Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Arbeidsovereenkomst in de toekomst

Arbeidsovereenkomst in de toekomst (symposium Honderd jaar Wet op de arbeidsovereenkomst)

Arbeidsovereenkomst in de toekomst

Toespraak van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, tijdens het symposium ’Heden, verleden en toekomst van de arbeidsovereenkomst’, naar aanleiding van honderd jaar Wet op de arbeidsovereenkomst, 6 november 2007, Den Haag, in het SER-gebouw.


Alleen het gesproken woord geldt.

Dames en heren,

Laatste sprekers hebben het lastig. Allerlaatste sprekers, zoals ik nu, hebben het zeer zeker lastig, vooral als zij volgen op laatste sprekers die blijk geven van helderziendheid. Om dit onmogelijke karwei te klaren, gaf minister Donner mij reeds drie mogelijkheden. Er staat mij evenwel nog een vierde mogelijkheid open, namelijk om aan het eind van dit symposium te suggereren dat we nog maar aan het begin van het vervolgtraject staan, en dat is precies wat ik wil doen. Today is the first day of the rest of our lives. Dat geldt ook voor wetsvoorstellen en voor wetten die om wonderbaarlijke redenen de honderdjarige verjaardag kunnen halen.

Ik ben heel blij dat dit symposium is gehouden. Uw belangstelling hiervoor, en ook de belangstelling buiten deze zaal, demonstreert dat we hier een actueel thema te pakken hebben. Het parallelle symposium waar minister Hirsch Ballin over sprak, ging slechts over één aspect van het arbeidsovereenkomstenrecht. Niettemin blijkt uit de discussie van afgelopen middag dat het onderdeel uitmaakt van een groot en levendig geheel en ik ben erg blij dat u allen hier bent vanuit een brede achtergrond.

Ik vond het in het bijzonder een eer om hier zo veel vertegenwoordigers van de rechterlijke macht te mogen ontvangen. Dit is een categorie uit de samenleving die we niet zo vaak onder dit dak mogen ontvangen, en die vanmiddag een zeer nuttige en wezenlijke bijdrage heeft kunnen leveren. Ik denk dat we een mooi symposium hebben bijgewoond, met mooie inleidingen, waarvan bij nader inzien tot mijn verbazing een overgrote meerderheid uit Maastricht afkomstig was. Dat wijst in de richting van een samenzwering die wij niet op tijd hebben kunnen onderkennen, maar dat heeft zeer zeker de kwaliteit niet nadelig beïnvloed.

We zijn, zoals gezegd, nog lang niet klaar met dit onderwerp en er is al direct zicht op een interessant vervolg. Aanstaande donderdag is er bijvoorbeeld een Sinzheimer-lezing over The employment contract as a device of social-economic policy. Dat komt uit het hart van wat er in dit gebouw gaat gebeuren in de loop van de komende maanden en jaren. Het is mooi te vermelden dat dit symposium is opgedragen aan onze dagvoorzitter, prof.mr. P.F. van der Heijden, bij gelegenheid van zijn definitieve vertrek naar Leiden.
Zoals gezegd, staan we aan het begin van een veel langere discussie. Ik zou graag een blik vooruitwerpen naar de arbeidsovereenkomst van de toekomst en de mate waarin deze zal moeten afwijken van wat we vandaag en de afgelopen honderd jaar hebben meegemaakt.

