Speech van SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan op het symposium van De Nederlandsche Bank over complexe financiële producten en hun risico’s: waar liggen de risico’s en wie moet ze begrijpen d.d. 23 november 2007.
Alleen het gesproken woord geldt
Adjunct-directeur Arnold Schilder van DNB presenteerde op het symposium een studie naar de (on)wenselijkheid van financiële educatie, en de (on)verantwoordelijkheid van de aanbieders van complexe financiële producten. De studie werd verricht onder leiding van Henriëtte Prast, DNB-onderzoeker en hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Daarnaast ging Schilder in op nieuwe, complexe financiële instrumenten waarmee professionele partijen in toenemende mate risico’s overdragen. Beide aspecten zijn van belang voor financiële stabiliteit waarvoor DNB verantwoordelijk is.
Het is mij een genoegen aanwezig te mogen zijn op dit symposium. Mijn bijdrage spits ik toe op een naar mijn mening kernpassage uit het boekje van Henriëtte Prast: “Zelfs als mensen weten wat goed voor hen is, gedragen ze zich er zich lang niet altijd naar.
Bovendien zijn financiële keuzes zo ingewikkeld dat ook financiële educatie mensen niet in staat zal stellen verantwoorde keuzes te maken.” Een zorgelijk bericht vind ik dat. Over die observatie wil ik dan ook enkele gedachten met u delen.
Het onderwerp complexe financiële producten is voor de SER niet nieuw. Prast was een van de sprekers op de SER-conferentie over het pensioenbewustzijn van 13 november jl. Die was georganiseerd door de Pensioencommissie van de SER als onderdeel van een reeks debatten over het vergroten van het pensioenbewustzijn op verzoek van de minister van SZW. Uit haar presentatie citeer ik het volgende: “Help mensen te kiezen wat ze zouden kiezen als ze daartoe in staat waren. Veel mensen zijn zich bewust van hun zwakheden en mensen laten zich graag helpen. Stuur door standaarden, commitment mechanismen en levenstandaard producten (“wie zwijgt stemt toe”) aldus Prast. Door dit model, deze mix van libertair-paternalisme zijn mensen volgens haar sterker te sturen dan via uitgebreide financiële educatie.
Arnold Schilder ziet blijkens zijn speech op dit symposium wel wat in de libertair-paternalistische visie op financiële producten, al noemt hij het niet zo. Zijn de risico’s verbonden aan complexe financiële producten wel goed te doorgronden en wordt er wel voldoende energie gestoken in het begrijpen ervan, zo vraagt hij zich af. Zelfs als mensen al weten wat goed voor hen is, gedragen ze zich daar lang niet altijd naar.
Dan zitten we in de buurt van een nieuw beleid zou ik denken. Instituties moeten mensen behoeden voor fouten, niet door geboden en verboden, maar door te sturen in de richting van keuzes die ze zouden maken als ze geen last hadden van het bekende verschijnsel: de geest is sterk, maar het vlees is zwak.
Maar met instituties alleen kom je er niet. De hedendaagse financiële technologie maakt het mogelijk complexe producten te ontwikkelen waarvan duidelijk aan de financiële consument is uit te leggen wat ze hem wel en niet bieden. De Nederlandse financiële consument is betrekkelijk openhartig over wat hij wil. In de beste risico-aversie traditie waarmee ons land groot is geworden ziet de Nederlandse consument “het voorkomen van financiële moeilijkheden” als het belangrijkste doel van niet alleen sparen en verzekeren, maar ook van beleggen (zie ook boekje-Prast). De beschikbare complexe financiële technologie biedt nieuwe mogelijkheden om ook voor de “massa” haute couture-producten te ontwikkelen die aansluiten op de individuele wensen van de consument. Aanbieders doen er daarom goed aan te investeren in kennis over hoe de klant in elkaar steekt (zijn ‘financiële DNA’) maar vooral met informatie over de objectieve financiële situatie van het individu. Uiteindelijk moet dit leiden tot het besef bij de financiële consument welk doel hem voor ogen staat en wat het nemen van risico voor hem kan betekenen.
