Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Economische concurrentie op wereldschaal

Economische concurrentie op wereldschaal

Ter gelegenheid van de jubileumconferentie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op 1 juni 2007.

Alleen het gesproken woord geldt


De Nederlandse regering heeft advies gevraagd over globalisering. Dat had al veel eerder kunnen gebeuren, globalisering is immers geen nieuw fenomeen. Globalisering is van alle tijden, en zo is de aandacht ervoor van alle tijden. Maar globalisering is geen constant proces, maar vindt in golven plaats. Hoewel er ook al eerder mensen over de wereld reisden, wordt de periode vanaf de Industriële Revolutie tot 1914 door economen gezien als de 1e globaliseringsgolf. Vanaf die periode was er sprake van mondiale concurrentie, waardoor de prijsverschillen tussen internationaal verhandelbare goederen daalden. Aan deze 1e golf kwam abrupt een einde met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Na een periode van oorlogen en toenemende protectie kwam het globaliseringsproces weer op gang. De periode van 1945 tot omstreeks 1980 wordt aangeduid als de 2e globaliseringsgolf. Een nieuwe 3e golf van globalisering ontstond pas na 1980, als gevolg van de snelle liberalisering en ontwikkelingen op ICT gebied.
Ook de zorg over verplaatsing is van alle tijden (“koop Nederlandse waar dan steunen wij elkaar”), maar de aanleiding voor die zorg is nu groter dan vroeger.

Mijn bijdrage vandaag gaat over de economische aspecten van globalisering: 
  • Wat is globalisering en wat kunnen we leren van het verleden? 
  • Wat is er zo bijzonder aan de huidige vorm van globalisering? Het heden 
  • Wat betekent dit voor de beleidsmogelijkheden? De toekomst 
  • Op nationaal niveau?
  • Op Europees niveau? 
  • En op wereldniveau?

Wat is globalisering?
Globalisering is de toenemende interdependentie tussen nationale economieën, voortvloeiend uit toenemende verhandelbaarheid van goederen en diensten en leidend tot een grotere mobiliteit van kapitaal en arbeid binnen en tussen bedrijven.

Wat heeft de eerdere globalisering ons geleerd?
De meeste economen zijn het er over eens dat globalisering een onafwendbaar proces is, waar Nederland tot nu toe van geprofiteerd heeft en nog van zal profiteren. Kort samengevat is er overeenstemming dat globalisering per saldo goed is, want het zorgt voor meer economische groei en lagere inflatie. Per saldo vervult een interne spanning. Op macro niveau (voor de economie als geheel) en op langere termijn is het goed, op micro niveau en korte termijn kunnen zich aanpassingproblemen voordoen en zijn er mogelijk verliezers.
Maar we moeten niet te gemakkelijk juichen, globalisering is een complex verschijnsel. Het bewijsmateriaal is niet altijd even eenduidig. Een vergelijking tussen open en gesloten landen laat zien dat de groei per hoofd van de bevolking in open landen een stuk hoger ligt dan die in gesloten landen. Dit geldt zowel voor ontwikkelings- als ontwikkelde landen. Maar over de effecten van globalisering op de inkomensverdeling bestaat veel discussie. Het ligt eraan waar je naar kijkt. Gecorrigeerd voor China worden vanuit sommige perspectieven de rijken sneller rijker dan de armen minder arm.

Het tempo en de reikwijdte van globalisering nemen toe en daarmee ook de zorgen van burgers om de veronderstelde negatieve effecten. Dit vormt de aanleiding voor de adviesvraag aan de SER. In dit advies is de SER gevraagd in te gaan op de beeldvorming in de maatschappij rond het globaliseringsproces en de positieve en de negatieve effecten.

