinderen van nu is het klip en klaar: de school van de toekomst heeft geen schoolbord en geen boeken meer. Dat leert ons een onderzoek onder basisschoolleerlingen van KPN. Veel kinderen denken dat de computer het lesmateriaal helemaal gaat vervangen. Maar leraren hoeven toch niet voor hun baan te vrezen: de meeste kinderen vinden contact met hun meester of juf en met hun klasgenoten het allerbelangrijkste op school.
Ik denk dat die kinderen groot gelijk hebben. E-learning zal ongetwijfeld nog een enorme vlucht krijgen; we staan op dat vlak nog aan het begin van een spannende ontdekkingsreis. En over het geweldige belang van leraren heb ik het afgelopen jaar genoeg het woord mogen voeren. Ga ik verder met mijn eigen visioen:
In 2020 zal het onderwijs weer hebben leren excelleren, met als primaire doelstelling: het ontwikkelen van ieders unieke talenten, naar ieders maximale mogelijkheden. Talent ontwikkelen is veel meer dan alleen het aanleren van traditionele ‘schoolse’ vaardigheden naar een homogeen eindniveau. Een sterke kenniseconomie vraagt erom alle beschikbare individuele talenten maximaal maatschappelijk in te zetten. Verschillen in talent verwijzen naar kansen voor de betrokken individuen in plaats van naar zo snel mogelijk weg te werken onrechtvaardigheden. En daarbij gaat het niet alleen om rekenen of taal, maar ook om creatieve, artistieke, sociale, sportieve en andere talenten. Lichaam en geest horen daarin allebei in thuis.
In 2020 hebben scholen veel meer vrijheid dan nu om hun eigen onderwijs in te richten. Het huidige Nederlandse onderwijs, met sterke centrale voorschriften voor vorm en inhoud en een sterk centraal toezicht van de Inspectie, geeft weinig mogelijkheden aan scholen om met maximale creativiteit in te spelen op verschillen in talenten van leerlingen. Betekenisvolle differentiatie tussen scholen, als uitkomst van meer individueel maatwerk, wordt in het huidige stelsel niet aangemoedigd, maar eerder ontmoedigd. Om deze situatie te doorbreken, is eerder in een advies van het Innovatieplatform (Leren Excelleren) bepleit om op korte termijn experimenten te starten met tijdelijk regelarme scholen. En dit – ná gebleken succes – uit te laten groeien tot een compleet licentiemodel voor de inrichting en besturing van ons onderwijs. In deze situatie leggen scholen voor onderwijsproces en -inhoud niet verticaal, maar horizontaal verantwoording af aan hun omgeving. Dit horizontale toezicht maakt het voor scholen mogelijk steun te zoeken en te vinden voor eigen keuzes ten aanzien van profiel, inhoud en aanpak van het onderwijs. De centrale overheid heeft andere taken: ze ziet er in zo’n model op toe dat de scholen hun horizontale verantwoording adequaat geregeld hebben en kan enkel bij zeer ernstige signalen van taakverwaarlozing zelf ingrijpen. Objectieve centrale toetsen geven leerlingen inzicht in hun mogelijkheden en geven onderwijsinstellingen inzicht in hun effectiviteit.
In het onderwijs en onderzoek van de toekomst staat excelleren centraal. Een belangrijk principe van het huidige stelsel heet gelijke kansen voor iedereen te zijn. Laten we onszelf echter niet voor de gek houden: al willen we het, we realiseren het niet. Het huidige egalitaire stelsel zet vooral in op gelijke uitkomsten, en dat gaat gepaard enerzijds met hoge lesuitval voor die leerlingen die het gemiddelde niveau niet aankunnen en anderzijds met verspilling van talent voor diegenen met bovengemiddelde aanleg. Het is een ongelukkige combinatie. Een stelsel dat individueel maatwerk tot uitgangspunt maakt, kan echter veel beter aan het principe van gelijke kansen voor iedereen tegemoet komen. Met maatwerk is beter ieders talent en kansen te verwerkelijken.
