Coreferaat tijdens de Innovation Lecture (gehouden door Jorma Ollilia - CEO van Nokia), op 19 oktober 2006 in de Ridderzaal.
Alleen het gesproken woord geldt
Intro
Het is een bijzonder voorrecht om in deze prachtig gerestaureerde Ridderzaal als coreferent van de Heer Ollila te mogen optreden. Het feit dat na de mode van het poldermodel het Finse model wereldwijd bewonderaars heeft gekregen, is zonder twijfel voor een belangrijk deel zijn verdienste.
Precies een maand geleden sprak koningin Beatrix in deze zaal de troonrede uit. De troonrede bevatte negen maal het woord vertrouwen. De koningin sprak vooral over vertrouwen in de economie en over vertrouwen in de toekomst. Ook de vorige sprekers hebben over het grote belang hiervan gesproken.
Mijn stelling is dat een open en proactieve houding tegenover de toekomst nodig is om een hoog niveau van welvaart en welzijn voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen veilig te stellen. Zo'n proactieve houding impliceert vertrouwen op verandering als route waarlangs onze welvaart verdedigd en verhoogd kan worden. Maar die route is alleen kansrijk als er ook vertrouwen is in het veranderingsproces zelf. Breed vertrouwen in verandering is een voorwaarde voor succesvolle maatschappelijke vernieuwing.
Dit centrale thema ‘vertrouwen in verandering’ zal ik vanuit drie invalshoeken uitwerken: verleden, heden en toekomst
- De eerste is vanuit het verleden: de historische internationale reputatie van Nederland als high trust samenleving.
- De tweede invalshoek is vanuit het heden en betreft het recente vertrouwensverlies.
- De derde is toekomstgericht en gaat over vertrouwen en leiderschap. Daarbij ga ik onder meer kort in op de Finse lessen en lessen die ik uit drie jaar Innovatieplatform trek.
1. Nederland als high trust society
Sinds mensen op aarde rondlopen, werken ze samen. Eerst in familieverband en nu, honderden generaties later in het tijdperk van globalisering, direct of indirect met wildvreemden uit alle windstreken. Om te overleven hebben we elkaar nodig. De hele idee van arbeidsdeling is gebaseerd op het vertrouwen dat de ene dienst de andere waard zal blijken te zijn. Of zoals Fukuyama in zijn boek Trust uit 1995 stelt:
“Een van de belangrijkste lessen die wij kunnen leren van de bestudering van het economische leven is dat het welzijn van een natie en haar vermogen om te concurreren worden bepaald door één enkel diepgeworteld cultureel kenmerk: de mate van vertrouwen die aan de gemeenschap inherent is.”
Fukuyama gebruikte de begrippen high trust en low trust societies. Nederland behoort in internationaal perspectief tot de high trust landen, ook volgens de laatste peilingen van najaar 2005.
In de Europese Verkenning van vorige maand staat het allemaal mooi op een rijtje. Uit deze buitengewoon nuttige coproductie van CPB en SCP komt naar voren dat Nederland samen met de Finnen, Denen en Zweden hoog scoort als het gaat om sociaal vertrouwen. Verder hebben andere volkeren uit de EU-lidstaten een hoge dunk van ons. Samen met wederom de Scandinavische landen, de Zwitsers en de Belgen worden Nederlanders als het meest betrouwbaar gezien.
Dit type studies laat enkele intrigerende Europese patronen zien. Ik noem er drie:
- noordelijke landen geven en genieten meer vertrouwen dan zuidelijke landen;
- kleine landen worden eerder vertrouwd dan grote landen;
- buren vertrouwen elkaar meer dan landen op grote afstand.
Interessant daarbij is verder nog dat vooral culturele overeenkomsten (taalverwantschap, religie) en de mate van moderniteit (weinig corruptie, burgerlijke vrijheden) een verklaring voor ‘high trust' vormen.
Wat betekent dit nu voor de kenniseconomie?
