Rede gehouden bij de Algemene ledenvergadering van het Nederlands Centrum voor Directeuren en Commissarissen (NCD), op 7 juni 2007. Theater 1 van ‘Beeld en geluid’, Sumatralaan 45 (Mediapark) te Hilversum.
Alleen het gesproken woord geldt
Inleiding
Dames en heren,
Hartelijk dank voor de uitnodiging om na uw ledenvergadering enkele woorden tot u te mogen richten. En dat op zo’n bijzondere locatie, het is een eer en genoegen
Het overkomt mij de afgelopen maanden regelmatig dat er op bezorgde toon wordt geïnformeerd hoe het met mij gaat sinds mijn overgang naar de SER. Zo ongeveer van: “hoe bevalt het na de verhuizing naar Siberië? Went het al een beetje in de ijzeren long?”
Laat ik u geruststellen. Het bevalt, het was snel gewend en het is meestal prettig. Meestal; niet altijd. Als je professionele wereld inkrimpt van San Francisco links tot en met Sydney rechts naar het stedelijk gebied tussen Rijswijk en Scheveningen, dan zet dat wel een extra zware schijnwerper op de tussenliggende Haagse eigenaardigheden van het moment.
De afgelopen maanden waren dat vooral de 100-dagenperiode van het kabinet en de vraag of modernisering van het ontslagstelsel nu wel of niet op de agenda van de participatietop moet komen. U kent inmiddels de uitruil tussen de PvdA en de Christen Unie. Enerzijds geen discussie over wijziging van het ontslagstelsel, anderzijds geen discussie over de afschaffing van de flitsscheiding. Zo gaan die zaken.
Dames en heren,
Polderen
Wordt er door branche- en beroepsorganisaties wel voldoende gepolderd? Dat is de vraag die vandaag voorligt. Ik ga er uiteraard graag wat nader op in, maar wil nadrukkelijk ook van de gelegenheid gebruik maken om enkele andere onderwerpen te belichten.
En laat ik maar meteen met een kleine kritische noot beginnen. Bij de SER is het gebruik van het woorden polderen sinds enkele jaren lichtelijk taboe.
Na de aanvankelijke euforie over het Nederlandse model en veel buitenlandse interesse daarvoor eind vorige eeuw, heeft het woord polderen een wat besmet blazoen gekregen. Polderen zou garant staan voor ondoorzichtigheid van besluitvorming en een gebrek aan daadkracht.
We zien die ontwikkeling bijvoorbeeld ook terug in het Van Dale woordenboek. Lange tijd kwam het woord polderen er helemaal niet in voor. Pas in de editie van 2004 is het woord polderen te vinden. Daarbij krijgt het enerzijds de betekenis van het oplossen van problemen door overleg en anderzijds de betekenis van eindeloos beraadslagen zonder beslissingen te durven nemen.
Overigens wordt de SER in dat kader ook wel eens verweten dat de afhandeling van een adviesaanvraag erg lang duurt. Dat zou allemaal veel sneller moeten en kunnen volgens sommige critici. Uiteraard moet elke organisatie scherp blijven en bekijken waar er verbeteringen aangebracht kunnen worden, maar een achterbanraadpleging overslaan om zodoende een advies sneller uit te kunnen brengen is wel erg veel gevraagd. De SER karakteriseert zich nu juist door met gedegen adviezen te komen die door de Kroonleden en de sociale partners mét hun achterban gesteund en gedragen worden. Draagvlak is cruciaal en vergt nu eenmaal tijd. Maar u begrijpt dat we in SER-verband het gebruik van het woord polderen vakkundig pogen te omzeilen.
Ontwikkelingen bij maatschappelijke organisaties
Alvorens wat nader in te gaan op het wel en wee van branche- en beroepsorganisaties wil ik eerste even stilstaan bij een aantal ontwikkelingen dat zich in Nederland de afgelopen jaren in een wat breder verband doet gelden, met name bij grote maatschappelijke ledenorganisaties.