We moeten niet opnieuw de fout maken als rond het referendum over de Europese Grondwet door het alleen met vermoeide zucht nog een keer uit te leggen. Dit betekent dat we de mogelijk negatieve effecten zichtbaar moeten maken en serieus nemen. Voor het vergroten van draagvlak voor verdere globalisering is het niet alleen van belang te kijken naar hoe Nederland de effecten van globalisering zo optimaal mogelijk kan benutten. Maar minstens zo belangrijk is de vraag hoe de snelle veranderingen die met globalisering plaatsvinden op een sociaal aanvaardbare wijze worden opgevangen. Dit is een belangrijke uitdaging. Mochten we hier niet in slagen, dan kan dat aanleiding geven tot tegenbewegingen en de roep om protectionistische maatregelen. Tot dusver is deze roep nog niet zo vernomen. Complimenten aan de Nederlandse vakbeweging.

Dames en heren,
De vraag of onze sociaal-economische instituties voldoende zijn toegerust op de voortschrijdende economische integratie op Europees en mondiaal niveau is één van de constante thema’s in de middel lange termijn advisering van de SER.
Het doel van het globaliseringsadvies is om een stap dieper te kijken naar de betekenis van globalisering en hoe hier het best op gereageerd kan worden: een business plan voor Nederland voor de komende 10-20 jaar.

Verwacht van mij vandaag geen afgerond verhaal, het adviestraject moet nog beginnen, maar meer een probleemschetsende beschouwing.

Is er iets nieuws aan de hand?
Van borreltafeleconomie tot degelijke econometrische analyses: een groeiend aantal economen veronderstelt dat er een nieuwe fase van globalisering is aangebroken.

Waar komt dit door?
Door liberalisering in China en India doen er meer landen mee aan de wereldeconomie. De hoeveelheid ongeschoolde en in toenemende mate ook geschoolde arbeiders op de wereldwijde arbeidsmarkt is enorm toegenomen.
Daarnaast zijn ICT-ontwikkelingen en het dalen van transportkosten in brede zin een drijvende factor van globalisering.

Wat betekent dit?
Door innovaties in de communicatie kan routinematig en gestandaardiseerd werk steeds beter op afstand uitgevoerd worden. Verschillende stadia van het productieproces kunnen worden losgekoppeld. De econoom Baldwin heeft dit loskoppelen aangeduid als second unbundling. Hij geeft hiermee aan dat de grens tussen wat wel en niet verhandelbaar is verschuift als gevolg van technologische ontwikkeling.
Voorheen werd gedacht dat concurrentie met lage lonenlanden alleen bepaalde branches in de industrie en vooral laaggeschoolden trof. Een aantal jaren geleden hadden we immers ook niet gedacht dat hele callcenters of boekhoudkundige afdelingen verplaatst zouden worden.

Recent onderzoek laat echter zien dat concurrentie invloed kan hebben ongeacht het opleidingsniveau. Concurrentie zal veel meer op het niveau van taken plaatsvinden. Taken is iets anders dan goederen. Dit zou het onvoorspelbaarder maken wie door globalisering geraakt zullen worden. Dit kunnen ook hoogopgeleiden zijn, denk aan aandelen analyses, radiologie of accountancy.

De klassieke handelstheorie van Ricardo is nog steeds waar, maar er is meer aan de hand. De impact van de nieuwe ontwikkelingen, als het opsplitsen van de productieketen en de toename van hooggeschoolde concurrentie, in werkgelegenheidstermen is misschien veel groter. Zo wordt door de Amerikaanse econoom Blinder al gesproken over een op handen zijnde 3e Industriële Revolutie.

Veel hiervan is echter nog speculatief. De effecten hiervan zijn nog onduidelijk, maar mogelijk zeer groot. Dit dient daarom nader onderzocht te worden.

NB Over wat dit betekent voor Nederland en Europa komt Baldwin spreken op SER –EZ symposium op 3 september.

Hoewel een en ander vergaande consequenties kan hebben, betekent dit niet dat de wereld plat is geworden zoals Thomas Friedman betoogt. Globalisering is in toenemende mate ook regionalisering. De handel van Nederland met het buitenland blijkt zich juist op dichtbij gelegen markten te concentreren. Fysieke afstanden doen er nog steeds toe! Om geografische handelspatronen te verklaren wordt afstand juist belangrijker. Hier kom ik zometeen nog op terug.

