Home | Actueel | Toespraken van de voorzitter | De beste universiteit van Europa

De beste universiteit van Europa

Opening Academisch Jaar Leiden 2006, 4 september 2006.

Alleen het gesproken woord geldt



In september 1967 begon ik aan mijn wiskunde studie in Leiden. Vandaag, bijna veertig jaar later, is het een eer en een voorrecht ex cathedra tot u te mogen spreken in deze schitterende Hollandse kerk, en onderweg hiernaartoe weer iets te mogen proeven van de opgetogenheid waarmee ik destijds door dezelfde Leidse steegjes wandelde.

Jongens waren wij, in de woorden van Nescio, maar aardige jongens. Net ontsnapt aan de leerplicht, hadden wij geen flauw benul van enige daarop volgende leerrechten. Wij wisten ons letterlijk en met vreugde bachelors, en tezelfdertijd figuurlijk masters van onze eigen kleine Leidse universum. Het collegegeld bedroeg 200 gulden, 90 euro, per jaar en hoefde slechts vier maal te worden betaald – over studieduurprikkels gesproken – en de imposante computer van het kersverse Centraal Reken Instituut had een fractie van de capaciteit van de hedendaagse laptop.

Voor ons sprak het vanzelf dat de Leidse universiteit de beste was, al zouden wij niet precies geweten hebben waarvan en waarom. In ieder geval beter dan Delft, herinner ik mij, maar dat was toen ook gewoon nog een hogeschool, zij het een technische.

Vandaag de dag wordt de vraag naar de beste universiteit op grimmiger toon gesteld en hangt er steeds meer af van het antwoord. Het streven om de beste te willen zijn is van alle tijden, en daarmee ook de vraag hoe die prestatie objectief vastgesteld zou kunnen worden. Maar wie de vraag serieus neemt weet dat het antwoord nooit zal bestaan uit een eenmalige meting. In de fraaie woorden van Aristoteles: “Wij zijn wat wij herhaaldelijk doen. Uitnemendheid is geen handeling, maar een eigenschap”.

Vandaag wil ik met u spreken over de opgave van universitaire uitnemendheid, als alumnus van deze universiteit die haar graag onverminderd de beste zou willen blijven vinden, maar ook als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad met een opvatting over de Nederlandse prioriteiten op middellange termijn en als burger van Europa met ambities voor de toekomst van ons continent.

Juist vanuit die laatste rol is er reden voor nervositeit. In het recente rapport European Universities: Renaissance or decay van het Centre for European Reform wordt een somber perspectief geschetst van onvoldoende universitaire concurrentiekracht, veroorzaakt door onzorgvuldige allocatie van op zich al ontoereikende middelen in een veel te vlak academisch landschap.

Die observatie staat haaks op de breed onderschreven noodzaak om Europa tot een superieure kenniseconomie te transformeren. Nederland zou daarbij voorop moeten willen lopen, maar doet dat nog lang niet. De Adviesraad voor Wetenschap en Technologie constateerde onlangs opnieuw dat Nederland qua concurrentiekracht en innovatieprestaties in de Europese middenmoot is beland. NWO klaagde in haar strategie voor 2007 tot 2010 dat excellente onderzoekers in Nederland te weinig armslag krijgen om zich internationaal te profileren en dat te weinig jongeren kiezen voor een wetenschappelijke carrière. Het Innovatieplatform - een niet altijd naar waarde geschat gezelschap - onderschreef deze en aanverwante zorgen, kwam met een ambitieuze Kennis Investerings Agenda voor de komende twee kabinetsperioden en werd daarin gesteund door de voltallige Sociaal-Economische Raad en diverse andere, al bijna even eerbiedwaardige gezelschappen.

Al deze noten vormen voor u een herkenbare melodie. Voor deze universiteit en voor haar Nederlandse zusterinstellingen impliceert zij de erkenning van een schrale en veeleisende omgeving, maar ook de harde noodzaak om het niet bij die constatering te laten en met kracht te werken aan verbetering en vooruitgang.