Uit het grote 21-minuten onderzoek eind vorig jaar (McKinsey&Company c.s.) kwam een wat bijzondere hoofdconclusie naar voren. De (170.000) reflectanten gaven aan dat het hen persoonlijk goed vergaat, maar de samenleving als geheel niet.
De huidige samenleving is mijlenver verwijderd van het door de deelnemers beschreven ideaal. De bevolking wil in grote meerderheid (90%) een solidaire samenleving waarin bescheidenheid en kwaliteit van bestaan centraal staan. Het is dan ook niet verrassend dat 81% zich redelijk tot zeer veel zorgen maakt over Nederland.
Een sluitend antwoord op de vraag waar die discrepantie vandaan komt, heb ik niet voor u. Maar een begin van een antwoord kunnen we volgens mij wel vinden in een onderzoek (‘Landelijk verenigd’) uit 2005 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar grote maatschappelijke ledenorganisaties.
Tussen 1993 en 2004 daalde het aantal leden van politieke partijen (met 17%) en van kerken (met 9%). Maar sommige organisaties lieten in deze periode ook een stijging van het ledenaantal zien, zoals natuur- en milieuorganisaties (+ 34 %) en consumentenorganisaties (+ 22%). Opvallend is dat het bij stijgende ledenaantallen vaak gaat om zogenaamde ‘one-issue bewegingen’. Het dalende ledental van de traditionele organisaties wordt volgens het onderzoek niet veroorzaakt door een afgenomen belangstelling voor de thema’s waarop zij zich primair richten, maar heeft vooral te maken met het feit dat er inmiddels vele andere mogelijkheden zijn om vorm te geven aan interesses en affiniteiten. Meer concurrentie en keuze dus.
Een andere belangwekkende trend is dat er een sterke daling van het aantal actieve leden is. Vooral jeugd- en sportorganisaties kennen nog een hoge actieve deelname (respectievelijk 66 en 37%), maar werknemer- en ondernemersorganisaties laten bijvoorbeeld een daling zien (van 10% naar 6%).
Een derde ontwikkeling is een duidelijke verschuiving van organisaties met veel onderlinge contacten tussen de leden naar organisaties waar zulke contacten (nagenoeg) ontbreken. Maatschappelijke participatie en de ontwikkeling van democratische competenties zijn daar natuurlijk het slachtoffer van en ik denk dat hier een duidelijk verband aanwijsbaar is met de hoofdconclusie uit het eerder aangehaalde 21-minutenonderzoek.
Wel denk ik dat er een belangrijk verschil is tussen grote maatschappelijke ledenorganisaties (waar het onderzoek zich op gericht heeft) en branche- en beroepsorganisaties. Bij die laatste groep staan de onderlinge contacten vaak nog wel hoog op de agenda van de leden.
Een laatste ontwikkeling die het rapport schetst is de sterkere gerichtheid op publiciteit. Een geringere inzet en betrokkenheid van leden en donateurs en een ruim aanbod van andere mogelijkheden voor engagement of recreatie verscherpt de concurrentie tussen organisaties. Het is dus niet vreemd dat deze organisaties veel meer belang zijn gaan hechten aan ledenwerving en publiciteit.
Met deze ontwikkelingen in ons achterhoofd, wil ik nu wat nader ingaan op de wereld van de Nederlandse branche- en beroepsorganisaties.
Branche- en beroepsorganisaties in Nederland
Nederland telt naar schatting ongeveer 1.100 branche- en beroepsorganisaties. We kennen uiteraard de brancheorganisaties die privaatrechtelijk georganiseerd zijn. Maar bij de beroepsorganisaties zien we al snel een tweedeling ontstaan. Sommige hebben een publiekrechtelijke status, de meeste echter een privaatrechtelijke. In die laatste categorie kunnen we ook de NCD plaatsen.