Bij dat onderwijs en onderzoek van de toekomst past een bekostigingssystematiek die de scholen en universiteiten prikkelt tot maatwerk bij de maximale talentontwikkeling voor hun leerlingen en studenten. Daarbij past geen prestatiebekostiging in de vorm van een bekostigingsmodel dat centraal gedefinieerde, kwantitatieve prestaties beloont. Daarbij past echter een aanpak, analoog aan die in het wetenschappelijk onderzoek, die wel een bruikbaar alternatief kan bieden. Zo’n ‘open bestel’ is niet simpel. Ook het toestaan van naar winst strevende scholen zou tot kwaliteitsverhoging kunnen leiden. Natuurlijk moet een dergelijk open bestel met waarborgen omgeven worden, maar alleen experimenten van enige omvang kunnen uitsluitsel geven. Die experimenten moeten we dan ook ruimhartig toestaan.
Afronding: uitdagingen voor de toekomst
- Ik heb hier vandaag voor u mijn voorspelling voor het onderwijs in een sterke kenniseconomie in 2020 mogen uitspreken. Er zijn volop wijze heren en gelukkig ook steeds meer wijze dames aanwezig om mijn orakelwoorden zo nodig te ontraadselen en om te zetten in praktische aanbevelingen.
- Volgens mij zijn de geesten in Nederland rijp voor de hier bepleite veranderingen in de onderwijs- en onderzoeksfilosofie. Ik hoop dat het kabinet en anderen die veranderingen alle ruimte geven.
- Nu heeft Nederland een traditie van zeer gedetailleerde regelgeving met – onder meer – het onderwijs. Alleen daarom al zal de omslag om bestaande regels juist af te schaffen de nodige inspanningen vergen. Een snelle start kan gerealiseerd worden door het op significante schaal toestaan van experimenten met tijdelijk regelarme scholen. In het volle vertrouwen dat we mogen stellen in de passie en professionaliteit van zo velen die in het onderwijs werken, en die ruimte zoeken om ook hun eigen talenten maximaal in dienst te stellen van de toekomst van hun leerlingen.
- Als ik u voorspel dat het veel geld gaat kosten, denkt u misschien: sneu voor de overheid. Maar het is een zaak van iedereen. En ook voor u zie ik een mooie rol weggelegd om nu al die sterke kenniseconomie dichterbij te brengen:
- Allereerst natuurlijk door talentontwikkeling in uw organisatie uit de kinderschoenen te helpen door ruimhartig te investeren in scholing, loopbaanbegeleiding, leven lang leren dat we ons al zo lang voorhouden.
- In de tweede plaats door uw deuren wijd open te zetten voor leerlingen die stageplaatsen zoeken, en ook eens uw werknemers aan een school uit te lenen.
- In de derde plaats door in overleg te treden met het onderwijsveld, voor de uitwisseling en verspreiding van kennis, het aangeven van uw behoeften.
- En last but not least: door uw aandeel in de investeringen voor R&D te verhogen. Zowel de SER als het IP wijzen op het belang van een verhoging van de R&D-investeringen, conform de Lissabon-doelstelling voor de EU om 3 procent van het bbp daaraan uit te geven, waarvan 1 procent door de overheid en 2 procent door het bedrijfsleven. Ook de Europese Commissie heeft dit punt recent nog als een specifiek aandachtspunt voor Nederland benoemd. We blijven ver onder die grens steken, en dat is een slechte zaak. De SER (in zijn mlt-advies over de middellange termijn) omschrijft het als volgt:
“De overheid ( moet) een aanjaagfunctie vervullen door voldoende te investeren in onderwijs en onderzoek. Dit is een noodzakelijke randvoorwaarde voor het aantrekken van private investeringen. Private investeringen gedijen namelijk vooral als er een solide basis van kennis en competenties bestaat; deze zal vrijwel altijd via generieke publieke investeringen in onderwijs en onderzoek tot stand komen”.
Nu blijken die overheidsuitgaven nog duidelijk achter te blijven bij die doelstelling van 1 procent van het bbp. Op dit moment zit zowel de overheid als het bedrijfsleven onder die norm. Ik zie dus nog de nodige ruimte om met cofinancieringsconstructies het bedrijfsleven te verleiden.
Dames en heren, samen hebben we hier een paar toekomstdromen gedeeld, samen moeten we aan de slag om die dromen in daden om te zetten! Laten we samen invloed op onze toekomst gaan uitoefenen: de top van het bedrijfsleven is hier vandaag bijeen, onze premier is te gast, de voorspelling ligt er al: laten we zo meteen spijkers met koppen slaan en meteen tot afspraken komen om die 4 procent in 2020 tot een selffulfilling prophecy te maken!