Jaaropening Hogeschool Inholland, 30 augustus 2006.
Alleen het gesproken woord geldt
Dames en heren,
Het is mij een geweldig genoegen hier te zijn - vanuit alle rollen waarover u al vernam, maar misschien toch in de allereerste plaats als oud-Rotterdammer. Eens Rotterdammer, altijd Rotterdammer. Het is wel voor het eerst dat ik hier ben, in dit mooie gebouw, maar niet voor het eerst dat ik het HBO in Rotterdam in actie zie. En elke keer mij dat gebeurt, ben ik toch weer onder de indruk van de schaal en het enthousiasme.
Kortom, het is prettig hier te zijn, en ik vind het al helemaal leuk om vandaag te mogen spreken op een bijeenkomst die in het teken staat van ondernemendheid. Dat is een heel Rotterdams thema. Ter illustratie: ooit zeiden ze hier zelfs dat de overhemden al met opgerolde mouwen werden verkocht. Ik weet niet of dat nog steeds zo is, maar de ondernemendheid is in Rotterdam nog steeds zichtbaar aanwezig en dat moet vooral zo blijven. Ik vind het dus heel leuk dat dit thema ondernemendheid vandaag hier centraal staat. Dat is op zich al een heel goed signaal en een positief teken.
Graag wil ik dan ook proberen om iets bij te dragen aan de discussie die hier loopt. Op die manier wil ik ook proberen te bevorderen dat het thema van vandaag tijdens het komende jaar bij u in beeld blijft.
Ondernemerslust is een heel breed thema. Ik heb eigenlijk vier invalshoeken, die ik met u wil doorlopen. Ze gaan over degenen bij ondernemerslust en onderwijs betrokken zijn, de doelgroepen van mijn voordracht. Waar praten we bij ondernemerszin over, als het gaat om de studenten die hier actief zijn? Wat betekent zo’n thema voor diegenen die hier doceren? Wat betekent zo’n thema voor diegenen die hier besturen? En, ten slotte,wat betekent zo’n thema voor ons allemaal?
In het programma had ik daarvoor oorspronkelijk zeventien minuten. Vervolgens kreeg ik een brief van de organisatie met het verzoek of ik mijn bijdrage wel tot tien minuten wilde beperken. Daaruit blijkt dat ze in die instructie niet al te veel vertrouwen hebben, maar ik zal in ieder geval proberen het ook niet langer te maken dan nodig is.
Sommigen dingen kun je ook heel kort zeggen. Beelden zeggen bijvoorbeeld meer dan woorden; en de beelden die u zojuist gezien hebt, scheppen ook een mooi beeld van wat ondernemendheid in de praktijk is. We zagen zojuist een filmpje over een ondernemer met een eigen kledingbedrijf. Ik weet niet wat u daaraan overhoudt. Mij valt in de eerste plaats op dat ik het totaal verkeerde pak aanheb, maar daar is volgens deze film kennelijk wel iets aan te doen. En als u dat allemaal doet, is in ieder geval het doel van die bewuste ondernemer bereikt. Wat je in zo’n filmpje natuurlijk ziet en wat ongelooflijk aardig is en enthousiasmeert, is precies wat u allemaal aanspreekt: het enthousiasme van iemand die daar aan het woord is met een eigen bedrijf, het doorzettingsvermogen wat eruit spreekt. We zien hier en horen iets van de succesverhalen, maar ook dat het wel eens tegenzit en ook wel eens lastig is. We zien de creativiteit van een nieuw idee, en dan gebruik je niet alleen je verstand maar ook je fantasie op een goede manier; je leert uiteindelijk op een heel natuurlijke manier wat risico nemen is, want dat hoort er ook bij. Het lukt niet altijd - zo is het nu eenmaal.
Het moet beter met de ondernemerszin in Nederland, en het is hoog nodig dat een hogeschool als de uwe de belangstelling ervoor stimuleert. Ik vind het geweldig dat zoiets als nu gebeurt en dat deze hogeschool dat zo actief stimuleert. Ik begrijp dat dit stimuleren van belangstelling om te ondernemen bij u helemaal niet van heel recente datum is. Want vanaf 2003 is ondernemerschap een speerpunt, een extra aandachtspunt. Dat moet maar vooral zo blijven. Dat hebben we nodig, en ik denk dat het voor studenten alleen al fantastische kansen schept.
Moet ik nog iets zeggen over waarom ondernemerschap belangrijk is? Ik denk het eigenlijk niet, want u weet dat allemaal wel - en wie om zich heenkijkt in de wereld ziet daar genoeg bewijsmateriaal voor. We hebben eigenlijk helemaal geen keuze. Wil Nederland namelijk overleven in een wereld die een wereldmarkt aan het worden is, dan is ondernemersschap een dwingende noodzaak. In die zin hebben we dus helemaal geen vrijheid om het erbij te laten zitten. We moeten integendeel langs dit pad verder wandelen met alle inzet die daarbij hoort.
