Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Toekomst van de Nederlandse verzorgingsstaat

Toekomst van de Nederlandse verzorgingsstaat

SER/WRR-symposium over de toekomst van de Nederlandse verzorgingsstaat op 16 januari 2007.

Alleen het gesproken woord geldt


Dames en heren,

Een bekende Chinese vervloeking bestaat eruit iemand een boeiend leven toe te wensen. In die zin mogen wij ons allen vervloekt voelen. Naar elke norm leven we immers in een boeiende tijd. Grote delen van de wereldbevolking worden aangesloten op de mondiale economie en kunnen zich bevrijden van een voorgeschiedenis van bittere armoede. Dat alleen al leidt tot het opgewonden gevoel dat hoort bij grote, kansrijke veranderingen. Blijven we dichter bij huis, dan zien we nu toch echt de oogst van de verzorgingsstaat: de Nederlandse bevolking wordt leeft gemiddeld steeds langer en doet dat steeds vaker in goede gezondheid en met een grotere welvaart.

Er zijn natuurlijk ook keerzijden. Ieder Chinees en Indiaas huisgezin een eigen koelkast, wasmachine, droger en auto is een luxe die het draagvermogen van onze aarde met de huidige technologieën ver te boven gaat. En ook de Nederlandse beleidsagenda is nog goed gevuld: hoe moeten bijvoorbeeld het Zwitserlevengevoel en de geavanceerde medische zorg worden gefinancierd? Wie staat er straks naast ons bed als de gezondheid te wensen overlaat? En hoe zullen wij zelf varen in deze ‘brave new world’? Is er bijvoorbeeld in de globaliserende kenniseconomie nog wel plaats voor mensen die van nature minder talenten hebben om een hogere opleiding te volgen?

Ontwikkelingen in een stroomversnelling
Dames en heren, het zal duidelijk zijn: globalisering en vergrijzing bepalen voor een belangrijk deel de sociaal-politieke agenda. Deze elementen zijn zeker niet nieuw. Sterker nog: het zijn de beoogde effecten van veel van onze naoorlogse inspanningen. En omgekeerd zijn veel van de hervormingen van het afgelopen decennium ook weer vanuit deze zelfde drijvende krachten gelegitimeerd.

Terwijl deze ontwikkelingen in een stroomversnelling lijken te komen, valt de vrees te beluisteren dat de bevolking hervormingsmoe is. De snelle veranderingen leiden tot verwarring. De vaste ankerpunten eroderen.

De WRR en de SER hebben hun best gedaan nieuwe oriëntatiepunten te ontwikkelen. Ik hoop dat we aan het eind van de middag kunnen constateren dat we hierin zijn geslaagd.

Adresseren van onzekerheid
In mijn intreerede als voorzitter van de SER sprak ik van de noodzaak om het brede gevoel van onzekerheid in Nederland adequaat te adresseren. Dat zal niet kunnen door het creëren van schijnzekerheden: de wereld om ons heen is echt veranderd. Het kan alleen door het creëren van authentiek nieuw zelfvertrouwen, van een breed gevoel dat de inwoners van Nederland meer dan voldoende zijn geëquipeerd om aan een inherent steeds minder voorspelbare toekomst het hoofd te bieden.

Deze benadering is prominent terug te vinden in beide rapporten. Ik kom er zo op terug. Ik wil hier benadrukken dat het belangrijk is de angsten en zorgen die bij de bevolking leven serieus te nemen. Daarbij is het ook onze intellectuele plicht mythes door te prikken. Veel angsten en zorgen zijn begrijpelijk, maar ook overdreven of zelfs ongegrond. Organisaties als de WRR en de SER hebben daarom een belangrijke rol te spelen om zaken kritisch te analyseren en in een breder perspectief te plaatsen. Overigens: uit het laatste 21minutenonderzoek bleek dat tweederde van de Nederlandse bevolking de noodzaak van verdergaande sociaaleconomische hervorming onderkent en ondersteunt.

Geen determinisme maar keuzemogelijkheden
Angst en onzekerheid vloeien ook voort uit een gevoel van machteloosheid, uit het gevoel dat er weinig of niets meer te kiezen is. In het publieke debat wordt vaak het zwart-wit beeld geschilderd, dat onder druk van de globalisering slechts één richting mogelijk zou zijn: de hardvochtige Angelsaksische weg. Deze richting sluit slecht aan bij een nationale traditie van solidariteit en van inkomensbescherming voor de zwakkeren in onze samenleving. Het blijvend wantrouwen tegen hervormingen kan voor een belangrijk deel vanuit dit type zwart-wit toekomstbeelden worden verklaard.

