Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2006 | Verslag discussiemiddag 'Jongeren in beleid' en lezing Steven van Eijck

Verslag discussiemiddag 'Jongeren in beleid' en lezing Steven van Eijck

29 november 2006

SER-toekomstdebat Jongeren in beleid
De jonge Einsteins moeten kansen krijgen

Een wortel of een stok. Wat is het beste middel om jongeren aan te sporen tot het behalen van een diploma en het vinden van een baan? Wolter Smit (Jong Management) kiest voor de stok, Margo Vliegenthart (MBO Raad) voor de wortel en de meeste aanwezigen bij het SER-toekomstdebat op 29 november ook. De huidige generatie jongeren schijnt slimmer, socialer en sneller dan ooit. Een verslag van een boeiende middag.


Corien Lambregtse

De SER organiseerde het debat ‘Jongeren in Beleid’, omdat het zinnig is om de wereld eens te bekijken vanuit het perspectief van jongeren. “Hoe kijken zij aan tegen hun kansen op de arbeidsmarkt en de solidariteit tussen generaties?”, stelt SER-voorzitter Rinnooy Kan als beginvraag. Hij is er zeker van dat een debat vanuit het toekomstperspectief van jongeren een zinnige bijdrage levert aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken.
Spreker Steven van Eijck, jeugd-en jongerencommissaris, heeft het over de ‘Einstein-generatie’: de jongeren van nu zijn socialer, slimmer en sneller dan ooit. Volgens hem moet het komende kabinet vanuit dat optimistische perspectief nog meer werk maken van jeugd- en jongerenbeleid. “De arbeidsmarkt wordt krapper, maar dat lost het probleem van de jeugdwerkloosheid niet op. Er worden veel jongeren opgeleid waar niemand op zit te wachten, en werkgevers zoeken zich suf naar jongeren met een bepaalde opleiding, maar die zijn er niet.” Volgens de jeugdcommissaris is het hoog tijd om jongeren resultaatgericht te begeleiden naar de arbeidsmarkt. “Desnoods met minder vrijblijvendheid in studie of opleiding.”

Een van de grote problemen in het jongerenbeleid is nog steeds de uitval van scholieren. Zo’n 60.000 jongeren per jaar. Ze gaan van school zonder diploma en komen vervolgens niet aan het werk. Dat probleem wordt niet opgelost met een krappere arbeidsmarkt. “De aanval op de uitval kan niet hard genoeg worden ingezet”, meent Van Eijck. “De investering in een hangjongere die overlast veroorzaakt, verdient zich altijd terug. We moeten jongeren veel intensiever begeleiden. Vanaf hun schoolkeuze tot en met hun eerste vaste baan. Er zijn jongeren die uitgedaagd moeten worden door positieve prikkels. Anderen hebben een forse steun in de rug nodig, al dan niet met dwang.”

Er kunnen met aandacht en het bieden van kansen goede resultaten worden geboekt, zelfs met de moeilijkste doelgroep, is Van Eijcks ervaring. In twee Rotterdamse projecten hebben een groep Marokkaanse en een groep Antilliaanse jongeren werkervaring opgedaan. Ze leerden bijvoorbeeld op Rotterdam Airport een grote Boeing binnen te loodsen en kregen daar zo’n kick van dat ze gemotiveerd werden om een vak te leren. Volgens Van Eijck hebben alle 70 jongens nu een baan of ze volgen een leertraject. “We moeten jongeren kansen geven, hen laten zien hoe leuk het is om een vak te hebben.”

Frustratie-intolerantie
Een deel van de uitval van scholieren wordt volgens Margo Vliegenthart (voorzitter MBO-raad) veroorzaakt door foute studiekeuzes. “Er zijn zoveel jongeren die op hun zestiende nog absoluut niet weten wat ze kunnen of wat ze willen worden. De traditionele beroepsinteresse-testen voldoen niet meer. We moeten veel meer investeren in goede loopbaanbegeleiding. Vanaf de vakkenkeuze tot en met een vaste baan. En jongeren die nu overal buiten de boot vallen, kunnen we alleen helpen door ze perspectieven te geven.”

Maar Wolter Smit (voorzitter Jong Management) vindt dat jongeren niet te veel gepamperd moeten worden. “Jongeren hebben een veel te hoge frustratie-intolerantie. Ze leren niet voor successen te vechten, ze nemen genoegen met een mager zesje. Ik zou willen dat jongeren wat meer uitgedaagd werden, dat ze leren dat je op je eigen niveau voor succes moet werken. Wie zijn best niet doet, krijgt geen voldoende en moet het nog maar eens overdoen. Jongeren zijn te makkelijk, ze willen rijk worden zonder er iets voor te doen. Daar maak ik me zorgen over. Want als ik in Oost-Europa kom, dan kom ik wel allemaal jonge mensen tegen die staan te trappelen om aan het werk te gaan, om door te breken. Dat is een immens verschil met de jongeren in Nederland.”