Ik ben wel gecharmeerd van de denkbeelden van het libertair-paternalisme. Misschien is het zelfs wel een goede tussenweg tussen enerzijds het idee van de maakbare samenleving en anderzijds de rigide ideologie van de vrije markt. Het vrijmaken van publieke diensten vergroot niet automatisch de keuzevrijheid voor consumenten, en leidt dan ook niet automatisch tot hogere kwaliteit van de dienstverlening en tot lagere prijzen. De economische school van de behavioristen, die steeds meer aanhang krijgt ook in Nederland, denkt dat een deel van de verklaring er in ligt dat de consument minder rationeel is dan vaak wordt gedacht. Een overvloed aan keuzemogelijkheden heeft een verlammende werking. Uit onderzoek blijkt dat consumenten zich zelfs bij eenvoudige keuzes in de luren laten leggen, bijvoorbeeld door de wijze waarop informatie wordt gepresenteerd. En dat bovendien, wat al een oud inzicht is, velen bij het nemen van een beslissing met een suboptimale keuze genoegen nemen, uit gemakzucht of noodgedwongen.
Libertair-paternalisten koppelen deze economische theorie aan de bevinding dat mensen gevoelig zijn voor een ‘standaardregeling’ indien die hen wordt aangeboden. Langs die lijn kan de overheid burgers behoeden voor valkuilen in de weg wanneer er op eigen houtje gekozen moet worden. Zeker als het niet gaat om keuzes waar ethische of persoonlijke afwegingen mee zijn gemoeid, maar om technische, complexe beslissingen waarbij betrouwbare informatie moeilijk te verkrijgen is. Als bij dergelijke kwesties meer keuzevrijheid wordt geboden, dan zouden libertair-paternalisten ervoor pleiten dat dit gepaard moet gaan met een door de overheid ontworpen standaardregeling. Zo'n vorm van paternalisme valt volgens hen te verdedigen zolang het maar voor burgers mogelijk blijft om een dergelijke oplossing die de overheid hen aanbiedt, af te wijzen; de libertaire component. De overheid neemt je bij de hand maar je kan die hand ook loslaten.
Hoe deze ideeën van behavioristen en libertair-paternalisten te beoordelen, zonder bij een politieke beginselstrijd uit te komen? Ik geeft u een ervaring vanuit het voorwaardenoverleg bij de SER. De moderne mens wil niet elke avond op internet zitten surfen om polissen en kleine lettertjes te vergelijken. De consument zal dan ook in een digitale omgeving vaak snel doorklikken na de vraag van de ondernemer: Accepteert u onze Algemene Voorwaarden? Een libertair-paternalistische benadering kan hier uitkomst bieden. In branches waar tweezijdige algemene voorwaarden bestaan, waar ondernemers en consumenten het over eens zijn, zou elke ondernemer die van deze ‘veilige haven’ afwijkt dit alleen mogen als hij dit transparant maakt. Het paternalistische element zit hierin dat de overheid, al is op het de achtergrond, aan de ‘standaardregeling’ heeft meegewerkt.
Een geslaagd voorbeeld van libertair-paternalisme zien we in de zorgsector (althans van de niet zo libertaire variant, afwijkingsmogelijkheden ontbreken immers). Dat consumenten bij elke verzekeraar een en hetzelfde basispakket aan diensten moeten afnemen (tegen beperkte prijsconcurrentie), wordt denk ik nauwelijks ervaren als beknotting van de keuzevrijheid. Wellicht draagt het zelfs bij aan echte keuzevrijheid voor zorgconsumenten doordat men desgewenst, met de zekerheid dat het met basispakket wel in orde is, alleen de aanvullende zorgdiensten hoeft te vergelijken.
