Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Sociale dialoog: vergelijking tussen Frankrijk en Nederland

Sociale dialoog: ontwikkelingen en perspectieven, een vergelijking tussen Frankrijk en Nederland

Bijdrage aan het seminar over 'sociale dialoog: ontwikkelingen en perspectieven, een vergelijking tussen Nederland en Frankrijk' op donderdag 22 maart 2007 te Parijs.

Alleen het gesproken woord geldt


 

Mijnheer de Ambassadeur, excellenties, gewaardeerde Franse en Nederlandse collega’s, geachte dames en heren,

Het verheugt me zeer om op deze plek met u van gedachten te mogen wisselen over de vraag hoe het Nederlandse ‘poldermodel’ zich aan een veranderende wereld aanpast. Het verheugt me deste meer dat dit gebeurt in het gezelschap van een geïnteresseerd Frans publiek, waaronder zeer gewaardeerde Franse collega’s. Ik ben natuurlijk ook heel blij met de aanwezigheid van bevoorrechtte landgenoten. Ik zeg bevoorrecht, want ja, wie wil er niet in Parijs werken?

Zo’n gedachtewisseling is zeer nuttig, want ondanks de verschillen tussen Frankrijk en Nederland zijn er natuurlijk ook overeenkomsten. En dan doel ik niet op de uitslag van het referendum nu ruim anderhalf jaar geleden. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar de ervaringen en ideeën van de Franse collega’s.

Zoeken naar nieuwe evenwichten
Een van die overeenkomsten is dat we van elkaar willen leren in onze zoektocht naar een toekomstbestendig sociaal-economisch beleid. Een zoektocht waarin we een evenwicht zoeken tussen economische weerbaarheid enerzijds en sociale cohesie anderzijds. Een zoektocht ook waarin ruimte is voor sociale dialoog.

Vanuit de eeuwenoude Nederlandse poldertraditie is die sociale dialoog een belangrijke naoorlogse verworvenheid. De Nederlandse arbeidsverhoudingen worden bijvoorbeeld gekenmerkt door een relatief grote arbeidsrust; stakingen komen natuurlijk ook voor, maar zijn toch een uitzondering.
Desondanks is ook in Nederland een effectieve sociale dialoog geen vanzelfsprekendheid. Ik kom daar nog op terug.

In zowel Frankrijk als Nederland willen we vanuit onze eigen traditie en overtuiging zelf keuzes maken. In het publieke debat over de toekomst van het sociaal-economische bestel overheersen nogal eens angst en onzekerheid door een gevoel van machteloosheid. Er wordt dan een zwart-wit beeld geschetst alsof er onder druk van de globalisering niets meer te kiezen valt. Alsof er maar één richting resteert, namelijk het Angelsaksisch model met weinig aandacht voor de zwakkeren.

Ik wil dit beeld – dit cliché - graag nuanceren. Ik ben er namelijk van overtuigd dat er wel wat te kiezen valt. Nationale voorkeuren doen er naar mijn mening wel degelijk toe. Ook in de toekomst blijft er ruimte voor solidariteit met de sociaal zwakkeren in een open en concurrerende wereldeconomie. Hoe kan anders worden verklaard dat welvarende landen als Denemarken, Zweden en Finland, ondanks hun hoge collectieve uitgaven, uitstekend scoren op onderdelen als concurrentie- en innovatievermogen.
Tegelijkertijd zeg ik daar wel bij dat veranderende omstandigheden ook aanpassing vereist. We kunnen daarbij van elkaar leren. Dat is m.i. ook het belang van de Lissabon-strategie.

Drieledig antwoord
Dames en heren, mijn antwoord op de vraag hoe het Nederlandse poldermodel zich in een veranderende wereld aanpast is drieledig:
ten eerste door de arbeidsverhoudingen te moderniseren. Hier ligt op centraal niveau vooral een rol voor de Stichting van de Arbeid, het bipartiete orgaan van de werkgevers- en werknemersorganisaties. Binnen de arbeidsorganisaties is de ondernemingsraad van groot belang. Mijn Nederlandse collega-sprekers zullen op beide gremia ingaan.
ten tweede door draagvlak te bieden voor nieuw beleid. Hier is de Sociaal-Economische Raad het centrale orgaan. en ten derde door na te denken over de eigen positie en werkwijze van deze ‘polderinstituties’

Ik loop deze drie onderdelen even met u langs.