Deze universiteit moet de beste van Europa willen zijn, in de wetenschap dat dat wereldwijd misschien nog niet eens goed genoeg is.

Wat betekent die ambitie nu precies in de praktijk? Het meten van universitaire prestaties en het vaststellen van universitaire rangordes is ook in Leiden een wetenschap op zichzelf geworden. Naarmate Europese universiteiten zich realiseren dat een continentale en zelfs mondiale concurrentieslag om excellente studenten en excellente onderzoekers onvermijdelijk is, zullen zij de resultaten van die wetenschappelijke analyse ook willen benutten in de door Frans van Vught al voorspelde academische reputatierace, waarvan de winnaars er met het leeuwendeel van de buit vandoor zullen gaan. Des te meer noodzaak om te komen tot een adequaat instrument dat op een herkenbare en transparante manier laat zien wie op welke baan de meeste hordes heeft genomen. Een instrument, dat zo goed als mogelijk recht doet aan de multidimensionaliteit van onze academische werkelijkheid.

Het verheugt mij dan ook dat deze universiteit voorop loopt bij de ontwikkeling van een meerdimensionale benadering van het kwaliteitsbegrip; daarbij aansluitend bij het Duitse CHE Systeem, dat onder meer de universitaire kwaliteit per wetenschapsgebied apart meet en bijhoudt.

Leiden scoort dus hoog in deze wetenschap van het scoren, en mag er hopelijk op vertrouwen dat ook OCW universitaire kwaliteit in de toekomst niet meer door een enkel cijfer zal meten.

Juist in een meerdimensionale benadering schuilen goede kansen voor zinnige concurrentie tussen universiteiten onderling. In een discussie over de race naar universitaire uitnemendheid mag dit thema van universitaire ondernemendheid niet ontbreken. In 1987 schreef ik samen met enige andere auteurs, van wie het merendeel later minister werd of had moeten worden, een brochure onder de permanent verkeerd begrepen titel Naar een ondernemende universiteit . Daarmee werd niet bedoeld dat de universiteit zich als een onderneming zou moeten gedragen of als een onderneming zou moeten worden bestuurd. Wel werd gepleit voor een universiteit die zich met een duidelijk profiel zou positioneren op de markt voor onderwijs en onderzoek, die zich daar op interessante en aansprekende wijze zou onderscheiden van andere aanbieders en die daarbij in staat gesteld zou moeten worden verantwoorde risico's niet te schuwen.

Bijna 20 jaar later is deze vorm van zinnige differentiatie tussen universiteiten onverminderd wenselijk om het vlakke academisch landschap te voorzien van interessante pieken, bergruggen en valleien.

Geen enkele universiteit kan overal in excelleren en alle denkbare doelgroepen gelijkelijk tevredenstellen. Een meerdimensionale kwaliteitsmeting kan recht doen aan die differentiatie en duidelijk maken waarvoor elke universiteit zich in het bijzonder sterk wil maken.

Die gewenste differentiatie - inclusief een differentiatie in collegegelden, middels een sociaal leenstelsel zoals in Australië te financieren - neemt niet weg dat het streven naar uitnemendheid voor alle universiteiten, ja, voor alle onderwijsinstellingen, ook vele gemeenschappelijke elementen zal bevatten.

Centraal daarin staat het thema talent . Talentmaximalisatie, het erkennen van verschillen in aanleg als positieve kansen in plaats van als weg te werken onrechtvaardigheden, is in onze egalitaire cultuur al te lang een onderbelichte opdracht voor het onderwijs geweest. In het rapport Leren excelleren van het Innovatieplatform wordt gepleit voor zodanige differentiatie en zodanig maatwerk in het onderwijs dat er geen spat talent – talent in brede, niet uitsluitend cognitieve zin – verloren gaat. Wij zouden de verliezers ernstig tekort doen, en kunnen ons dat als land eenvoudigweg niet permitteren.