Dames en heren,
Globalisering is geen zero sum game waarbij de winst van de één ten koste gaat van het verlies van de ander. Landen concurreren niet met elkaar. Het is niet zo dat het Europa versus China en India is. Ieder heeft volgens de klassieke handelstheorie van Ricardo wat te winnen bij globalisering.
De handel tussen China en Nederland is hiervan een mooi voorbeeld. Het CPB heeft dat onderzocht, wat leidt tot het volgende beeld:
Anno 2006 komt zo’n 8 procent van de Nederlandse invoer uit China. Het gaat dan vooral om textiel, schoenen, speelgoed en fietsen, maar ook om mobiele telefoons. In 2005 kwam 40 procent van de ingevoerde mobiele telefoons (10 miljoen exemplaren) uit China. Invoer uit China betreft steeds meer elektronische apparatuur; de onderdelen komen uit Aziatische buurlanden en worden in het goedkope China geassembleerd. Tweederde van de Chinese invoer wordt vrijwel onbewerkt doorgevoerd naar het achterland (wederuitvoer). Per dag verlaten zo’n 1000 vrachtwagens de Rotterdamse haven om Chinese producten verder te distribueren. Een vergelijkbaar aantal containers (één van de meest onderschatte innovaties) vertrekt dagelijks per schip.
De economische expansie van China versterkt dus de Nederlandse distributiefunctie. De wederuitvoer levert circa 8.000 banen op. Met de export naar China zijn naar schatting 15.000 banen gemoeid. Verder komt uit onderzoek naar voren dat de Chinese importen geen werkgelegenheidsverlies opleveren doordat Nederlandse bedrijven nauwelijks in concurrerende markten actief zijn. De consument is de grote winnaar: door de goedkope invoer uit China bespaart een Nederlands huishouden gemiddeld 300 euro per jaar.

Dit voorbeeld van China maakt duidelijk wat de korte termijn effecten van economische integratie op een land als Nederland zijn.
Om iets te kunnen zeggen over de langere termijn effecten van economische integratie zijn van belang de mobiliteit van bedrijven, schaalvoordelen en transportkosten in de brede zin van het woord (vervoer, handelstarieven, beschikbaarheid van geschikte arbeidskrachten, cultuurverschillen).

Het bestaan van schaalvoordelen maakt dat bedrijven bij voorkeur hun productie op één of enkele plaatsen concentreren. Zonder transportkosten zou dit overal kunnen zijn. Maar in praktijk zijn er wel transportkosten. Het is dan ook de combinatie van schaalvoordelen en transportkosten die maakt dat het voor een bedrijf wel degelijk uitmaakt waar het zich vestigt, niet alles wordt geoutsourced. Vergelijk in dit verband de concentratie aan financiële dienstverleners op de Zuid-As in Amsterdam.

Dus nogmaals: globalisering is dus niet synoniem aan het platter worden van de aarde. Zowel binnen als tussen landen zie je juist veel pieken en dalen en zijn economische activiteiten geconcentreerd. Afstand doet er nog steeds toe en zo ook agglomeratie-effecten, die tot schaalvoordelen en synergie-effecten leiden.

Agglomeratievoordelen zijn echter niet eeuwig durend, het is dus geen kwestie van achterover leunen. Dit betekent dat zowel op nationaal als Europees niveau strategische keuzes gemaakt moeten worden.

Op nationaal niveau
gaat het om de vraag waar ligt de kracht van Nederland in de toekomstige wereldeconomie? Dit betekent zoeken naar en verder versterken van ‘deep’ comparative advantages. Voor Nederland valt hierbij te denken aan: de gunstige ligging, de goede logistiek en infrastructuur (waarbij we ook moeten kijken naar de positie van de Randstad), de relatief harmonische arbeidsverhoudingen (u vergeeft de voorzitter van de SER vast dat hij zijn eigen instantie als pluspunt noemt) en het hoge opleidingsniveau.