Misschien is libertair-paternalisme ook in andere complexe markten effectief. De vraag is daarbij steeds hoever de overheid zou moeten gaan om consumentenvertrouwen en goede marktwerking te verzekeren. Dat alles vanuit de overtuiging dat de consument niet zo rationeel handelt als lang is gedacht en gehoopt.
Zoals gezegd, het onderwerp complexe financiële producten is voor de SER niet nieuw. Ik beperk me hier tot de consumenteneducatie. Ik vond het opvallend dat de meerderheid van de aanwezigen op ons symposium over het pensioenbewustzijn (60 % van de meer dan 100 aanwezigen) de volgende stelling afwees: “Zelfs als de mensen weten dat ze meer voor pensioen moeten sparen doen ze het niet. (Dit vraagt om meer dan alleen informatieoverdracht. De instituties moeten de burgers ‘wie zwijgt stemt toe’- pensioenmogelijkheden bieden)”. Die dubbele ontkenning is misschien wat moeilijk te vatten, maar eigenlijk zegt men dit: als we zouden weten hoe het zat, zouden we best wel voor ons pensioen gaan sparen. Er is dus een positieve meerwaarde van de inspanning voor voorlichting. De uitslag op een andere voorgelegde stelling ging in diezelfde richting: “Als je op school leert over omgaan met geld, over sparen, lenen, hypotheek en pensioen, kun je later financieel plannen en dan ben je ook pensioen bewust” 60% van de aanwezigen was het met die stelling eens. Kortom, men heeft een positief vertrouwen in wat consumenteneducatie mag vermogen.
Dat deze steekproef op het SER-symposium tweemaal een 60-40-uitslag opleverde laat wellicht zien dat beide richtingen een kans van slagen hebben, waaruit men afhankelijk van het product kan kiezen.
Transparantie en libertair-paternalisme hebben zo allebei hun voordelen, zodat bij complexe (financiële) producten een én-én-benadering misschien het meest zinvol is.
De stroming van het libertair-paternalisme onderschat echter mijns inziens de rol van consumenteneducatie bij jongeren.
Terwijl ook op die wijze ingerichte markten wel degelijk consumenteneducatie vergen, zij het in een wat aangepaste vorm. Ik pleit dan ook voor een én-én-én-benadering. Als men op lange termijn iets wil bereiken moet men vaak juist bij het onderwijs beginnen. De mogelijkheden om keuzeprocessen van jongeren te veranderen zijn bovendien groter dan bij volwassenen. Overigens is EZ al goed bezig om het keuzegedrag van (volwassen) consumenten te vergemakkelijken via www.consuwijzer.nl. Meer dan 500.000 maal zochten consumenten in het eerste jaar contact met dit loket over hun rechten. De drie toezichthouders achter het loket zijn de Consumentenautoriteit, de NMa en OPTA.
Ten slotte nog een opmerking over de ‘standaarden’ die onderdeel uitmaken van de libertair-paternalistische visie op financiële producten. Ik vind een heel wezenlijk onderdeel voor die visie dat bij het ontwikkelen van zulke standaarden ook
consumenten moeten worden betrokken. Het bedrijfsleven heeft inmiddels goede ervaringen opgedaan met het betrekken van consumentenorganisaties bij het opstellen van algemene voorwaarden: de tweezijdige algemene voorwaarden die bij de SER worden uitonderhandeld.
De SER heeft, zoals u weet, bij de totstandkoming van de huidige Wet Financieel Toezicht advies uitgebracht (in 2002). De Consumentenbond was bij de voorbereiding van dat advies betrokken. Ook bij die gelegenheid hebben we gezegd dat aanbieders, bemiddelaars en consumenten van financiële producten een gedeelde verantwoordelijkheid hebben. De aanbieders voor de kwaliteit van de producten; de bemiddelaars voor de kwaliteit van hun advies en ze hebben ook een eigen verantwoordelijkheid (o.a. registratie bij de AFM). En consumenten moeten goed kennisnemen van de hun aangeboden informatie en zich op basis daarvan een oordeel vormen. Dat heeft te maken met een betere transparantie van het aanbod en adequaat toezicht, o.a. klachtenregelingen. Dit punt van de klachtenregelingen is opgepakt door de start dit jaar van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening. De ombudsman van KiFiD behandelt een klacht eerst, daarna komt zo nodig de geschillencommissie in beeld.