Universiteiten zitten achterin de kennisketen, en zijn afhankelijk van anderen voor het aanbod van talent dat tot hen komt. Maar dat betekent niet dat talentmaximalisatie voor hen geen centrale taak zou zijn. De Leidse universiteit heeft dat uitstekend begrepen, getuige het instellingsplan Kiezen voor talent .

Die te prijzen ambitie valt in drie onderdelen uiteen: het binnenhalen van talent, het tot bloei brengen van talent en het behouden van talent.

Het binnenhalen van talent ontleent zijn urgentie niet in de laatste plaats aan de toenemende behoefte aan hoger opgeleiden. Passende differentiatie binnen het universitaire systeem kan ertoe bijdragen dat voor elk talent een passende plek – beter nog, de beste plek – gevonden kan worden. Dat gaat niet vanzelf goed, en onderstreept nog eens de noodzaak om de al zo lang slepende discussie over selectie aan de poort met kracht te continueren en niet te laten verzanden in de recente Leidse teleurstelling. Zeker, die selectie kan niet alleen gebaseerd zijn op eindexamencijfers - dat zijn matige voorspellers van academisch succes - en misschien zelfs niet alleen op aanvullende schriftelijke toetsen. Maar het zou toch al te dwaas zijn als een overal elders ter wereld (en ook bij het Nederlandse HBO) met succes ingezet motivatie- en rendementverhogend mechanisme in universitair Nederland tot permanent mislukken zou zijn gedoemd!

Alleen al de motivatieverhoging die uitgaat van een bewuste keuze van universiteit voor student en van student voor universiteit rechtvaardigt naar mijn overtuiging de inderdaad significante inspanning die een effectief selectieproces van de universiteit verlangt. Wie uitverkoren wordt reageert anders dan wie weet dat eenieder gelijkelijk welkom is, en blijft na afstuderen een betrokken alumnus die meer zal willen bijdragen dan de miserabele 25 Euro per jaar waarmee het LUF het thans gemiddeld moet doen.

Wie talent wil binnenhalen zal niet alleen, zoals Leiden in het Pre-University College zo voortreffelijk doet, willen jagen op talent onder Nederlandse middelbare scholieren, maar ook in toenemende mate over de grens willen kijken: deze universiteit bijvoorbeeld heeft de ambitie om in 2011 jaarlijks 1400 buitenlandse studenten aan te trekken. Volkomen terecht heeft uw rector zich sterk gemaakt voor het wegnemen van de vele bureaucratische barrières die deze studenten de toegang tot ons land belemmeren. Volkomen ten onrechte zijn de aanbevelingen van de door hem binnen het Innovatieplatform geleide werkgroep nog steeds niet compleet geïmplementeerd. De Leidse universiteit was in de 17e eeuw toegankelijker voor buitenlands talent dan thans.

Wie streeft naar een nieuwe gouden eeuw voor de Europese kenniseconomie, zoals de Europese regeringsleiders in Lissabon zeiden te doen, zou daaruit lering moeten trekken.

Het is binnen de academische gemeenschap, binnen de civitas academica, dat het binnengehaalde talent vervolgens tot bloei moet komen. Dat oude ideaal heeft niets van zijn actualiteit verloren. Juist waar die academische gemeenschap op zijn zuiverst functioneert ontstaan onvergetelijke momenten van kennisuitwisseling die een leven lang bijblijven: tijdens een privatissimum, een excursie, een Honours Program, in volmaakte harmonie tussen leermeester en leerling. Het zijn momenten waarop onderwijs en onderzoek in elkaars verlengde liggen, zoals dat alleen op de universiteit kan gebeuren. Zulke herinneringen zou ik iedereen hier toewensen.

De academische gemeenschap omvat docenten en studenten gelijkelijk. Zij is eerder meritocratisch dan democratisch, maar heeft respect voor wederzijdse opvattingen, zo ook die van studenten over het door hen genoten onderwijs. Dat laatste was de eigenlijke inzet van de studentenrevolutie zoals die een jaar na 1968 ook Leiden bereikte.