Het deterministische beeld van beperkte keuzevrijheid is de afgelopen tijd gelukkig sterk genuanceerd. In ons land laat de uitstekende CPB-studie Reinventing the Welfare State bijvoorbeeld zien dat er juist veel keuzemogelijkheden zijn. Nationale voorkeuren doen er wel degelijk toe.

En zonder de Scandinavische ervaringen te willen idealiseren, laat staan letterlijk te willen kopiëren, is het toch in ieder geval opmerkelijk dat landen als Denemarken, Zweden en Finland ondanks hun hoge collectieve uitgaven uitstekend scoren op onderdelen als concurrentie- en innovatievermogen.

Een goed vormgegeven sociaal stelsel heeft niet alleen een prijs, het heeft ook een positieve economische betekenis. Kortom, het gaat zoals altijd om het vinden van nieuwe, slimme combinaties.

Toekomstperspectief
Dit brengt me bij het toekomstperspectief dat de SER in zijn advies Welvaartsgroei door en voor iedereen schetst. Dat perspectief zal voor de SER-watchers niet zo verrassend zijn. Het zal zeker niet verrassend zijn voor de huidige informateur, mijn voorganger Herman Wijffels. Het ontwikkelde perspectief draagt uitdrukkelijk de sporen van zijn inspirerende inbreng.

Het SER-perspectief kunnen we plaatsen in een breed en zelfs internationaal herkenbaar continuüm. Het ligt in het verlengde van zowel een reeks van adviezen, als van doorgevoerde hervormingen in het sociaaleconomisch bestel, als van ontwikkelingen elders in Europa.
Terecht merkt de WRR op dat er in de EU en in de OESO in belangrijke mate sprake is van een convergente ontwikkeling. Er tekent zich een brede consensus af om de reactieve en passieve verzorgingsstaat te hervormen tot een meer proactieve en activerende verzorgingsstaat. Om deze substantieel andere benadering – paradigmawisseling – te accentueren, wordt in het SER-advies de term verzorgingsstaat vervangen door het begrip participatiemaatschappij, of preciezer een activerende participatiemaatschappij. Wat mij betreft is dat een maatschappij – let wel, geen staat – waarin de verheffings- en de verbindingsfunctie – om de WRR-terminologie te gebruiken – veel meer dan nu de aandacht krijgen en van meer middelen worden voorzien. Het is een maatschappij die een nieuwe sociale investeringsagenda vereist, en die zowel de economische vitaliteit als de sociale cohesie bevordert.

Ik ben in dit verband benieuwd naar het betoog van onze buitenlandse gast, de Vlaamse vice-minister-president, de heer Vandenbroucke. Enkele jaren geleden heeft hij tijdens het Belgische voorzitterschap van de EU de discussie over de verzorgingsstaat aangezwengeld en een duidelijke inbreng gehad in de zogeheten open coördinatiemethode.

Offensief sociaal-economisch beleid gevraagd
Ons streven naar een activerende participatiemaatschappij vraagt om een aantal fundamentele wissels in de filosofie van het sociaal-economisch bestel: van nazorg naar voorzorg, van baanzekerheid naar werkzekerheid, van reactief naar proactief en van een defensief naar offensief beleid. Dat offensieve sociaal-economisch beleid vraagt de SER van de kabinetten in de komende 5 à 10 jaar. We kunnen de opleving van de economie aan grijpen om het stelsel voor werk, scholing en inkomen toekomstbestendiger te maken.

Wij beperken ons vanmiddag tot de onderdelen van het advies die direct raken aan de hervorming van de verzorgingsstaat. In termen van het advies gaat het dan in het bijzonder om de participatiepijler en de pijler van inkomensbescherming. Het SER-advies is echter breder. Een ander wezenlijk onderdeel van het advies laat ik hier onaangeroerd, namelijk de bevordering van ondernemerschap en het innovatievermogen. Tot het laatste reken ik trouwens eveneens de essentiële sociale innovatie binnen arbeidsorganisaties. En ook de concrete aanpak van de vergrijzingsproblematiek en de prioriteiten in het budgettaire beleid van de komende kabinetsperiode komen vandaag hooguit zijdelings aan bod.

