12 november 2007
“De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst, waarbij de eene partij, de arbeider, zich verbindt, in dienst van de andere partij, den werkgever, tegen loon gedurende zekeren tijd arbeid te verrichten.” Deze bepaling kwam honderd jaar geleden onder verantwoordelijkheid van toenmalig minister van Justitie Ernst van Raalte in het Burgerlijk Wetboek terecht.
Dit jubileum was aanleiding voor de Sociaal-Economische Raad en de ministeries van Justitie en Sociale Zaken om vorige week dinsdag een symposium te beleggen over ‘Heden, verleden en toekomst van de arbeidsovereenkomst’. De sprekers hielden verschillende aspecten van de jubilerende wet tegen het licht, bezoekers stemden over stellingen en de verre opvolger van Van Raalte benadrukte dat er in die honderd jaar veel is veranderd, maar dat de essentie van die oude wet, ondanks 45 wijzigingen, niet is aangetast. Ernst Hirsch Ballin: “Het grondpatroon en de architectuur zijn in die honderd jaar overeind gebleven.”
Een opmerkelijk gegeven natuurlijk, vooral ook omdat boven dit drukbezochte symposium in de raadzaal van de SER nu juist de schaduw hing van een omstreden wijziging in het bestaande arbeidsrecht. De versoepeling van het ontslagrecht, waaraan minister van Sociale Zaken Piet Hein Donner al een tijd de handen vol heeft, bracht voor de aanvang van het symposium enkele tientallen vertegenwoordigers van het CNV op de been om tegen dat voornemen te demonstreren. “Met dit ontslagplan heeft de arbeidsovereenkomst geen toekomst”, stelden zij in hun pamflet dat ze voor het SER-gebouw uitdeelden. Ofwel: “Ontslagplan? De groeten!”
Binnen ging het over meer kanten van de arbeidsovereenkomst dan alleen de wijze waarop ze wordt beëindigd. Interessant daarbij was onder meer de bespreking van het uitgangspunt van de ongelijkheidscompensatie. Dat kenmerkte de wet destijds al maar geldt ook nu nog onverminderd: werkgever en werknemer verkeren ten opzichte van elkaar in een ongelijke positie. De werklieden van toen zijn veranderd in achtereenvolgens arbeiders, werknemers en uiteindelijk medewerkers, maar hun afhankelijke positie is altijd gebleven.
Hoogleraar arbeidsrecht Ferdinand Grapperhaus, tevens advocaat te Amsterdam, plaatste daar kanttekeningen bij. Tegenwoordig gaat het niet alleen meer om de verhouding en de afspraken tussen werkgever en werknemer. Grapperhaus wil naar een stelsel dat de werking van de arbeidsmarkt optimaliseert door mensen gelijke toegang te bieden tot middelen waarmee zij hun positie op de arbeidsmarkt kunnen versterken. “Mensen zijn mondiger geworden, minder afhankelijk. Dus moet je differentiëren.” In een variant op het non-discriminatiebeginsel uit de grondwet, dat stelt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, pleitte hij ervoor om ongelijkheid ook ongelijk te behandelen.
De kern van de wettelijke bepalingen over de arbeidsovereenkomst mag al die jaren in stand zijn gebleven, de omgeving waaraan die bepalingen hun maatschappelijke belang ontlenen is wel aan ingrijpende wijzigingen onderhevig, benadrukte Grapperhaus. Verdraagt de wet zich nog wel met de eisen die door de globalisering van de wereldeconomie aan de organisatie van de arbeid worden gesteld? Verliest de wet door allerlei ontwikkelingen niet snel haar betekenis?
In elk geval onttrekken veel nieuwe arrangementen zich in hoog temp aan bestaande regels, zoals blijkt uit de toename van tijdelijke arbeidscontracten en het groeiende aantal mensen dat als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) door het leven gaat. En de roep om verdere flexibilisering van de arbeidsverhoudingen wordt overal gehoord, maar wekt tegelijk meer weerstand op.
De Tilburgse hoogleraar sociaal recht TonWilthagen wees erop dat Nederland in de jaren negentig voorop liep in het combineren van flexibiliteit en zekerheid. Als warm voorstander van dit ‘flexicurty-concept’ vindt hij dat in de toekomstige arbeidsverhoudingen wederkerigheid in de risico’s van ondernemers en werknemers tot uitdrukking moet komen. Sommige risico’s komen primair voor rekening van de werkgever, maar in afgeleide zin ook voor werknemers. “Bij andere risico’s geldt het omgekeerde, omdat de risico’s zich primair manifesteren aan de kant van de werknemer. Het omgaan met risico’s is dan gebaat bij wederkerigheid”, meent Wilthagen.
Zijn collega Saskia Klosse (sociaal recht, Maastricht) noemde de groeiende behoefte aan flexibiliteit een belangrijke factor, maar wees erop dat die tegelijker tijd vraagt om meer werkzekerheid. In hoeverre kan dit binnen het arbeidsovereenkomstenrecht worden geregeld, vroeg zij zich af. “Reiken de arbeidsrechtelijke verplichtingen te ver in omvang of in tijd, dan is de kans groot dat werkgevers die verplichtingen van zich afschudden”, waarschuwde Klosse. Het gaat er om het evenwicht te bewaren. “Worden de arbeidsrechtelijke verplichtingen teveel opgerekt, dan is er een reëel gevaar dat de balans volledig verstoord raakt en de neiging om verantwoordelijkheden af te schuiven alleen maar verder wordt aangewakkerd.”
Historicus Cees Fasseur omschreef de wet van 1907 als een geslaagd, vroeg voorbeeld van
polderwetgeving, waarbij aan de rechter veel ruimte werd gelaten bij de praktische invulling en toepassing. “Dit verklaart het succes van de wet en haar lange levensduur.” Fasseur noemde het de verdienste van het toenmalige, vrijzinnig-democratische Kamerlid Hendrik Lodewijk Drucker, tevens hoogleraar te Leiden, dat de wet er ondanks scherpe tegenstellingen was gekomen. “Hij was de beste minister van Sociale Zaken die Nederland nooit heeft gehad”, zei Fasseur kort voordat minister Donner de zaal betrad voor zijn slotwoord.
Op zijn beurt benadrukte ook Donner dat het doel van de wet vooral lag in de bescherming van de arbeider, wiens positie ook honderd jaar later nog steeds die van de zwakste partij is. Omdat de wet juist op dat punt aan betekenis inboet, moet ze worden gemoderniseerd, betoogde de minister. Als de bescherming van de werknemers een belemmering is voor de bedrijfsvoering en nieuwkomers op de arbeidsmarkt onvoldoende kansen biedt, dwingt dat tot aanpassing. “En daarom is er nog altijd geen einde aan de kroniek van de aangekondigde herziening.”
Dit artikel verschijnt in het SER-bulletin dat later deze maand uitkomt. Tekst: Redmar Kooistra.