Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Debat Internationale Vrouwendag

Debat Internationale Vrouwendag

Drie inleidingen bij de Emancipatiedag voor vrouwen in Europa, gehouden op 8 maart 2007 in De Rode Hoed te Amsterdam. De inleidingen zijn: De combinatie werk/gezin, Aan de macht, Emancipatie in Europese context.

Alleen het gesproken woord geldt.
 


Eerste inleiding: De combinatie werk/gezin

  • Stelling 1: De vrouwenemancipatie in Nederland is vastgelopen
  • Stelling 2: De emancipatie is voltooid
  • Stelling 3: Kinderopvang moet gratis worden
  • Stelling 4: De EU moet een ruimhartige regeling voor zwangerschapsverlof opleggen aan alle lidstaten
  • Stelling 5: Parttime werken door mannen moet fiscaal gestimuleerd worden.

Zouden mijn grootmoeders ooit internationale vrouwendag hebben gevierd?

Toen ik deze avond aan het voorbereiden was, realiseerde ik me ineens dat mijn beide grootmoeders misschien wel hebben meegedaan aan de eerste internationale vrouwendagen, rond de jaren twintig van de vorige eeuw.

Mijn ene grootmoeder, een Engelse, was actief in de Labour party. Mijn Nederlandse grootmoeder was actief in de vakbond van diamantwerkers. Juist in vakbondskringen en onder sociaal-democraten ondersteunde men begin vorige eeuw de vrouwenstrijd. Strijd voor werk, gelijk loon, betere arbeidsomstandigheden, vrouwenkiesrecht.

Ruim honderd jaar geleden ontstonden de eerste ideeën voor een internationale vrouwendag. Toenemende industrialisering en economische expansie leidden niet alleen tot economische groei en ontwikkeling, maar ook tot verslechtering van arbeidsomstandigheden voor velen. Op 8 maart 1857 demonstreerden voor het eerst textielarbeidsters in New York City: ze eisten hoger loon en werk onder betere condities.

Daarna stelden socialistische partijen in Oost en West rond 1910 voor om op de laatste zondag van februari jaarlijks een internationale vrouwendag te vieren. De jaren daarna werd die dag in steeds meer landen van Europa gevierd.

Van historische betekenis was internationale vrouwendag 1917. Russische vrouwen staakten massaal voor ‘brood en vrede’ in reactie op de dood van meer dan 2 miljoen Russische soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Na vier dagen staken werd de tsaar gedwongen tot aftreden en besloot de voorlopige regering ook vrouwen kiesrecht te geven.

Wat wilde het toeval? Die historische vrouwendag viel in Rusland, waar toen nog de Juliaanse kalender gold, op 23 februari. Maar overal elders in Europa, waar de Gregoriaanse kalender gebruikt werd, was dat op 8 maart. Dezelfde dag als die van de eerste vrouwendemonstratie in New York, in 1857.

Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet, dichtte Kipling. Maar voor vrouwen gold dat kennelijk niet. 8 maart werd en is tot op heden de datum van internationale vrouwendag.

Of mijn grootmoeders mee-demonstreerden, weet ik niet. Maar ongetwijfeld hebben ze de ontwikkelingen met betrekking tot vrouwenkiesrecht, gelijk loon en arbeid voor vrouwen met grote belangstelling gevolgd.

Net als honderd jaar geleden staat internationale vrouwendag ook vandaag voor een belangrijk deel in het teken van arbeid.

De laatste decennia richtte de vrouwenstrijd op dit terrein zich niet zozeer op arbeidsomstandigheden en gelijke beloning zoals in de begintijd, maar veel meer op mogelijkheden voor het combineren van werk en zorg.

Wat zien we als we Nederland met andere landen vergelijken op het terrein van werken en zorgen? In het Report on equality between women and men 2006, een rapport van de Europese Commissie, staan de gegevens helder op een rij. De arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen kan zich aardig meten met die van andere vrouwen in Europa. Na jarenlang achteraan sukkelen is de Nederlandse vrouw nu opgeschoven tot voor in het peloton. Vlak na de Scandinavische landen en naast het Verenigd Koninkrijk. In Nederland en het Verenigd Koninkrijk is 66% van de vrouwen actief op de arbeidsmarkt, in Denemakren en Zweden tussen de 70 en 72% [Daarbij zijn alle vrouwen meegerekend die tenminste 1 uur per week werken].