Ten aanzien van de microwerkelijkheid van baanverlies is het de vraag of de verliezers van globalisering zich laten identificeren. Is de bepleite overgang van baanzekerheid op werkzekerheid voldoende in een steeds minder voorspelbare toekomst? Zo nee, wat zou er meer moeten gebeuren?
Dit is één van de thema’s waar het SER advies op in zal gaan.

Dames en heren, globalisering raakt ook kapitaalmarkten. Gigantische bedragen vliegen de wereld over op zoek naar rendement. (Dreigende) overnames, private equity en hedge-funds beheersen de huidige sociaal-economische discussie in Nederland. We hebben hier met een wereldwijd fenomeen te maken. De waarde van de met schuld gefinancierde overnames is tussen 2003 en 2006 gestegen van 100 miljard naar 400 miljard dollar in Europa en de VS samen.

De reden voor de groei van private equity en hedge funds heeft te maken met de lage rente, die duidt op een overvloed aan kapitaal. De lage rente maakt financiering van overnames goedkoop. De overvloed aan kapitaal heeft alles te maken met China. En meer in het bijzonder het beleid van de Chinese regering om de wisselkoers en de energieprijzen constant te houden: dat leidt tot hoge groei, grote handelsoverschotten, grote kapitaalstromen naar de Verenigde Staten en lage inflatie.

Toch lijkt het of Nederland extra gevoelig is voor dit wereldwijde fenomeen. Hoe komt dit?
Ten eerste heeft Nederland in vergelijking met andere continentaal Europese landen een meer gespreid aandelenbezit. Grote concentraties van aandelen in familiehanden zoals b.v. in Italië, Frankrijk, Zweden en Duitsland ontbreken vaak, uitzonderingen zoals Heineken daargelaten.
In vergelijking met Duitsland, is de rol van banken of andere ondernemingen als aandeelhouder beperkt. Een en ander impliceert dat juridische beschermingsconstructies relatief belangrijker waren. Deze zijn echter, en dat is de tweede reden waarom Nederland vatbaarder is geworden, verminderd.

Het is de vraag of we hierdoor niet te open zijn geworden en het evenwicht is verstoord tussen de verschillende belanghebbenden in de onderneming. Zoals een aantal kroonleden van de SER (Boot, Van der Heijden en Grapperhaus) het heeft verwoord: “We zullen op zoek moeten naar een nieuw evenwicht, dat past in de internationale en geglobaliseerde verhoudingen, maar ook recht doet aan de continentaal-Europese gedachte dat een onderneming meer is dan slechts koopwaar. Het vertrouwen van de diverse belanghebbenden in en rondom de onderneming kan alleen worden verkregen door die groepen serieus te nemen, en een volwaardige positie te geven in het krachtenveld.”
Dit is één van de onderwerpen waarmee we in de commissie globalisering, rond of naast het traject, aan de slag hopen te gaan. De Commissie Frijns heeft hiervoor een basis gelegd.

Op Europees niveau
Juist in het kader van internationale vraagstukken waarvoor we vandaag bijeen zijn, is de rol van Europa relevant.

Kern van de Europese integratie is de interne markt: een ruimte zonder binnengrenzen, met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Een Europese kennisruimte, voor onderzoek en hoger onderwijs, vormt daarop een logische aanvulling. Bij het ontwikkelen en benutten van kennis spelen schaalvoordelen en grensoverschrijdende externe effecten immers een belangrijke rol.

In Nederland bestaat momenteel een sterke neiging om ten aanzien van de Europese integratie een defensieve houding in te nemen. In het politiek-maatschappelijke debat lijkt de vraag hoe we Europa buiten de deur houden, de boventoon te voeren. Naar mijn overtuiging zouden wij ons veel meer moeten laten leiden door de vraag wat Europa voor ons land betekent en nog verder kan betekenen.

De Europese integratie stelt ons in staat meer grip te krijgen op globaliseringsprocessen. Dat alleen al vormt een goede reden om weer vol overtuiging in het Europese integratieproject te investeren. De Europese Unie, met haar interne markt en gemeenschappelijke kennisruimte, vormt voor Nederland de beste basis om zich als kenniseconomie – met eigen specialisaties in onder meer logistiek en agribusiness, maar ook de creatieve industrie – in de internationale arbeidsverdeling verder te ontplooien.

