Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | Globalisering van kennis

Globalisering van kennis

Lezing gehouden bij de cursus ontwikkelingsvraagstukken aan de Vrije Universiteit op 2 november 2006.
Alexander Rinnooy Kan (1) .

Alleen het gesproken woord geldt



 

We leven in een kenniseconomie. Dat betekent dat onze welvaart, nu en in de toekomst, vooral afhankelijk is van het verder ontwikkelen en goed benutten van kennis, en daarmee van ons vermogen om te innoveren. Kennis is een belangrijke productiefactor geworden – en daarmee een wezenlijk element in de internationale arbeidsverdeling. De moderne informatie- en communicatietechnologie vormt een belangrijke drager van het proces van globalisering. Zonder deze technologische vooruitgang zou globalisering niet zover hebben kunnen voortschrijden. Andersom lokt globalisering ook technologische vooruitgang uit. Steeds meer informatie is steeds sneller beschikbaar; door de internationale concurrentie staan bedrijven onder grote druk om te innoveren.

Kennis is macht, meer kennis vergroot de mogelijkheden. Om het belang van kennis duidelijk te maken zal deze bijdrage eerst kort ingaan op het fenomeen kennis en de toegankelijkheid hiervan. Vervolgens wordt gekeken naar de rol van kennis in de internationale arbeidsverdeling. Wat betekent kennis voor economische ontwikkeling? En tenslotte: wat zijn de uitdagingen waarvoor Nederland en Europa zich gesteld zien?

Wat verstaan we onder kennis?
Kennis bestaat er in soorten en maten. Vanuit een sociaal-economische invalshoek kunnen verschillende soorten kennis van belang zijn. Daarbij gaat onder meer om (2) :

  • technologische kennis: van materialen, van producten en van productieprocessen;
  • kennis van (de ontwikkeling van) bepaalde markten (vraag- en aanbodzijde);
  • organisatorische kennis: hoe kun je het beste kennis en ideeën mobiliseren en combineren?
  • sociale kennis en vaardigheden die nodig zijn voor ondernemerschap, leiderschap en teambuilding.

In de loop van de geschiedenis hebben mensen, verspreid over de hele wereld, een grote voorraad kennis opgebouwd.

Toegankelijkheid van kennis
Een deel van de kennis ligt vast in documenten; een ander deel is ‘stilzwijgende kennis’ die moeilijk op anderen valt over te dragen. Vooral dankzij internet en meer in het bijzonder via Google is heel veel kennis voor heel veel mensen gemakkelijk toegankelijk geworden. Daardoor zijn ook de mogelijkheden om door het combineren van bestaande kennis nieuwe kennis te genereren sterk verruimd. En van kennis hebben we pas echt profijt als mensen en organisaties (waaronder bedrijven) die kennis daadwerkelijk en op een goede manier kunnen toepassen. Kennis wordt steeds meer een stroomgrootheid; en voor het goed laten stromen van kennis zijn netwerken nodig.

Maar er is ook kennis die niet of lastig toegankelijk is. Dan kan het gaan om informatie die men om een of andere reden (de nationale veiligheid bijvoorbeeld) geheim wil houden.
Verder kan sprake zijn van bescherming van intellectuele eigendomsrechten door patenten. Die bescherming is van belang om onderzoek naar nieuwe kennis – dat kostbaar kan zijn en waarvan het succes niet verzekerd is – te stimuleren. Welke ondernemer gaat investeren in de ontwikkeling van een nieuw product dat direct na introductie door de concurrent straffeloos kan worden nagemaakt? Maar een teveel aan bescherming is ook niet goed.
Bij patenten is een goede balans nodig tussen:

  • een voldoende bescherming bieden voor het goed belonen van investeringen in onderzoek die tot resultaat leiden;
  • een voldoende toegang tot de resultaten van dat onderzoek met het oog op publieke belangen (bijvoorbeeld de volksgezondheid) en een goede marktwerking (concurrentie).

Een actueel voorbeeld heeft betrekking op de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden. De WTO-afspraken over bescherming van intellectuele eigendomsrechten bieden in beginsel de ruimte voor een goede afweging van belangen tussen enerzijds de farmaceutische industrie en anderzijds (mensen in) ontwikkelingslanden. Het is de bedoeling dat bepaalde medicijnen in ontwikkelingslanden tegen een lagere prijs worden aangeboden.