Wat de NCD bijzonder maakt ten opzichte van vergelijkbare organisaties, is dat het lidmaatschap voornamelijk persoonlijk georiënteerd is.
Wat zie ik als belangrijke ontwikkelingen waar branche- en beroepsorganisaties zich anno 2007 voor geplaatst zien?
Uiteraard is de specifieke situatie van elke organisatie verschillend. Denk maar aan ledental, reeds doorgemaakte ontwikkeling, wijze van organisatie en professionaliteit en dergelijke. Maar als we de eerder beschreven meer algemene ontwikkelingen bezien, dan springen er voor mij twee punten duidelijk uit.
I: In de eerste plaats staat de maatschappij, waarvan organisaties inherent onderdeel uitmaken, natuurlijk niet stil. Ik refereer maar even aan enkele ontwikkelingen die het SCP in kaart gebracht heeft en die ik zojuist noemde. Een lidmaatschap van een organisatie én daarin actief zijn, is voor velen niet meer vanzelfsprekend.
U en ik hebben wellicht nog de eigenschap om zeer actief te willen zijn als we ergens lid van worden, maar ik heb het idee dat we langzaamaan een uitstervend ras zijn. Daarnaast heeft het principe van ‘voor wat hoort wat’ (of het profijtbeginsel) veel meer ingang gevonden. In verenigingsland is vanuit de leden veel meer te horen; “What’s in it for me?”
Wil je als belangenorganisatie een toekomst hebben, dan is het dus van groot belang om de leden, meer dan in het verleden, centraal te stellen. Wat willen ze wel en wat niet? Hoe willen ze het en waarom? En hoe leggen we als organisatie iets uit als blijkt dat er verschil van inzicht is over hetgeen wel en niet kan?
Het contact met de leden en de reden om lid te worden van het NCD, zullen daarbij van groot belang zijn. Ik zou zeggen; sla het SCP-rapport er nog eens goed op na en doe er uw voordeel mee.
II: Anderzijds is de publieke dimensie erg van belang geworden. Leden willen het liefst in de krant lezen dat ze lid zijn van een club die het erg goed doet en publiekelijk klinkende lobbyresultaten laat zien. Het feit dat stille diplomatie ook vandaag de dag nog tot veel betere resultaten leidt, is vaak volstrekt onbekend. Leden willen lid zijn van een zichtbare en actieve club die geregeld op de publieke trom slaat. Wat dat betreft is het dus van groot belang om een goed ‘management van verwachtingen’ richting leden te bedrijven als het om de lobby en daarmee gepaard gaande publiciteit gaat. Twee issues zijn momenteel bij branche- en beroepsorganisaties dus van groot belang; enerzijds de relatie met de leden en anderzijds de lobby.
Wat dit laatste punt betreft heb ik mijn oor eens te luister gelegd bij de éminence grise van de lobbyprofessie in Nederland, Rinus van Schendelen (Erasmus Universiteit Rotterdam).
Hij fluisterde mij een aantal gratis adviezen in, die ik hierbij (zij het in ietwat bewerkte vorm) graag met u deel.
- Vergeet Europa niet! De wereld is groter dan Nederland. Veel organisaties richten zich met hun lobby voornamelijk nog op de nationale georiënteerde besluitvorming; Den Haag heeft men daarbij stevig in het vizier. Maar dat een aanzienlijk deel van besluitvorming met doorwerking in Nederland inmiddels in het Brusselse plaatsvindt, wordt toch nog wel erg vaak vergeten als het op lobbyen aankomt.
En ja, er wordt anders gelobbyd in Brussel. Je zult je er goed in moeten verdiepen en het vergt een lange adem. Maar het is de investering waard. Kijk maar eens op de website www.europe.eu. Het zal u verbazen wat daar allemaal aan informatie opgenomen is als het bijvoorbeeld gaat om Governance, Transparancey en Better Regulation.