Ook als deel van Europa kan Nederland een bescheiden rol spelen op het wereldtoneel. Om onze positie binnen de WTO en andere multilaterale instellingen te versterken en tegenwicht te kunnen bieden aan de VS is het zaak dat in Europees verband duidelijk stelling wordt genomen. Zodat Europa zich als mondiale speler kan manifesteren.

Op wereldniveau.
De WTO is een belangrijk middel voor regulering van de economische concurrentie op wereldniveau. Het afbreken van handelsbarrières is in het verleden een belangrijke impuls geweest voor globalisering.
Momenteel verlopen de onderhandelingen in de WTO moeizaam. De komende weken wordt het erop of eronder voor de Doha-ronde. Binnenkort loopt de fast track procedure in de VS af, waarbij het congres alleen over het totale resultaat wel / niet kan goedkeuren en geen amendementen kan indienen op deelonderwerpen. Als deze fast track procedure afloopt wordt het onderhandelingsmandaat van de Amerikaanse onderhandelaars aanzienlijk ingeperkt.
Laten we hopen dat het erop wordt, maar we moeten ernstig rekening houden dat het eronder wordt. In dat geval staat de wereld voor een groot aantal uitdagingen:

  • Hoe behouden we het multilaterale handelssysteem en de internationale rechtsorde? Europa kan zich niet veroorloven om geen bilaterale handelsakkoorden af te sluiten als de VS dat met de betrokken landen wel doet. Maar een en ander kan leiden tot een zeer intransparant stelsel van akkoorden en handelsrelaties. In afwachting van een eventueel nieuw multilateraal handelsakkoord zou bekeken moeten worden of er spelregels kunnen worden afgesproken voor de bilaterale akkoorden en of toezicht door de WTO op deze akkoorden mogelijk is. Van groot belang is het behoud van het mechanisme van geschillenbeslechting. 
  • Hoe voorkomen dat een mislukken van de wereldhandelsbesprekingen overslaat op andere multilaterale onderhandelingen zoals die over klimaatbeheersing? 
  • Hoe kunnen we de positie van de armste ontwikkelingslanden versterken, want dat was toch een van de aandachtspunten van Doha? Het antwoord hierop is complexer dan vermoed. De grenzen zomaar opengooien is ook niet goed, kijk naar de Afrikaanse boeren. 
  • Hoe trekken we de besprekingen weer recht, of hoe beginnen we weer een nieuwe onderhandelingsronde? 
  • Welke lessen trekken we uit deze onderhandelingsronde voor de opzet en werkwijze van de WTO? Erop of eronder, het is nu echt duidelijk geworden dat het economische bestuur van de wereld geen zaak meer van de EU en de VS alleen is, maar dat we rekening moeten houden met de positie van de nieuwe groei-economieën.

Een aantal van deze fundamentele vragen, die ook op het terrein van de AIV liggen, hopen we in het SER-advies te verkennen.

Dames en heren, ik rond af.
Verdergaande economische integratie biedt kansen en bedreigingen. Hoewel ik niet geloof dat de aarde plat is, kan er wel degelijk sprake zijn van een nieuwe fase van globalisering. Steeds meer diensten worden uitbesteed naar de nieuwe groei-economieën. De vraag of dit zou moeten leiden tot een bijstelling van de focus van het beleid op de kenniseconomie is één van de vragen waar het aankomend SER-advies zich over zal buigen.

Wat ik verder wil onderstrepen is dat globalisering geen exogeen proces is. Nederland heeft nog wel degelijk beleidsmogelijkheden, zowel op nationaal, Europees als wereldniveau. En die ruimte moeten we verstandig benutten.

Zoals de campagneleider van Clinton, James Carville, al zei: “It’s the economy stupid!”. Ook bij internationale samenwerking wint de economische dimensie aan betekenis. Zowel de AIV als de SER houden zich hier mee bezig, wat mij betreft reden om elkaar in de toekomst weer te ontmoeten!