Hoe is kennis verdeeld in de wereld?
In principe geldt: hoe verder ontwikkeld een economie, hoe meer kennis als productiefactor centraal staat. In Nederland en andere ontwikkelde landen heeft een overgang van een overwegend agrarische, via een industriële naar een diensteneconomie plaats gevonden. Deze overgang is mede mogelijk gemaakt door een slimme toepassing van kennis. Door technologische vooruitgang kwamen er meer en betere machines en werd arbeid vervangen door kapitaal. Het afnemen van de werkgelegenheid in de industrie ten gunste van die in de dienstensector maakt dat er andere eisen gesteld worden aan werknemers. Handenarbeid is hersenarbeid geworden.
De Verenigde Staten en Europa zijn kennisintensieve economieën. Zij hebben echter allerminst een monopolie op kennis. Neem nu het voorbeeld van India. Elk jaar komen er 2,5 miljoen universitair opgeleiden bij, waarvan 400.000 ingenieurs en 200.000 IT specialisten (3).En in Bangalore zijn maar liefst 140.000 software-makers aan het werk; dat zijn er meer dan in Silicon Valley.
Maar India blijft een groot land (1,1 miljard inwoners) met grote contrasten. Per leeftijdsgroep geniet minder dan 10% hoger onderwijs; 25 miljoen kinderen krijgen helemaal géén onderwijs.

De snelle opkomst van China en India – die samen goed zijn voor 40% van de wereldbevolking – heeft natuurlijk gevolgen voor de internationale handel en investeringen. Hoe wordt de kennis waarover deze landen in toenemende mate kunnen beschikken, in de internationale arbeidsverdeling ingebracht?

Kennis en de internationale arbeidsverdeling
Kennis verplaatst zich steeds makkelijker over de wereld, hier zijn in principe drie wegen voor:

  • via migratie: mensen verplaatsen zich naar banen in een ander land;
  • via de kenniscomponent van verhandelde goederen;
  • via buitenlandse investeringen en de uitvoer van diensten (IT, accountancy etc.) – vanuit Nederland bezien gaat het om ‘outsourcing’ van zakelijke dienstverlening.

Deze kanalen vullen elkaar eerder aan (zijn complementair) dan dat ze elkaar vervangen (substitueren). Een stijging van de invoer van goederen en diensten en van financieel kapitaal gaat in de regel gepaard met een toename van het aantal hooggeschoolde en laaggeschoolde immigranten (4). Hier komt de rol van kennis en technologie in beeld. Een ontwikkeld land gebruikt meer technologie per eenheid product dan een ontwikkelingsland. Daardoor zal de arbeidsproductiviteit in het ontwikkelde land hoger zijn en kunnen dus ook hogere lonen worden betaald. 

Kennisoverdracht door migratie
De VS is koploper waar het gaat om wetenschappelijk onderzoek. Migratie speelt hierbij een belangrijke rol. Zo is de helft van Amerikaanse Nobelprijswinnaars in fysica van de afgelopen zeven jaar in het buitenland geboren; en zijn meer dan de helft van de mensen met een PhD werkzaam in de VS immigranten. Onderzoek van de Wereldbank wijs uit dat buitenlandse promovendi en hooggeschoolde migranten significant bijdragen aan het ontwikkelen van nieuwe technologieën in de VS (5). De VS is veruit het belangrijkste bestemmingsland voor hooggeschoolde migranten.

De VS heeft door de aanwezigheid van veel hooggeschoolden een comparatief voordeel in de export van high-tech producten. Een toename van het aantal hooggeschoolden heeft een positieve invloed op onderzoek en innovatie en daarmee op de economische ontwikkeling van een land. Maar liefst een kwart van de bedrijven in Silicon Valley is opgezet door mensen uit India en China.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel andere landen ook hun best doen om zo veel mogelijk hooggeschoolden aan te trekken. Volgens The Economist is talent inmiddels het meest gezochte goed, waarbij de ‘battle for brainpower’ het hevigst is in de high tech industrie (6). Ook Nederland probeert zich gunstiger te positioneren voor zogenoemde kennismigranten. Veel landen beschouwen universiteiten ook als een goede manier om jong talent aan te trekken en maken het makkelijker voor buitenlandse studenten om na hun afstuderen in het land te blijven. De SER zal binnenkort in een advies aanbevelingen formuleren voor deze en andere vormen van arbeidsmigratie. 

