24 mei 2004
Voor een klein land als Nederland met een open economie is Europese samenwerking noodzakelijk. Een adequaat EU-beleid is onmisbaar voor een hogere trendmatige economische groei in Nederland en de andere lidstaten. De meerwaarde van Europees beleid ligt vooral in een goede werking van de interne markt en de creatie van een Europese kennisruimte. Dat is de belangrijkste boodschap van het rapport Met Europa meer groei dat de Commissie Sociaal-Economische Deskundigen (CSED) van de SER vandaag heeft uitgebracht.
Het rapport onderzoekt hoe het EU-beleid een bijdrage tot hogere groei kan leveren en waar de lidstaten zelf – afzonderlijk of gezamenlijk – aan zet zijn. Dat gebeurt voor een aantal concrete terreinen: de voltooiing van de interne markt, de harmonisatie van de vennootschapsbelasting, Sociaal-Europa (het sociale acquis), een betere benutting van het arbeidspotentieel en de kenniseconomie. Daarbij wordt de positie van de nieuwe lidstaten afzonderlijk belicht. Het is belangrijk dat deze lidstaten het proces van inhaalgroei kunnen voortzetten.
Met dit rapport wil de CSED concreet aangeven waarom en hoe Nederland, tegen het toenemende euroscepticisme in, baat heeft bij een goed functionerende EU. Gezien de relatief kleine thuismarkt en in samenhang hiermee het grote gewicht van de internationaal opererende bedrijven is een goede werking van de interne markt juist voor ons land essentieel.
Aanleiding rapport
Aanleiding voor het rapport is bezorgdheid van de CSED over de lage economische groei en de consequenties ervan voor de houdbaarheid van de Europese verzorgingsstaten. Die zorg wordt nog vergroot door de groeiende twijfel in de publieke opinie over de meerwaarde van Europees beleid en over het Nederlands belang bij Europa. Instituties en beleid moeten worden aangepast aan structurele veranderingen als vergrijzing van de bevolking, mondialisering van de economie en snelle technologische ontwikkelingen. Verhoging van de economische groei is hierbij absolute noodzaak. Dit vereist een effectieve inzet van het arbeidspotentieel en een snellere groei van de arbeidsproductiviteit. Een betere benutting van de kansen die de EU op sociaal-economisch terrein biedt, is hierbij geboden.
Europees beleid De CSED vindt dat de interne markt verder voltooid moet worden. Regelgeving moet worden verbeterd, evenals de implementatie van Europese regels, vooral die op het gebied van uitbesteding van overheidsopdrachten, vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten, liefst al vóór 2007 en mededinging in netwerksectoren. Verbetering van de regelgeving op de interne markt vergt van de lidstaten meer wederzijdse erkenning en vertrouwen en een sterker
commitment aan eerdere afspraken. Verlaging van de administratieve lastendruk is belangrijk om ondernemerschap te bevorderen en de economische dynamiek te versterken. Extra lastendruk ontstaat vooral als lidstaten bestaande op Europese wetgeving stapelen.
Europese kennisruimte
Voor de toekomstige economische groei zijn vooral kennis en innovatie van belang. In dit verband bepleit de CSED de creatie van een Europese kennisruimte, een ‘interne markt voor kennis’. De invulling ervan vereist sterkere bevoegdheden op EU-niveau om het vrije verkeer van kennis (studenten, onderzoekers en ideeën) op afzienbare termijn te verwezenlijken. De CSED doet de volgende aanbevelingen:
- Uitwisseling van studenten moet worden gestimuleerd en in de daarbij relevante programma’s moet meer worden geïnvesteerd. Om deze markt aantrekkelijk te maken voor mensen van buiten de EU, zouden zij versneld een verblijfsvergunning voor de gehele EU moeten krijgen.
- Het kabinetsvoornemen verdient steun om zich tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in te zetten voor de totstandkoming van een onafhankelijke Europese onderzoeksraad met een substantieel onderzoeksbudget. De toewijzing van onderzoeksprojecten dient volgens de commissie louter op kwaliteitsoordelen plaats te vinden. Hierdoor ontstaan ‘centres of excellence’ die Europa aantrekkelijk maken voor toponderzoekers.
- Er is reden om de opzet van de kaderprogramma’s, het belangrijkste instrument van het communautaire kennis- en innovatiebeleid, aanzienlijk te verbeteren. De geringe betrokkenheid van het bedrijfsleven, de bureaucratische werkwijze en de veelheid aan doelstellingen zijn hierbij de belangrijkste aandachtspunten. De commissie bepleit bovendien systematisch evaluatieonderzoek (in verband met leereffecten) en meer samenhang tussen de verschillende pan-Europese programma’s.