Allereerst denk ik dat we nu al kunnen vaststellen dat de arbeidsovereenkomst van de toekomst hoe dan ook zich meer zal moeten aantrekken van de internationale omgeving van het land waarin wij wonen en werken. Nederland was nooit een eiland, maar was dat honderd jaar geleden iets meer dan nu het geval is. De discussie over de arbeidsovereenkomst van de toekomst zal, in ieder geval, internationaal gekleurd zijn en onder invloed van globalisering staan. Wellicht is u bekend dat de SER bezig is met een advies over globalisering. De arbeidsovereenkomst van de toekomst is daar een onderdeel van. Hoe dan ook zal op enig moment behoefte ontstaan aan internationale regulering van arbeidsbescherming, niet alleen ten behoeve van het meisje van de Lego, maar ten behoeve van tienduizenden, honderdduizenden, miljoenen andere werknemers internationaal (Europees en daarbuiten). Velen van u weten dat er momenteel Europese ontwikkelingen gaande zijn die precies in die richting wijzen. Er is een congres geweest in 2004 – eveneens in deze zaal – dat gewijd was aan Labour law in Europe, steps towards 2010. We zijn er bijna, maar wij zijn nog lang niet aan het eind van dat gesprek. Er is – ook in dit gebouw becommentarieerd – een groenboek Arbeidsrecht geweest, waar ook voorstellen worden gedaan in die richting. Ook flexicurity – hoe vervelend het woord ook is voor sommigen – is een thema dat niet weg te denken valt in deze discussie. Kortom, we zullen de internationale aansluiting moeten willen zoeken.

Wat zijn de mogelijke verbeterpunten naar de toekomst en wat zou de arbeidsrelatie van de toekomst moeten kenmerken? Ik denk dat er op drie punten veranderingen denkbaar zijn. Of deze punten zich binnen of buiten de huidige wet laten realiseren, is wellicht voor een deel een technische kwestie.

1. In ieder geval hebben vele sprekers gesignaleerd dat de arbeidsovereenkomst van de toekomst moet aansluiten bij de zich wijzigende verhoudingen in de arbeidsrelatie. Dat is waarschijnlijk het meest centrale punt van de discussies van vandaag. Er is ongelooflijk veel veranderd in de loop der tijd. Ongelijkheidcompensatie is veranderd qua invulling en accent, en de relatie tussen werkgever en werknemer is niet meer wat hij was. Het is inderdaad een wonder dat de wet zich in de afgelopen honderd jaar heeft kunnen handhaven. Zo is de relatie werkgever-werknemer niet meer zo hiërarchisch als hij was; verder is de werknemer niet meer zo financieel afhankelijk van die ene werkgever waarmee gedurende zijn hele leven een afhankelijkheidsrelatie bleef bestaan. Ik denk dat minister Hirsch Ballin op zich volkomen gelijk heeft als hij zegt dat er een rechtsorde zal moeten zijn en dat het niet kan worden overgelaten aan de vrije krachten van de markt en de maatschappij alleen, maar het is daarbij wel interessant om te zien wat we wél aan markt en maatschappij kunnen overlaten. De interessante discussie die ook zojuist – na de pauze – even werd gevoerd over de ongelijkheidcompensatie en de mate waarin deze aan mensen toekomt en op welke manier, is nog lang niet afgerond.

2. In ieder geval staat voor mij ook vast – en dat is het tweede punt waar volgens mij de arbeidsrelatie van de toekomst en de arbeidsovereenkomst van de toekomst zullen afwijken van die van de afgelopen honderd jaar – dat het element van wederkerigheid om vernieuwing en modernisering vraagt. Het is geen nieuw begrip. Dat hebben we ook begrepen van het historisch overzicht: wederkerigheid was vanaf 1907 misschien ook wel een kern van de arbeidsovereenkomst, maar het vraagt langzamerhand om een nieuwe invulling. Wat dat betreft kan de voordracht van Ton Wilthagen inspirerend kan zijn. Het gaat om een nieuwe invulling van wederkerigheid die te maken heeft met de behoefte van werkgever en werknemer om hun wederzijdse risico’s te verminderen door ze op een passende manier op elkaar af te stemmen als onderdeel van die nieuwe arbeidsovereenkomst.
Goed nieuws voor u: het essay van Ton Wilthagen waar hij een aantal malen naar verwees, is straks voor u allen beschikbaar. Het is beschikbaar gesteld door de Stichting Management Studies en ligt straks bij de uitgang van deze zaal op u te wachten.