Twee jaar eerder (in 2000) heeft de Commissie voor Consumentenaangelegenheden van de SER een rapport over consumenteneducatie uitgebracht. De voortgang sindsdien is echt te laag. Het blijkt een zaak van lange adem. De CCA constateerde nogal wat hiaten in het onderwijs en vond dat er meer zou moeten gebeuren en dat de overheid dit moet oppakken. Vervolgens is echter tevergeefs geprobeerd behalve EZ ook OCW in het onderwerp geïnteresseerd te krijgen.
Een nieuwe impuls ontstond gelukkig door het initiatief van Financiën om samen met partijen een platform op te richten met als doel het financiële inzicht van consumenten te verbeteren. Dit platform met de naam CentiQ heeft onlangs haar tweede partnerbijeenkomst gehouden, waarop een partnerconvenant is ondertekend. Tot de ondertekenaars behoren behalve o.a. de Consumentenbond ook verschillende brancheorganisaties maar tot mijn verdriet (nog) niet VNO-NCW en MKB Nederland. Ik denk dat het goed zou zijn als ook zij aan het platform zouden deelnemen. Dat zij als werkgeversorganisaties bij het platform vertegenwoordigd zijn is namelijk van belang voor het bedrijfsleven. Het aantal werknemers met financiële problemen stijgt immers, zo blijkt uit onderzoek. Voor werkgevers kan dit ongewenste effecten als lagere productiviteit en ziekte met zich brengen.
CentiQ onderneemt een groot aantal activiteiten die mijns inziens goede aanknopingspunten bieden om consumenteneducatie naar een nieuw niveau te tillen.
En dat is natuurlijk méér dan alleen rekenen en taal, de huidige speerpunten van OCW. Concreet bedoel ik dit. OCW zou het leren omgaan met zaken als huishoudfinanciën, budgetteren, risicobewustzijn veel explicieter in de kerndoelen en eindtermen van het onderwijs op moeten nemen. En ook de Inspectie voor het Onderwijs zou kunnen worden betrokken bij onderzoek naar hoe nu op scholen met consumenteneducatie wordt omgegaan. Ook zaken als het omgaan met reclame-uitingen en het kunnen kiezen tussen producten horen daarbij.
Over het omgaan met (elektronische) reclame-uitingen nog dit. Heel aardig is het private initiatief om een professionele MediaCoach opleiding te ontwikkelen geschikt voor leerkrachten maar ook voor bijvoorbeeld medewerkers van jeugdhulpverlening. Dit als uitvloeisel van het advies van de Raad voor Cultuur uit 2005 om het thema media “in een fundamenteel gemedialiseerde wereld” een plek te geven in het onderwijs. Het lijkt heel goed te lopen. Een groot aantal organisaties hebben daarop (met steun van OCW) de handen ineen geslagen, o.a. de Stichting Reclame Rakkers/ Media makkers, SLO en de Nederlandse Openbare Bibliotheken. Ik zou het toejuichen als ook de
digitale aspecten van het omgaan met geld in de opleiding tot MediaCoach een plek zouden krijgen. Het gaat immers om een onderwerp van grote maatschappelijke betekenis en grote schade als het fout gaat.
Ik sluit af met nogmaals de oproep om (financiële) consumenteneducatie op scholen naar een nieuw niveau te tillen. Dit zeg ik niet alleen van harte als voorzitter van de SER maar ook als oud-hoofddirecteur van ING en oud-hoogleraar.