Siemenslezing 2007

Gehouden op 25 januari 2007 in het Siemensgebouw, ter gelegenheid van de jaarlijkse Siemenslezing.

Alleen het gesproken woord geldt


Dames en heren,

Het overkomt mij de afgelopen maanden regelmatig dat er op bezorgde toon wordt geïnformeerd hoe het met mij gaat. Zo ongeveer van: hoe bevalt het na de verhuizing naar Siberië? Went het al een beetje in de ijzeren long? Is het prettig werken voor Bassie en Adriaan? (Nee, daarmee bedoel ik niet Bernard en Agnes.)

Laat ik u geruststellen. Het bevalt, het was snel gewend en het is meestal prettig. Meestal; niet altijd. Als je professionele wereld inkrimpt van San Francisco links tot en met Sydney rechts naar het stedelijk gebied tussen Rijswijk en Scheveningen, dan zet dat wel een extra zware schijnwerper op de tussenliggende Haagse eigenaardigheden van het moment. De afgelopen maanden waren dat vooral de dooretterende revolte van Pim Fortuyn en de daarmee samenhangende uitzonderlijke introverte verkiezingscampagnes van dit najaar. Maar zoals u weet blijft de grootste opgave van elke verkiezingscampagne om een flinke overwinning te behalen zonder tezelfdertijd te bewijzen dat je daar totaal geen recht op hebt.

Sommige partijen is dat desalniettemin aardig gelukt. En wij treffen elkaar op het moment dat een aantal – deels andere, maar goed – partijen dicht aanzit tegen een nieuw regeerakkoord. De verleiding is onweerstaanbaar om daarop vanavond een voorschot te nemen en de nieuwe regering nu nog geheel ongevraagd te voorzien van 10 adviezen, onder verwijzing naar wat ooit gezegd is over de 10 geboden: er is veel op aan te merken, maar wees in ieder geval blij dat het er maar 10 zijn.

Dit wordt een optimistisch verhaal. Ik zeg het maar vooraf, om teleurstelling te voorkomen. Het is niet alleen optimistisch, omdat ik optimisme een morele plicht vind voor wie de toon zet in de samenleving – en daar hoort u overigens allemaal wel bij. Het is vooral optimistisch omdat ik er oprecht van overtuigd ben is dat de economische opleving van dit moment ons perfect in staat stelt om een aantal klassieke Nederlandse problemen effectief te adresseren en om een aantal nieuwe opgaven – vergrijzing, globalisering, klimaatveranderingen – te herkennen voor wat zij zijn: bijzondere kansen, juist voor Nederland.

Vanuit dezelfde optimisme zou ik diegenen die hopen hier vanavond gepolst te worden voor een ministerschap willen vragen om hun mobiele telefoon weer aan te zetten. U bent hier onder vrienden en wij luisteren graag met u mee. En denkt u in geval van twijfel aan de toelichting die Barry Goldwater gaf op zijn kandidatuur voor het Amerikaanse presidentschap: ‘Ik vond mezelf te jong om met pensioen te gaan en te oud voor een echte baan.’

Maar nu ter zake.

Dames en heren,

Mijn eerste advies was tevens het onderwerp van het laatste grote SER advies, en laat zich samenvatten in één woord: participatie.

Ik ben ervan overtuigd dat hier een kern opgave schuilt voor elk denkbaar nieuw kabinet: de noodzaak om alle categorieën Nederlanders daadwerkelijk te betrekken bij wat er de komende jaren moet gebeuren.

Alle categorieën. En alle talenten. Dat betekent dus ook de talenten van al degenen die nu vanaf hun 55e verjaardag hun energie vooral steken in het uitzetten van een vertrekroute uit de arbeidsmarkt in plaats van in de voorbereiding op een nieuwe koers. En de talenten van al die vrouwen die nu om oneigenlijke redenen – kwalitatief slechte kinderopvang, bijvoorbeeld – belanden in veel kleinere deeltijdbanen dan ze aan kunnen en aan willen. De talenten van al degenen met een kleine arbeidshandicap die al zolang uitkijken naar de mogelijkheid om te bewijzen dat die handicap ruimschoots gecompenseerd wordt door een uitzonderlijk grote inzet en motivatie. De talenten ook van alle allochtone jongeren die zich slachtoffer voelen van de beeldvorming rond sommigen van hen en alleen maar vragen om een faire kans. En ook de talenten van die sommigen, die het zichzelf en hun omgeving vaak ongelooflijk lastig maken, maar die wij niet in een maatschappelijk isolement moeten laten belanden waardoor wij het allemaal lastig krijgen.