Internationale handel en kennis
Globalisering maakt specialisatie mogelijk en opent daarmee de weg naar grotere welvaart. Simpel gezegd is internationale handel wenselijk omdat de deelnemende landen dan datgene kunnen produceren waar ze goed in zijn, een comparatief voordeel in hebben. Met het door de export verdiende geld kunnen ze de goederen die ze minder goed zelf kunnen produceren, importeren. Op die manier stijgt door specialisatie uiteindelijk de welvaart.
Laten we een concreet voorbeeld van internationale arbeidsverdeling nemen. In 2005, na het aflopen van het multivezelakkoord, kwam een grote toestroom van textiel en kleding uit China op gang. Deze riep in de EU en de VS veel weerstand op. Daarop verweerde de Chinese minister van handel zich door erop te wijzen dat men voor het aanschaffen van één vliegtuig (een A380 van Airbus) niet minder dan 800 miljoen shirts moet verkopen! (7).
Deze arbeidsverdeling is in principe mooi voor de EU. Europese consumenten kunnen zich daardoor heel goedkoop kleden. Wel moeten we ervoor zorgen dat die A380 tijdig kan worden geleverd, anders gaat de order alsnog naar de Amerikanen van Boeing. Verder blijft wringen dat China een aantal verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) niet respecteert en daardoor de eigen burgers – in het bijzonder werknemers in de textiel- en schoenenindustrie – fundamentele rechten onthoudt.
En wat schiet China met deze arbeidsverdeling op? Het land kan wel zelf vliegtuigen bouwen, maar is (voorlopig) relatief beter in het maken van kleding. Daardoor kan het voor hetzelfde geld (bij dezelfde inzet van middelen) meer vliegtuigen in het buitenland kopen dan het zelf zou kunnen produceren.
De internationale arbeidsdeling maakt dat rijke landen zoals de EU en de VS in toenemende mate hun comparatieve voordeel moeten halen uit complexe, niet-gestandaardiseerde, kennisintensieve producten. 

Internationaal dienstenverkeer
Dankzij de verbeterde communicatietechnologie is het grensoverschrijdend uitbesteden van diensten sterk in opkomst. Een kleine 20 jaar geleden begonnen ontwikkelingsafdelingen van ondernemingen als Hewlett-Packard, Motorola of IBM tegen lage lonen nieuwe vakmensen uit India aan te stellen, onder de noemer van ‘brainshopping’. Inmiddels hebben veel firma’s belangrijke onderdelen van hun gegevensverwerking gewoon rechtstreeks naar India verplaatst. Het motief is daarbij vaak hetzelfde: medewerkers daar zijn uitstekend opgeleid aan Engelstalige universiteiten en kosten desondanks maar een fractie van hun collega’s in Europa.

India was in 2002 al de zesde leverancier van grensoverschrijdende zakelijke diensten in de wereld (vlak achter Frankrijk en Nederland) (8). In mijn vorige werkkring, bij ING, deden wij daaraan mee door het ‘outsourcen’ van diensten via Indiase toeleveranciers.

Maar India (en China) zijn zelf ook belangrijke importeurs van zakelijke dienstverlening. Grensoverschrijdende dienstverlening is – net als internationale goederenhandel – geen eenrichtingsverkeer. Het is bovendien geen zero sum game: in de internationale handel kan elk land op basis van zijn comparatieve voordelen aan zijn trekken komen. Je hoeft niet de beste te zijn om te kunnen exporteren – en daarmee valuta te verdienen om te kunnen importeren.

Voor economen is dit gesneden koek; voor anderen wellicht een eye opener: internationale handel, een meer ontwikkelde internationale arbeidsverdeling, kent in beginsel – dat wil zeggen: afgezien van aanpassingsproblemen – alleen maar winnaars, geen verliezers (9).
Die aanpassingsproblemen kunnen overigens heel reëel zijn; ze hebben vooral te maken met de herstructurering van bedrijfstakken en het vinden van een nieuwe baan voor werknemers. Met name laaggeschoolden in ontwikkelde landen kunnen daarbij in de knel komen. Het heeft echter geen zin om te proberen dergelijke processen van globalisering en automatisering tegen te houden. Belangrijker is het om de mensen die hun baan verliezen te begeleiden, door te investeren in om- en bijscholing. Dit om economische en maatschappelijke schade zoveel mogelijk te voorkomen. 