Bijzonder is wel dat Nederland een heel andere koers rijdt als het om deeltijdarbeid gaat.Van de Nederlandse vrouwen werkte in 2005 75% in deeltijd. Zij worden pas op behoorlijke afstand gevolgd door het Verenigd Koninkrijk en Duitsland met ruim 40% in deeltijd werkende vrouwen. In de overige landen is deeltijdwerken alleen iets voor een minderheid

Deeltijdarbeid wordt wel DE combinatiestrategie van Nederlandse vrouwen genoemd. Door deeltijdarbeid zijn werken en zelf zorgen voor de kinderen goed te combineren. En niet alle zorg uitbesteden maar ook zelf kunnen zorgen: dat vinden Nederlandse vrouwen heel belangrijk. En deeltijdarbeid heeft in elk geval gezorgd voor de forse groei van de arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen in de afgelopen decennia.
Maar het is de vraag of deze koers voor de toekomst nog steeds de beste is, als er in verband met de vergrijzing zoveel meer arbeidskrachten nodig zijn.

Dat de arbeidsparticipatie van vrouwen moet stijgen, daar is heel Europa het over eens. Dat hebben Europese landen ook afgesproken in 2000 in Lissabon. De vraag is alleen welk beleid dat kan bewerkstelligen. Ook de SER heeft zich daarover gebogen in zijn Middel Lange Termijn advies aan de regering dat de Raad in oktober jl. presenteerde.

Daarin deed de SER een aantal aanbevelingen. Een belangrijke aanbeveling was: ‘aanpassing van fiscale en inkomensafhankelijke regelingen, waaronder op termijn onder voorwaarden individualiseren van de algemene heffingskorting’. Dit advies is bij het nieuwe kabinet goed aangekomen. De zogenoemde ‘aanrechtsubsidie’ wordt blijkens het Regeerakkoord in de komende twintig jaar geleidelijk afgeschaft.

Ander aanbevelingen waren: betere aansluiting van school- en werktijden, beschikbaarheid van betaalbare en kwalitatief hoogwaardige kinderopvang en meer flexibiliteit in het arbeidsproces.

In de stellingen voor deze avond zie ik deze aanbevelingen niet terug. Daar worden met het oog op de emancipatie van vrouwen heel andere voorstellen gedaan, zoals meer deeltijdwerk door mannen en een langer zwangerschapsverlof. Ik ben benieuwd om de argumenten voor deze ideeën te horen; volgens mij komen ze de arbeid van vrouwen niet zondermeer ten goede. En ik denk dat mijn grootmoeders het met me eens geweest zouden zijn.


Tweede inleiding: Aan de macht

  • Stelling 6: Het 'glazen plafond' bestaat nog steeds
  • Stelling 7: Het vele parttime werken door vrouwen in Nederland is de grootste belemmering van verdere doorstroming van vrouwen naar hogere functies
  • Stelling 8: Parttime werken moet fiscaal onaantrekkelijk worden gemaakt
  • Stelling 9: Europa moet voorschrijven dat in sollicitatieprocedures bij gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven aan een vrouw
  • Stelling 10: Gelijke beloning is het belangrijkste streven voor de Europese vrouwenemancipatie
  • Stelling 11: Een vertegenwoordiging van minimaal 40% vrouwen in ondernemingsbesturen moet in Nederland bij wet worden afgedwongen
  • Stelling 12: De EU moet bonussen uitdelen aan organisaties waarvan het bestuur voor minimaal 50% uit vrouwen bestaat

In de periode dat de Amerikaanse textielarbeidsters voor het eerst de straat opgingen om te demonstreren, werkte de filosoof John Stuart Mill aan de politiek-filosofische essaybundel The subjection of women, de Onderwerping van de vrouw. Het boek verscheen in 1869 en werd al snel DE inspiratiebron voor de opkomende vrouwenbeweging.