Modernisering van de arbeidsverhoudingen
Proces van decentralisatie en differentiatie
Als eerste dus modernisering van de arbeidsverhoudingen. Ik ben daar positief over. Sinds het begin van de jaren tachtig zijn de Nederlandse arbeidsverhoudingen in sterke mate gedecentraliseerd en gedifferentieerd. Het arbeidsvoorwaardenoverleg staat sinds de jaren negentig in het teken van ‘maatwerk’ en diversiteit. Hiermee zijn wezenlijke voorwaarden voor de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van de economie gecreëerd.

Om de Nederlandse overlegeconomie te kunnen begrijpen is het goed terug te gaan naar 1982. In dat jaar zijn de sociale partners verantwoordelijk gemaakt voor de arbeidsvoorwaarden (het akkoord van Wassenaar). Het arbeidsvoorwaardenbeleid valt sindsdien primair onder de verantwoordelijkheid van partijen op decentraal niveau. Het decentrale niveau biedt goede mogelijkheden om te kunnen inspelen op specifieke omstandigheden en mogelijkheden in een bedrijfstak of onderneming. Dat vereist immers maatwerk.
Voor werknemers is de keuzevrijheid binnen cao’s de afgelopen jaren aanzienlijk verbreed, zodat zij privé en werk beter kunnen afstemmen.

Er blijven centrale taken
Betekent dat nu dat er in de arbeidsverhoudingen geen centrale taken meer zijn?
Het antwoord is nee. Het waarborgen van de fundamentele rechten van personen en maatschappelijke organisaties blijft bijvoorbeeld onder alle omstandigheden een authentieke taak van de overheid. Dit vormt dus een grens voor zelfregulering.
Een andere belangrijke reden om decentralisatie te beperken is de mogelijkheid om door centrale aanbevelingen en looncoördinatie te reageren op macro-economische schokken. Door looncoördinatie van de sociale partners in de Stichting van de Arbeid is het mogelijk gebleken de loonkostenontwikkeling min of meer gelijk op te laten lopen met de inflatie plus productiviteitsgroei. De Nederlandse vakbeweging wordt terecht geprezen om haar gematigde looneisen. U moet daarbij wel bedenken dat Nederland een zeer open economie heeft: de exportwaarde is ruim 60 procent van het bruto nationaal product. Te hoge looneisen vertalen zich dan al snel in een verslechterde concurrentiepositie van het bedrijfsleven en daarmee - met enige vertraging - in een verlies van werkgelegenheid.

Centraal overleg en afstemming tussen sociale partners onderling en tussen sociale partners en de regering is ook nodig omdat marktwerking niet altijd tot de gewenste uitkomsten leidt. En ook het idee dat de overheid – als het ware top down - het economisch verkeer volledig kan regelen is reeds lang verlaten.
Door het overleg tussen overheid en sociale partners zijn die sociale partners bijvoorbeeld aanspreekbaar op hun bijdragen aan een effectief arbeidsmarktbeleid, waaronder afspraken over scholing en de ontwikkeling van vaardigheden van werknemers.

Samengevat vind ik dat de Nederlandse arbeidsverhoudingen voldoende op orde zijn om in te kunnen spelen op de snelle veranderingen. Het gaat om een evenwichtige combinatie van enerzijds decentralisatie en differentiatie van de arbeidsverhoudingen en anderzijds centraal overleg en afstemming tussen sociale partners en de regering.

Draagvlak bieden voor nieuw beleid
Positie en rol van de Sociaal-Economische Raad
Ik kom nu bij het tweede punt: het bieden van draagvlak voor nieuw beleid. In de Sociaal-Economische Raad zien wij het als onze primaire taak om beleidsvoornemens zo nuchter en zakelijk mogelijk te analyseren en vervolgens van een (politiek) oordeel te voorzien. Daar waar breed gedragen steun is voor nieuw beleid ontstaan op deze wijze oplossingen voor sociaal-economische vraagstukken.