En Afrika dan?
Nog maar een generatie geleden gold India als een hopeloos geval van onderontwikkeling en stagnatie. Dat is een rol die nu door sub-Sahara Afrika lijkt te zijn overgenomen.
Het grootste knelpunt in Afrika is het ontbreken van ‘good governance’. Daarmee ontbreekt ook een stabiele en betrouwbare omgeving die mensen aanmoedigt tot werken en ondernemen, sparen en investeren, doordat inspanningen, het ontwikkelen van nieuwe initiatieven en het nemen van risico worden beloond. Corruptie en vriendjespolitiek zijn daarvoor dodelijk.
De particuliere sector is voor de sociaal-economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden van cruciaal belang. Daarvoor zijn goed werkende markten nodig. Dat is, wat mij betreft, geen pleidooi voor een ‘laissez faire’-aanpak. Want om markten goed te laten werken, zijn publieke voorzieningen nodig zoals: een goede handhaving van eigendomsrechten, een professioneel, niet-corrupt ambtenarenapparaat, goed werkende financiële markten (ook voor microkrediet) en een goede sociale infrastructuur (10).
Afrika lijdt niet aan (teveel) globalisering. Het probleem is veeleer dat het onvoldoende deelneemt aan de internationale arbeidsverdeling. Daardoor ligt het grootste risico van ‘brain drain’ juist bij dit continent. 

Toekomst van EU in de wereld: de Lissabonstrategie
De economische dynamiek en de toename van het aantal hogeropgeleiden in India en China zijn ronduit indrukwekkend; ze gaan ook gepaard met flinke verschuivingen in handels- en investeringspatronen.

Desondanks is er geen reden om bang te zijn voor grootschalige verdringing in Europa door gekwalificeerde arbeid uit India en China zolang wij onze eigen kennis en vaardigheden goed blijven gebruiken en ontwikkelen. Dit temeer omdat de kenniscomponent van productie – en daarmee van de internationale handel – blijft toenemen. Meegaan in de mondiale ontwikkeling van de kenniseconomie betekent daarom blijven investeren in scholing van mensen en in (de toepassing van) kennis.
De Kennisinvesteringsagenda 2006-2016 (KIA) die het Nederlandse Innovatieplatform heeft uitgebracht, benadrukt dat “het activeren en vitaliseren van de talenten van mensen in alle lagen de bevolking de kern is waar het in een hoogwaardige kennissamenleving om draait. Nederland moet voor zijn toekomstige welvaart en welzijn, werk maken van talentontwikkeling, een betere benutting van de talenten van mensen en daarin meer investeren.”

Deze uitdaging geldt niet alleen voor ons land. De wereldeconomie groeit al enige jaren 4-5% per jaar. Het ‘oude’ Europa blijft al jaren achter met gemiddeld 1-2% per jaar (de nieuwe, minder ontwikkelde EU-lidstaten van Midden-Europa volgen wel het tempo van de wereldeconomie).

Het antwoord van de EU op deze achterblijvende dynamiek is de Lissabon-strategie. Zoals bekend is de bedoeling van die strategie dat de EU in 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld wordt, met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Deze doelstelling heeft al veel vragen opgeroepen. Wat houdt deze nu eigenlijk in?
Die vragen worden vooral opgeroepen door de kwalificatie ‘meest concurrerend’. Concurreren past namelijk bij ondernemingen en producten; maar het begrip wekt misverstanden in relatie tot (economieën) van landen. Concurreren roept het beeld op van een wedren tussen landen(blokken), met winnaars en verliezers. Dat beeld is om verschillende redenen ongelukkig. Het is om te beginnen in strijd met de principes van internationale handel die op win-win zijn gebaseerd (zie hierboven). Bovendien hoeft een groeispurt van andere landen (VS, China, India) voor de rest van de wereld niet nadelig te zijn, integendeel.

Hoe zouden we de Lissabon-strategie wel moeten opvatten? (11) Met deze strategie willen we het toekomstige groeivermogen en daarmee de toekomstige welvaart op ons continent veiligstellen. Dat betekent optimaal gebruik maken van onze talenten om daarmee onze ambities te kunnen realiseren. De verdere ontwikkeling van de kenniseconomie is daarvoor van groot belang.

Ook op dat vlak bestaat er tussen landen niet alleen wedijver. Vooruitgang in kennis en technologische mogelijkheden is geen kwestie van ‘the winner takes it all’. Kennis moet kunnen stromen in netwerken, en netwerken overspannen landsgrenzen. Ondernemingen hebben via deelnemingen, buitenlandse vestigingen en joint ventures toegang tot kennisontwikkeling, waar deze ook plaatsvindt. Het komt dan vooral aan op de vaardigheden van werknemers om de beschikbare kennis goed te gebruiken en via nieuwe combinaties tot vernieuwingen te komen. Dat onderstreept het belang van sociale innovatie. Daarbij schept de ondernemer samen met zijn personeel een arbeidsklimaat waarbinnen werknemers zich gestimuleerd voelen om hun kwaliteiten te ontwikkelen (12).