- Probeer niet zelf het wiel uit te vinden! Een beetje in aansluiting op het vorige punt blijkt dat teveel organisaties proberen steeds maar weer zelf het wiel opnieuw uit te vinden. Dat is weinig kansrijk. Succes is dichterbij als er voor de eigen beleidsagenda op een goede en creatieve manier aansluiting gezocht wordt bij lopende dossierontwikkeling bij de relevante instituties.
En dan vooral daarin de eigen kansen pakken en vooral versterken; daar gaat het om.
- Be good and tell it! Een grote toegevoegde waarde van het NCD is gelegen in de netwerkfunctie. Die functie kan op zich staan, maar ook in relatie gebracht worden met het punt dat ik hiervoor noemde. Dat kan bijvoorbeeld door op een dossier als dat van de governance tot een stevige stellingname te komen en dat in alle mogelijke netwerken van alle leden gezamenlijk uit te dragen. Nationaal, maar vooral ook internationaal.
Het NCD zou daarmee ambassadeur van de Nederlandse voorkeuren op dit dossier kunnen worden en daarmee voldoen aan de wens van meer zichtbaarheid. Mét een goed management van verwachtingen richting leden en zonder de stille diplomatie in de lobby geweld aan te doen.
Want ook u weet dat er een groot verschil is tussen beeldvorming en werkelijkheid. Denk maar aan de manier waarop momenteel de discussie over de topinkomens publiekelijk gevoerd wordt. Daar iets aan veranderen vergt eveneens een lange adem.
Branche- en beroepsorganisaties zijn nooit klaar met hun werk, net zoals elke willekeurige andere organisatie dat nooit is. Maar als het om de verdergaande professionalisering van branche- en beroepsorganisaties gaat, dan kunnen er naar mijn mening nog wel een paar stappen gezet worden. Hopelijk kan het voorgaande u daarbij enigermate behulpzaam zijn.
Governance
Dames en heren,
Het woord governance viel zojuist al even, maar daar wil ik het uiteraard niet bij laten. Hoewel de aansprakelijkheid van directeuren en commissarissen een erg belangrijk en actueel thema is, de governancediscussie staat naar mijn mening toch echt met stip op nummer 1.
Opvallend is dat de evaluatie van de Code Tabaksblat door de Commissie Frijns wel zeer door de actualiteit op de voeten gezeten werd. Recente ontwikkelingen bij Stork, PCM en ABN Amro maakten dat de evaluatie voor een groot deel in het licht van deze bijzondere omstandigheden geplaatst werd. Het is dan ook goed dat het rapport Frijns met deze inhoud op dit moment verschijnt.
In het Nederlandse stelsel van corporate governance, zoals dat is neergelegd in de Code, in wetgeving en in jurisprudentie, is het stakeholdersmodel leidend. In het stakeholdersmodel is de vennootschap een lange termijn samenwerkingsverband van diverse bij de onderneming betrokken partijen waaronder werknemers, aandeelhouders en overige kapitaalverschaffers, klanten en leveranciers. Daarbij streeft de onderneming naar het creëren van aandeelhouderswaarde op de lange termijn.
Iets dat volgens de recent teruggetreden CEO van DSM, Peter Elverding, niet het sterkste punt is van het Angelsaksische denken over governance. In de Frank Sweenslezing die hij drie weken geleden uitsprak, waarschuwde hij voor vluchtigheid en kortademigheid.
Het zogenaamde Rijnlandse model, waarvan we in Nederland een variant kennen, is volgens hem veel beter geschikt om de belangen van alle bij een onderneming betrokken partijen tot hun recht te laten komen. “People, Planet and Profit … moet je in samenhang met elkaar zien. Als een van de drie overheerst, krijg je scheefgroei.”