In de complexe wereld van de kenniseconomie is een groot vertrouwen een asset. Groot vertrouwen betekent namelijk dat sprake is van veel sociaal kapitaal. En veel sociaal kapitaal verlaagt de transactiekosten. In een land of arbeidsorganisatie met veel vertrouwen en sociaal kapitaal zijn minder regels en controlesystemen nodig. Het zelfsturende vermogen is dan groot. Maatwerk en flexibiliteit is het gevolg.
[Van gesloten naar open innovatie]
Nederland bevindt zich zo bezien dus in een gunstige positie. En die positie wordt nog gunstiger in het licht van de recente ontwikkeling van gesloten naar open innovatie.
De AWT heeft de afgelopen zomer enkele belangwekkende rapporten over open innovatie uitgebracht. Een belangrijke conclusie is dat in open innovatieprocessen samenwerking op basis van gelijkwaardigheid de dominante trend blijkt te zijn geworden. Waar voorheen hiërarchische systemen met veel formele relaties en bureaucratische principes de boventoon voerden, is nu steeds meer sprake van netwerken en partnerschappen. Gedeelde belangen en interesses staan daarbij centraal. Reputatie en vertrouwen zijn in dit verband essentiële cultuurelementen.
[Van centraal naar decentraal]
De geschetste trend heeft grote gevolgen voor het niveau van de aansturing. Zo is in grote bedrijven een sterke tendens gaande om veel minder vanaf het centrale niveau te sturen. Veel verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheden komen op decentraal niveau te liggen. Er ontstaan nieuwe werkvormen en nieuwe werkrelaties. Hier zijn sterke raakvlakken met wat ‘sociale innovatie' wordt genoemd, innovatie als antwoord op het creatieve vermogen dat overal in de organisatie ligt opgeslagen.
[Van nationaal naar mondiaal]
Daarnaast leidt globalisering ertoe dat de nationale grenzen er steeds minder toe doen. Dat geldt zeker voor het kennisdomein. Slechts een zeer beperkt deel van de nieuwe kennis wordt in eigen land of in de EU ontwikkeld. De toenemende verwevenheid van economieën en het ontstaan van een mondiale kennismarkt dwingt ondernemingen – ook de kleinere – ‘mondiaal' te denken. Gelukkig hebben we daar als handelsnatie eeuwenlange ervaring mee. Onze reputatie als land kan ertoe bijdragen dat Nederlandse ondernemingen gevierde partners zijn en blijven.
[Conclusie]
Op basis van het voorgaande ziet het er voor ‘Nederland innovatieland’
goed uit. In internationaal perspectief zijn we een high trust society. Door de trend naar open innovatie en internationalisering zijn we – in ieder geval in theorie – door het aanwezige sociaal kapitaal en onze ervaring als handelsnatie in het voordeel ten opzichte van menig ander land.
2. Nederland en het verloren zelfvertrouwen
Des te meer valt het te betreuren dat, nationaal bezien er op dit moment sprake lijkt te zijn van beschadigd vertrouwen en dreigend verlies van sociaal kapitaal.
[Nederland uit balans]
Zo bezien is de situatie minder rooskleurig.
De goede positie van Nederland in de internationale vergelijkingen staat in scherp contrast met onze eigen beleving van afgelopen jaren. Het vertrouwen in ons land, in ons zelf en in onze instituties heeft een flinke knauw gekregen. De moorden op Fortuyn en Van Gogh hebben ons zelfbeeld danig verstoord. Nederland lijkt uit balans. Dat gebrek aan vertrouwen werkt verlammend. Illustratief hiervoor vind ik het woord ‘veranderingsmoeheid’, dat bijvoorbeeld veelvuldig opduikt in discussies over de modernisering van ons sociaal-economisch bestel. Het vertrouwen in verandering is teruggelopen en verminderd.
In korte tijd lijkt een cultuur van onzekerheid, ontevredenheid en onverdraagzaamheid in ons land de overhand te hebben gekregen. Onzekerheid over een toekomst met teruglopende soevereiniteit in eigen locale en nationale kring, een toekomst die voor een oudere generatie steeds minder voorspelbaar wordt en voor een jongere generatie nooit echt voorspelbaar is geweest. Ontevredenheid over het onvermogen van de politiek in eigen land en in Europa om die onzekerheid te reduceren. En onverdraagzaamheid en onfatsoen als uitlaatklep die de eenheid verder onder druk zet en de verdeeldheid bevordert.