Een belangrijk uitgangspunt is hierbij beleidsvraagstukken in een breed perspectief te plaatsen. Dus bij voorkeur niet vanuit de partiële invalshoek van één ministerie, maar vanuit een integrale benadering waarin het creëren van maatschappelijke meerwaarde centraal staat.

Verder moet u weten dat de SER tripartiet is samengesteld: werkgevers- en werknemersorganisaties plus onafhankelijke deskundigen, de zgn. kroonleden. De SER is relatief klein: drie geledingen met ieder elf leden. Een overzichtelijk geheel dus. Vanuit de ministeries zijn er waarnemers die geen actieve rol in de beraadslagingen spelen. De SER is financieel onafhankelijk van de overheid. De financiering vindt plaats door het gezamenlijke bedrijfsleven, via de Kamers van Koophandel.

De kroonleden hebben onder meer een brugfunctie en zijn voorzitter van de commissies en werkgroepen die de adviezen voorbereiden. Ik behoor zelf ook tot deze geleding. In de commissies en werkgroepen zitten de specialisten uit de werkgeversorganisaties en de vakcentrales aangevuld met kroonleden en andere onafhankelijke experts. Deze constellatie maakt dat unanieme SER-adviezen over bijvoorbeeld de sociale zekerheid een belangrijk draagvlak bieden voor beleidsaanpassingen. Unanieme SER-adviezen hebben de afgelopen jaren onder meer diverse hervormingen in het socialezekerheidsstelsel mogelijk gemaakt. Ook heeft SER-advisering de basis gelegd voor een vergaande wijziging van het ziektekostenstelsel.

De SER-benadering werkt alleen als de werkgevers- en werknemersorganisaties hun achterbannen kunnen overtuigen van het nut van de SER-compromissen. Dat betekent dat er in de advisering voldoende tijd moet worden ingebouwd voor debat binnen die achterbannen. Als eenmaal een unaniem SER-advies is vastgesteld dan moeten partijen zich ook aan de inhoud binden. Gebeurt dat niet dan verliest de SER zijn geloofwaardigheid. Bovendien zullen de sociale partners dan niet meer investeren in het advieswerk.

Daar hoort overigens ook bij dat het kabinet moeizaam tot stand gebrachte adviezen serieus neemt. Uiteraard is de SER een adviesorgaan en is het kabinet uiteindelijk verantwoordelijk voor het overheidsbeleid. Het primaat is dus aan de politiek. Maar aangezien de sociale partners in het Nederlandse sociaal-economische domein belangrijke verantwoordelijkheden hebben, moet hun mening via SER-adviezen zwaar wegen in de besluitvorming.
Aan de politiek mag worden gevraagd om respect te tonen voor de inspanningen die in het bijzonder achter een unaniem advies schuilgaan. De politiek stelt toekomstige inschikkelijkheid van partijen binnen de SER wel zeer op de proef als zij selectief winkelt in de door hen gedane concessies.

Kortom, een effectieve sociale dialoog vereist dat alle betrokkenen – werkgevers, werknemers en beleidsmakers – in elkaar investeren en elkaar respecteren. Geen geringe opgave, zo leert de praktijk. Mogelijk kleuren mijn SER-collega’s Jongerius en Wientjes dit punt vanuit hun eigen perspectief nog nader in.

Recente verleden en nabije toekomst
Betekent het voorgaande nu dat de sociale dialoog in Nederland geen ups en downs kent. Zo is het natuurlijk niet. Als ik me beperk tot de recente geschiedenis dan constateer ik een moeizame relatie met de vorige kabinetten-Balkenende. Met name het conflict met de vakbeweging over de aanpassing van VUT-regelingen heeft de arbeidsverhoudingen enkele jaren geleden onder grote druk gezet.
Gelukkig zijn de verhoudingen inmiddels weer sterk verbeterd. En ik heb er alle vertrouwen in dat de sociale dialoog met het net aangetreden kabinet zich positief zal ontwikkelen. Ik ga er dan ook van uit dat de SER ook de komende jaren met zijn adviezen draagvlak zal blijven bieden voor beleidsvernieuwing.