Overigens hebben drie Kroonleden (Boot Grapperhaus en Van der Heijden) van de SER in een recent Volkskrant-artikel een vergelijkbaar geluid laten horen, dat ik overigens volledig onderschrijf.
Uitgaande van dit stakeholdersmodel richt de Code Tabaksblat zich op aandeelhouders, bestuur en raad van commissarissen. De Code kent aan de werknemers en de OR geen rol toe in de structuur van de onderneming. Dit maakt verklaarbaar dat ook de Commissie Frijns zich niet uitlaat over de werknemers en de OR.
De positie van werknemers maakt aldus geen onderdeel uit van de discussie over de Code. Een evenwichtige discussie over het stelsel van corporate governance zoals dat behalve in de Code ook is neergelegd in wetgeving en jurisprudentie, vraagt wel om daarin ook de positie van werknemers te betrekken.
Recente ontwikkelingen (onder meer acties van activistische aandeelhouders) hebben werknemers en hun organisaties aanleiding gegeven tot de constatering dat zij buiten spel staan. In recente publicaties wordt geconstateerd dat door de Code en door verschillende wetswijzigingen de macht van aandeelhouders binnen de vennootschap is versterkt ten koste van de (mede)zeggenschap van werknemers. De werknemers zijn te veel op afstand komen te staan. In de zorgvuldige belangenafweging die – ook volgens de Commissie Frijns – door bestuur en raad van commissarissen moet worden gemaakt, behoort ook voldoende aandacht te worden besteed aan de positie van de werknemers.
Een debat hierover in de Sociaal-Economische Raad ligt voor de hand, maar daarbij zouden wel de vertegenwoordigers van beleggers en andere, niet in de raad vertegenwoordigde stakeholders, moeten worden betrokken. Juist in deze wat gepolariseerde tijden is het van belang dat alle belanghebbenden aan de discussie kunnen deelnemen en hun stem ook aan de politiek laten horen.
De verwachting is dan ook dat de SER een advies zal uitbrengen over het governancevraagstuk. Of dat een op zich zelf staand advies wordt of wellicht onderdeel van het Globaliseringsadvies waar wij net een aanvang mee genomen hebben, is nog even de vraag. Wat ik u vandaag wel al met veel genoegen kan mededelen is dat het NCD uiteraard bovenaan onze voorlopige gastenlijst staat als het gaat om het betrekken van niet in de Raad vertegenwoordigde partijen in de governancediscussie die bij de SER zal gaan plaatsvinden.
De discussie over goede corporate governance en een wenselijk machtsevenwicht in grote ondernemingen voeren wij graag in het SER-huis.
Het vertrouwen van de diverse belanghebbenden in en rondom de onderneming kan alleen worden verkregen door die groepen serieus te nemen en ze een volwaardige positie te geven in het krachtenveld. Naar mijn overtuiging kan het NCD in die discussie een belangrijke rol spelen en ik zie deze dan ook met veel optimisme en vertrouwen tegemoet.
Slot
Dames en heren, ik kom tot een afronding.
Iets minder dan een jaar geleden werd ik benoemd tot voorzitter van de SER. In mijn inaugurele rede heb ik aangegeven dat ik in Nederland een cultuur proef van onzekerheid, ontevredenheid en onverdraagzaamheid. Het gaat al wat beter maar ik moet u bekennen; ik proef het nog steeds.
Ik heb er alle vertrouwen in dat de economische opleving van dit moment ons perfect in staat stelt om een aantal klassieke Nederlandse problemen effectief te adresseren en om een aantal nieuwe opgaven (governance, vergrijzing, globalisering, klimaatveranderingen) te herkennen voor wat zij ook zijn: bijzondere kansen, juist voor Nederland.
En laat niet alleen mij optimistisch zijn. Eigenlijk vind ik optimisme een morele plicht voor iedereen die de toon zet in de maatschappij, en dan kijk ik u allen uiteraard ook heel nadrukkelijk aan.
Ik dank u voor uw aandacht.