The subjection of women bevat een aantal nauwkeurig uitgewerkte logische argumenten voor de volstrekte gelijkheid van vrouwen. Volgens Stuart Mill vormt ondergeschiktheid van vrouwen één van de belangrijkste belemmeringen voor menselijke vooruitgang. De samenleving kan het zich niet permitteren om de geestelijke en professionele vermogens van vrouwen niet te gebruiken. Want, zegt hij: ‘Geestelijke superioriteit op enigerlei gebeid is tegenwoordig zoveel schaarser dan de vraag ernaar’. Bovendien zou het intellect van mannen gestimuleerd kunnen worden door de mededinging van vrouwen.

We zijn inmiddels bijna 140 jaar verder. Hoe staat het nu met de macht van vrouwen?

Het zou Stuart Mill genoegen doen te zien dat het aandeel van vrouwen in hogere en wetenschappelijke beroepen in Nederland inmiddels even groot is als het aandeel vrouwen in de werkzame beroepsbevolking: 42%. Het intellect van werkende vrouwen wordt goed dus benut.
Maar als het gaat om leidinggeven, macht en invloed ziet het plaatje er minder zonnig uit. Het aandeel vrouwelijke hoogleraren is nog zeer bescheiden: 10% in 2006. Daarmee slaan we een slecht figuur in Europa, zoals de volgende dia laat zien. Nederland staat achterin de rij; alleen nog gevolgd door Cyprus en Malta.

Ook het percentage managers bleef ernstig achter: zij vormden in 2005 slechts 12% van de managers in het bedrijfsleven en 36% van de managers in de niet-commerciële dienstverlening. Dit laatste cijfer lijkt tamelijk gunstig, maar dan moet niet vergeten worden dat het totale aandeel vrouwen in deze sector 64% is. En weer behoort Nederland eufemistisch gezegd niet tot de voorhoede.

En hoe ziet het beeld eruit als we kijken naar topfuncties? Er is sprake van een voorzichtige positieve ontwikkeling: de laatste tien, twaalf jaar is het aandeel vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen relatief sterk gestegen. Maar het absolute aandeel is nog heel erg klein, zoals blijkt uit cijfers van de Emancipatiemonitor 2006 van het SCP. In 2006 was het aandeel vrouwen in de raden van commissarissen van de 250 grootste bedrijven 7.1%; in de raden van bestuur in 5.8%. Vergeleken met de andere Europese landen zijn we hier geen hekkesluiter, maar behoren we wel tot de achterhoede, samen met bijvoorbeeld Ierland, Spanje en Italië.

Interessant is overigens, dat de Scandinavische landen op het punt van de verticale segregatie niet zo goed scoren: Zweden staat weliswaar aan de top, maar daar is het aandeel vrouwelijke managers ook niet meer dan ruim 20%. Twee Amerikaanse sociologen gaven daar vorig jaar - in een artikel in The American Journal of Sociology – een intrigerende verklaring voor. Zij analyseerden data van 22 geïndustrialiseerde landen. Daaruit bleek dat landen met progressief en goed ontwikkeld sociaal beleid en een grote publieke sector (zoals de Scandinavische landen) gekenmerkt worden door een hoge arbeidsparticipatie van vrouwen. Maar tegelijkertijd zijn vrouwen daar vooral geconcentreerd in een beperkt aantal vrouwenberoepen èn zijn er in managementposities maar weinig vrouwen te vinden. Dat zou er op wijzen dat zeer gunstige arbeid-en-zorgregelingen vrouwen naar een bepaalde sector lokken, maar hen tegelijkertijd via het mechanisme van risico-selectie door werkgevers uitsluiten van managementsposities. Een ‘prisoner’s dilemma’!

In Noorwegen besloot de overheid om het aandeel vrouwen op topfuncties met stevige middelen te versterken. Sinds 1 januari 2006 geldt daar een heel interessante wettelijke regeling. In raden van bestuur van overheidsbedrijven en NV’s moet tenminste 40% van de leden vrouw en tenminste 40% van de leden man zijn. [Voor BV’s geldt dat dus niet]. Deze maatregel werd al in 2003 aangekondigd en bedrijven kregen de tijd tot augustus 2005 om te laten zien dat ze dit streefcijfer vrijwillig konden bereiken, zonder de dwang van een wettelijke regeling.