Verdiepen Europese integratie
Kern van de Europese integratie is de interne markt: een ruimte zonder binnengrenzen, met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Een Europese kennisruimte, voor onderzoek en hoger onderwijs, vormt daarop een logische aanvulling. Bij het ontwikkelen en benutten van kennis spelen schaalvoordelen en grensoverschrijdende externe effecten immers een belangrijke rol (13).
Waar gaat het bij die Europese kennisruimte concreet om? Onder meer om:

  • vrij verkeer van kennis (van onderzoekers, studenten en ideeën);
  • een werkzaam Gemeenschapspatent (waardoor onnodige vertaalkosten worden vermeden, maar juist onenigheid over het talenregime staat de invoering ervan al enige jaren in de weg);
  • meer EU-budgetmiddelen voor kennis en innovatie;
  • het stimuleren van (de kwaliteit van) fundamenteel onderzoek en het tegengaan van fragmentatie. 

Wanneer kennisinstellingen – waaronder universiteiten – gaan opereren in een grotere ruimte, kan dat via meer samenwerking én meer specialisatie leiden tot betere uitkomsten. Het wegvallen van binnengrenzen en de grensoverschrijdende samenwerking maakt Europa ook aantrekkelijker voor talenten uit andere landen.

In Nederland bestaat momenteel een sterke neiging om ten aanzien van de Europese integratie een defensieve houding in te nemen. In het politiek-maatschappelijke debat lijkt de vraag hoe we Europa buiten de deur houden, de boventoon te voeren. Naar mijn overtuiging zouden wij ons veel meer moeten laten leiden door de vraag wat Europa voor ons land betekent en nog verder kan betekenen.
De Europese integratie stelt ons in staat meer grip te krijgen op globaliseringsprocessen. Dat alleen al vormt een goede reden om weer vol overtuiging in het Europese integratieproject te investeren. De Europese Unie, met haar interne markt en gemeenschappelijke kennisruimte, vormt voor Nederland de beste basis om zich als kenniseconomie – met eigen specialisaties in onder meer logistiek en agribusiness – in de internationale arbeidsverdeling verder te ontplooien. 


  1. Met medewerking van Marko.Bos en Henriëtte ten Berge, beiden werkzaam bij de Directie Economische Zaken van het secretariaat van de SER.
  2. Vgl. SER-advies Interactie in innovatie, publicatienr. 03/11, inz. pp. 19-20 (SER-adviezen zijn te vinden op: www.ser.nl).
  3. Zie: The Economist, 7-10-2006, The battle for brainpower – A survey of talent.
  4. Zie bijv. de VS in de periode 1980-2000: R.B. Freeman, People flows in globalization, Journal of Economic Perspectives, vol. 20, No 2, Spring 2006, pp. 145-170.
  5. G.Chellaraj, K.E.Markus en A.Mattoo (2006), Skilled Immigrants, higher education, and US innovation, in: C.Ozden en M.Schiff (eds.), International migration, remittances and the brain drain, World Bank / Palgrave Macmillan.
  6. The Economist, 7-10-2006: The battle for brainpower – A survey of talent.
  7. John Thornhill, ‘Europe’s dirty secret: it is doing rather well’, Financial Times, 1 september 2005.
  8. Mar Amiti & Shang-Jin Wei, Fear of Service Outsourcing: Is It Justified?, IMF Working Paper 04/186, 2004.
  9. Zie: Paul Krugman, Peddling Prosperity – Economic Sense and Nonsense in the Age of Diminishing Expectations, New York/London, 1994, pp. 268-280.
  10. Vgl. SER-advies De particuliere sector in internationale samenwerking, publicatienr. 97/12, 1997.
  11. Herman Wijffels & Marko Bos, ‘Europa, Nederland en Lissabon: vertrouwen op eigen kracht, Internationale Spectator, jg. 59 nr. 11, november 2005, pp. 555-558.
  12. Zie: SER-advies Welvaartsgroei door en voor iedereen, publicatienr. 06/08, inz. pp. 45-49, alsmede het afzonderlijk gepubliceerde Themadocument Sociale innovatie: productiviteitsverhoging en talentontplooiing in arbeidsorganisaties.
  13. SER Commissie Sociaal-Economische Deskundigen, Met Europa meer groei, rapport 2004, inz. hoofdstuk 7; Albert van der Horst, Arjan Lejour en Bas Straathof, Innovation policy: Europe or the Member States?, CPB document no. 132, Den Haag 2006.