Gemakkelijk gezegd, maar niet zo gemakkelijk gedaan. Inclusief de bijlagen besloeg het SER middellange termijnadvies meer dan 400 (?) pagina's en bestond het voor een groot deel uit nader uit te werken suggesties. Maar het goede nieuws is dat onze kernboodschap, de noodzakelijke herinrichting van onze verzorgingsstaat, inmiddels opmerkelijk breed gesteund wordt, laatst nog eens in een gezamenlijke bijeenkomst met de WRR, die in haar eigen mooie rapport over de verzorgingsstaat tot vergelijkbare conclusies kwam. En het nog betere nieuws voor de politiek is dat de partijen achter het SER advies, de werkgevers en werknemers van Nederland, bereid zijn om 400 pagina's woorden te laten volgen door tenminste evenveel daden, en klaar staan voor een niet vrijblijvend vervolggesprek dat onder andere moet leiden tot zo'n 400.000 extra arbeidsplaatsen gedurende de komende 10 jaar. Daarin schuilt een kans voor een Nederlandse toppositie in Europa; die kans moeten we niet laten lopen. U begrijpt nu misschien al waarom ik dit een optimistisch verhaal wil laten zijn.

Mijn tweede advies ligt in het verlengde van het eerste, en het gaat over onderwijs en onderzoek. Om talenten te kunnen benutten, moeten ze herkend, erkend en ontwikkeld worden. Het is tijd om met elkaar vast te stellen dat Nederland daar een aantal jaren veel te weinig in heeft geïnvesteerd. Ja, kennis kost geld. Maar wie het te duur vindt, heeft geen flauw benul van de kosten van onwetendheid.

Ook hier is het goede nieuws dat het voorwerk is gedaan. Er ligt een complete kennis investeringsagenda, een van de afscheidscadeau's van het innovatieplatform, met daaronder de handtekeningen van 21 grote maatschappelijke organisaties – laat ik zeggen: all the usual suspects, van de FNV tot en met de KNAW. Die agenda omvat een gedetailleerd 10-jarenplan over de volle lengte van de onderwijs-onderzoeksketen, vanaf de voorschoolse educatie tot en met de permanente opleiding van jonge en oude werknemers. En in elke schakel van deze lange keten moet er iets gebeuren. Aan het begin, bijvoorbeeld, waar een gouden kans ligt in een verstandige combinatie tussen voorschoolse educatie en kinderopvang, zodat ook in Nederland ouders het gevoel krijgen dat zij hun kinderen tekort doen door hen daaraan niet te laten deelnemen. Halverwege, bijvoorbeeld, waar de school uitval cijfers nog steeds zo beroerd zijn dat ze alleen maar kunnen verbeteren. Tegen het eind, bijvoorbeeld, waar werknemers gesteund moeten worden in noodzakelijke permanente inspanningen om weerbaar en wendbaar te blijven op de arbeidsmarkt. En over de volle lengte, in een voor Nederland revolutionaire poging om verschillen in talent te doen ervaren als kansen voor de achterliggende individuen in plaats van als zo snel mogelijk weg te werken onrechtvaardigheden.

Anders dan wel gesuggereerd, is Nederland niet hervormingsmoe en het onderwijs al helemaal niet. Het onderwijs is wel blauwdrukmoe. Net als de zorg sector is het onderwijs toe aan reprofessionalisering, aan ruimte voor professionals om verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor noodzakelijk maatwerk en noodzakelijke differentiatie. Ook dat is geen vrijblijvende agenda. Wim Kan zei het al: iedereen gaat rechten studeren in Leiden, maar je hoort nooit eens dat iemand plichten gaat studeren in Rijswijk. Toch gaat dat laatste er nu ook bij horen, voor leerlingen en voor docenten.