Het doel werd niet gehaald en daarop werd de wettelijke regeling van kracht. Nieuwe bedrijven moeten direct aan de quotumverplichting voldoen. Bestaande bedrijven krijgen tot 1 januari 2008 de tijd. Lukt dat niet, dan volgt een sanctie. Dezelfde sanctie die staat op niet voldoen aan andere wettelijke vereisten voor ondernemingen: ontbinding van het bedrijf door de rechter. Het doel van deze maatregel is om de kwaliteit van raden van bestuur te versterken door te garanderen dat de beste kandidaten worden geselecteerd uit beide sexen en niet slechts uit één. Geheel in lijn met de argumentatie van Stuart Mill.

Per 1 januari 2007 voldeed 38% van de NV’s aan de opgelegde norm. Dat betekent voor een meerderheid van de bedrijven dat ze dit jaar hun raad van bestuur nog flink moeten opschudden.

Tegelijkertijd spreekt de verantwoordelijke Noorse staatssecretaris al van een succes: het aandeel vrouwen in raden van bestuur is tussen april 2003 (toen de regeling werd aangekondigd) en juli 2006 al gestegen van 7.3% naar 21.4%. ‘Ik ben ervan overtuigd’, zegt zij, ‘dat deze substantiële toename zonder wetgeving niet bereikt zou zijn. Om verandering te bewerkstelligen, heb je positieve aktie nodig’.

Stelling 11 doet eenzelfde voorstel voor Nederland. Ik betwijfel of daarvoor draagvlak te vinden is. Nuchtere Nederlanders zeggen misschien toch eerder: prachtig doel, verkeerd middel. Ik ben dan ook heel benieuwd naar uw reactie.


Derde inleiding: Emancipatie in Europese context

  • Stelling 13: Bindende Europese afspraken voor alle lidstaten op het gebied van vrouwenemancipatie zijn noodzakelijk om de Lissabon-doelstellingen te halen
  • Stelling 14: De EU moet actief, op straffe van sancties, vrouwenemancipatie afdwingen bij landen als Turkije, China en Iran
  • Stelling 15: Alleen een actief en bindend gemeenschappelijk beleid op Europees niveau kan vrouwenhandel binnen de EU succesvol bestrijden
  • Stelling 16: Vrouwenemancipatie is primair een nationale aangelegenheid
  • Stelling 17: Europese integratie draagt positief bij aan vrouwenemancipatie in Nederland
  • Stelling 18: Internationale Vrouwendag moet in alle EU landen een nationale feestdag worden

‘Moet Europa Nederland emanciperen’ is de vraag die deze avond meekreeg. Of wel: wat is de rol die Europa kan of zou moeten vervullen in het verder emanciperen van Nederland.

Ik zeg met nadruk: ‘het verder emanciperen van Nederland’, want er is al heel veel ten goede veranderd. De grotere vrijheid, gelijke kansen, betere onderwijs- en arbeidspositie en grotere politieke invloed die mijn beide grootmoeders ‘bevochten’ is al veel terecht gekomen. Zo is het aandeel vrouwelijke ministers in het huidige kabinet 31% en het aandeel vrouwelijke staatssecretarissen zelfs 55%.

Tegelijkertijd is duidelijk dat er nog veel ambities geformuleerd kunnen worden. Kijken we naar de arbeidsmarkt, dan hebben vrouwen daar een stevige poot aan de grond. Maar het kan beter: zeker als we over de heg naar andere Europese landen of naar de VS kijken.

Het kan bijvoorbeeld breder. Nu is de arbeid van vrouwen in Nederland geconcentreerd in een beperkt aantal sectoren: de publieke sector, het onderwijs, de zorg, de maatschappelijke dienstverlening. Voor de allocatie van talenten is dat niet optimaal, het maakt vrouwen kwetsbaar voor overheidsbezuinigingen en houdt lager loon voor het werk van vrouwen in stand. Dat is immers typisch vrouwenwerk?

Het kan zoals in het vorige discussieblok aan de orde kwam ook hoger. Te weinig Nederlandse vrouwen bereiken hogere management posities, topposities in het bedrijfsleven, de wetenschap en de politiek.

Het kan ook talrijker en intensiever: meer vrouwen aan het werk en voor meer uren.