Een reden om dat met extra inzet te doen (dat moeten we ook maar durven vaststellen) is dat in zekere zin Nederland er nog steeds niet geweldig goed voorstaat op deze dimensie. Maar als wij studenten in Nederland zo rond hun afstuderen vragen wie van hen zin heeft om een eigen bedrijf op te zetten, dan zegt slechts zo’n tien procent ‘ja’.
Dames en heren, dat is echt een ongelooflijk slechte score. Ter vergelijking: in Amerika zegt zo’n tachtig procent ‘ja’ en in Europa zegt gemiddeld zo’n vijfenveertig procent ‘ja’. Wij zitten daarmee dus echt onderin het klassement. Nu kun je heel lang nadenken en discussiëren en delibereren: over hoe dat komt en waarmee het mee te maken heeft, en hoe dat toch zo gelopen is, en dat we vroeger toch zo’n ondernemend land waren, en dat de gouden eeuw een enorm succes was. Ja, het is allemaal waar, maar het schiet niet op, want die cijfers over het hier en nu zijn gewoon slecht. Dus daar moeten we dus echt iets aan doen - en dat deze hogeschool daartoe een bijdrage toelevert, is bitter nodig. Dus: het moet echt heel veel beter.
Als het beter moet, wat moet er dan allemaal beter? Nu, in alle eerlijkheid gezegd: het onderwijs dat gegeven wordt en dat mensen moet voorbereiden op het ondernemerschap, moet ook nog wel iets beter worden. Want (mijn tweede statistiek, dan houd ik ermee op voor vandaag) zeventig procent van de starters vindt dat hun opleiding niet heeft bijgedragen aan het ontwikkelen en aanleren van hun ondernemende houding. Dat is dus ook al geen beste score.
Nu weet ik wel: ondernemen kun je in laatste instantie niet leren uit een boekje, en misschien ook niet eens leren van een docent. Toch zou deze score best wat hoger mogen, want er zijn wel degelijk vaardigheden, skills die je moet weten, dingen die je moet kunnen, als je met succes wilt kunnen ondernemen. Het blijkt dat deze startende ondernemers, althans zeventig procent ervan, vinden dat het aanleren van ondernemerschap bij hun opleiding in ieder geval niet echt gelukt is.
Dat is, denk ik, een opgave die ook deze hogeschool niet op zich zou willen laten zitten. Het zijn echt verontrustende cijfers want, nogmaals: ondernemerschap is belangrijk, innovatie is belangrijk, en innovatie heeft meer dan alles met ondernemerschap te maken. Die hele innovatiediscussie zal u ook niet onopgemerkt zijn gebleven. We hebben in ieder geval het onderwerp op de kaart gekregen. Het is in ieder geval bespreekbaar geworden, er is wel degelijk iets gebeurd en er is ook echt wel iets veranderd. Maar als we om ons heenkijken in Europa, dan is Europa in totaliteit op dat punt nog steeds een achtergebleven gebied. En Nederland is binnen Europa niet eens de koploper die het zou moeten zijn, dus ook daar hebben we nog echt een flinke klus te klaren.
Ondernemendheid - dat is ook goed om nog eens te benadrukken - is niet het exclusieve domein van ondernemers. Want ook diegenen die, om wat voor reden dan ook, op andere plekken belanden, moeten ondernemend zijn in de manier waarop zij hun functie uitoefenen. Zoiets heeft ook veel met karaktereigenschappen te maken: met de bereidheid om initiatieven te nemen, om risico te nemen, om creatief te zijn, om te staan voor wie je bent, om ook fouten te durven maken, om je grenzen op te zoeken, om te oefenen dat je ook moet accepteren dat dingen misgaan. Dat zijn allemaal ingrediënten van een ondernemende instelling, een ondernemende houding - en daar zou eigenlijk iedereen zich wat van aan moeten trekken. Een toets op doorzettingsvermogen, dat is waar het om gaat bij ondernemerschap. Eigenlijk is dat iets dat op elke plek in de maatschappij nuttig en nodig is.
Deze constateringen zijn natuurlijk ook niet nieuw, maar je kunt het niet vaak genoeg zeggen. Verder heeft het ook zijn consequenties voor het soort mensen dat we opleiden en voor de manier waarop we ze opleiden. Bij deze vraag ik aandacht (ik maak even reclame) voor een rapport waarin ik zelf veel tijd heb gestoken, een rapport van het Innovatieplatform Leren Excelleren. Daarin proberen we eens wat ingrediënten bij elkaar te voegen waar het onderwijs van peuterschool tot universiteit behoefte aan heeft in Nederland. Eigenlijk is de rode draad die door dat verhaal loopt de draad van de talentmaximalisatie. Dat houdt in: de noodzaak om geen talenten verloren te laten gaan, om iedereen aan te spreken op talenten en om iedereen te equiperen die talenten vervolgens compleet en volledig te ontwikkelen.