Mijn derde advies gaat, na onderwijs en onderzoek, over ondernemerschap, de derde component van succesvol innovatiebeleid.

Ronald Reagan vatte ooit het perspectief van de overheid op de economie als volgt samen: ‘If it moves, tax it. If it keeps moving, regulate it. If it stops moving, subsidize it.’

Die karikatuur is voor veel ondernemers herkenbaar en verwijst naar een permanente opdracht voor de politiek. Misschien is het inderdaad weer tijd om eens kritisch te kijken naar de logica achter ons huidige belastingstelsel, iets waar de SER in het middellange termijn advies niet is toegekomen. Het is altijd tijd om kritisch te kijken naar steunregelingen en subsidies. En het is al helemaal tijd om door te zetten op het thema van regelgeving en lastendruk, en om het niet te laten bij de hervormingen van de afgelopen jaren die indrukwekkender ogen in de statistieken van de overheid dan in de perceptie van de gemiddelde ondernemer.

Bij dat laatste gaat het niet alleen om het opschonen van alle bestaande instructies en reglementen, maar ook om uitwerking te geven aan een nieuwe filosofie, een filosofie van meer vertrouwen vooraf en hardere sancties achteraf als dat vertrouwen geschonden wordt. Maar als ondernemers meer vertrouwen vooraf verlangen en krijgen, in de vorm van regelgeving die zich vooral richt op de doelstellingen van het overheidsbeleid en die meer vrijheid laat in de route daarheen, dan zullen zij ook zelf de morele verplichtingen van het maatschappelijk verantwoord ondernemen moeten accepteren, en zichtbaar verantwoording moeten afleggen voor de maatschappelijke – economische, sociale, ecologische – effecten van hun ondernemerschap.

Dat voert als vanzelfsprekend naar mijn vierde advies, opnieuw in een woord samen te vatten: duurzaamheid.

U herinnert zich ongetwijfeld nog de brief die in december werd ondertekend door tientallen ondernemers en die een nieuw kabinet opriep tot een nadrukkelijke lange termijn visie op duurzaamheid.

Op die brief is nogal cynisch gereageerd, en dat is jammer. Het zou verstandiger zijn van een nieuw kabinet om de ondertekenaars aan te spreken – en juist ook persoonlijk aan te spreken – op hun publiekelijk vastgelegde bereidheid mee te denken over en mee te doen aan een nieuwe duurzaamheidsagenda. Wil dat slagen, dan moet dat een internationale agenda zijn, dan moet het Nederlandse bedrijfsleven zich internationaal sterk willen maken voor het passend in rekening brengen van de duurzaamheidseffecten van economisch handelen, en dan moet de overheid daarbij een betrouwbare lange termijn partner zijn die wortel en zweep niet hanteert naar de waan van de dag.

Het is verleidelijk om in somberheid of paniek te vervallen naar aanleiding van het filmdebuut van Al Gore, al was het alleen maar vanwege de door hem daarbij gedemonstreerde bekering tot de stropdasvrije Wouter Bos look. Maar veel helpen zal dat niet. Zeker, de zeespiegel zal stijgen en waarschijnlijk meer stijgen in de komende eeuw dan in de afgelopen eeuwen het geval is geweest. Nederland heeft in de jaren 90 al een voorproefje gehad van wat dat in een grote rivieren delta kan betekenen. Maar vanuit de rest van de wereld zal Nederland vooral en met recht en reden gezien worden als een land dat 800 jaar ervaring heeft in het gevecht tegen het rijzende water. Direct na de Katrina ramp hebben de Amerikanen zich al in grote getale gemeld, en Arcadis heeft het eerste grote contract al te pakken. Waarom maken wij van het water management in kwetsbare delta's geen nationaal speerpunt, met het daarbij behorende Oranje – of hier zelfs: Prins van Oranje – gevoel? Dat is beter dan, zoals laatst in Buitenhof, alleen maar te tobben over hoe lastig het wel niet zal zijn om tot een mentaliteitsverandering in Nederland op dit punt te geraken. Daar hebben we nu toch juist politieke leiders voor?