Of deze ambities bereikt worden hangt voor Nederlandse vrouwen vooral af van mogelijkheden voor het combineren van arbeid en zorg: mogelijkheden voor iedereen, in alle sectoren en op alle niveaus. Vrouwen zijn oververtegenwoordigd in bepaalde sectoren omdat daar de laatste decennia de gunstigste voorwaarden voor het combineren werden geboden. Vrouwen zullen niet in groten getale door het glazen plafond breken als ze daarvoor hun hele gezinsleven moeten opofferen. En als vrouwen hun werktijden niet tot op zekere hoogte zelf kunnen regelen en aanpassen aan hun zorgtaken, zullen ze parttimers of huisvrouwen blijven.

Wat kan de rol van Europa zijn bij het bevorderen van deze voorwaarden?

De laatste decennia is Europa voor vrouwen en hun gezin heel belangrijk geweest. Bijvoorbeeld door de afkondiging van een moederschapsrichtlijn. Die regelt onder meer een minimale omvang van het zwangerschaps- en bevallingsverlof met een bijbehorende betaling of uitkering. Zo is er ook een richtlijn voor ouderschapsverlof: een verplichting tot minimaal drie maanden onbetaald verlof voor ouders van jonge kinderen. En niet te vergeten: de gelijke behandelingsrichtlijnen, die de arbeidspositie van vrouwen op allerlei aspecten verstevigd hebben.

Voor vrouwen in de verschillende lidstaten, de oude en de nieuwe, zorgden de dwingende richtlijnen voor verbeteringen in hun positie die anders misschien nog jaren op zich hadden laten wachten.

Maar waar het gaat om de nieuwe ambities - breder, hoger, talrijker en intensiever aanwezig op de arbeidsmarkt – zijn niet zozeer beschermende richtlijnen nodig, als wel prikkelende beleidsvoornemens en activerende programma’s. Zoals de actieplannen en doelstellingen die in 2000 in Lissabon zijn afgesproken. Als het om de uitvoering van dergelijke plannen gaat, is de rol van Europa veel meer een stimulerende.

Europa houdt de verschillende landen bij de les, zet aan tot het monitoren van kerngegevens, zorgt voor internationale vergelijkingen, benchmarking en nadere analyses. En Europa nodigt uit tot onderlinge uitwisseling van ervaring via zogenaamde ‘peer reviews’. Waar zijn effectieve maatregelen ontwikkeld die het combineren vergemakkelijken en arbeidsparticipatie van vrouwen bevorderen en wat kunnen andere landen daarvan leren?

Zo groeit het nationale inzicht in wat nodig is om de eigen actieplannen optimaal uit te voeren. Inzicht in de voorwaarden en instrumenten die passen bij de specifieke structuur van de eigen arbeidsmarkt, met de specifieke verhouding tussen de verschillende actoren en de overheid. Voorwaarden en instrumenten die passen bij de specifieke opvattingen over werken en zorgen van de burgers in een land.

De stellingen bij dit thema wijzen een andere kant op. Die bepleiten een controlerend en straffend Europa, dan wel een afzijdig Europa.

Naar mijn idee is de controlerende rol van Europa als het om vrouwenemancipatie gaat al voldoende ingevuld, juist op die aspecten waarop afzijdigheid onwenselijk zou zijn. Het effect van die controlerende rol is nog steeds groot: elke nieuwe lidstaat krijgt ermee te maken.

Tegelijkertijd is vrouwenemancipatie – juist op het terrein van arbeid – veel meer dan alleen een nationaal belang. Met één Europese markt voor personen zou een slechte arbeidspositie voor vrouwen in een land een concurrentievoordeel voor dat land kunnen betekenen. Met valse concurrentie is Europa niet gebaat.

Voor de toekomst is vooral de stimulerende rol van Europa van belang. Internationale vergelijkingen, onderlinge uitwisseling en contact. Op den duur moet dat er wel toe leiden dat we oprukken in het peloton en de kopgroep bereiken. Ik kijk uit naar het moment waarop ik in Zweden tijdens internationale vrouwendag emancipatie-scorelijstjes kan presenteren waarop Nederland schittert aan de top.