[Vertrouwenscrisis breed verschijnsel]
Gevoelens van onzekerheid en afnemend vertrouwen zijn niet typisch Nederlands en ook niet typisch Europees. De beroemde Amerikaanse politicoloog Robert Putnam laat in zijn boek Bowling alone zien dat in ‘melting pot USA’ het niveau van vertrouwen dramatische vormen heeft aangenomen. Etnische verscheidenheid speelt hierbij een centrale rol, maar ook binnen de ‘eigen groep’ is sprake van een vertrouwenscrisis. In een recent interview in the Financial Times zegt Putnam: “It's not just that we don't trust people who are not like us. In diverse communities, we even don't trust people who do look like us.”
De verzuiling stond ons toe ons in te stellen op de homogeniteit van de eigen zuil in de wetenschap dat de zuilen elkaar bovenover wisten te vinden als dat nodig was. De vorm van verzuiling is verdwenen, en helaas precies op het moment dat de samenstelling van onze bevolking dramatisch veranderde.
Vertrouwenshersel komt niet vanzelf, maar vraagt investeringen op breed front
Ik ben ervan overtuigd dat er voor ons land een kansrijke nationale strategie is te ontwikkelen, die voortbouwt op historische voorsprongen en verworvenheden. De basis daarvoor zal in de komende jaren verder gelegd moeten worden; een onmisbaar onderdeel ervan zal moeten zijn om het brede gevoel van onzekerheid en gebrek aan vertrouwen adequaat te adresseren.
Dat zal niet kunnen door het creëren van schijnzekerheden: de wereld om ons heen is echt veranderd, het is niet anders. Het kan alleen door het creëren van authentiek nieuw zelfvertrouwen, van een breed gevoel dat de inwoners van Nederland meer dan voldoende zijn geëquipeerd om aan een inherent steeds onvoorspelbaarder toekomst het hoofd te kunnen bieden. Dat is de feitelijke betekenis van het ideaal van de ‘weerbare burger’ die dankzij een voortdurend proces van onderwijs en scholing zijn weg kan blijven vinden in een veranderende wereld, en die zich op de omslagpunten van zijn levensloop gesteund weet door een modern systeem van sociale zekerheid.
Tegen deze achtergrond verheugt het mij zeer dat de SER morgen het eerste deel van zijn langverwachte middellangetermijnadvies zal vaststellen. In de aanloop naar het advies is vertrouwensherstel steeds een belangrijk thema geweest. Het is daarom niet vreemd dat we in het advies vooral inzetten op investeren. Investeren in weerbare burgers, investeren in nieuw ondernemerschap en investeren in houdbare instituties.
Alleen met dit type investeringen is structureel vertrouwensherstel mogelijk in de richting van een activerende participatiemaatschappij die inmiddels ook door de WRR is bepleit, waarin betrokkenheid centraal staat en waarin alle Nederlanders het recht krijgen om hun talenten te ontwikkelen en de plicht om deze in dienst te stellen van de samenleving.
3. Vertrouwen in leiderschap
Met het middellangetermijnadvies van de SER ben in bij mijn derde invalhoek aangeland: de toekomst.
[Andere tijd, andere eisen]
Die toekomst noodzaakt tot verandering en vernieuwing. Dit zijn dynamische begrippen die gedreven worden door ambities en een toekomstvisie. Het formuleren en realiseren van die ambities vereist het authentieke nieuwe zelfvertrouwen waar ik eerder over sprak, en dat kan alleen tot stand komen onder effectief leiderschap. Leiderschap om mensen ervan te overtuigen dat in een veranderende wereld dingen anders moeten. Andere tijd, andere eisen. Zonder vertrouwen in dat leiderschap gaat het niet lukken.
Laten we hopen dat uit de komende politieke debatten in de aanloop naar de TK-verkiezingen duidelijk naar voren komt waar de ambities van onze politieke voorlieden liggen en hoe ze deze denken te realiseren. Verkiezingen zijn in een democratie de momenten waarop vertrouwen gevraagd en gegund wordt.