- Om daadwerkelijk een Europese kennisruimte tot stand te brengen, zullen tot slot meer financiële middelen beschikbaar moeten komen. Dit moet primair gebeuren via een herschikking van bestaande middelen op de EU-begroting. Op het moment dat een deel van het nationale fundamentele onderzoek naar de Europese onderzoeksraad verschuift, ligt een overheveling van een deel van de nationale onderzoeksgelden naar het onderzoeksstimuleringsfonds van deze nieuwe onderzoeksraad in de rede.
Aanpassing regime vennootschapsbelasting
De goede werking van de interne markt wordt gefrustreerd door allerlei fiscale barrières voor ondernemingen. Er is onvoldoende afstemming tussen de lidstaten op het gebied van de vennootschapsbelasting (VpB). De beste oplossing is harmonisatie van de grondslag van de VpB, gekoppeld aan minimumtarieven. Zo dalen de transactiekosten voor bedrijven en wordt de steunfunctie van de VpB gewaarborgd. Bovendien kan worden voorkomen dat bedrijven van twee walletjes eten: wel van goede collectieve voorzieningen profiteren, maar hiervoor onvoldoende belasting betalen.
Nederland zou op het terrein van de VpB zich meer proactief moeten opstellen in Europa. De beoogde herziening van de VpB moet van begin af aan in een Europees kader worden geplaatst. Er is geen reden om het VpB tarief als reactie op de vestigingsplaatsconcurrentie uit de nieuwe lidstaten onmiddellijk te verlagen. Dit wil niet zeggen dat een VpB verlaging niet wenselijk kan zijn. Maar gezien de noodzaak de belastingverlaging te financieren is het van belang tot een bredere prioriteitsafweging te komen.
De lidstaten aan zet
Om de Europese economie beter te laten functioneren moeten de lidstaten ook zélf de nodige stappen zetten. Het gaat hierbij vooral om hogere investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D), betere benutting van het arbeidspotentieel en het sociale beleid in relatie tot de nieuwe lidstaten.
De afspraken van de lidstaten over een hogere arbeidsdeelname worden niet goed nagekomen, doordat de lidstaten deze óf niet kunnen waarmaken, óf zelf niet serieus genoeg nemen. Het probleem is niet dat de Europese Commissie onvoldoende druk op de lidstaten uitoefent. Lidstaten moeten de gemaakte afspraken in hun regeerprogramma’s en concrete beleidsvoornemens opnemen zodat ze daar door hun regeringen door hun nationale parlementen op kunnen worden afgerekend. Nationale parlementen moeten dus veel sterker bij de beleidsevaluatie worden betrokken. In de tweede plaats zouden lidstaten meer hun eigen doelstellingen moeten bepalen, zodat maatwerk mogelijk wordt.
Geen sociale dumping
De CSED verwacht geen sociale dumping als gevolg van de verschillen in sociale zekerheid tussen nieuwe en oude lidstaten. De gemiddeld lagere socialezekerheidsuitgaven spelen volgens haar geen rol bij de keuze door bedrijven van een vestigingsplaats. Er zal, net als indertijd met de zuidelijke lidstaten, een geleidelijke convergentie plaatsvinden naar het gemiddelde niveau van de socialezekerheidsuitgaven in de oude lidstaten. Want als de welvaart stijgt zal – ook gezien de vergrijzing – de druk toenemen om meer uit te geven aan gezondheidszorg en oudedagsvoorzieningen. Dat hoeft de EU niet af te dwingen door minimumnormen voor de socialezekerheidsuitgaven voor te schrijven. De lidstaten behouden ook na de uitbreiding voldoende speelruimte om de sociale zekerheid naar eigen inzicht in te richten.
CSED
De Commissie Sociaal-Economisch Deskundigen is de enige SER-commissie waarin alleen onafhankelijke deskundigen zitten. De commissie brengt elke twee jaar een rapport uit. Het dagelijks bestuur van de SER bepaalt de onderwerpskeuze. Het rapport is bestemd voor de gedachtevorming in de SER, de organisaties van sociale partners en het kabinet. Prof.dr. A.H.J. Kolnaar is voorzitter. Bij de totstandkoming van dit rapport bestond de CSED verder uit de volgende leden: prof.dr. A.F.P. Bakker (De Nederlandsche Bank), prof.dr. C. van Ewijk (Centraal Planbureau), prof.dr. J.H. Garretsen, prof.dr. K.P. Goudswaard, prof.dr. R.A. de Mooij, prof.dr. L.F. van Muiswinkel, prof.dr. J.L.M. Pelkmans en prof.dr. P.J. Slot.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.