Dat brengt mij bij mijn vijfde advies, over Nederland en de rest. Dit kleine land heeft per definitie een verschrikkelijk groot buitenland, zo groot zelfs dat wij ooit twee ministers van buitenlandse zaken minimaal noodzakelijk achtten. Inmiddels lijkt een minister mij meer dan genoeg, maar dan wel liefst een met een serieus, extrovert mandaat.

Laten we kort zijn over Europa, ooit een bron van inspiratie, nu voornamelijk een bron van irritatie. Als het ideale Europa ooit bevolkt zou worden door Franse koks, Duitse ingenieurs en Engelse politieagenten, dan komen we nu al aardig in de buurt van Nederlandse beterweters, Bulgaarse boekhouders en Engelse voetbalsupporters. De eerste opgave voor een nieuw kabinet is om Nederland weer een proactieve rol te bezorgen in het debat over de toekomst van Europa, waarin wij ooit voorlagen op het peloton en nu in de bezemwagen zijn beland. Dat is eigenlijk te genant voor woorden.

De wereld is groter dan Europa, en ooit had niemand dat beter door dan de Hollanders. Nog steeds zijn wij op veel plekken te vinden waar tussen inkoop en verkoop wat te verdienen valt. Maar niet overal, zelfs niet wanneer er een natuurlijke entree bestaat. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de exemplarische bereidheid van Nederland om mee te doen aan militaire vredesmissies en die terecht in het teken te stellen van wederopbouw na grootschalig geweld, zonder echter de daarvoor beschikbaar Nederlandse deskundigheid volledig te benutten. Wij beschikken bij het Centrum 45 en bij de War Trauma Foundation over heel veel ervaring in het behandelen van post-traumatische psychologische schade, en er is bij het Nederlandse bedrijfsleven een grote en onderbenutte bereidheid om bij economische wederopbouw een belangrijke rol te spelen. Een nieuw kabinet zou deze kansen systematischer moeten verkennen en benutten, is en zich en passant kunnen afvragen of het niet in de rede ligt om het taboe dossier van de ontwikkelingssamenwerking ook nog eens aan een fundamentele herbezinning te onderwerpen.

Wij zijn op de helft, en de rest gaat sneller, dat beloof ik u.

In mijn zesde advies herhaal ik een aanbeveling van de SER over de woningmarkt. Daarbij gaat het allang niet meer over de kwaliteit van de woningen – u herinnert zich misschien nog de tijd dat de muren zo dun waren dat je de televisie van de buren niet alleen kon horen, maar zelfs kon zien.

Vandaag de dag gaat het vooral om de kwantiteit en om de betaalbaarheid van woningen, en wij weten allemaal dat onze kinderen hun woningen vooral te danken hebben of zullen hebben aan de overwaarde van de onze. Het oude Hollandse motto zegt het al: een goed milieu begint bij je ouders. Maar erg eerlijk is het niet.

Het is hoog tijd om ons fundamenteel te beraden op het functioneren van de Nederlandse woningmarkt, die naar elke redelijke norm te rigide is en met name starters buitengewoon slecht bedient. Wij steken al te veel tijd en emotionele energie in die ene component van de hypotheekrente aftrek, een klein onderdeel van een veel groter geheel. Een nieuw kabinet staat voor de taak een integraal nieuw beleid rond de woningmarkt te ontwikkelen, en dat in te voeren op evenwichtige en voorspelbare wijze, zodat de Nederlandse burger zijn toekomstplannen voorzover noodzakelijk in enige rust kan bijstellen. Gemakkelijk gezegd, opnieuw niet gemakkelijk gedaan. De WAO heeft ongeveer 20 jaar hervormingsinspanning gevergd. Met wat wij daarvan geleerd hebben, zouden wij in 20 maanden een heel eind moeten kunnen komen.

Wie in Nederland na veel moeite woont en werkt, wordt al gauw geconfronteerd met het verkeer tussen beide en begrijpt snel waarom daarop de kwalificatie ‘dynamisch parkeren’ van toepassing is. Mijn zevende advies over mobiliteit kan ook al kort zijn. Naar analogie van wat Ghandi zei over de westerse beschaving lijkt ook mobiliteit mij een uitstekend idee is. Maar hoe nu verder?