Er ligt wat dat betreft een ambitieuze opdracht. De SER heeft namelijk in zijn advies over het sociaal-economisch beleid voor de middellange termijn het nieuwe kabinet uitgedaagd om in een gezamenlijke inspanning van sociale partners en overheid het komende decennium de beroepsbevolking met 400.000 personen extra te laten groeien. U moet hierbij weten dat de bevolking van 20-64 jarigen in Nederland sinds kort in omvang afneemt.

Met dit aanbod bieden werkgevers- en werknemersorganisaties het nieuwe kabinet een kansrijk vertrekpunt voor een brede en gezamenlijke aanpak van enkele grote maatschappelijke vraagstukken. Ik noem er drie: versterking van de sociale cohesie, tegengaan van dreigende tekorten in bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt (zorgsector, onderwijs) en het opvangen van de oplopende kosten van de vergrijzing.
Het nieuwe kabinet heeft de uitgestoken hand aangenomen en zal nog dit voorjaar met de sociale partners overleg voeren over de praktische invulling.

Positie en werkwijze van de ‘polderinstituties’
Het derde onderdeel van mijn antwoord betreft de positie en werkwijze van de ‘polderinstituties’. Met andere woorden: hoe houden we de SER en de Stichting van de Arbeid bij de tijd?

Ik zal me hier beperken tot de SER. Toen ik een half jaar geleden als voorzitter aantrad heb ik in mijn intreerede gezegd dat de SER zich in zijn werkwijze aan de veranderende omstandigheden moet aanpassen. We moeten bijvoorbeeld veel meer rekening houden met de beleidsontwikkelingen in Europa. Gelukkig heeft de SER op dit punt een goede reputatie opgebouwd.

Een ander belangrijk aandachtspunt dat ik toen noemde is de positie van outsiders. Een van de verwijten aan de SER is dat de raad uitsluitend de ‘insiders’ zou wensen te bedienen en de ‘outsiders’ gevoeglijk vergeet. Dit verwijt is niet geheel terecht. Er zijn legio voorbeelden van SER-adviezen die nadrukkelijk de belangen bedienen van zelfbenoemde outsiders zoals jongeren, kleine zelfstandigen of ouderen. En in het commissiewerk participeren enkele partijen buiten de kringen van werkgevers en werknemers, zoals de Consumentenbond en de natuur- en milieuorganisaties.

En toch is dit kritiek om serieus te nemen, al was het alleen maar uit waardering voor de bereidheid van zoveel organisaties om op de een of andere wijze in het adviesproces te participeren. Ik ben er dan ook trots op dat we onlangs een advies over de arbeidsmarktsituatie van jongeren uit etnische minderheden hebben voorbereid, waarin juist die doelgroep actief heeft geparticipeerd. Wat mij betreft smaakt dat naar meer.

Afronding
Dames en heren ik rond af.

Ik hoop u duidelijk te hebben gemaakt dat de Nederlandse overlegeconomie zich op verschillende manieren aan een veranderende wereld aanpast.
In de eerste plaats door de arbeidsverhoudingen te moderniseren, met behoud van centraal overleg voor de noodzakelijke afstemming.
In de tweede plaats door draagvlak te bieden voor nieuw beleid; de SER-advisering neemt hierbij een belangrijke plaats in.
En ten derde door na te denken over de positie en werkwijze van de ‘polderinstituties’. Vanuit de SER bezien zijn daarbij aandachtspunten genoemd: de beleidsontwikkelingen in Europa en het op gepaste wijze betrekken van outsiders bij de SER-advisering.

Ik weet dat de bevordering van de sociale dialoog in Frankrijk een belangrijk onderwerp is. Ik ben daarom benieuwd hoe mijn Franse collega’s de uitdagingen van morgen tegemoet treden.

Ik dank u voor uw aandacht.