Economische dynamiek en persoonlijke voorkeuren
Uitgangspunt van de SER is dat instituties op het terrein van arbeidsmarkt en sociale zekerheid onderdeel moeten zijn van een ondernemend, weerbaar en responsief sociaal-economisch bestel. Zij horen zowel de economische dynamiek en het individuele aanpassingsvermogen te bevorderen als ruimte te scheppen voor een grotere verscheidenheid aan individuele voorkeuren tijdens de levensloop. In een activerende participatiemaatschappij staat betrokkenheid centraal en krijgen alle inwoners van Nederland het recht om hun talenten te ontwikkelen en de plicht om deze in dienst te stellen van de samenleving. De instituties moedigen mensen aan en stellen hen in staat om economisch zelfstandig te functioneren.

Participatiepijler
Tegen deze achtergrond heeft de zogenoemde participatiepijler een centrale plaats in de SER-filosofie. Deze pijler moet bijdragen tot hogere en bredere kwalificaties, tot activering en participatiebevordering en daarmee tot een optimale en duurzame arbeidsdeelname. De participatiepijler moet in onze optiek ook in belangrijke mate zorgen voor een houdbaar financieel en maatschappelijk draagvlak van onze verzorgingsstaat.

De centrale beleidsopdracht is daarom toe te werken naar een samenhangend pakket van maatregelen op het gebied van onderwijs, scholing, kinderopvang, arbeidsparticipatie, preventie en reïntegratie, en belastingen. Voor een groot deel kan hierbij worden voortgebouwd op het bestaande beleid; daarnaast zullen stroomlijning en enige herschikking nodig zijn. Wellicht komen ook nieuwe instrumenten in beeld.

Ambitieuze inzet
Versterking van de participatiepijler is belangrijk om de sociale cohesie te bevorderen. Participatieverhoging is ook dé manier om een groot deel van de kosten van de vergrijzing op te vangen. De SER kiest daarbij voor een zeer ambitieuze inzet. Om de stijgende vergrijzingslast substantieel aan te pakken streeft de raad ernaar bovenop de autonome groei van het arbeidsaanbod het komende decennium een extra arbeidsaanbod van circa 400.000 personen te creëren.

Aanbod: gezamenlijke aanpak
Dit is geen vrijblijvend aanbod. Werkgevers- en werknemersorganisaties en de kroonleden van de SER willen hier samen met de komende kabinetten serieus werk van maken. Dit aanbod biedt een kansrijk vertrekpunt voor een brede en gezamenlijke aanpak van twee grote maatschappelijke vraagstukken: de dreigende afbrokkeling van de sociale cohesie en de oplopende kosten van de vergrijzing. Het is aan het nieuwe kabinet om samen met de sociale partners het benodigde instrumentarium voor deze ambitieuze participatieopgave verder te ontwikkelen. Ik besef dat dit lastige afwegingen en moeilijke keuzen kan vergen. Dat geldt zeker ook voor de geledingen binnen de SER, ook waar het gaat om de onderwerpen van het tweede deel van ons mlt-advies: scholing, ontslagrecht en Werkloosheidswet. Zoals u weet willen we na de totstandkoming van een nieuw kabinet bezien of en zo ja hoe dit dossier kan worden afgerond, al dan niet naar aanleiding van een nieuwe adviesaanvraag. De verbinding met de participatieagenda kan volgens mij nieuwe en haalbare perspectieven bieden.

Individuele scholingsfaciliteit
Wie de discussie binnen de SER heeft gevolgd weet dat deze ook gaat over de individuele scholingsfaciliteit. De gedachte is dat mensen meer individugebonden faciliteiten nodig hebben om hun verantwoordelijkheid voor scholing en leven lang leren te kunnen invullen. In SER-verband zijn we er nog niet uit hoe zo’n scholingsfaciliteit concreet moet worden ingevuld. Dit punt komt straks ongetwijfeld nog terug als Margo Vliegenthart en Coen Teulings hun opvattingen hierover geven.

Sociale investeringsagenda en de KIA
Hoe belangrijk ook, de individuele scholingsfaciliteit is maar een van de elementen van de sociale investeringsagenda voor het komende decennium.
Voor de onderdelen hiervan kan naar mijn mening naadloos worden aangesloten bij de Kennisinvesteringsagenda 2006-2016, die door het Innovatieplatform is ontwikkeld. 21 maatschappelijke organisaties hebben zich achter de KIA geschaard, waaronder de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties. Bij de KIA gaat het om de hele keten van onderwijs (van voorschoolse educatie tot scholing van werknemers) tot onderzoek, innovatie en ondernemerschap. Misschien kan de Vlaamse minister voor Onderwijs, Vorming en Werk ons op dit punt nog wat tips geven.