Opnieuw: het voorwerk is royaal gedaan. Wij weten allemaal van het achterstallig onderhoud bij het openbaar vervoer, en van de noodzaak om een efficiënter gebruik van het wegennet te bevorderen via variabel betalen, met differentiatie naar tijd, plaats en milieubelasting. Ik vind het, namens de SER en sinds kort ook namens de OESO, moeilijk te accepteren dat de invoering van het laatste pas in 2012 te realiseren zou zijn. Een nieuw kabinet zou nog eens kritisch moeten kijken naar de randvoorwaarden die tot dat trage tijdspad hebben geleid. Er zijn aanwijzingen dat bij creatief gebruik van Tom Tom-achtige technologieën een veel snellere en veel goedkopere invoering mogelijk is. Zo'n kans zouden wij niet moeten laten lopen.

Mijn achtste advies gaat over de gezondheidszorg, waar wij net een kleine revolutie achter de rug hebben, een kleine revolutie die zijn oorsprong vond – zeg ik met enige afgeleide trots – in een SER advies van een paar jaar geleden. Het is te hopen dat het stelsel daardoor een toekomst bestendigheid heeft gewonnen, zoals we dat ook mogen hopen van de recente hervormingen in de sociale zekerheid. Maar met de gezondheidszorg zijn we nog lang niet klaar, al was het alleen maar een door de dramatische grote personeelstekorten die wij nu al zien aankomen. Dat zou nog geïnterpreteerd kunnen worden als een kans voor onze participatie doelstelling. Maar daarbovenop en ermee samenhangend zullen wij te maken krijgen met een aanhoudende substantiële stijging in de zorg kosten die niet zozeer voortvloeit uit de vergrijzing als wel uit de op zich verheugende beschikbaarheid van steeds betere, maar ook steeds duurdere medische technologie. Wij ontsnappen op termijn niet aan het dilemma of wij gezamenlijk bereid zijn daar uit eigen zak wat meer aan mee te betalen – dat heette ooit het profijtbeginsel – dan wel het publiek bekostigde basispakket in te perken. Het zou het nieuwe kabinet sieren als het dit dilemma snel onder ogen zou willen zien. Als de medische wetenschap nog meer vorderingen maakt, dan is binnenkort namelijk niemand meer van ons nog 100 procent gezond.

Op de negende plaats komt de cultuur, eigenlijk vooral omdat dat onderwerp op deze lijstjes zo vaak ontbreekt. Wij hebben allemaal de neiging om de betekenis ervan te onderschatten, niet alleen voor de kwaliteit van onze samenleving, maar ook als economische activiteit op zich. De toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie van de creatieve industrie overtreft de bijdrage van de chemische sector. En alleen al daarom hoop ik op een liefdevolle nieuwe staatssecretaris voor cultuur, die in het bijzonder succesvolle private fondsenwerving door culturele instellingen zal willen belonen en niet zal afstraffen door proportionele reductie van de publieke bijdrage.

Tenslotte, last but not least, op plaats 10, de aandacht voor behoorlijk bestuur. Behoorlijk bestuur van de Randstad bijvoorbeeld, waarin drie opeenvolgende adviescommissies dezelfde mening over bleken te hebben: geïntegreerd bestuur van een stedelijk gebied dat moet concurreren met Londen en Parijs, maar dat nog wel een weggetje te gaan heeft en in het Groene Hart een kern van hoogwaardigheid bezit die, gezien door de ogen van de passant, eerder lijkt te verloederen dan in de kwaliteit lijkt toe te nemen.

Dames en heren,

Het is de hoogste tijd voor een nieuw kabinet, maar – urgenter nog – voor het nagerecht. Op het ongevraagde advies in 10 punten dat ik u zojuist voorschotelde, is vast veel aan te merken, en u zult dat in alle rust willen gaan doen. Ik spiegel mij maar aan de net overleden president Ford, die door de spreekwoordelijke oude dame werd aangesproken tijdens de receptie achteraf. ‘Ik begrijp dat u zojuist gesproken hebt’, zei ze. ‘Ach’, zei de president, een bescheiden man, ‘Het was niets.’ ‘Ja’, zei ze, ‘Dat had ik ook begrepen.’