Dat zijn natuurlijk de klassieke talenten die onderwijzers graag plegen te ontwikkelen, denk aan lezen/ schrijven/ rekenen; cognitief, om het chique te zeggen. Maar er zijn ook andere talenten die het ontwikkelen meer dan waard zijn. We moeten dat talent breed durven definiëren; sport en cultuur leveren ook talenten op die ontwikkeld moeten worden. Verder moeten we moeten er inderdaad op toezien dat geen enkel talent verloren gaat. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar wel uitermate noodzakelijk. Ook hier kunnen we ons het in Nederland niet veroorloven fouten te maken.
Dus we moeten inderdaad bereid zijn die verschillen in talenten te onderkennen en vast te stellen. Vervolgens moeten we proberen, waar ook maar enigszins mogelijk, in ons onderwijs vanaf het begin tot het eind maatwerk te leveren, differentiatie te leveren, toe te staan dat mensen die verschillen positief ontwikkelen en die verschillen ook ervaren als kansen. Dus het gaat om die individuele ontwikkelingsmogelijkheden die mensen hebben. Die moeten dan ook in het hart staan van het onderwijsprogramma dat zich ze krijgen. Ook weer gemakkelijk gezegd maar niet zo gemakkelijk gedaan. Ik ben er heel blij mee dat er Differentiatie Minors op deze hogeschool zijn waar geprobeerd wordt die filosofie in de praktijk te brengen.
Wat mij betreft zouden we ook nog wat verder mogen gaan – studenten zouden actief de mogelijkheid moeten krijgen om via allerlei deeldiploma’s en deelcertificaten uiteindelijk zelf hun einddiploma te bouwen. Dat kan best; vroeger was dat in Nederland aanzienlijk gemakkelijker dan nu. Stapelen heette dit ook, maar stapelen is een positief ingrediënt van onderwijsfilosofie. En we zouden eigenlijk die ruimte weer expliciet moeten creëren. Het is heel goed voorstelbaar dat sommige studenten op een dimensie eindigen op een hbo-diploma, en op een andere dimensie door kunnen gaan naar de universiteit. Laten die combinaties dan maar mogelijk zijn. Ik zie daar niets verkeerds in, integendeel; diegenen die hun talenten willen maximaliseren moeten ook die mogelijkheden kunnen benutten.
Nu wil ik het hebben over verschillen als kansen in een ondernemend onderwijs. Misschien nog fundamenteler dan mijn constateringen van zojuist over het onderwijs, is de volgende observatie. In onze Nederlandse cultuur zijn we al te zeer gewend geraakt aan het wegwerken, het maskeren, het egaliseren van verschillen en aan de gedachte dat er een vlak speelveld moet komen. Dat weg-egaliseren hebben we wel heel erg tot een Leitmotiv verheven. Het zou juist een goede zaak zijn als we een balans proberen te vinden tussen, enerzijds, de noodzaak om irrelevante verschillen weg te werken en, anderzijds, tezelfdertijd te onderkennen dat er enorme verschillen bestaan in talent en aanleg tussen mensen onderling. Daar is niets mis mee, dat zijn positieve kansen voor de mensen zelf en het zijn positieve kansen waar het onderwijs expliciet op moet inspelen.
Daarmee zeg ik dan ook iets over hoe ik me de ondernemende student voorstel. De ondernemende student zal zich bewust zijn van zijn sterke en zwakke kanten. Hij zal taxeren wat hij gaat ontwikkelen en waar zijn beste kansen liggen, Vervolgens zal hij van zijn opleiding de ruimte verlangen dat ook te doen. Studenten moeten ondernemend zijn, maar docenten moeten het ook zijn.
Daarmee zijn docenten de tweede doelgroep van deze korte voordracht, want van docenten verwachten we vandaag de dag ook meer dan klakkeloos te herhalen wat ze vorig jaar gedaan hebben. Ook van docenten verwachten we creativiteit, vernieuwing, innovatie. Daarmee verwachten we dat docenten stimuleren, dat ze mensen in beweging zetten en inderdaad op zoek gaan naar talent en die talenten maximaal ontplooien. En dat betekent dat docenten ook zelf bij moeten leren, nieuwe vaardigheden moeten verwerven. Dat houdt in dat docenten daar ook de ruimte voor moeten krijgen, dan ook zelf maatwerk moeten kunnen leveren waar het gaat om hun eigen competentieprofiel, hun eigen aanleg. Uiteindelijk moeten docenten ervoor zorgen dat bij hetgeen zij te bieden hebben, zij zelf ook het onderste uit de eigen kan halen. We verwachten dus nogal wat van docenten. Ook van hen verwachten we de ondernemendheid, de bereidheid om zich interessant te profileren ten opzichte van hun collega’s, de bereidheid inderdaad die uitdaging aan te gaan. We verwachten waarschijnlijk de komende jaren steeds meer van hen, want het wordt steeds drukker op de onderwijsmarkt. Aangezien we heel veel hoge opgeleide mensen moeten hebben, verwachten we heel veel van de docenten die daarvoor moeten zorgen.