Theo Bovens (bestuursvoorzitter Open Universiteit) ziet niets in een verplichte studiekeuze. “Je kunt nooit voorspellen aan welke vakmensen over tien jaar behoefte is. Ik ben blij dat mijn vader me heeft aangeraden om te gaan studeren wat ik zelf leuk vond. Het belangrijkste is om in elke opleiding nieuwsgierigheid, ondernemerschap en creativiteit te stimuleren. Dat leert mensen om hun leven lang actief te blijven en te blijven leren. En dat wordt steeds belangrijker.”

Een leven lang leren, dat vindt Judith Ploegman (voorzitter FNV Jong) ook heel belangrijk. Volgens haar moet er een onafhankelijk scholingsfonds komen, waar werknemers met een vast én met een flex-contract individuele trekkingsrechten uit krijgen. “Dat is zeker ook belangrijk voor jongeren met een flex-contract. Want het gevaar is dat jongeren na hun school in een tijdelijk baan terecht komen, en vervolgens van het ene tijdelijke baantje naar het andere gaan, zonder kans op een opleiding. Zonder kans om zich persoonlijk te ontwikkelen. Flexcontracten zijn mooi, maar niet als ze de kloof tussen werknemers met een vast en een tijdelijk contract vergroten.”

Solidariteit
Naast de arbeidsmarkt is de solidariteit tussen generaties een belangrijk sociaal-economisch vraagstuk aan het worden, signaleert de SER. Maar volgens Klaas Pieter Derks (voorzitter CNV Jong) moet solidariteit niet te veel worden geproblematiseerd. “Jongeren kunnen best leven met het vooruitzicht dat zij langer moeten werken dan de huidige generatie. ”Zolang solidariteit niet eenzijdig wordt afgewenteld op jongeren, maar de sterkste schouders de zwaarste lasten blijven dragen, kan iedereen daarmee leven, zo bleek ook in het panel.

Volgens Mei Li Vos (Alternatief voor Vakbond) wordt het probleem van de fiscalisering van de AOW, een strijdpunt in de verkiezingscampagne, zwaar overschat. “We hebben vanwege de vergrijzing inderdaad een demografisch probleempje, maar dat is niet alleen met geld op te lossen.” Er moet bijvoorbeeld ook gekeken worden naar arbeidsparticipatie. Vos gelooft er niet in dat jongeren tegenwoordig individualistischer zijn dan ouderen. “Wij maken andere keuzes dan eerdere generaties. Jongeren werken niet hun hele leven bij dezelfde werkgever en kiezen een ander beroep dan hun vader.” Zij is voor het handhaven van solidariteit tussen generaties, maar vooral tussen sterkeren en zwakkeren op de arbeidsmarkt. “Daarnaast moeten we ervoor zorgen dat mensen individuele keuzes kunnen maken, zonder daarin gehinderd te worden door collectieve regelingen. Je moet je pensioen of je arbeidsongeschiktheidsverzekering mee kunnen nemen, ook als je een tijd voor jezelf gaat werken.”

Edith Snoey (voorzitter ABVAKABO FNV) vindt dat op dit punt enige voorzichtigheid op haar plaats is. “Het blijkt toch vaak dat mensen de neiging hebben om volstrekt verkeerde, irrationale keuzes maken voor de lange termijn. Ik wil niemand betuttelen, maar we moeten voorkomen dat mensen verkeerde beslissingen nemen over hun pensioen, omdat ze de reikwijdte er niet van overzien. Er zijn dus wel uitdrukkelijk randvoorwaarden nodig bij individuele regelingen.”

Misschien worden insiders, waaronder ouderen, wel te zwaar beschermd ten opzichte van de outsiders, in het bijzonder jongeren, meent Rudi Nieuwenhoven (directeur Sociale Zaken VNO-NCW). “Ik ben blij dat werkgevers bij reorganisatie en ontslag naar een goede leeftijdsafspiegeling mogen kijken, en niet meer wie er het laatst bijgekomen is. Want dat betekende dat jonge mensen er het eerst uit gingen, terwijl de meeste bedrijven heel graag jong bloed in huis willen halen.”

Volgens hem sluiten beloningssystemen ook nog te veel aan bij anciënniteit. “Daar zouden we in de toekomst vanaf moeten. Ik ben meer voor schalen met een begin- en een eindniveau. En de stappen die een werknemer daar tussenin maakt, zijn afhankelijk van zijn ervaring en productiviteit. Dat geeft ook voor jongeren veel meer vrijheid.”

Jongerenraad
Alexander Rinnooy Kan vond het aan het eind van de middag nog steeds zinvol om de sociaal-economische vraagstukken vanuit het perspectief van jongeren te bekijken, en vooral ook om jongeren daarover zelf meer aan het woord te laten. Hij beloofde dat de SER het initiatief zal nemen voor een gezelschap van jongeren dat over dergelijke vraagstukken gaat nadenken.