Polarisatietendens
Ik wil hier benadrukken dat de sociale investeringsagenda zich in belangrijke mate moet richten op het vergroten van de kansen van de meest kwetsbaren in onze samenleving. Vandaar ook veel meer aandacht voor voor- en vroegschoolse educatie om zo de startpositie van jongeren uit achterstandsgezinnen te verbeteren. Het is ook nodig trends in het voortgezet onderwijs bij te sturen. Er is sprake van een zorgwekkende polarisatie doordat naast het aantal leerlingen op de hoogste niveaus ook het aantal leerlingen op de allerlaagste niveaus toeneemt. Dit is verontrustend omdat deze polarisatie in belangrijke mate het onderscheid tussen autochtoon en allochtoon volgt. Het voorkomen van een dergelijke segregerende polarisatie is een van de meest dringende beleidsopgaven.
Dit thema komt terug in het onderdeel 2 waar de Rotterdamse wethouder Orhan Kaya en Hans de Boer aan het woord komen. Ik wil hier ook graag wijzen op een afgelopen vrijdag openbaar gemaakt ontwerpadvies van de SER dat tal van aanbevelingen bevat om de arbeidsmarktpositie van allochtone jongeren te verbeteren.

Sociale zekerheid toekomstbestendig?
Een goed functionerende participatiepijler kan niet los worden gezien van een adequaat sociaalzekerheidsstelsel, de pijler van de inkomensbescherming.

Is het stelsel na de ingrepen van de afgelopen jaren nu eindelijk op orde?

De beantwoording van deze vraag is altijd in zekere mate subjectief. Volgens de WRR naderen de belangrijkste systeemtransformaties in de sociale zekerheid hun voltooiing, zij het dat in de uitvoering wellicht nog het een en ander te verbeteren valt en dat een enkele regeling misschien nog nadere aandacht behoeft.
In het SER-advies hebben we aangegeven dat nu eerst de resultaten moeten worden afgewacht van de recente hervormingen op het terrein van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en bijstand. Deze hervormingen moeten zo effectief mogelijk in praktijk worden gebracht. Ook laat de recente SUWI-evaluatie zien dat er op het punt van een activerende uitvoering nog de nodige winst valt te behalen.
Maar de toekomstbestendigheid van het stelsel zal vooral afhangen van de vraag of we erin zullen slagen de participatiepijler goed vorm te geven. Het economisch rendement van effectieve activering zal de inkomensbescherming financieel houdbaar moeten maken.

Dames en heren, ik kom tot een afronding.

We bevinden ons op een uniek moment in de naoorlogse geschiedenis. De economie draait weer op volle toeren. Het aantal vacatures neemt snel toe. Ook het producenten- en consumentenvertrouwen nadert de piek van de hoogconjunctuur. Toch slagen grote groepen mensen er maar mondjesmaat in vaste voet op de arbeidsmarkt te zetten of te krijgen. Maar het unieke van dit moment is dat de vergrijzing nu echt zichtbaar wordt op de arbeidsmarkt. Arbeidsorganisaties staan steeds vaker voor de vraag hoe ze goede vervangers kunnen vinden voor vertrekkende werknemers. Die vraag wordt dringender nu de babyboomgeneratie de 60 jaar grens aan het passeren is.

Tegen deze achtergrond zijn naar mijn overtuiging alle voorwaarden aanwezig om een substantiële stap naar een activerende participatiemaatschappij te zetten.

Een eerste stap zou zijn dat het komende kabinet op het aanbod van de SER ingaat om de ambitieuze participatiedoelstelling te onderschrijven. Met sociale partners kan dan invulling worden gegeven aan de concretisering van de participatiepijler. De breed gedragen KIA zou hier een belangrijke rol bij kunnen spelen. Verder bieden op stapel staande SER-adviezen over jonge allochtonen en jonggehandicapten, over een sluitende aanpak, over internationale arbeidsmigratie en globalisering goede mogelijkheden om op belangrijke onderdelen van de participatiemaatschappij te zorgen voor draagvlak en verdieping. Een belangrijke les uit de afgelopen regeerperiode, de les van het Museumplein zo u wilt, is immers dat hervormingen niet zonder draagvlak kunnen.

Met het WRR-rapport en het SER-advies zijn bouwstenen en potentieel draagvlak voor een gerenoveerde verzorgingsstaat geleverd. We zijn benieuwd naar uw reacties en naar die van een nieuw kabinet.