Als we dat allemaal verwachten van docenten, vind ik dat daar dan wel iets tegenover mag staan. Dat gaat dan om zaken als respect en waardering (vaag, ondefinieerbaar maar wel belangrijk) en (misschien heel veel concreter) om heel goede arbeidsvoorwaarden. En verder betreft het de mogelijkheid daarbinnen te differentiëren al naargelang docenten ook aanleg en talent hebben, en dat talent en die aanleg demonstreren en verder ontwikkelen. Dus moet er zowel ruimte zijn om dat te doen als waardering zijn voor diegenen die het dan ook inderdaad effectief en goed doen.
Docenten moeten ondernemend zijn, maar bestuurders moeten eveneens ondernemend zijn op de goede manier. Een ondernemende houding wordt evenzeer gevraagd van het bestuur van een onderwijsinstelling. Het allereerste boekje wat ik schreef in 1987 heette ‘de ondernemende universiteit’. Daarover zijn enorme misverstanden ontstaan; er is nooit bedoeld dat de universiteit een onderneming moest zijn. Deze hogeschool moet ook niet een onderneming willen zijn, want een onderneming heeft wezenlijk andere taken. Maar deze hogeschool moet wel ondernemend zijn, moet zich durven te profileren, ook durven te verschillen van andere aanbieders van onderwijsproducten op een interessante manier, op een vernieuwende manier en hier en daar dan ook op een risicovolle manier. Dat mag best. En mijn indruk is dat die boodschap bij deze hogeschool heel goed verstaan is.
Ik ben dus van mening dat die ruimte om ondernemend te zijn als onderwijsinstelling er moet zijn voor zo’n instelling, en dat de overheid die ruimte ook moet gunnen aan onderwijsinstellingen om dat ondernemend zijn actief te blijven doen. De komende jaren hebben wij helemaal geen behoefte aan grote onderwijshervormingen of stelselwijzigingen. Wel hebben we behoefte aan ruimte voor prestaties en plannen, en aan ruimte voor scholen die bewezen hebben daarmee verstandig om te springen. Voor zover deze onderwijsinstelling dat doet, zou ze die ruimte dan ook moeten krijgen. En als we wat vooruitblikken - en ook daarover staat in dat boekje ‘Leren excelleren’ het nodige - dan zouden we naar mijn idee toe moeten naar een onderwijsstelsel waarbij alle scholen (van kleuterschool tot universiteit en hogeschool) de ruimte krijgen een licentie voor onderwijs te verwerven op basis van geleverde prestaties en goede plannen. Vervolgens zouden de scholen ook een paar jaar met rust gelaten moeten worden als ze die plannen realiseren, en optreden met goede rapportages naar buiten, zonder een inspectie die je bij elke stap hinderlijk volgt.
Dames en heren, dat laatste is ook weer gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het speelt zich af in een setting die voor ons allemaal belangrijk is. We gaan immers toe naar nieuwe verkiezingen en ook nieuwe verkiezingen bieden nieuwe kansen. Een nieuwe kans die zeker benut moet worden, is het accent heel nadrukkelijk leggen op kennis, innovatie, scholing. En nu maak ik weer reclame voor het Innovatieplatform, en wel voor een andere publicatie daarvan, ‘De kennisinvesteringsagenda’. Ik hoop dat u daar allemaal eens een blik op wilt werpen, want daar staan zeer concrete plannen in om, tussen nu en tussen 2015, vele extra miljarden in onderwijs, kennis en scholing te investeren. Het is bitter nodig en het is ook dus dubbel nodig dat er steun voor komt, politieke steun. Die politieke steun begint bij de kiezers - en die kiezers zitten hier ook vandaag in de zaal.
Dames en heren, er is, kortom, een hoop te doen in het onderwijs en het thema ondernemendheid loopt als een rode draad door alles wat er te doen is. Dus beveel ik dat thema in deze brede zin van harte bij u aan. Ik vind het buitengewoon bemoedigend wat deze hogeschool op dat terrein presteert. Ik hoop dat het vooral zo blijft en dat het komende jaar er weer vele goede voorbeelden van zal opleveren!
Veel succes en dank voor uw aandacht.