In een door de media gedomineerde samenleving is het niet eenvoudig voor politici om de langetermijnbelangen goed in het oog te houden. Daarom was ik een groot voorstander van de oprichting van het Innovatieplatform. De Finse Raad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid was een belangrijke inspiratiebron. Mede door deze raad is Finland erin geslaagd om in betrekkelijk korte tijd een traditionele samenleving te transformeren in een vooraanstaande kenniseconomie.
[Finse lessen]
Het Finse model kan ons helpen antwoord te vinden op de vraag hoe er vertrouwenwekkend leiding kan worden gegeven aan ingrijpende veranderingsprocessen.
In de aanwezigheid van een van de hoofdrolspelers past mij natuurlijk enige bescheidenheid. Ik baseer me vooral op de informatieve studie van Manuel Castells en Pekka Himanen, getiteld The Information Society and the Welfare State. Ik wil enkele van de lessen die Castells en Himanen ons voorhouden met u delen.
- Een eerste les is dat er in een kenniseconomie een belangrijke rol is weggelegd voor de overheid. Niet alleen om te zorgen voor een goed ondernemings- en investeringsklimaat, maar ook voor een behoorlijk stelsel van sociale voorzieningen. Maatschappelijke stabiliteit - of zo u wilt sociale cohesie - versterkt de kenniseconomie. Het is dus niet zo dat de kenniseconomie onvermijdelijk naar een Angelsaksische samenleving leidt.
- Een tweede les die is dat de overheid een complementaire rol moet spelen in het kennis- en innovatiebeleid. Dat gebeurt vooral door stevig te investeren in onderwijs en onderzoek, ook in tijden van economische tegenwind. Maar dat gebeurt ook door volop te experimenten met toepassingsmogelijkheden van ICT, onder meer in het publieke domein.
- Een derde belangrijke les betreft de wenselijkheid van clustering van industrieën en het organiseren van netwerken. Vooral de aansluiting tussen de verschillende overheidsniveaus krijgt in Finland veel aandacht.
- Tot slot leren de Finse ervaringen dat ook stabiele arbeidsverhoudingen belangrijk zijn. Hierdoor ontstaat er voldoende vertrouwen bij vakbonden en hun leden om de noodzakelijke flexibiliteit van bedrijven mogelijk te maken.
Het zijn, lijkt mij, lessen die het waard zijn om ter harte te nemen. Dat is voor een deel ook gebeurd. Via het Innovatieplatform is meer bereikt dan menigeen denkt of wil toegeven. Ik noem de sleutelgebiedenbenadering, de innovatievouchers en de aandacht voor de institutionele hervorming van het kennissysteem. Daarmee is de lijst nog lang niet compleet.
Zelf beschouw ik de kennisinvesteringsagenda voor de komende tien jaar als een potentieel buitengewoon waardevolle erfenis van het IP. Deze KIA heeft tot doel de publieke en private investeringen in onderwijs, onderzoek, innovatie en ondernemerschap fors op te voeren zodat Nederland de genante achterstand binnen de OECD geleidelijk inloopt. Vervolgens moet dat hoge niveau van kennisinvesteringen ook in tijden van stagnatie of recessie op peil worden houden, net zoals de Finnen doen.
Het is een brede agenda die de gehele kennisketen omvat, beginnend bij vroeg- en voorschoolse educatie, een enorm onderbelicht onderwerp in Nederland. Juist zo'n integrale benadering vinden we essentieel. We zijn ervan overtuigd dat een integraal beleid het economische en maatschappelijke rendement van investeringen verhoogt. Het ziet ernaar uit dat vele maatschappelijke partijen bereid zijn om hun handtekening te plaatsen onder de aanbevelingen van de KIA. Dat is een onmiskenbaar signaal in de richting van een nieuw kabinet.
[Innovatieplatform revisited?]
Zoals u weet is het Innovatieplatform ruim drie jaar geleden begonnen. Het volgende kabinet moet beslissen of het IP moet worden voortgezet.