3. Het derde ingrediënt voor de verandering naar de toekomst zal moeten bestaan uit een betere aansluiting tussen die arbeidsovereenkomst zoals zij zal worden en de arbeidsmarkt van de toekomst zoals die eruit zal zien. We weten dat niet precies, maar één ding weten we heel zeker: we zijn hier in ongelofelijke mate afhankelijk van de kwaliteit van die arbeidsmarkt en van de mate waarin in deze kenniseconomie het schaarse talent volledig benut zal kunnen worden. We zijn het waarschijnlijk eens met elkaar dat de verschuiving van baanzekerheid naar werkzekerheid daarvoor een essentieel ingrediënt is.
De vraag is natuurlijk in hoeverre een arbeidsovereenkomst daarin kan voorzien. Saskia Klosse heeft gezegd dat het nog maar de vraag is in hoeverre dat binnen de huidige regelgeving goed georganiseerd kan worden. Dat is inderdaad een niet-uitgemaakte kwestie en de vraag is daarbij ook of de arbeidsovereenkomst dan nog het geschikte vehikel zal zijn om de materiële en formele condities waaraan voldaan moet worden, ook feitelijk te kunnen realiseren. Hoe je het ook wendt of keert, op de arbeidsmarkt van de toekomst zal een werknemer voor een deel ook een ondernemer zijn die verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen toekomst, scholing en employability - maar employability van werknemers is ook in het belang van de werkgever van de toekomst. Daarmee komt een nieuw evenwicht tot stand dat geadresseerd moet worden. Met alle gevolgen van dien voor de arbeidsovereenkomst.

Ik vond zelf het voorstel van minister Donner – als onderdeel van het advies dat aan de Stichting van de Arbeid was gevraagd – om scholing als verplichte component voor werkgever en werknemer in arbeidsovereenkomsten op te nemen, een heel belangrijke en eerste stap in die richting. Het belang van scholing is onomstreden, maar de instrumentatie en implementatie daarvan vraagt om een vervolg. De arbeidsovereenkomst waarover we nu spreken zal, kortom, moeten aansluiten bij wat werknemer en werkgever van de 21e eeuw willen en kunnen (en met name willen van elkaar).
Dat wordt een lang, maar belangrijk gesprek en ik hoop eerlijk gezegd dat we ook in dit gebouw op andere momenten en bij andere gelegenheden daarvoor een beroep op u kunnen doen. Natuurlijk zal dat gesprek ook gaan over de beëindiging van de arbeidsrelatie; laten we niet doen alsof dat onderwerp niet bestaat. Het is niet het enige thema, maar het is wel een wezenlijk thema en misschien wel het meest actuele. Eerlijk gezegd hoop ik vooral dat we spoedig kunnen overgaan tot een beëindiging van de discussie over die beëindiging. We hebben er inmiddels lang genoeg over gesproken en er zijn – zoals we ook vanmiddag hebben kunnen constateren – ook andere aspecten die wellicht even urgent zijn en om aandacht vragen.

Dames en heren, het gaat voortdurend om evenwicht. Dat woord is vanmiddag veelvuldig gebruikt door alle sprekers: evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit; evenwicht tussen sociale bescherming en economische dynamiek; evenwicht tussen doelmatigheid en solidariteit. Het zijn allemaal wezenlijke ingrediënten die in goede balans met elkaar moeten komen. Minister Donner heeft in zijn slotwoord precies diezelfde nadruk gelegd en onze aandacht gevraagd voor diezelfde delicate balans. Ik hoop dat we die delicate balans kunnen blijven verkennen.

Ik hoop in ieder geval dat we nog vaak zo goed kunnen samenwerken met ministeries zoals we vandaag met Justitie en Sociale Zaken hebben gedaan. Onzerzijds wordt dat zeer gewaardeerd. Ik hoop dat we nog vaak een beroep kunnen doen op zulke uitstekende inleiders als vandaag. Veel dank! Ook hoop ik dat we nog vaak een beroep kunnen doen op zulke uitstekende discussianten als vandaag. Eveneens veel dank! En ten slotte veel dank aan onze uitstekende dagvoorzitter, die nu na mij de aller-, allerlaatste spreker mag zijn.