Helaas: na het gul beschikbaar stellen door de toenmalige prorector Muntendam van broodjes, dekens en stencilmachines was de bezetting van de Pieterskerk na één oncomfortabele nacht alweer verleden tijd en effectief repressief getolereerd, zoals Herbert Marcuse al had zien aankomen. Maar het blijft ironisch dat na jaren wetgeving van Veringa tot en met Ritzen juist de terugkoppeling van de student als onderwijsontvanger naar de docent als onderwijsgever van alle rechten het minst is vastgelegd.

Talent dat tot bloei is gebracht moet tenslotte ook behouden blijven. Zeker niet per se voor de eigen universiteit, en ook niet altijd per se voor eigen land of eigen continent: de academische gemeenschap trekt zich weinig aan van geografische grenzen. Maar een al te grote netto uitstroom is voor land en continent wel zorgelijk, en er zijn tekenen die daarop wijzen. Nederland moet een perspectiefrijke omgeving willen zijn voor wetenschappelijk talent en moet daarvoor de materiële voorwaarden willen scheppen. Differentiatie in arbeidsvoorwaarden kan daarvan onderdeel uitmaken. Op elke markt geldt het adagium: you get what you pay for . Of iets preciezer: if you pay peanuts, you get monkeys . Maar u en ik weten dat stimulering en waardering tenminste even zwaar wegen en dat het Academiegebouw aan het Rapenburg niet voor niets nog steeds de soberheid van het ooit in 1581 geconfisqueerde klooster uitstraalt.

Een universiteit die haar talenten koestert hoeft de concurrentie niet te vrezen, in de wetenschap dat intellectuele rivaliteit in het hart staat van de academische meritocratie. Zo'n universiteit zal kunnen accepteren dat haar financiële speelruimte afhankelijk is van de door haar feitelijke geleverde prestaties, zeker als de laatste in passende meerdimensionaliteit worden gemeten. Zij zal kunnen accepteren dat een zekere volatiliteit in inkomsten daardoor onvermijdelijk is en de zakelijke vrijheid verlangen om daar passend en ondernemend op te kunnen reageren. Zij zal begrip hebben voor de wens van haar financiers dat de door hen gefinancierde universitaire activiteit voor hen van herkenbare relevantie moet zijn, en tezelfdertijd van de overheid als financier onvoorwaardelijke steun verlangen voor haar intellectuele onafhankelijkheid, om zo haar rol als bolwerk van de vrijheid tot in lengte van dagen te waarborgen.

Zo'n universiteit zal naar mijn overtuiging ook moeten kunnen accepteren dat een deel van die Rijksfinanciering in een open bestel zal toekomen aan geaccrediteerde private concurrenten. Onder passende randvoorwaarden, dat wel: voor de kruissubsidiëring van kleine studierichtingen door grote moet een alternatief geboden worden.

Maar een op volle kracht opererende academische gemeenschap die hoort bij de besten van Europa, hoeft de lokroep van de cursusaanbieder niet te vrezen.

De Leidse universiteit en haar Nederlandse en Europese zusterinstellingen spelen een hoofdrol bij het veiligstellen van onze economische en culturele toekomst. Zij verdienen daarvoor onze steun en sympathie, maar zullen moeten accepteren dat hun prestaties scherper beoordeeld zullen worden en dat die oordelen wezenlijke materiële gevolgen zullen kunnen hebben in positieve en in negatieve richting. Ook een universiteit is, in de eerder geciteerde woorden van Aristoteles, tenslotte wat zij herhaaldelijk doet. Uw rector had dat goed begrepen toen hij zijn oratie dertig jaar geleden voorzag van de ondertitel Sizzen is neat, mar dwaen is in ding. Ik heb mij als oud-Rotterdammer met vreugde laten vertellen dat de beste vertaling daarvoor is: Geen woorden maar daden.

Ik dank u voor uw aandacht.