Ik ben ervan overtuigd dat het IP – een IP – ook de komende kabinetsperiode bestaansrecht heeft en het vertrouwen in verandering kan blijven bevorderen. Ik wil u eraan herinneren dat er aan de vooravond van het eerste kabinet-Balkenende een brede roep om een dergelijk gremium was, vanuit wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Er was een sterke behoefte aan een gezaghebbend platform voor strategie-ontwikkeling en coördinatie van het nationale innovatiesysteem.
Ik constateer dat innovatie sindsdien meer is gaan leven, maar we zijn er nog lang niet. Als er geen passende opvolging van het IP komt, dan valt er een gat en zal er opnieuw een roep om een dergelijk platform ontstaan. Ik wijs er in dit verband op dat de Finse IP beduidend meer tijd nodig had om naar tevredenheid te functioneren.
Betekent dit dat het IP onveranderd verder moet?
Dat vind ik niet. We kunnen heel wat leren van de afgelopen jaren. Dat is in feite ook wat de SER heeft aanbevolen. De raad adviseert het nieuwe kabinet het IP wel voort te zetten, maar daarbij nog eens goed na te denken over de samenstelling en de missie van het platform. Die samenstelling was bijzonder door de actieve aanwezigheid van drie ministers waaronder de minister president. Hoezeer er ook spanning kan ontstaan door het gewenste lange termijn perspectief van een IP en de politieke gekte van de week, de blijvende aanwezigheid van een aantal ministers lijkt mij verstandig en gewenst.
In een toekomstig IP zou wel scherper gekozen moeten worden tussen leden die zitting hebben namens zichzelf of namens een relevante acherban. Voor beide modellen valt overigens wat te zeggen.
In de missie van een nieuw IP zouden woorden als nationaal concurrentievermogen en ondernemerschap niet misstaan. Maar de ultieme test zal zijn en blijven of Nederland voorop gaat lopen op pad naar de Lissabon doelstellingen, die onverminderd ambitieus zijn en onverminderd relevant.
[Vertrouwen in de toekomst?]
Nu de economie flink aantrekt, neemt ook het vertrouwen van burgers en ondernemers weer toe. Het is echter nog maar kort geleden dat ontevredenheid en een groot gebrek aan (zelf)vertrouwen overheerste. Uit het grootschalige opinieonderzoek ‘21 minuten.nl’ van begin 2005 kwam bijvoorbeeld naar voren dat zes van de zeven Nederlanders zich zorgen tot grote zorgen maken over de toekomst. De nieuwe ronde van dit onderzoek geeft binnenkort hopelijk een positiever beeld.
Optimisme is een morele plicht, en er zijn gelukkig goede redenen voor. Nederland heeft belangrijke troeven in handen om de kenniseconomie verder gestalte te geven. Er begint zich een brede overeenstemming af te tekenen over hoe deze troeven uitgespeeld moeten worden.
De respons op de KIA illustreert de alom aanwezige bereidheid om het niet bij goede voornemens te laten maar ook daadwerkelijk te investeren in een verhoogd kennisprofiel voor ons land. Op talrijke momenten, bijvoorbeeld in de reacties op de notitie Leren excelleren van het IP, is steun gebleken voor het idee van individuele talentmaximalisatie door middel van goed gefinancierde, gedisciplineerde didactische professionaliteit. In het MLT plan van de SER spreken werkgevers en werknemers hun bereidheid uit om medeverantwoordelijkheid te nemen voor een zeer ambitieuze participatie doelstelling, waardoor al dat Nederlandse talent ook daadwerkelijk ingezet zal kunnen worden. Intussen is het aantal nieuwe ondernemingen in Nederland de laatste jaren al sterk toegenomen, mede dankzij initiatieven als New Ventures en technopartners. Optimisme is niet alleen een morele plicht, het is ook een realistisch vertrekpunt voor de komende jaren.
Willen wij met recht vertrouwen op verandering als succesformule, dan is vertrouwen in de kwaliteit van het veranderingsproces een harde voorwaarde. Dat vertrouwen in verandering kan niet alleen door de politiek geïnspireerd worden. Wij allen hier bijeen in de Ridderzaal hebben een rol te spelen in het veranderingsproces dat vertrouwen moet scheppen in de innovatie van Nederland.